Skip to main content

Full text of "Krijgs- en geschiedkundige beschouwingen over Willem den derde, 1672-1697"

See other formats


This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non- commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 

at http : //books . google . com/| 



r- 



^itized by VjOOQIC 



DJ 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



'1 



Digitized by 



Google 



I / 



f^é 



KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN 
OVER WILLEM DEN DERDE. 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



Krijgs- en Geschiedkundige 
Beschouwingen 



OVER 



WILLEM DEN DERDE. 



EERSTE DEEL (1Ó72--1673) 



DOOR 



W'^'^KNOOP, 

in leven Luitenant-Generaal v. h. Nederl. Leger. 



de jonge vorst, uit d'eelsten stam gesproten, 



zweert d'eed van ITannibal voor 't oog der oppcrmagt: 

„help God dat ik 's volks ketens slake! 

'K zweer Frankrijk oniiitroeibrc wrake; 

breek ik mijn eed, dat mij dan 't voorgeslacht verzakc, 

mij uit haar kreits vcrstoote, en 't nakroost mij veracht, 

gelijk een vreemde slaaf, in schande voortgebragt." 

Gij weet het Lodcwijk, heeft hij zijn eed betracht? 

Helmers. 



SCHIEDAM, 
H. A. M. ROELANTS, 

1895. 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



INHOUD VAN HET EERSTE DEEL. 



»i 



HOOFDSTUK I. 



Willem ni als legerhoofd; wijze van oorlogvoeren in de 17e 
eeuw Bladz. i 

Lof van Willem III als staatsman en regent; miskenning als leger- 

I hoofd. — Oorzaak van die miskenning. — Willem III behaalt dikwijls 

▼oordeelen in zijne oorlogen. — Oorzaak van zijoe tegenspoeden. — Het 
Fransche krijgswezen. — Samenstelling der legers van Willem III : Engel- 
sche en Hollandsche troepen; Spaanscbe troepen; Duitsche troepen. — 
Het slepende houden van den oorlog door Willem lil. — Bekwaamheid 
van Willem UI in het kiezen van stellingen. — Over de veldslagen. — 
Kenmerk van Napoleon^s veldslagen. — Kenmerk der strategie van Wil- 
lem UI, in 1672 en 1673. — Legervorming door Willem UI. — Gestreng* 
heid vao Willem IIL — Brief van Willem lU aan De Ruyter (1673). 

I — De Hollandsche infanterie tijdens Willem III. — Onderbevelhebbers, 

door Willem III gevormd. — Dapperheid van den Stadhouder. — In- 
druk door Willem III op zijne tijdgenooten gemaakt. 
De oorlogen van de 17e eeuw, weinig beslissend. — Vergelijking 

1 van de samenstelling der hedendaagsche legers met die der 17e eeuw. 

I De soldaten van de vroegere legers; de officieren. — Mindere talrijk- 

heid van de vroegere legers. — Grootere invloed van de vestingen. — 
Gewone gang van de vroegere oorlogen. — Wijze van voeding der 
legers te velde. — Invloed van het magazijnstelsel op de bewegingen 

i van de legers. — Langzaamheid van de marschen. — Korte duur van 

I de veldtochten. — Algemeene schets van de strategie der 1 7e eeuw : de 

I aanvaller; de verdediger. — De veldslagen. 

I* HOOFDSTUK II. 

^ Lodewijk XIV; Colbert; Louvois Bladz. 35 

Karakter van Lodewijk XIV. — Voorbeelden van willekeur: verove- 
ring van lotharingen in 1670; aanslag op De Tlsola (1674); aanslag 
op het leven van Willem III (1692); poging om een Franschman te 
^ Amsterdam op te lichten (1681); Maltioli (1679); Heinsius (1680). — 
J Afhankelijkheid van de Europeesche regeeringen van Lodewijk XIV. 
^ — De Hertog van Mecklenburg (1684). 

Colbert 
^ Louvois. — Verhouding van Louvois tot de Fransche maarschalken. 

i — De Bellefonds. — Condé. — Luxembourg. — Turenne. — Vauban. 



283447 ^ , 

/Google 



Digitized by ^ 



— Neiging van Lodewijk XIV en van Louvois voor den vestingoor- 
log. — Gebeurtenis bij Bouchain (1676). — Ondankbaaiheid van Lode- 
wijk XIV ten aanzien van Louvois. 

HOOFDSTUK IIL 

1672. Aanleiding tot den oorlog van 1672; toebereidselen; strijd- 
krachten; oorlogsplannen Bladz. 60 

Verklaring van Lodewijk XIV over de aanleiding tot den oorlog van 
1672. — Aanmerkingen daarop. — Ongunstig oordeel over de staatkunde 
van De Witt door Grovestins. — Verdediging van de staatkunde van 
De Witt. 

Uitbreiding der strijdkrachten van Lodewijk XIV. — Wervingen in Italië ; 
in Zwitserland. — Opmerking. — Onderhandelingen van Frankrijk met 
Keulen en Munster. — Aankoop van leeftocht en munitie door de Fran- 
schen. — Samenkomst van Louvois met den keurvorst van Keulen. 

Sterkte van het Fransche leger in 1672. — Militaire waarde der troe- 
pen — De bevelhebbers: Turenne; Condé; Luxembourg. — Verstand- 
houdingen in de Republiek met Frankrijk. 

Sterkte en samenstelling van het Hollandsche leger. — Over de ver- 
houding tusschen voetvolk en ruiterij. — Over de uitbreiding van het 
leger van 1671 tot 1673. — Militaire waarde der toenmalige Holland- 
sche troepen. — Toestand der vestingen. — Natuurlijke verdedigings- 
middelen. — Volkswapeninp. — Opperbevelhebber. — Bondgenooten. 

Over het beste operatieplan van den aanvaller. — Operatielijn. — Over 
het operatieplan des verdedigers. — Invloed van den oorlog ter zee op 
dien te land. 

HOOFDSTUK IV. 

1672. Eerste krijgsverrichtingen ; overtocht van den Rijn; staats- 
omwenteling; de Hollandsche waterlinie .... Bladz. 98 

Begin van de vijandelijkheden 'April 1672). — Strategische opmarsch 
van de Fransche legers (Mei 1672). — Belegeringen: van Wezel (i — 5 
Juni); Burik (1—4 Juni); Orsoy (2 -3 Juni); Rijnberg (2— 6 Juni); Rees 
(8—9 Juni). — Inneming van Emmerik {9 Juni); Deutekom (9 Juni); 
Grol (9 Juni). — Opmerking. — Stelling van het Hollandsche leger 
achter den IJsel. — Opmarsch van het Fransche leger naar den IJsel. — 
Overtocht van den Rijn bij het tolhuis (12 Juni). — Opmerkingen — 
Verdere bewegingen van het Fransche leger — Terugtocht van Wil- 
lem III op Utrecht (14 — 15 Juni); terugtocht op Holland (18 Juni). — 
Beschouwingen over dit gedeelte van den veldtocht; over de handelin- 
gen van den aanvaller; over de handelingen van den verdediger. 

Staatsomwenteling van 1672. — De Hollandsche waterlinie. — Verdee- 
ling van de Hollandsche troepen. — Versterking der linie. — Verster- 
king van het leger. 

Verrichtingen der Franschen. — Oordeel van Lodewijk XIV over het 
onderwaterzetten van Holland in 1672. — Over de aanvankelijke ge- 
zindheid van Amsterdam om zich te onderwerpen. — Over de harde 
vredesvoorwaarden, door Lodewijk XIV gesteld — Traagheid van de 
krijgsverrichtingen der Franschen. — Oorzaken van de weinige werk- 
dadigheid des vijands. — Over het niet bezetten van Muiden door de 
Franschen. — Over het loslaten van de Hollandsche krijgsgevangenen. 

— Opmerking. — Verdere verrichtingen bij de Waterlinie. 



Digitized by 



Google 



INHOUD. VII 

HOOFDSTUK V. 

Belegeringen; Aardenburg; krijgsverrichtingen in de oostelijke 
Gewesten; Groningen; algemeene opmerkingen . Bladz. '137 

Arnhem. — Knodsenburg. — Schenkeoschans. — Tiel — Voorne. 

— Si. Andries. — Doesburg. — Zutfen. — Aardenburg. — Nijmegen. — 
Grave. — Crèvecoeur. — Bommel. — Vertrek van Lodewijk XIV uit Hol- 
land. 

Sterkte van het Munstersche en Keulsche leger. — Deventer. — Hattem. 

— Zwolle. — Onderwerping van Overij^el — Tuesiand van Friesland 
en Groningen. — Inval des vijands in * -roningen. — Coevorden. — Gronin- 
gen. — Verdere krijgsveriichtiugen in Groningen en Overij.sel. 

Beschouwingen over de krijgsverrichtingen van den zomer van 1672. 

HOOFDSTUK VI. 

Overgang van Willem IH tot den aanval; Woerden; tocht naar 
Maastricht en de boven-Maas (najaar van 1672). Bladz. 178 

Besluit van Willem III om tot den aanval over te gaan. — Aanslag 
op Woerden (10—12 Ociober). — Gevecht bij Woerden (11 Ociober). 

— Opmerking. 

Aanvalsplan van Willem III in November 1672. — Handelingen van 
de Duitsche legers. — Operatiëu van Willem III. — Valkenburg (6 — 7 
December). — Uiteengaan van de Duiische legers (einde December). — 
Charleroi (15 — 22 December), — Rousset over de onderneming van 
Willem m. 

HOOFDSTUK VII. 

Wreedheden door Luxembour/ gepleegd; Bodegraven en Zwam- 
merdam; Coevorden; strategische opmerkingen . Bladz. 203 

Krijgsverrichtingen na het gevecht van Woerden. — Over de wreedhe- 
den door Luxembourg gepleegd. — Verdedigingsmaatregelen in Holland. 

— Onderneming van Luxembourg (28- 30 December). — Königsmarck 
aan de Goudsche Sluis. — Opmerking. — Gevaarlijke toestand van Luxem- 
bourg. — Pain-et-Vin. — Königsmarck. — Aftocht van Luxembourg (30 
December) — Rousset over de onderneming van Luxembourg. 

Krijgsverrichtingen in Groningen^ in hel najaar van 1672. — Coevor- 
den (30 December). 

Beschouwingen over de krijgsverrichtingen in de laatste dagen van 1672. 

— Over de operatiën van Willem III in de Zuidelijke Nederlanden. — 
Over Luxembourg*s inval in Holland. — Over de krijgsverrichtingen in 
de oostelijke provinciën. 

HOOFDSTUK VUL 

Toestand van de oorlogvoerende partijen bij het begin van 1673; 
krijgstoerustingen ; krijgsverrichtingen in de noordoostelijke 
provinciën en in Holland Bladz. 2 28 

Frankrijk, Engeland, Keulen en Munster. — De Republiek, Spanje, 
de keurvorst van Brandenburg. — Krijgstoerustingen van Engeland en 
Frankrijk. — Verlaten van HoUandsche vestingen door de Franschen. 
— Afpersingen door de Franschen in Holland gepleegd. — Condé in 



Digitized by 



Google 



Holland (zomer van 1673). — KrijgstoerustiDgen van de Republiek en 
van hare bondgenooten. — Legermacht van de Republiek in 1673. — 
Schutterijen; volkswapeniog. — Friesland en Groningen. — Friesche 
linie. — Versterkingen in Holland. — HoUandsche linie. - Zeeland. — 
Noord.Braband. — Willem III bepaalt zich aanvankelijk tot de verdediging. 

Krijgsverrichtingen in de Noordoostelijke gewesten. — Afdamming van 
de Vecht. — Gevecht bij Staphorst {2 Juli). — Aanslag op Zwartsluis (20 
Juli). — Inneming van de Langakkerschans. — Ontzet van Coevorden 
(i Oclober). 

Krijgsverrichtingen in Holland. — Brief van Willem III aan De Ruyter. 

— Bezetting van Nieuwersluis (14 Mei). — Condé's pogingen om Mui- 
den aan te vallen (Mei en Juni). 

HOOFDSTUK IX. 

Beleg van Maastricht; ontbinding van het leger van Lodewijk 
XIV Bladz. 252 

Opcratiën van Turenne in de eerste helft van 1673. 

Opmarsch naar de Nederlanden van het leger van Lodewijk XIV 
(Mei 1673). — Insluiting van Maastricht (6—14 Juni). — Toestand van 
Maastricht in 1673. — Beleg van Maastricht (13 — 30 Juni); opening 
der loopgraven; bestorming van den bedekten weg (24— 25 Juni); be- 
storming en inneming van de buitenwerken (28—29 J"^*)? slechte ge- 
zindheid der burgerij; overgave (1 Juli); verliezen. — Rousset over het 
beleg van Maastricht. 

Ontbinding van het leger van Lodewijk XIV. — Vruchteloozc vredes- 
onderhandelingen. — Staatkundige handelingen van Willem III. 

HOOFDSTUK X. 
Naarden; winterveldtocht van 1673; ontruiming van Hol- 
land Bladz. 278 

Toebcreidselen van Willem III tot den aanvallenden oorlog. — Beleg 
van Naarden (6 — 12 September); toestand der vesting; voorbereidende 
maatregelen tot bet beleg; gang van het beleg; maatregelen van Luxem- 
bourg tot ontzet van Naarden; bestorming van Naarden; overgave. — 
Beschouwingen over het beleg van Naarden. — Rousset over Naarden. 

— Ontruiming van eenige HoUandsche steden door de Franschen. 
Aanvallende beweging van Willem III naar den Rijn (October— November 

1673). — Opmarsch van het leger des Stadhouders. — Bestorming en inne- 
ming van Rheinbach (a November) — Bewegingen van Condé en van 
Luxembourg. — Operatiën van Monte Cuculi en Turenne in 1673 in Duitsch- 
land. — Vereeniging van het Keizerlijke leger met dat van Willem III 
(3 November). - Beleg van Bonn (5—13 November) ; toestand van de ves- 
ting; bezetting en bewapening; sterkte des belegeraars; belegerings-werk- 
zaamheden ; bestorming van het ravelijn bij de Keulsche poort (11 Novem- 
ber); overgave (13 November). — Opmerkingen. — Inneming van Brühl, 
Lechenich^ Kerpen en Duren (15 — 23 November). — Einde der operatiën. 
Gevolgen van de inneming van Bonn. — Begin der ontruiming van Hol- 
land (November 1673). — Poging van Willem III om den aftocht van 
Luxembourg te verhinderen (December 1673) — Kritische beschouwingen 
over den veldtocht van 1673. — Rousset over de ontruiming van Holland. 

— Rousset over het einde van den veldtocht. — Opmerking. 



Digitized by 



Google 



HOOFDSTUK I. 

WILLEM III ALS LEGERHOOFD. — WIJZE VAN OORLOGVOEREN 
IN DE 17e EEUW. 

Indien er ééne waarheid onbetwistbaar is, dan is het wel deze, 
dat onze Stadhouder Willem de Derde eene geschiedkundige groot- 
heid heeft verworven, die door weinig anderen wordt overtroffen 
of geëvenaard; in het aan helden en groote mannen zoo rijke 
Stamhuis van Oranje overschaduwt de derde Willem schier allen, 
en moet zijn roem alleen onderdoen voor dien van den onster- 
felijken eersten Willem. Redder van het veege Nederland in 
1672, bevrijder van Engeland van het juk van een dweepziek 
koning, onvermoeid kampvechter voor de vrijheid van Europa 
tegen de heerschzucht van Lodewijk XIV, is Willem de Derde 
een dier groote, buitengewone mannen geweest, wier machtige 
geest aan den stroom der wereldgebeurtenissen een andere rich- 
ting weet te geven; een dier heröen, aan wie de volkeren vol 
vertrouwen zich aansluiten, als aan de voorstanders en bescher- 
mers van hunne vrijheid en onafhankelijkheid. 

Overbodig is het dus, de grootheid van Willem III als staats- 
man, als gebieder tè willen betoogen: die wordt nu door nie- 
mand meer betwist. Iets anders is het evenwel met zijn roem 
als legerhoofd: die wordt minder algemeen erkend; die wordt 
meer betwijfeld; daaraan wordt geen recht genoeg gedaan. 

De miskenning, die den Stadhouder als veldheer ten deel valt, 
is vooral daardoor verklaarbaar, dat het algemeen de oorlogen 
uit den tijd van Lodewijk XIV voornamelijk slechts kent uit 
de verhalen van Fransche schrijvers, uit de verhalen van de 
vijanden van Willem III. Die schrijvers beoordeelen hun groo- 
tcn tegenstander dikwijls met lichtvaardigheid en tamelijk uit 
de hoogte. » Grand politique, mais général médiocre," zoo wordt 

WILLEM m. — I. I 



Digitized by 



Google 



2 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

hij door Beaurain afgeschilderd. Voltaire, iets gunstiger, geeft 
hem toch ook maar een halven lof, door van hem te zeggen : 
»général h, craindre quoiqu'il eüt perdu beaucoup de batailles;" 
wat er in de eerste helft van die uitspraak vleiends is, wordt 
weggenomen door het ongunstige van de tweede helft. Eindelijk 
Folard, die in de dagen van Lodewijk XIV als krijgskundig 
schrijver een even groote en even welverdiende vermaardheid 
genoot als in onze eeuw Clausewitz of Rüstow, doet wel is waar 
iets meer recht aan het veldheerstalent van Willem III, wanneer 
die schrijver, sprekende over den oorlog van 1672 — 1678, zegt: 

>La HoUande ne füt gueres moins malheureuse en généraux 
dans sa guerre contre Louis XIV, qu'elle fÜt heureuse en grands 
capitaines et en politiques raünés, dans celle contre TEspagne, 
au commencement de cette République. Celui qui prit Ie com- 
mandement de ses forces (Guillaume, Prince d'Orange), après les 
disgraces des généraux qui Ie précédèrent, qui étaient fort mal- 
habiles et sans expérience, apprit, tout au rebours, k se faire 
respecter et h. s'acquérir de Testime, malgré ses continuelles 
défaites ; ce qui décourage et abat les autres, ne Tébranla pas. Sa 
patience, sa constance et son courage Ie mirent au dessus des 
plus grands revers de fortune: artisan industrieux et profond de 
brigues, de querelles et de ligues les plus fameuses, qui seules 
sauvèrent sa patrie prête k tomber. 

Le Prince de Condé, qui était fin connaisseur, augura de lè, 
que ce Prince serait un jour un grand capitaine, et qu'il appren- 
drait peut être k nous battre, k force d'être battu. Rendons lui 
justice, il était plus malheureux que malhabile." (Folard, 4e deel, 

bl. 353). 

Folard, hebben wij gezegd, doet iets meer recht dan anderen 
aan het veldheerstalent van Willem III; toch wordt, in de hier 
aangehaalde plaats uit de werken van den Franschen schrijver, 
geen bepaalde lof gegeven aan deïi stadhouder, als legerhoofd. 
Integendeel, hoezeer de stadhouder geroemd wordt wegens zijn 
standvastigheid in tegenspoed, wordt hij toch hoofdzakelijk als 
staatsman geprezen: »artisan industrieux et profond de brigues, 
de querelles et de ligues les plus fameuses" ; de voorspelling van 
Condé wordt aangehaald, dat Willem III eens een groot veldheer 
zou worden; maar daar wordt niet bijgevoegd, dat die voor- 
spelling bewaarheid is; en, wanneer Folard zegt, dat de neder- 
lagen van den stadhouder meer moeten worden geweten aan 
ongeluk dan aan onbekwaamheid: »il était plus malheureux que 
malhabile"; dan zal men moeten erkennen, dat dit eene dubbel- 
zinnige lofspraak is; ten minste een zeer beperkte. 

In hel buitenland oordeelt men over de oorlogen van Lodewijk 
XrV hoofdzakelijk en alleen naar datgene wat de Fransche schrijvers 



Digitized by 



Google 



WILLEM III ALS LEGKRHOOFD. 3 

daarover hebben geboekt; en dit is zeer natuurlijk, want die 
schrijvers zijn wel niet de meest waarheidlievende, verre van 
daar; maar die schrijvers zijn het meest duidelijk, het meest be- 
grijpelijk; zij munten uit in kennis en oordeel; zij zijn het aan- 
genaamst om te lezen, en zij schrijven in eene taal die algemeen 
gelezen wordt. Vandaar dan ook, dat het minder gunstig oordeel 
over Willem III als veldheer bijna algemeen wordt nageschreven, 
zonder verder onderzoek. 

Een enkele der nieuwere krijgskundige schrijvers maakt hierop 
eene uitzondering. Clausewitz heeft de krijgsdaden van Willem III 
niet afzonderlijk behandeld; slechts een enkelen keer, en zeer in 
het voorbijgaan^ gewaagt hij van dien stadhouder; toch schijnt hij 
diens uitstekendheid, ook als veldheer, te hebben ingezien; ten 
minste, in het klassieke werk van Clausewitz >Over den oorlog" 
wordt over de verdediging van inundatiën gezegd, dat de ver- 
dediging der HoUandsche inundatiën in 1672 te danken was >aan 
de verstandige, schrandere en krachtige leiding van Willem van 
Oranje." (2e deel, bl. 94; HoUandsche vertaling). 

Willem de Derde, hoe groot ook in andere opzichten, behoort 
niet tot de groote legerhoofden. Ziedaar, in het kort, het oor- 
deel dat vrij algemeen over dien vorst wordt uitgesproken: zie- 
daar echter een oordeel dat onjuist en onbillijk is. Wij zullen 
trachten dat aan te toonen. 

Lees welke vreemde schrijvers gij wilt over de oorlogen van 
Willem III, zij zullen u allen den indruk geven, dat hij dapper- 
heid en standvastigheid bezat, dat hij zich door geen tegenspoeden 
liet schokken of nederslaan, dat hij nederlagen goed wist te her- 
stellen; maar niet, dat hij overwinningen wist te behalen. Het 
komt bij die schrijvers daarop neer, dat Willem ÜI, bij zijne 
oorlogen, bekwaam genoeg was om de nadeelen zoo gering 
mogelijk te maken ; — maar niet bekwaam genoeg om voordeelen 
te behalen. Hoogstens is men welwillend genoeg om op hem de 
woorden toe te passen, waarmede Voltaire een vroeger Fransch 
legerhoofd, Coligny, heeft geschilderd: 

»Malheureux quelquefois, mais toujours redoute; 
Sgavaot daus les combats, s^avant dans les retraites, 
Plus grand, 'plus glorieux, plus craint dans les défaites, 
Que DuDois ni Gaston ne Tont jamais été 
Dans Ie cours triomphant de leur prospérité." 

Henriade. Ch II. 

Is die voorstelling van Willem III, als een altijd ongelukkig, 
altijd overwonnen legerhoofd, waar? 

Volstrekt niet. Ga de oorlogen na, door den stadhouder ge- 
voerd, dien eersten oorlog van 1672 — 1678 tegen Lodewijk XIV, 
dien veldtocht van 1690 in Ierland, en dien tweeden Franschen 



Digitized by 



Google 



4 KRÏJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

oorlog van 1688 — 1697; bestudeer die lange reeks van krijgsver- 
richtingen, dien Ilias van veldslagen en belegeringen, dan zult gij 
daarin wapenfeiten vinden, die voor den Oranjevorst schitterende 
voordeden, belangrijke overwinningen zijn geweest. Naarden, dat 
in 1673 genomen wordt, bijna in het gezicht van Luxembourg's 
leger; Bonn, dat in hetzelfde jaar bemachtigd wordt, en waar- 
door de ontruiming van Holland door den vijand noodzakelijk 
wordt gemaakt; Séneffe (1674), die bloedige, heldhaftige worste- 
ling, met tegenspoed en nederlaag begonnen, maar als glorie- 
volle overwinning geëindigd; de slag aan de Boyne (1690), waar 
Willem III in het gezicht des vijands die rivier overtrok en het 
leger van koning Jakobus sloeg; en de inneming van Namen 
in 1695, ^oen die groote, sterke vesting genomen werd, in 
weerwil van het ten ontzet opgerukte leger van Villeroy; zie- 
daar bewijzen genoeg dat Willem III wist te overwinnen, dat 
zijne veldtochten niet altijd zijn gekenmerkt geworden door ne- 
derlagen. 

Toch zeer dikwijls, — zal men aanmerken. Wij ontkennen 
dit niet; maar wij voegen er bij, dat dit zeer natuurlijk was, 
omdat, bijna altijd, bij zijne oorlogen, Willem III met minder 
strijdkrachten optrad dan zijne tegenpartij. 

Minder strijdkrachten: men moet hier toch niet enkel op de 
cijfers letten, maar voornamelijk op het gehalte en de samen- 
stelling der legers. 

Willem III had Fransche legers te bestrijden. Nu jnogen de 
gebeurtenissen van 1870 eenige afbreuk gedaan hebben aan den 
Franschen krijgsroem, toch blijft het eene onbetwistbare waarheid, 
dat, in den regel, Fransche legers goede legers zijn. Vooral 
waren dit de legers van Lodewijk XIV, en vooral in de eerste 
helft van de regeering van dien koning: zijne legers waren toen 
uitmuntend samengesteld, door den besten geest bezield, en voor- 
zien van alles wat door de toenmalige wijze van oorlogvoeren 
werd gevorderd. Zij werden aangevoerd door legerhoofden, wier 
uitstekendheid te allen tijde gehuldigd zal worden: Condé, Turenne, 
Luxembourg ; daarbij bevond zich een Vauban om de belegeringen 
te besturen, wat destijds eene hoofdzaak was; de minister van 
oorlog was Louvois, een gewetenlooze wreedaard, maar een man 
van groote bekwaamheden; hij had wel het gebrek, om de 
legerhoofden te veel aan voorschriften te binden, wat dikwijls 
kwaad heeft gesticht; maar, uitstekend als Condé, Turenne en 
Luxembourg waren, konden deze zich sterk genoeg rekenen om 
zelfstandig te handelen en hunne eigene inzichten te volgen; 
Turenne heeft dit meer dan eens gedaan. Voeg daar nog bij, 
dat de legers van Lodewijk XIV legers van een en denzelfden 
Staat waren, een en denzelfden vorst gehoorzamende, die geheel 



Digitized by 



Google 



WILLEM III ALS LEGERHOOFD. 5 

vrij over die legers kon beschikken en daardoor aan de oorlogs- 
handelingen eene eenheid kon geven, die eene voorname voor- 
waarde is om overwinningen te behalen. 

Daarentegen voerde Willem III altijd verbondene legers 
aan; en, al het andere gelijkstaande, zijn zulke legers altijd in 
de minderheid, omdat er nooit die eenheid bij kan zijn, dat onder- 
ling vertrouwen, dat verband en die vaste samenhang, die men 
kan vinden bij legers van een en denzelfden Staat. 

In den regel bestonden de legers, door den Stadhouder aan- 
gevoerd, uit drie verschillende bestanddeelen. 

Men had daarbij, allereerst, de legermacht van de Republiek 
of door de Republiek betaald ; later, ook de Ëngelsche troepen. 
Dit gedeelte van het leger was de sterkste steun van Willem III; 
niet alleen omdat het uit goede troepen bestond, maar ook 
omdat het bestond uit troepen waarover hij vrij kon beschik- 
ken. Een tweede gedeelte werd uitgemaakt door de Spaansche 
krijgsmacht. Ook over dit gedeelte kon de Stadhouder genoeg- 
zaam beschikken; want den Spaanschen bevelhebbers ontbrak 
het veel minder aan den wil dan aan het vermogen om goed te 
handelen. De Spaansche legers, zoo uitmuntend^ zoo geducht ten 
dage van Alva, Parma en Spinola, hadden gedeeld in het alge- 
meen verval van de Spaansche monarchie; daar waren nog wel 
sporen overgebleven van den ouden heldengeest, en dapperheid 
viel nog op te merken evenzeer als volkstrots — een deugd, 
zelfs daar waar zij overdreven wordt — ; maar door wanbestuur 
en geldgebrek waren die legers in den ellendigsten toestand. 
Wapening, kleeding, uitrusting, onderhoud, — alles liet bij de 
Spaansche troepen van dien tijd zooveel te wenschen over, dat 
er met den besten wil van de wereld weinig meê viel uit te 
voeren. Met de gewone grootspraak werd toen door de Spaan- 
sche bewindhebbers gewaagd van hunne Krijgsmacht; maar wel 
te beklagen was hij, die onvoorwaardelijk geloof sloeg aan hunne 
woorden en daarop zijne ontwerpen bouwde; want, behalve dat 
de wezenlijke getalsterkte meestal maar half zoo groot was als 
het opgegeven cijfer, zoo bestond die macht ook grootendeels 
uit slecht gewapende, slecht uitgeruste soldaten, als bedelaars 
gekleed, schier honger en gebrek lijdende, en alleen door her- 
innering aan aiouden roem eenige kracht bezittende. Armoede 
en grootheid zijn toen bij de Spaansche troepen nauw verbonden; 
die troepen doen denken aan den armen edelman uit Victor 
Hugo's drama: 

»aussi pauvre que Job, aussi üer que Bragance; 
drapant sa gueuderie avec son iDsolence." 

Ruy Bias. 



Digitized by 



Google 



6 KRÏJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

Eindelijk, het derde bestanddeel van de legers van den Stad- 
houder werd uitgemaakt door de krijgsmacht van den Keizer, of 
van andere Duitsche vorsten. 

Die Duitsche troepen waren, over het algemeen, goed ; zoowel 
wat uitrusting, als wat samenstelling aangaat. Voor de Duitschers 
van dien tijd was de oorlog een uitverkoren handwerk, waarin 
zij uitmuntten; men vindt dan ook Duitsche troepen overal 
waar gestreden wordt, overal waar roem te verwerven is en — 
nog meer — waar buit te behalen is. Wanneer Willem III over 
dat gedeelte van zijn leger had kunnen beschikken, dan zou hem 
dit tot een grooten steun zijn geweest; — maar in zulk een ge- 
lukkigen toestand verkeerde hij niet. 

De troepen van den Keizer handelden gewoonlijk geheel op 
zichzelve en volgden de voorschriften van het Weener Kabinet, 
voorschriften, die vaak in lijnrechten strijd waren met de krijgs- 
plannen van Willem III, en dikwijls werden ingegeven door een 
staatkunde, zóó dubbelzinnig, zóó verkeerd, dat zij op verraad 
geleek, wanneer zij geen verraad is geweest. Het is bekend dat 
meer dan één staatsdienaar der Duitsche vorsten toen in Fransche 
soldij stond, en de Fransche belangen behartigde. 

Een paar voorbeelden mogen volstaan om aan te toonen, hoe 
weinig Willem III op die Duitsche troepen kon rekenen. Op het 
einde van 1672 mislukte de onderneming van Willem III tegen 
de gemeenschapslijnen der Franschen, omdat het Keizerlijke leger 
opzettelijk wegbleef van den Rijn. In 1674 verscheen het Keizer- 
lijke leger wel in de Nederlanden, maar het Keizerlijke leger- 
hoofd, De Souches, toonde al dadelijk dat het zijn voornemen 
was niets te doen ; noode, en eerst laat in den zomer, sloot hij zich 
bij het leger van den Stadhouder aan ; de slag van SénefFe werd 
tegen zijn zin geleverd; en toen, na dien veldslag, Willem III 
Oudenaarden belegerde en Condé oprukte tot ontzet van die 
vesting, weigerde De Souches om een nieuwen strijd te wagen; 
trok weg met zijne macht, en verliet kort daarop de Neder- 
landen, zonder iets uit te voeren. Aan zulk een steun heeft men 
niets. 

Let men op dien toestand van zaken, dan zal men tot de over- 
tuiging komen, dat Willem III bij zijne veldtochten bijna altijd 
de minderheid had in strijdkrachten. Wie de minderheid heeft 
in sterkte moet geen beslissenden strijd zoeken, maar integen- 
deel trachten den oorlog te rekken en tijd te winnen, zij het ten 
koste van kleine nadeelen. Dit deed Willem III op meesterlijke 
wijze; geheele veldtochten verloopen, waarin soms niets anders 
gebeurt dan het belegeren en innemen van een paar onbedui- 
dende vestingen. 

Dat slepende houden van den oorlog, dat is eene gebrekkige 



Digitized by 



Google 



WILLEM III ALS LEGERHOOFD. 7 

wijze van oorlogvoeren , dat is af Ie keuren 5 — dat is namelijk 
af ie keuren bij de partij die de sterkste is, en die dus door hare 
overmacht er naar kan streven om beslissende voordeelen te 
behalen ; maar bij de zwakste partij — en wij hebben reeds ge- 
zegd dat Willem III meestal in dien toestand verkeerde — is 
dat slepende houden van den oorlog, dat uitstellen van de beslis- 
sing een zeer goede, een zeer verstandige handeling. Men kan 
dan ook bij vele veldtochten van den Stadhouder duidelijk op- 
merken, dat hij er voornamelijk naar streeft, om een beslissenden 
strijd te ontwijken en slechts te zorgen dat de vijand niet meer dan 
onbeteekenende voordeelen behaalt; zooveel mogelijk worden de 
vestingen beschermd, en hare belegering verhinderd; maar kan 
het niet anders, dan wordt er eene enkele prijsgegeven en men 
laat haar door den vijand belegeren en innemen, liever dan een 
veldslag te wagen en zich aan eene beslissende nederlaag bloot 
te stellen, die de geheele ontbinding van het bondgenootschap 
tegen Frankrijk ten gevolge kon hebben. Wordt er een veldslag 
geleverd — en dit gebeurt niet bij eiken veldtocht — dan weet 
Willem III hierbij met zoo uitstekend beleid te werk te gaan, 
dat zelfs wanneer hij de nederlaag lijdt, die nederlaag altijd 
blijft zonder groote gevolgen; hij wordt meermalen geslagen, 
maar nooit verslagen. 

Een voorbeeld hiervan is, onder andere, de slag van Neer- 
winden op den 29 Juli 1693. De Franschen beweerden, dat 
Luxembourg hier eene volkomen overwinning had behaald; de 
Stadhouder — of toen Koning Willem — had, na wonderen 
van dapperheid gedaan te hebben, het slagveld verlaten, slechts 
acht der zijnen bij zich hebbende; het Hollandsche leger was 
geheel uiteen, en op de vlucht naar Holland. — Van al die 
bluffende grootspraak was niets waar dan de dapperheid van 
Willem III. Den 31 Juli 1693, dus twee dagen na de behaalde 
overwinning, was Luxembourg met zijn leger nog niet verder 
voortgerukt dan tot een half uur afstands van het slagveld, en 
veertien dagen na dien strijd was Willem III weer te velde met 
een leger, volkomen in staat een nieuwen strijd aan te gaan. 

Een voornaam middel dat de Stadhouder aanwendde, hetzij 
om een veldslag te ontwijken, hetzij om dien met voordeel te 
leveren, was het kiezen van goede verdedigende stellingen. 

Bij Ncerwinden trekt hij goed partij van de veldverschansing ; 
op den avond van den 28 Juli komt Luxembourg's leger voor de 
stelling der bondgenooten ; nog gedurende den nacht wordt die stel- 
ling verschanst, wat veel bijdroeg om op den 29en dien hardnek- 
kigen tegenstand te kunnen bieden, die het zoo lang onzeker 
maakte wie overwinnaar zou blijven. 

Vooral bij den veldslag van Séneffe (11 Augustus 1674) kwam 



Digitized by 



Google 



8 KKJJOS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

de groote bekwaamheid uit van Willem III in het kiezen van 
sterke verdedigende stellingen; en hier was die bekwaamheid te 
opmerkelijker, omdat hij geen tijd had om zich te bedenken^ 
maar de keus van zijne stellingen op het oogenblik moest doen^ 
te midden van de verwarring door Condé's ontstuimigen aanval 
teweeggebracht. 

Nog moet men hierbij in betoog houden, dat de Stadhouder^wat die 
keus der stellingen aangaat, zeer in het nadeel was bij een legerhoofd 
van onze dagen : nauwkeurige en uitvoerige topografische kaarten 
van het oorlogstooneel — zooals men ze thans heeft — beston- 
den er destijds niet ; men had geen generalen staf, die thans op be- 
kwame wijze de inzichten des veldheers verwezenlijkt en uitvoering 
geeft aan zijne algemeene bevelen ; ook waren de troepen toen 
veel minder beweegbaar dan thans, het waren werktuigen, veel 
moeielijker te behandelen. 

Bij de hedendaagsche oorlogen is het leveren van een veld- 
slag het voorname middel om tot eene beslissing te komen. In 
de dagen van Willem III diende hiertoe, behalve de veld- 
slagen, ook het nemen van vijandelijke vestingen; de inneming 
van eene groote vesting, zooals Namen, Maastricht of Rijssel, 
stond toen gelijk met het winnen van een veldslag. Het kwam 
er toen evenals nu voornamelijk op aan, om 's vijands strijd- 
krachten te vernielen; ddt, veel meer dan het veroveren van 
vijandelijk grondgebied, dwingt de tegenpartij tot den vrede. 

Om de uitstekendheid van Willem UI als veldheer duidelijker 
te maken, herinneren wij hier kortelijk aan enkele krijgskundige 
waarheden. 

De grootste kunst van den veldheer, bij het leveren van een 
veldslag, bestaat in twee zaken: vooreerst, de kans op het win- 
nen van dien veldslag zoo groot mogelijk te maken, door op 
het slagveld te verschijnen met de sterkst mogelijke macht en 
onder de gunstigste omstandigheden; en ten tweede, tijd en plaats 
van dien veldslag zoodanig uit te kiezen, dat, is men overwinnaar, 
de meest naogelijke vruchten uit die overwinning worden getrok- 
ken ; en , wordt men geslagen, de nederlaag de minst mogelijke 
nadeelen oplevert. Het is volstrekt geen onverschillige zaak, waar 
en wanneer de veldslag plaats heeft ; integendeel, daarvan kan 
de beslissing van den oorlog afhangen; dat juist in te zien en 
goed te regelen, is het kenmerk van een groot veldheer; dit 
vooral, maakt het uitstekende uit van Napoleon als legerhoofd. 
Vóór Napoleon's tijd werd te weinig hierop gelet; vandaar dat 
zoovele veldslagen geleverd zijn die geen beslissing hebben aan- 
gebracht. 

De veldslagen bij de ouden — of, om juister te spreken, de 
veldslagen vóórdat nog de vuurwapenen algemeen in zwang 



Digitized by 



Google 



WILLEM 111 ALS LEGERHOOFD. 9 

kwamen — waren meestal beslissende. De reden daarvan is niet 
ver te zoeken: bij die veldslagen waren de strijdende legers in 
elkanders onmiddellijke nabijheid; zij werden, in letterlijken zin, 
handgemeen; en het leger, dat geslagen werd, had dus geen 
middel meer om terug te trekken en het slagveld te verlaten; 
het werd in den regel door den overwinnaar ingehaald en groo- 
tendeels vernield. Neem de groote veldslagen uit de Grieksche en 
Komeinsche geschiedenis, of die uit de middeleeuwen; bijna 
altijd is het einde de geheele ondergang van het geslagene leger. 
Vandaar het beslissende van die veldslagen. 

Maar toen de vuurwapenen algemeen in gebruik kwamen, bleven 
de legers bij een veldslag op een afstand van elkander. Bespeurde 
nu een van de beide partijen, dat zij bij dien veldslag te groote 
verliezen leed, of dat de kansen te ongunstig werden, dan had 
zij het in hare macht het gevecht af te breken, en, met meer of 
minder opofferingen, het slagveld te verlaten. Dat door den veld- 
slag het geslagene leger zoo goed als verloren gaat, behoort — tot 
aan Napoleon's tijd — tot de zeer zeldzame uitzonderingen; 
meestal trekt het geslagene leger terug, herstelt de geledene ver- 
liezen, en gaat dan na eenigen tijd opnieuw den vijand te gemoet. 
De veldslagen uit de oorlogen van Lodewijk XIV, zelfs de veld- 
slagen van Frederik II, hoe grootsch, hoe roemrijk soms, beslis- 
sen den oorlog niet. 

Wil men door den veldslag de beslissing van den oorlog ver- 
krijgen, dan moet men dien veldslag onder zulke omstandigheden 
leveren, dat daardoor de geslagen vijand buiten de mogelijkheid 
geraakt om zijne verliezen te herstellen; en het beste middel 
hiertoe is, den vijand te omtrekken en af te snijden van zijn 
land, of van die plaatsen vanwaar hij toevoer en versterking kan 
ontvangen en waar hij de middelen kan vinden om den oorlog 
voort te zetten: mist hij die middelen, dan kan de geleden 
nederlaag den geheelen ondergang van zijn leger ten gevolge heb- 
ben, en daardoor de beslissing van den oorlog. 

Die waarheid, schijnbaar zoo eenvoudig, is toch, vóór Napo- 
leon's tijd, bijna altijd over het hoofd gezien of niet in toepas- 
sing gebracht; eerst hij is haar altijd indachtig geweest en heeft 
voorsd daardoor zulke groote en snelle uitkomsten bij zijne oor- 
logen verkregen. 

Bij voorbeeld: de slag van Marengo is beslissend voor den 
veldtocht van het jaar 1800; het Oostenrijksche leger, dat daar 
geslagen werd, was omtrokken, afgesneden; het kon niet terug- 
gaan, het kon zijne verliezen niet herstellen; vandaar dat het 
daarna gedwongen was, zijn behoud te koopen voor het zonder 
slag of stoot afstaan van Italië. Bij de veldslagen van Frederik II 
zijn er een aantal die het van Marengo winnen^ in grootte en omvang; 



Digit'Jzed by 



Google 



lO KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

raaar niet één van de overwinningen, door den Pruisischen Koning 
behaald, heeft de gevolgen gehad die Marengo opleverde. 

Zoo ook is Ulm beslissend voor den veldtocht van 1805, Jena 
voor den veldtocht van 1806; — want dat, na Ulm en na Jena, 
de oorlog toch nog werd voortgezet, is omdat er een nieuwe vijand 

— Rusland — tegen Napoleon optrad; zijne aanvankelijke be- 
strijders — Oostenrijk en Pruisen — waren door de nederlagen 
van Ulm en van Jena zoo goed als krachteloos gemaakt, en 
hadden — waren zij op zichzelvc blijven staan — tot het neder- 
leggen der wapenen moeten besluiten. 

Welnu, dat kenschetsende van de Napoleontische veldheerskunst 
vindt men bij Willem III, en vindt men niet bij de andere leger- 
hoofden van zijn tijd, en ook niet bij de legerhoofden van de 
achttiende eeuw. Willem III zag in, dat men den vijand d^r 
moet aanvallen, waar de overwinning door beslissende uitkomsten 
wordt gevolgd, en dat het verkeerd is, zich af te matten in ge- 
vechten op plaatsen, waar zelfs het behalen van een roemrijke 
zege het einde van den oorlog niet kan aanbrengen. In ddt opzicht 
staat Willem III als legerhoofd boven zijne tijdgenooten ; in zijn 
handelen is reeds iets Napoleontisch. 

Dat Napoleontische in de veldheerskunst van den Oranjevorst 
blijkt uit de veldtochten van 1672 en van 1673. 

In het najaar van 1672 hebben de eerste groote rampspoeden 
van den oorlog voor ons opgehouden; de verbijstering, door 
's vijands rasse veroveringen teweeggebracht, is verdwenen; en 
Holland, beschermd door De Ruyter's vloot, door de inundatién 
en door het krachtig geordende leger van Willem III, is tegen 
eiken aanslag verzekerd. De Stadhouder acht nu terecht het 
oogenblik gekomen om de verdediging te vervangen door den 
aanval, en de Fransche legers van het grondgebied der Republiek 
te verdrijven. 

Had men, bij dien overgang tot den aanval, de gewone wijze 
van oorlog voeren van dien tijd — en ook nog van later eeuw 

— gevolgd, dan zou Willem III met zijn leger uit Holland tegen 
Utrecht zijn opgerukt ; en, na Luxembourg daaruit te hebben ver- 
dreven, zou de Stadhouder naar den IJsel zijn getrokken en ge- 
tracht hebben evenzoo Gelderland en Overijsel, met hun menigte 
sterke steden, te hernemen. Maar, door zóó te handelen, zou 

— zelfs bij den gunstigsten uitslag — het heroveren van de drie 
verlorene gewesten, tal van gevechten en belegeringen en een 
jarenlangen strijd gekost hebben; — ziet maar, hoe het den 
krachtvollen en bekwamen Maurits, in het begin van zijne loop- 
baan als veldheer, vele inspanningen en jaren oorlogvoeren kost, 
om het grondgebied van de Republiek van de Spaansche heir- 
macht te bevrijden. 



Digitized by 



Google 



WILLEM III ALS LEGERHOOFD. II 

Willem UI ziet in, dat in 1672 hetzelfde doel op veel spoe- 
diger wijze bereikt kan worden, ten koste van veel minder opof- 
feringen: door den oorlog in de Zuidelijke Nederlanden over te 
brengen, en daardoor het Fransche leger in Holland te bedrei- 
gen met het verlies van zijne gemeenschap met Frankrijk. Wan- 
neer de Stadhouder toen voordeelen behaalde aan de boven- 
Maas, of in de landstreek tusschen Maas, Rijn en Moezel, dan 
liep het Fransche leger in Holland groot gevaar te worden 
afgesneden j en daardoor misschien geheel verloren te gaan. Om 
zulk een gevaar te ontwijken zouden dan de Fransche leger- 
hoofden van zelve besluiten tot de snelle ontruiming van Hol- 
land; en op die wijze zou de herwinning van de drie verloren 
gewesten, om zoo te zeggen, bijna zonder zwaardslag plaats 
hebben. 

Die inzichten van den Stadhouder waren waar en juist; hij 
begreep het oorlog voeren, zooals Napoleon het begrepen heeft, 
maar zooals het in de 17e en 1 8e eeuw nog niemand begreep. 
Dit maakt de uitstekendheid van Willem III als legerhoofd uit, 
dat hij bij deze strategische handeling geen voorbeeld vond om 
na te volgen, maar zijn toevlucht moest nemen tot de ingevingen 
van zijn eigen stout en scheppend genie. 

Die oorlogvoering van 1672 en 1673 kan niet genoeg ge- 
roemd worden; zij beantwoordde dan ook volkomen aan het be- 
oogde doel. 

't Is waar, nog niet in 1672: toen werd Willem III gedwongen 
om de onderneming in de Zuidelijke Nederlanden op te geven 
en, zonder zijn doel bereikt te hebben, naar Holland terug te 
keeren. Men kent de oorzaken van dien tegenspoed: de strenge 
winterkoude, die de inneming belette van Charleroi, de vesting 
waaruit de Fransche troepen in Holland hun toevoer trokken; 
en — meer dan dit — het niet verschijnen van het Keizerlijke 
leger, dat, met eene trouweloosheid, bij verbondene mogendheden 
geen zeldzaamheid, opzettelijk van het oorlogstooneel wegbleef. 

In het najaar van 1673 evenwel ging het beter: het Keizer- 
Igke leger daagde toen op, en sloot zich aan bij dat der Repu- 
bliek; de vesting Bonn werd belegerd en genomen; en de Stad- 
houder versterkte zich zoozeer in de landstreek tusschen Maas, 
Moezel en Rijn, dat de Fransche legerhoofden in Holland met 
reden bevreesd begonnen te worden voor het verliezen van hunne 
gemeenschap met Frankrijk, waarom tot de ontruiming van Hol- 
land werd besloten. In het voorjaar van 1674 waren Grave en 
Maastricht de eenige plaatsen van het grondgebied der Republiek, 
alwaar de lelievaan nog wapperde; al het andere was vrij van 
het vreemde wapengeweld; en zoo was men door éénen veld- 
tocht tot een doel geraakt^ dat bij een rechtstreekschen aanval 
misschien in geen tien veldtochten zou bereikt zijn. 



Digitized by 



Google 



12 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGE . 

Nog op andere feiten kan men wijzen, die de uitstekendheid 
van Willem III als legerhoofd aantoonen. 

Bij den tachtigjarigen oorlog kunnen wij vooral op twee 
groote legerhoofden roemen : op de beide zonen van den Zwijger, 
Maurits en Frederik Hendrik; — en het is geen eenzijdige volks- 
trots die ons hen groot doet noemen: de geheele krijgskundige 
wereld deelt dat oordeel. Bestudeert de veldtochten van die 
beide Stadhouders, dan is het twijfelachtig wie hunner den voor- 
rang verdient als legerhoofd; want de belegeringen van Den 
Bosch en van Maastricht, door Frederik Hendrik, evenaren de 
schitterendste krijgsdaden van den overwinnaar van Nieuwpoort. 
Maar, daar is ééne omstandigheid, die Maurits boven zijn broe- 
der verheft: Frederik Hendrik, toen hij als veldheer optrad, 
vond reeds een goed leger; Maurits heeft zijn leger zelf geschapen. 

Die groote verdienste van Maurits is ook de verdienste geweest 
van Willem III, die de legers, waarmede hij oorloogde, zelf ge- 
vormd heeft. 

Toen de Stadhouder in 1672 optrad, was het leger van de 
Republiek in een zeer slechten toestand : het was zonder oefening, 
zonder orde en krijgsgeest, zonder zelfvertrouwen ; het verdiende 
den naam van leger niet. Die treurige toestand, waarin onze 
landmacht toen verkeerde, was niet te wijten aan De Witt, die 
herhaaldelijk naar verbetering hierin had gestreefd; zij was het 
gevolg van de gebreken van ons volkskarakter, die te allen 
tijde er toe hebben geleid, dat men bij ons de waarde en de 
noodzakelijkheid van een goed leger heeft miskend, dat, waar 
het heette dat men zich met het krijgswezen bezighield, men 
dit nooit met ernst en met overtuiging heeft gedaan, maar meest- 
al door de veelheid der woorden het gemis der daden heeft 
willen verbergen. Bij ons wordt de landsverdediging eerst ddn 
goed geregeld, wanneer de dringende noodzakelijkheid zich doet 
gevoelen, en een krachtig en bekwaam bewindhebber optreedt; 
tot zoolang gebeurt er niets goeds; tot zoolang óf geheel stil- 
zitten, óf de bedrijvigheid der onbekwaamheid; voorstellen in 
menigte, ontwerpen met den dag afwisselende, uitvoerige becijfe- 
ringen, eindelooze redeneeringen; — maar geen krachtig, ver- 
standig bestuur, dat orde en krijgsgeest ontwikkelt, en eenheid 
en vastheid aan het krijgswezen geeft; — en daarvan toch hangt 
de sterkte en waarde van een leger hoofdzakelijk af. 

Een voornaam middel door Willem III gebezigd om het leger 
goed te maken, was de onverbiddelijke strengheid waarmede hij 
lafheid en plichtverzuim wist te keer te gaan en te straffen. Er 
zijn er zelfs die beweren, dat hij hierin te vér ging; en dat het 
moeielijk is overeen te brengen met de beginselen van het recht, 
dat Pain-et-vin werd ter dood gebracht, nadat tweemaal het vonnis 



Digitized by 



Google 



WILLEM III ALS LEGERHOOFD. I3 

van een krijgsraad eene mindere straf had uitgesproken over de 
hffe vlucht van dien bevelhebber. 

Dit was niet de eenige maal dat Willem III in wederspraak 
handelde met die voorstelling als een man van een zacht en ge- 
voelig karakter^ zooals Macaulay hem soms wil doen voorkomen. 
De Britsche geschiedschrijver is hierbij een te blind bewonderaar 
van zijn held; hij denkt hierbij niet aan den dood der De Witten; 
niet aan het leveren van den slag van Saint-Denis, dat wel is 
waar verontschuldigd kan worden, maar moeielijk te rechtvaar- 
digen is; niet aan het vermoorden van dien Schotschen berg- 
stam te Glencoc, waarvoor zelfs eene verontschuldiging moeielijk 
is aan te voeren. In menschelijkheid staat Willem III achter bij 
zijn grooten voorzaat* den eersten Willem — toch waren die hard- 
heid en strengheid van Willem III, toen misschien, noodzakelijke 
hoedanigheden; zeer zeker is het dat hij in hooge mate den 
heldengeest der zijnen wbt op te wekken. 

Neem onder andere maar dien brief, in 1673 door den Stad- 
houder aan De Ruyter's vloot geschreven, toen die den strijd 
weer zou beginnen tegen de vereenigde Koningsvloten van 
Engeland en Frankrijk; dien »onvergelijkelijken brief", zooals 
Bosscha hem terecht noemt, waarin de Hollandsche vlotelingen 
daaraan herinnerd worden, dat >de oogen en harten van alle 
ingezetenen van het land, ja van de gansche Christenwereld" op 
de vloot zijn gewend, »en ware het overzulks van de uiterste 
infamie, dat iemand aan zijn pligt zou ontbreken op zoo door- 
lugtig een tooneel," — en waarin, na lof en eer den dapperen 
te hebben voorgespiegeld, de lafaard met schande en straf wordt 
bedreigd: t zoodat aan diegenen, die zich lafhartig en anders 
dan als een braaf soldaat en zeeman voor den vijand zal dragen, 
niets zoo gevaarlijk is als de havenen van den Staat, daar hij 
niet zal kunnen ontgaan, noch de straffe hand van de justitie^ 
noch de vloek en haat van zijne medeburgers, die op hem zal 
vallen en blijven" ... — Een Romeinsch veldheer kon niet meer 
indrukwekkend spreken dan hier de Stadhouder; zulk een taal 
moet heldengeest kweeken. 

Die krachtige leiding, die onvermoeide zorg, door Willem III 
aan het Hollandsche leger besteed, maakte daarvan een uitmun- 
tend leger, dat zich overal door buitengewone dapperheid onder- 
scheidde, en dat Marlborough in den Spaanschen successie- oorlog 
zijne overwinningen gemakkelijk maakte. De Hollandsche infanterie 
was toen de beste infanterie van Europa ; zelfs vreemde krijgskun- 
digen, onder anderen Folard, gewagen van haar met hoogen lof; 
— in het aanhangsel op den Polybius van den Franschen schrijver 
(bl. 68), wordt gesproken: van het geduchte vuur »de Tinfanterie 
hollandaise, qui est trèsbonne et mieux disciplinée qu'aucuneautre." 



Digitized by 



Google 



14 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

In de school van Willetn III zijn een aantal bekwame bevel- 
hebbers gevormd, volkomen in staat om, bij het bloedig spel des 
oorlogs, de hunnen ter zege te voeren: Athlone, of Rheede- 
Ginkel, vermaard door zijne overwinningen in Ierland ; Ouwerkerk, 
in den Spaanschen successie-oorlog de waardige ambtgenoot van 
Eugenius en van Marlborough ; Slangenburg, de overwinnaar van 
Eekeren; Coehoorn, bekwaam bevelhebber en onsterfelijk als 
vesting- bouwkundige ; Fagel, bekend door zijn krijgsbedrijven in 
het Spaansche Schiereiland; Tilly, Heuckelom, Hompesch, Van 
Goor, en zooveel andere aanvoerders, wier moed en bekwaamheid 
op menig slagveld is gebleken. Willem III, als veldheer, heeft 
een school gesticht, en dit is iets wat men niet van ieder leger- 
hoofd kan zeggen. 

Wat ook vermelding verdient, dat is de persoonlijke dapper- 
heid van Willem III. Die hoedanigheid, een noodzakelijk ver- 
eischte in een legerhoofd van den ouden tijd, heeft ook thans 
nog hare hooge waarde. De dapperheid van den veldheer wekt 
de dapperheid van het leger op, en verdubbelt daardoor de 
strijdkrachten. Den oorlog te vergelijken met het schaakspel, is 
een zeer oude maar een zeer verkeerde vergelijking: de onbe- 
zielde stukken van het schaakspel behouden altijd dezelfde waarde ; 
maar bij het spel des oorlogs kunnen de troepen oneindig winnen 
in sterkte, door den geest waarmede de veldheer ze weet te be- 
zielen. Vandaar dat het zoo verkeerd is, om, bij de beoor- 
deeling van de kracht van een leger, een zoo overwegend belang 
te hechten aan de groote getalsterkte: de overwinning wordt 
veel minder daardoor verkregen, dan door de goede samen- 
stelling van dat leger, door den geest die het bezielt, en vooral 
door de bekwaamheid der aanvoering. *Le bon Dieu est toujours 
du coté des gros bataillons^ heeft een Franschman eens gezegd ; maar 
dit is een valsche spreuk, eene uiting van bekrompen materialis- 
mus, die door tal van geschiedkundige feiten wordt weersproken. 
Oneindig meer waarheid is er in Napoleon's bekende woorden, 
dat in den oorlog de zedelijke kracht driemaal meer waarde 
heeft dan de stoffelijke. Daarom ook moet men alles vermijden 
wat de zedelijke kracht van een leger kan benadeelen, alles aan- 
wenden wat dien kan verhoogen; en niets verhoogt dien meer, 
dan het voorbeeld van heldenmoed door den veldheer gegeven. 

Dat Willem III heldengeest had, een buitengewone dapperheid, 
dat is een zoo algemeen erkende waarheid, dat zij geen bewijs 
meer vordert; wie die bewijzen nog wil zoeken bij de geschied- 
schrijvers die de oorlogen van Lodewijk XIV hebben behandelde 
zal ze in zoo kwistigen overvloed vinden, dat hij met de keus 
verlegen zal zijn. Zie maar, onder andere, hoe te Séneffe de 
Stadhouder van te groote dapperheid wordt beschuldigd door 



Digitized by 



Google 



WILLEM III ALS LEGERHOOFD. 15 

Condé, die zelf zeer dikwijls de dapperheid overdreef tot roeke- 
loosheid; of hoe Racine, in weerwil van zijne aanbidding voor 
Lodewijk XIV, toch niet kan nalaten in zijne brieven de groot- 
heid te huldigen van Willem III als oorlogsman, wanneer die 
vorst bij den slag van Neer winden, onvermoeid en onversaagd, 
telkens zijne ruiterij tegen den vijand aanvoert. — Wij noemen 
een paar getuigenissen van Fransche zijde, van de zijde der 
vijanden van Willem III; natuurlijk dat het nog veel minder 
ontbreekt aan gunstige getuigenissen, wanneer men die vraagt 
aan Nederlanders, aan Britten, en aan die volkeren die in hem 
hun hoofd en kamp vechter vereerden. 

Die schitterende heldengeest van den Stadhouder verdient te 
hooger waardeering, omdat zij gepaard ging met een zwak en 
ziekelijk lichaam, zóó zwak, zóó ziekelijk, dat iemand die in 
onze dagen met zulk een lichaamsgestel is bedeeld, geen moeite 
heeft om geheel vrijgesteld te worden van allen krijgsdienst. Een 
Eogelsch schrijver van onzen tijd — Kingsley — heeft in een 
zijner werken de meening voorgestaan, dat het onmogelijk is, 
groote, heldhaftige hoedanigheden te bezitten, wanneer men niet 
een krachtigen lichaamsbouw en een sterk zenuwgestel heeft; om 
het paradoxale van die meening aan te toonen, is het voldoende 
op Willem III te wijzen ; zijn voorbeeld is genoegzaam om aan te 
toonen, hoe de kracht van den geest alle zwakheid des lichaams 
kan overwinnen, en hoe groote waarheid er is in de woorden, 
waarmede Thiers zijn verhaal van den slag van Waterloo besluit: 
^V esprit gouverne^ et la mattere est gouvernéeJ* 

Een groot legerhoofd moet op de verbeelding van de zijnen 
werken; hij moet hun een hoogen dunk van zijne aanvoering 
geven ; het leger moet in zijn veldheer een man zien van groote, 
van buitengewone vermogens, die hulpmiddelen en redding aan 
brengt, waar anderen tekortschieten; er moet vertrouwen zijn 
op zijn genie. Het nuchter, gezond verstand, de alledaagschheid 
zijn niet bij machte om in den oorlog groote, buitengewone 
daden te doen verrichten; daartoe wordt de opwinding der 
geestdrift gevorderd. 

Dat opwekken der geestdrift is een der kenmerken van een 
groot legerhoofd; het was een der kenmerken van Willem III; 
hij maakte een diepen indruk, èn op vriend, èn op vijand. Voor 
de zijnen was Willem III de aanvoerder, in wien men het volste 
vertrouwen stelde, in wiens aanvoering men een waarborg zag 
van de overwinning. Voor zijne vijanden was hij een geducht 
bestrijder, van wien men alles had te vreezen, en wiens machtige 
geest vermogend was om den loop der krijgsgebeurtenissen een 
geheel andere wending te geven. De wijze waarop de vijanden 
ran Willem III, zijne tijdgenooten, van hem gewagen, heeft soms 



Digitized by 



Google 



l6 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

iets vreemds, iets phantastisch, dat duidelijk aantoont, welk een 
diepen indruk hij op hen maakt; er is haat in dien indruk, — 
maar geen minachting, eer vrees en ontzag aan bewondering 
grenzende; hij is voor hen een somber, raadselachtig wezen, 
altijd bezig met diepe beramingen en wijdgaande ontwerpen om 
staats- en krijgszaken te leiden en te besturen. 

Laat ons een enkel voorbeeld aanhalen, om dien indruk, door 
Willem III op zijne vijanden gemaakt, eenigszins te kenschetsen. 

In 1692 wordt Namen door de Franschen genomen, in weer- 
wil van de pogingen van Willem III om die vesting te hulp te 
komen. Geeft die belangrijke zege nu stof aan de Fransche 
schrijvers, om op lichtvaardigen, minachtenden toon van hun 
vijand te gewagen ? — verre van daar ; ten minste niet aan 
allen. Men zie, onder andere, wat Racine, in eene soort van 
geschiedenis van dat wapenfeit, over Frankrijk's vijand zegt: 

»La principale espérance de leur ligue" (het verbond der vijan- 
den van Lodewijk XIV) »était fondée sur la haute opinion que 
tous ceux qui la composaient avaient du grand génie du prince 
d'Orange, qui en est comme Ie chef et Ie premier mobile." 

Racine stelt dien vorst voor, hoe hij, na in het begin van 1692 
met zijne bondgenooten in Den Haag te hebben beraadslaagd, 
daarna op het Loo den aanvang der krijgs verrichtingen rustig 
afwacht: 

»Les conférences finies, Ie prince d'Orange s'était retiré k 
Loo, maison de plaisance qu'il a dans Ie pays de Gueldres, lieu soli- 
taire et conforme k son humeur sombre et mélancolique, oü 
d'ailleurs il trouvait Ie plus de facilités pour entretenir ses cor- 

respondances secrètes Ainsi, en attendant la saison propre 

pour agir, il affectait de mener k Loo une vie fort tranquille, 
et prenait presque tous les jours Ie divertissement de la chasse, 
et paraissant aussi peu ému de tous les avis qu'il recevait des 
grands préparatifs de la France sur mer et sur terre, que si elle 
eüt été hors d*état de rien entreprendre, ou qu'il eüt été Ie 
raaitre des événements. Celte tranquillité apparente, k la veille 
d'une campagne si importante pour les deux partis, était fort 
vantée par ses admirateurs; qui Tattribuaient k une grandeur 
d'dme extraordinaire. . . ." 

Dat Willem III, om Namen te redden, niet is overgegaan 
tot het leveren van een veldslag, wordt door Racine niet veroordeeld : 

»0n a parlé fort diverseraent dans l'Europe sur la conduite 
du prince d'Orange pendant ce siége, et bien des gens ont voulu 
pénétrer les raisons qui Tont empêché de donner bataille dans 
une occasion oü il semblait devoir hasarder lout pour prévenir 
la prise d'une ville si importante et dont la perte lui seraitè. 
jamais reprochée. On en a même allégué des motifs qui ne lui 
font pas d'honneur. Mais k juger sans passion d'un Prince en 



Digitized by 



Google 



WIJZE VAN OORLOGVOEREN IN DE lyC EEUW, 17 

qui Ton reconnait de la valeur, on peut dire qu'il y a beaucoup 
de sagesse dans Ie parti qu'il a pris, Texpérience du passé lui 
ayant fait connaitre combien il était inutile de s'opposer k un 
dessein que Ie Roi conduisait lui-même; et il a jugé Namur 
perdu, dès qu*il a su qu'il l'assiégeait en personne. Et d'ailleurs, Ie 
voyant aux portes de Bruxelles avec deux formidables armées, il 
a cru qu' il ne devait point hasarder un combat dont la perte 
aurait entrainée la ruine des Pays-Bas, et peut être sa propre 
ruine, par la dissolution d'une ligue, qui lui a tant coüté de peine k 
former." 

Om tot de juiste beoordeeling van een groot man te komen, 
is het niet voldoende enkel zijne aanhangers, zijne bewonderaars 
te raadplegen, maar men moet ook hooren, wat zijne vijanden 
van hem hebben gezegd, vooral de vijanden die zijne tijdge- 
nooten waren. Daarom is het niet zonder belang te weten, wat er 
door Racine van Willem III gezegd is. De groote treurspeldichter 
was een tijdgenoot van den Stadhouder ; en, als Franschman, als 
hoveling van Lodewijk XIV, voor wien hij een afgodischen eer- 
bied koesterde, was hij een natuurlijke vijand van Willem III, — 
de vijand van den man, die de heiligschennende stoutheid had, 
op te treden als bestrijder van den Grooten Koning. Wanneer 
dus Racine het karakter van Willem III met zwarte kleuren 
had gemaald, of van dien kampvechter voor Europa's vrijheid 
een verachtelijk of afzichtelijk beeld had gegeven, zou dat niets 
ie verwonderen zijn geweest; — de haat der tijdgenooten belet 
vaak, de uitstekendheid van een groot man te erkennen. Ziet 
maar hoe de Romeinen Hannibal hebben afgeschilderd. — Hier 
echter is dit niet het geval. Racine moge aan den grooten Stad- 
houder niet ten volle recht laten wedervaren ; toch is er eerbied, 
ontzag, bijna bewondering in de wijze waarop hij van hem 
spreekt; onmiskenbaar spreekt in Racine 's taal de diepe indruk, 
dien Willem de derde's grootheid als staatsman en als legerhoofd 
op zijne tijdgenooten heeft gemaakt. 

Eene onbillijkheid waarvoor men zich in de geschiedenis moet 
wachten, en waaraan men zich toch te dikwijls schuldig maakt, is 
het beoordeelen der menschen van vroegere eeuwen volgens de 
denkbeelden en beginselen, die in onze eeuw de heerschende zijn. 
Wil men eene ware voorstelling hebben van een groot man uit 
het voorgeslacht, dan moet men zich geheel en al verplaatsen 
in den tijd waarin hij leefde; men moet bekend zijn met alles 
wat hem omgaf en op hem werkte; alleen daardoor laten zich 
zijne handelingen verklaren en met juistheid waardeeren. 

Wil men derhalve Willem III als veldheer leeren kennen, dan 
dient men allereerst te weten, op welke wijze in zijne eeuw ge- 
oorloogd werd. 

WILLEM in. — T. . 2 



Digitized by 



Google 



l8 KRUGS- EN GESCHlEDKUNDICe BESCHOUWINGEN. 

Zeker is het gemakkelijk om, wanneer men ónze denkbeelden 
der 19e eeuw over het oorlog voeren toepast op de krijgsverrich- 
tingen ten tijde van Lodewijk XIV, met minachting en bespot- 
ting op die krijgsverrichtingen neer te zien. Wij, die gewoon zijn 
aan de krachtvolle en beslissende oorlogen van Napoleon en 
van den lateren tijd, wij hebben soms moeite om die onbedui- 
dende oorlogen van de 17e eeuw te begrijpen; oorlogen, die 
jaren duren en niets beslissen ; veldtochten, die soms doorgebracht 
worden met de belegering van een of twee nietsbeduidende vestin- 
gen ; legers, die maanden noodig hebben om zich bijeen te trek- 
ken, zich met slakkengang bewegen, en altijd een goed gedeelte 
des jaars werkeloos doorbrengen. Dit alles komt ons thans 
vreemd voor en moeielijk te verklaren; maar wij hebben daarom 
nog niet het recht, om die gebrekkige oorlogvoering alleen toe 
te schrijven aan de beperkte inzichten van de legerhoofden, en 
uit dien hoofde met een soort van meesterschap op hen neer te 
zien; integendeel de studie van de krijgsinstellingen van dien tijd 
zal doen zien, dat deze die gebrekkige wijze van oorlog voeren 
noodwendig maakten, en dat, indien er legeraanvoerders zijn 
geweest, aan wier middelmatigheid het was toe te schrijven dat 
de oorlogen nog onbeslissender werden, daarentegen vele anderen, 
die ontegenzeggelijk groote bekwaamheden bezaten, evenzeer 
door de omstandigheden gedwongen werden af te zien van die 
stoute, beslissende handelingen, die in onze eeuw het kenmerk 
der oorlogen moeten zijn. 

De omstandigheid, die vooral in aanmerking komt bij het 
beoordeelen van de oorlogen der 17e eeuw en die de hoofdoor- 
zaak is van het onmetelijke verschil dat er bestaat tusschen die 
oorlogen en de hedendaagsche, is de wijze van samenstel- 
ling der legers, toen geheel anders dan in onze dagen. 

De Fransche omwenteling van 1789 heeft ons in dat opzicht 
tot de ware beginselen teruggebracht, die bij de gemeenebesten 
der oudheid werden gehuldigd. De Europeèsche legers bestaan 
nu niet meer uit huurlingen, het zijn volkslegers geworden; men 
heeft begrepen dat het voeren der wapens tot verdediging van 
den vaderlandschen grond, een plicht is die op alle burgers 
rust en waarin allen gelijkelijk moeten deelen. Bij de meeste 
Europeèsche Staten is dan ook het weerbare gedeelte van de 
bevolking wapenplichtig gemaakt, en wordt in oorlogstijd, onder 
verschillende benamingen, gebezigd om het leger voltallig te 
maken of 2ich daarbij aan te sluiten; de uitvoering van het 
beginsel laat hier en daar nog veel te wenschen over, maar het 
beginsel zelve bestaat, en dit is reeds een reuzenstap ten 
goede. De legers zijn nu van een zedelijker, van een oneindig 
beter gehalte, zij bestaan niet meer uit vreemde gelukzoekers, 



Digitized by 



Google 



WIJZE VAN OORLOG VOEREN IN DE 17e EEUW. 19 

waarvan de edelsten niets hoogers kenden dan roem, en de groote 
meerderheid slechts gouddorst ; maar zij zijn samengesteld uit het 
volk zelve^ dat de wapenen voert voor de heiligste zaak waarvoor 
men ze voeren kan, voor de verdediging van den vaderlandschen 
grond, voor de handhaving der volksvrijheid. De zedelijke drijf- 
veeren van den oorlog hebben oneindig gewonnen aan sterkte 
en aan zuiverheid; men kan bij de hedendaagsche legers zich 
doen verstaan, wanneer men er spreekt van plicht en zelfopoffe- 
ring ; men kan er de geestdrift en de onsterfelijke dapperheid op- 
wekken, die eenmaal de zonen van Sparta en van Rome bezielde. 
Daardoor, omdat het volkslegers zijn geworden, zijn de heden- 
daagsche legers ook veel sterker in getal, veel gemakkelijker aan 
te vullen dan vroeger; daardoor is eene krachtsontwikkeling moge- 
lijk, die vroeger niet te bereiken was: de legers, door de Fran- 
sche conventie in 1793 plotseling saamgesteld, de krijgsmacht, 
door Napoleon dadelijk na den Russischen veldtocht als uit het 
niet geschapen, Pruisen's legers van 1813 — 1815 zouden, zonder 
de volkswapening, tot de onmogelijkheden behoord hebben. 

De oorlogen zijn daardoor ook korter en beslissender gewor- 
den. De twee oorlogvoerende partijen grijpen elkander aanstonds 
krachtvol aan, trachten dadelijk eene beslissing te verkrijgen, 
en zoeken op de een of andere wijze een strijd te eindigen die, 
juist door de samenstelling der tegenwoordige legers, niet meer 
zoo lang kan duren, zoo gerekt worden als de oorlogen van 
vroegere eeuwen. Aan den tijdgenoot behoeft de korte duur der 
oorlogen van 1859, van 1866, van 1870 — 1871 niet herinnerd te 
worden; ook Napoleon's oorlogen hebben, op hetzelfde krijgs- 
tooneel, nooit langer geduurd dan één of twee veldtochten; — 
alleen de Spaansche oorlog van 1808 — 1814 maakt hierop eene 
uitzondering, die echter hoofdzakelijk toegeschreven moet worden 
aan de bijzondere gesteldheid van het oorlogstooneel en aan de 
samenstelling van de vijandelijke macht welke de Fransche legers 
in Spanje te bestrijden hadden. 

Geheel anders was de samenstelling van de Europeesche legers 
in de eeuwen die aan de omwenteling van 1789 voorafgaan; 
volkslegers bestonden er toen niet; de legers werden niet vol- 
tallig gehouden door het militiestelsel, maar uitsluitend door 
vrijwillige werving. De burger zelf voerde de wapens niet tot 
verdediging van het vaderland, maar liet die taak over aan de 
geregelde legers, meestal samengesteld óf uit vreemdelingen, óf 
uit het slechtste gedeelte der natie. Alleen daar, waar het op 
de verdediging der eigen stad aankwam, nam de burgerij een 
krachtdadig deel aan den strijd; — wij behoeven maar te wijzen 
op onzen oorlog tegen Spanje en op 1672 om aan te toonen 
hoc roemrijk onze schutterijen zich kweten bij vele der onver- 
getelijke steden* verdedigingen welke in die oorlogen plaats hadden. 



Digitized by 



Google 



20 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

Soms ook, in tijden van buitengewonen nood en van buitenge- 
wone geestdrift, ziet men de gewapende burgerij hare steden 
verlaten om de grensplaalsen te bezetten of het verzwakte leger 
te versterken; — in de reeds aangehaalde oorlogen vindt men 
daarvan enkele voorbeelden; en zoo vindt men, onder andere 
in de schrijvers over den dertigjarigen oorloge dat het 400 bur- 
gers van Pforzheim waren, die, in den slag van Wimpfen (1632), 
zich met Spartaansche dapperheid voor hun vorst opofferden. 
Maar deze en soortgelijke voorbeelden zijn uitzonderingen, 
teweeggebracht — zooals reeds gezegd is — door buitengewonen 
nood en buitengewone geestdrift. De regel is, dat de oorlog 
alleen gevoerd wordt door middel van geregelde legers, die voor 
een groot gedeelte niet uit inboorlingen bestonden, maar uit 
vreemdelingen van allerlei natiën. 

Uit den aard der zaak volgt, dat het samenstellen en voltallig 
houden van de vroegere legers eene moeielijke en kostbare zaak 
moest zijn. Men kan zich het best daarvan overtuigen, wanneer 
men let op de bezwaren, die zelfs het rijke Groot-Brittanje nu 
nog heeft om zijne legers aan te vullen. De bevelhebbers der 
verschillende regimenten waren vroeger, ieder voor het gedeelte 
dat zij aanvoerden, met die taak belast, en meesttijds zeer weinig 
nauwgezet in de keus hunner soldaten. In oogenblikken van geest- 
drift, bij nationale oorlogen, konden soms die soldaten getrokken 
worden uit het goede gedeelte der natie, — zooals bij voorbeeld 
gedurende den krijg tegen Spanje, de inlandsche regimenten bij 
de legers van Maurits en Frederik Hendrik zich meestal in dat 
opzicht gunstig onderscheidden ; — maar gewoonlijk bestond het 
leger uit veel minder zuivere bestanddeelen. Op enkele uitzonde- 
ringen na waren de soldaten uit den minsten stand genomen; 
het waren menschen die door losbandigheid of vergrijpen van 
verschillenden aard zich van elk vooruitzicht in andere standen 
zagen verstoken, en, door nood en armoede gedrongen, den krijgs- 
mansstand als laatste en uiterste hulpmiddel hadden omhelsd ; het 
waren vreemde landloopers, zwervende gelukzoekers, die, door 
eenig goud gelokt, de wapenen opvatten voor een land dat hun 
geheel vreemd was, dat hen betaalde zoolang de oorlog duurde, 
daarna hen weer aan hun lot overliet, en waarvoor zij dus geen 
hart, geen gehechtheid konden hebben; het waren overloopers 
uit vreemde legers, die door het verlaten van hunne vaandels 
reeds getoond hadden hoe gering de waarde was, door hun aan den 
militairen eed gehecht, en hoe dwaas het dus zou zijn op hunne 
voortdurende diensten te rekenen. 

Ziedaar in het algemeen de bestanddeelen der toenmalige 
legers; en men moet niet denken, dat dit alleen geldt van de 
legers onzer Republiek. De groote uitbreiding van de zeemacht 



Digitized by 



Google 



WIJZE VAN OORLOGVOKREN IN DE 17e EEUW. 21 

en de vijandschap tegen de Stadhouders hebben bij ons soms de 
landmacht doen verwaarloozen ; maar de soldaten, waaruit die 
landmacht bestond, waren van geen minder gehalte dan die der 
overige Europeesche legers; zelfs van een beter, omdat^ door 
den toenmaligen rijkdom van onzen Staat, er meer geld aan 
kon worden besteed; bij andere legers was het hiermede soms 
zoo ellendig gesteld, dat men onder andere in 1620 de Staten 
van het keurvorstendom Brandenburg een bevel ziet uitvaar- 
digen, > waarbij ieder boer^ aan wien door een soldaat eene aal- 
moes wordt gevraagd, gelast wordt hem een heller te geven." 
De Fransche legers waren mogelijk minder slecht samengesteld 
wat aangaat de officieren, omdat zich daarbij een goed gedeelte 
van den krijgshaftigen Franschen adel bevond; met de soldaten 
was het niets beter. 

Het zedelijk gehalte van een leger, uit zulke soldaten bestaande, 
kon niet zeer groot zijn ; alleen door strenge krijgstucht kon men 
de ergste uitspattingen, de ergste militaire misdrijven voorkomen; 
aanhoudende vermoeienissen en inspanningen kon men van zulke 
soldaten niet veel verwachten ; en om hen tot buitengewone daden 
aan te sporen, om hen meer dan gewone gevaren te doen bra- 
veeren, moest men niet hunne roemzucht, hunne vaderlandsliefde 
aanspreken — dit waren onbekende drijfveer en — maar hunne 
geldzucht opwekken. Wanneer een heden daagsch bevelhebber 
een stout wapenfeit wil ondernemen, spreekt hij tot het eergevoel 
der soldaten, en onhandig is hij, wordt hij niet verstaan; — in 
dien tijd, moest men geld bieden. Zoo vindt men opgeteekend, 
dat de verdediging van Maastricht door Fariaux, in 1673, minder 
krachtdadig was omdat die bevelhebber uit overdreven zuinig- 
heid naliet om de uitvallende troepen met geld te beloonen; 
evenzoo vindt men vermeld dat bij het beleg van dezelfde ves- 
ting door Willem III, in 1676, de Stadhouder zoo weinig op 
zijne soldaten rekende, dat hij eene bestorming van een der 
werken uitsluitend door officieren deed verrichten. Ook een 
hedendaagsch leger zal zich schuldig maken aan geweldenarijen 
jegens den weerloozen burger, wanneer een langdurige en 
bloedige strijd de driften van den soldaat heeft opgewekt; maar 
vreemd aan onze hedendaagsche oorlogen zijn de afpersbgen, 
uitspattingen en wreedheden, die door de vroegere legers, zonder 
die verschoonende reden, werden gepleegd, zoodra zij buiten 
opzicht van hunne bevelhebbers waren of dezen die gruwelen 
toelieten. De onmenschelijkheden door Luxembourg's soldaten 
te Bodegraven en Zwammerdam gepleegd, zijn denkelijk het 
werk van dien wreeden aanvoerder zelven ; maar daarentegen 
wordt door sommige schrijvers verzekerd, dat de eerste verwoes- 
ting van den Pfalz niet het opzettelijk werk van Turenne is 
geweest, maar alleen het gevolg van het weinige toezicht dat 



Digitized by 



Google 



22 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

hij op zijne soldaten hield. — Desertie zal men bij de heden- 
daagsche oorlogen nóg hebben; maar niet in die mate als bij 
de vroegere toen men er op uit was om, door het aanbieden 
van geld, de soldaten der tegenpartij tot overloopen aan te zetten. 
De dood zal nog de straf zijn voor dit misdrijf; maar niet de 
dood met die wreedheid welke haar toen vergezelde. > Sedert ik 
een paar van die overloopers heb laten radbraken, is het 
overloopen minder geworden ; dit schijnt indruk te hebben ge- 
maakt"; — zoo schrijft, in 1672, de Fransche generaal Chamilly 
aan den minister Louvois, even alsof het eene zeer gewone zaak 
betreft. Wij hebben moeite om ons in dien tijd te verplaatsen. 

De ofhcieren beantwoordden aan de soldaten. Zeker, men had 
er ook mannen bij, die uit roemzucht of vaderlandsliefde de 
wapens voerden ; zonen van voorname geslachten, edelen, die als 
vrijwilligers dikwijls op eigen kosten oorloogden en in den strijd 
een moed betoonden, zoo schitterend, dat men dien te allen 
tijde moet eerbiedigen; — maar deze klasse van officieren vond 
men weinig of niet in de mindere rangen; zij werden spoedig 
tot hooge betrekkingen, ten minste tot het bevel over een regi- 
ment bevorderd. De meerderheid der officieren was geheel anders; 
en bij hen werd, weinig of niet, gelet op kunde, opvoeding, be- 
kwaamheid en zedelijkheid. Ook in dit opzicht was het, bij het 
leger der Republiek, nog niet het slechtst gesteld : het stadhouder- 
looze bestuur moge soms bij het begeven van de krijgsambten 
met een onverantwoordelijke onkunde te werk zijn gegaan, en 
daarbij hoofdzakelijk, niet op bekwaamheid, maar op bijzondere 
voorspraak hebben gelet ; toch hadden de officieren van de legers 
der Republiek meer zedelijke waarde dan die van andere Euro- 
peesche legers; de betere betaling, de meer zedelijke zin der 
natie, en de omstandigheid dat die officieren toch voor een ge- 
deelte inboorlingen waren en door warme liefde aan hun land 
gehecht, verklaren dit. Bij de Fransche legers had men officieren 
van grootere militaire bekwaamheden, doordien het bestuur van 
Frankrijk meer militair was, de natie meer krijgshaftig, de adel 
talrijker; maar over het geheel was de zedelijke waarde dier 
officieren zeer gering, hunne denkbeelden van plicht en krijgseer 
zeer gebrekkig. Veel lag dit ook aan de onzekerheid van hunne 
betrekking : het einde van den oorlog deed een goed gedeelte 
des legers afdanken en ontroofde het bestaan aan een aantal 
officieren, die dan hunne diensten aanboden aan een anderen vorst 
of staat. De krijgsmansstand is de edelste stand wanneer men 
uit overtuiging, uit plichtgevoel het wapen voert voor eene zaak 
die men met hart en ziel is toegedaan, voor een vaderland dat 
men boven alles lief heeft; het is een verachtelijke, een onzede- 
lijke stand, wanneer men zich aan den meestbiedende verhuurt, 



Digitized by 



Google 



WUZE VAN OORLOGVOEREN IN DE 17e EEUW. 23 

wanneer men voor goud zijn bloed veil heeft, onverschillig voor 
welke zaak men het stort. Voor de meeste officieren van de 
legers van vroegere eeuwen was de krijgsmansstand het laatste; 
en de afkeer die men in Holland in de vroegere tijden van het 
leger had, was inderdaad zoo geheel ongegrond niet. 

Niet alleen het verminderen van het leger, het afdanken van 
regimenten beroofde den officier van zijne betrekking, maar 
ook de luim van een vorst, van een staatsdienaar, van een be- 
velhebber was hiertoe voldoende. De wet beschermt thans de 
billijke rechten onzer officieren; maar zelfs toen zij dit nog niet 
deed, was reeds de krachtige invloed van de openbare meening 
een waarborg tegen willekeur. In vroeger tijden was dit geheel 
anders: tik heb zooveel officieren, van déit regiment ontslagen 
(cassé) omdat zij ongenoegen betoonden over hunne overplaat- 
sing bij andere regimenten"; zoo leest men in de reeds vroeger 
aangehaalde briefwisseling tusschen Chamilly en Louvois. De 
Fransche generaal verraadt ook de weinige achting die men toen- 
maals voor den officiersstand had, door t officieren in hinderlaag 
te plaatsen, om de soldaten die overloopen wilden te vangen"; — 
een dienst die, bij de hedendaagsche legers, door de marechaussee 
gedaan wordt. Indien er bij de hedendaagsche legers ook voor 
beelden voorkomen, dat een officier zijn vaandel verlaat om 
tot den vijand over te loopen, dan behoort zulk een feit toch 
tot de zeer zeldzame uitzonderingen, en de rampzalige die het 
pleegt wordt met schande gebrandmerkt, zijn naam is voor altijd 
onteerd. Maar uit de verschillende schrijvers over de oorlogen 
van Lodewijk XIV kan men zien dal het overloopen van offi- 
cieren toen geen zeldzaamheid, toen een zeer gewone zaak was; 
gedurig vindt men daar voorbeelden van; gedurig voorbeelden 
van verstandhouding met den vijand, van verraad. Bij het reeds 
vroeger vermelde beleg van Maastricht door Willem III wordt 
door een kapitein der Fransche bezetting een magazijn in brand 
gestoken, ten einde door de hieruit ontstane verwarring eene be- 
storming te doen gelukken ; later werd dit verraad ontdekt en de 
verrader met het rad gestraft. 

Wij vragen, of men zich bij een hedendaagsch leger de mo- 
gelijkheid van zulke daden kan voorstellen ? — Neen, laat ons 
het goede niet miskennen dat wij boven onze voorouders vooruit 
hebben; wat of ook achteruit is gegaan, het krijgswezen zeker 
niet: het leger is veredeld, en door kunde en karakter behooren 
de officieren nu tot het beste gedeelte der natie; terwijl vroeger 
aan het woord officier niet altijd het denkbeeld van fatsoenlijk 
man, van man van eer was verbonden. 

Die wijze van samenstelling van de vroegere legers moest nood- 
wendig een geheel andere wijze van oorlogen ten gevolge hebben. 



Digitized by 



Google 



24 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

Die legers konden toen op lange na zoo talrijk niet zijn als 
in onze dagen, dewijl het veel meer moeite, tijd en vooral geld 
kostte, om soldaten te verkrijgen. De legers, door onze Stadhouders 
bij den oorlog tegen Spanje aangevoerd, zijn gewoonlijk van 
tien- tot twintigduizend man; dikwijls beneden het kleinste getal, 
zelden boven het grootste; had dit laatste plaats, dan was het 
eene buitengewone poging, eene krachtsinspanning waartoe men 
voor het oogenblik overging, maar die men niet lang kon vol- 
houden. £ven zoo sterk waren meesttijds de legers aan wier 
hoofd Condé en Turenne stonden ; terwijl de veel grootere macht, 
waarmede Lodewijk XIV in 1672 Holland aanviel, ook de ver- 
bazing van de tijdgenooten opwekte en als een merkwaardige 
uitzondering werd aangemerkt. De legers door Willem III aan- 
gevoerd waren talrijker, omdat zij bestonden uit de vereeni- 
ging der legermachten van verschillende staten; en daardoor 
werd ook Lodewijk XIV gedwongen om, in de Zuidelijke Neder- 
landen, aan zijne vijanden sterker macht over te stellen. Die 
legers, die over het lot van Europa moesten beslissen, waren 
echter weinig talrijker dan het leger dat alléén het kleine Neder- 
land in 1S31 en 1832 aan zijne grenzen onderhield; bij de sterkte 
van Napoleon's legers waren zij niet te vergelijken. 

Die mindere talrijkheid van de legers was, voor een gedeelte, 
oorzaak dat de vestingen toen van grooter invloed waren dan thans. 

Men kon die vestingen niet zoo ongehinderd voorbijtrekken, 
dewijl men niet sterk genoeg was om eene macht achter te 
laten, genoegzaam om de bezetting in bedwang te houden; men 
was dus verplicht ze te belegeren en in te nemen. Er zijn uitzon- 
deringen hierop; bijvoorbeeld de handeling van de Fransche 
legers ten opzichte van Maastricht, in 1672. Maar men moet wel 
in het oog houden, welk een groote overmacht die legers toen 
hadden op hunne tegenpartij^ en buitendien dat het eene han- 
deling was, die buiten elke gissing viel, die ongehoord voorkwam. 
Er waren evenwel nog vele andere redenen waarom de vestingen 
toen van veel meer belang geacht werden: de meerdere sterkte 
die zij hadden; de langere wederstand dien zij konden bieden, 
daar de aanvalsmiddelen toen nog niet die uitbreiding hadden 
gekregen welke zij nu hebben; de noodzakelijkheid van maga- 
zijnen te hebben, en de gemeenschap daarmede steeds open te 
houden ; de aarzeling waarmede men toen tot het leveren van een 
veldslag overging ; — deze en andere redenen waren aanleiding dat 
men zich veel meer met belegeringen ophield dan in onze dagen. 

In onze dagen zal de aanvaller, — de sterkste partij — het 
vijandelijke leger opzoeken, slag leveren, en door dien éénen veld- 
slag mogelijk de beslissing van den oorlog verkrijgen. Die veld- 



Digitized by 



Google 



WIJZE VAN OORLOGVOEREN IN DE 17e EEUW. 25 

slag kan nadeelig afioopen, kan verliezen veroorzaken; maar, 
door middel van de volkswapeningen is men in staat om die 
nadeelen spoedig te herstellen. 

Vroeger was dit geheel anders: de middelen ontbraken om 
de verliezen spoedig aan te vullen ; men schroomde daarom een 
veldslag te leveren, waarvan het gevolg kon zijn een nederlaag 
die de geslagene partij geheel weerloos maakte; een veldslag 
was een uiterste, waartoe men ongaarne overging. Daarom ver- 
genoegde men zich meesttijds met mindere voordeelen, met het 
vermeesteren van vijandelijke vestingen, met het veroveren van 
een vijandelijk gewest. Dit was het gewone doel van een veld- 
tocht; als men dat doel bereikt had, was men zeer tevreden. 

Bij een volgenden veldtocht werden dan, bleef men de sterkste, 
die voordeelen voortgezet; en zoo duurde, jaar in jaar uit, de 
oorlog voort; totdat de eene partij door hare verliezen zoozeer 
verzwakt was, en de andere partij door hare inspanningen om 
die verliezen toe te brengen zoo uitgeput, dat beide naar eenen 
vrede haakten, die meestal door de verliezende gekocht werd 
met het afstaan van eenig grondgebied. Ziedaar het beeld van 
bijna alle oorlogen der zeventiende eeuw. 

Men had duizend middelen om een veldslag te ontwij- 
ken; men behoefde de andere partij slechts ongehinderd hare 
belegeringen te laten verrichten ; of men plaatste zich achter een 
terreinafecheiding ; of men verschanste zijne stelling, — eene 
handeling die toen zeer gewoon was en ook groote voordeelen 
opleverde; omdat, door de mindere volmaking én mindere sterkte 
der artillerie, de aanval op een verschanste stelling een veel 
moeielijker zaak was dan thans; en omdat de omtrekking van 
een dergelijke stelling ook minder doenlijk was wegens de min- 
dere beweegbaarheid der troepen. Maar zelfs wanneer het tot 
een veldslag kwam, dan was die veldslag meestal nog weinig 
beslissend. tDe voordeelen van eene overwinning", zegt von 
Damitz, t ontstaan voor de eene helft uit den slag zelve, voor de 
andere helft uit de krachtige vervolging van den geslagen vijand." 
Van de tweede helft nu, die, goed gebruikt, meestal de gewich- 
tigste voordeelen verschaft, moest men geheel afzien bij de veldslagen 
der 17e eeuw. De ruiterij had toen niet de snelheid, om den 
vluchtenden vijand met onstuimigheid te vervolgen en zijn neder- 
laag te voltooien; het overwinnende leger was niet beweegbaar 
genoeg om door onverpoosde marschen, door rusteloos voorwaarts 
gaan, den vijand elke herzameling onmogelijk te maken. Integen- 
deel: wanneer de geslagen partij nog maar bij een gedeelte van 
hare macht de orde had bewaard, dan was dit genoeg om de 
ruiterij des overwinnaars in bedwang te houden; geregeld, zon- 
der veel verlies, verliet de geslagene dan het slagveld; de over- 
winnaar, tevreden met zijn zege, dacht aan geen vervolging, en 



Digitized by 



Google 



26 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

bleef stand houden om door vreugdeschoten zijne overwinning 
te vieren-, de geslagene ging één, twee dagmarschen terug; her- 
zamelde daar ongehinderd zijn verstrooide macht; en daar de 
verliezen op het slagveld meesttijds slechts een onbelangrijk 
verschil uitmaakten, was de geslagene partij spoedig weer in 
staat den overwinnaar het hoofd te bieden. Nooit zijn er moge- 
lijk . onbeslissender, nutteloozer veldslagen geleverd dan in de 
17e eeuw; te vergeefs zoekt men daar naar iets, wat eenigszins 
gelijkt op de groote uitkomsten die door overwinningen als Jena, 
Leipzig, Waterloo, Sadowa of Sedan zijn teweeggebracht. 

Het is reeds gezegd, dat dit onbeslissende van de toenmalige 
veldslagen voornamelijk werd veroorzaakt door de weinige be- 
weegbaarheid der legers; op dit gebrek aan beweegbaarheid 
had vooral invloed de wijze waarop toen in oorlogstijd- de 
legers werden gevoed en verpleegd; en deze weer werd teweeg- 
gebracht door de samenstelling dier legers, waarop men altijd 
terugkomt als de hoofdoorzaak van al wat in de oorlogvoering 
dier tijden gebrekkig is. 

Na de om wen telings- oorlogen is men weer tot het oude beginsel 
der Romeinen teruggekeerd > dat de oorlog door den oorlog onder- 
houden moet worden." Magazijnen zijn thans voor een leger geen 
noodzakelijkheid meer. Blijft dat leger langen tijd op dezelfde 
plaats stand houden, dan kan men het voeden door gere- 
gelde uitdeelingen uit de magazijnen; maar wanneer het snelle 
bewegingen moet doen, groote aanhoudende marschen, dan 
kan het gevoed worden door de levensmiddelen, voorhanden 
in de landstreek die het doortrekt. Zeker hebben Massena's veld- 
tocht van 1810--1811 in Portugal, en de Russische veldtocht 
van 181 2 bewezen, dat deze wijze van handelen niet goed is^ 
als het land waar het leger komt weinig vruchtbaar is, of door den 
vijand verwoest; maar een groot aantal andere veldtochten van 
deze eeuw hebben overtuigend aangetoond, dat dddr, waar men 
oorlog voert in eene landstreek van gemiddelde vruchtbaarheid 
en die nog niet door den vijand is verwoest of uitgeput, men 
zeer goed op deze wijze kan voorzien in de voeding der legers* 
De kortstondige druk welke daardoor wordt gelegd op de be- 
volking van die landstreek, wordt meer dan opgewogen door 
den korteren duur, welken daardoor de oorlogen erlangen, en 
door het meer beslissend karakter dat zij aannemen. 

Bij de oorlogen van vroegere eeuwen voedde men de legers 
zóó niet, en kon men ze, mogelijk, zóó niet voeden. Zoo slecht 
samengesteld als de legers toen waren, was het denkelijk niet 
raadzaam, om den soldaat zelf zijne voeding bij den landzaat te 
doen zoeken, daar dit aanleiding kon geven tot plundering, ge- 
welddadigheden en tot roekelooze verspilling van de aanwezige 



Digitized by 



Google 



WIJZE VAN OORLOGVOEREN IN DE 17e EEUW. 27 

levensmiddelen., die juist het voortzetten van deze wijze van 
voeden onmogelijk zou maken. Als bewijs hiervoor kan men aan- 
hzXen^ dat de Ëngelsche legers, nu nog samengesteld zooals de 
legers van vorige eeuwen, nooit op die wijze gevoed worden. 

Voor de vroegere legers was dus het bezit van magazijnen, 
en het behouden van de gemeenschap daarmede, een volstrekte 
noodzakelijkheid. Met de grootste gevaren bedreigde men 
die legers, wanneer men hunne gemeenschap met de operatie- 
bazis bedreigde; want het verlies van die gemeenschap, zelfs 
maar het kortstondig verlies, kon de ondergang van die legers 
zijn. Willem III zag bij zijne veldtochten die zwakke zijde der 
toenmalige legers zeer goed in, en meer dan éénmaal trachtte 
hij daarvan partij te trekken. Bij die meesterlijke beweging 
welke, op het einde van 1672, de vermeestering van Charleroi 
ten doel had, was de bedoeling van den Stadhouder hoofd 
zakelijk om, door het nemen van die vesting, het Fransche leger 
in Holland af te snijden van zijn operatiebazis, het te berooven 
van allen aanvoer van levensmiddelen, en het daardoor te dwin- 
gen om Holland ijlings te ontruimen; — bij onze hedendaagsche 
oorlogen zou die operatie van den Stadhouder minder beduiden 
dewijl Holland vruchtbaar genoeg is om een leger te voeden; 
maar in 1672, toen een leger niet anders gevoed kon worden 
dan door middel van magazijnen, kon die operatie beslissend wor- 
den. — Evenzoo vindt men vermeld, dat, na het opbreken van 
het beleg van Maastricht in 1676, Willem III het Fransche leger 
van Schomberg in de grootste verlegenheid bracht, door zich 
te stellen tusschen dat leger en de Fransche magazijn plaatsen ; 
door een geheimen snellen marsch omging Schomberg het leger van 
den Stadhouder en herstelde zóó de gemeenschap met de opera- 
tiebazis. Op die volstrekte noodzakelijkheid van het onafgebro- 
ken behouden der gemeenschap met de operatiebazis moet 
vooral worden gelet, wil men de strategische handelingen van 
dien tijd begrijpen. 

Die noodzakelijkheid veroorzaakte ook weder het grooter be- 
lang van de vestingen, bracht ook mede dat men geen vijande- 
lijke vesting in den rug van het leger mocht laten; want die 
vestingen waren noodig om daar magazijnen aan te leggen en 
te bewaren; en eene vijandelijke bezetting in den rug van een 
leger kon de aanvoeren van levensmiddelen uit de magazijnen 
lichtelijk aanvallen en oplichten, en daardoor het leger in de 
grootste ongelegenheid brengen. 

Het magazijnstelsel maakte, zooals lichtelijk te begrijpen is, 
alle snelle en stoute bewegingen moeielijk of ondoenlijk, en ddAr 
waar die plaats hadden, — zooals bij voorbeeld bij de reeds 
aangehaalde onderneming van Willem III op Charleroi — moet 



Digitized by 



Google 



28 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

men dit beschouwen als een uitzondering, door het genie van 
den aanvoerder teweeggebracht, die reeds de voorbode was van 
de krachtiger oorlogsvoering der 19e eeuw. In den regel moest 
een leger zich altijd zoodanig bewegen, dat het in ongehinderde 
gemeenschap bleef met zijne magazijn plaatsen, en daarvan ge- 
regeld toevoer kon ontvangen; het bewoog zich dus altijd in 
een zeer beperkten kring, — vooral omdat de landwegen toen 
zoo schaarsch en gebrekkig waren — (met het stelsel van spoor- 
wegen dat thans in geheel Europa aanwezig is, verkeert men nu 
in een geheel anderen toestand). Verloor men de gemeenschap 
met de eene magazijnplaats, dan was men genoodzaakt de land- 
streek te verlaten ten einde een andere magazijnplaats nabij te 
komen. 

Dit is zóó waar, dat zelfs in de tweede helft der i8e eeuw, bij 
de oorlogen van Frederik II, die regel nog volle kracht had; 
zoo, bij voorbeeld, in 1757, na den slag van Kollin, brengt het 
Oostenrijksche leger eenige maanden door met niets anders dan 
met pogingen om, door schijnbewegingen, door marschen en 
contra-marschen, het Pruisische leger af te snijden van zijne 
magazijn plaatsen en het daardoor, zonder slag, te dwingen om 
het oorlogstooneel te verlaten; zoo vindt men in Archenholz, 
dat in een later gedeelte van den zevenjarigen oorlog, Frederik II 
in Saksen nog maar ééne magazijnplaats had overgehouden, en 
dus, wanneer hij deze verloor, gedwongen zou zijn om Saksen 
te ontruimen. Archenholz, als krijgskundig schrijver, behoeft men 
juist geen Hooge waarde toe te kennen ; maar hij was toch officier 
en dus bewijst wat hij zegt, hoe algemeen nog het denkbeeld 
heerschte, zelfs op het einde van de iSe eeuw, dat een leger 
volstrekt niet kon blijven bestaan wanneer het geen magazijnen had. 

Waren, door de hier vermelde oorzaken, de legers in de 
17e eeuw zeer gebonden en beperkt in hunne bewegingen, er 
waren ook andere omstandigheden die het hun onmogelijk maakten 
om groote marschen te verrichten. Die legers hadden meesttijds 
een aanzienlijken nasleep bij zich; en het niet strijdbare gedeelte 
overtrof soms het strijdbare in getalsterkte. Natuurlijk hing dit 
veel af van het bijzonder karakter van den aanvoerder; het leger 
van een Turenne was, ook in ddt opzicht, veel beter dan het ver- 
wijfde en ellendige leger van een Soubise; maar zelfs bij de beste 
aanvoerders maakten toch de bedienden der officieren, het gevolg 
der jonge edellieden, die als vrijwilligers den veldtocht mede- 
maakten, soms de vrouwen, die het leger volgden, de legertros, 
de tenten, levensmiddelen enz. een nasleep uit, die noodwendig 
den marsch van een leger aanmerkelijk moest vertragen, en 
welke men bij onze hedendaagsche legers niet kent. Onder de 
vele omstandigheden die dit bewijzen, moge enkel daaraan wor- 



Digitized by 



Google 



WIJZE VAN OORLOGVOEREN IN DE l^t EEUW. 29 

den herinnerd, dat het Keizerlijke leger, dat in 1674 onder De 
Souches naar de Nederlanden trok en dat 27000 man sterk was, 
door niet minder dan 6000 vrouwen werd gevolgd; men stelle 
zich zulk een Nomaden-troep voor! — Na het einde van een 
marsch werd toen altijd een kamp opgeslagen; en alleen het 
medevoeren van tentgereedschap vereischte een aantal wagens, 
die, dit behoeft niet gezegd te worden, de marschen vertraagden. 
Voegt men hierbij den tijd, benoodigd voor het uitkiezen en 
afeteken van het kamp; den tijd, gevorderd voor het afbreken en 
opslaan van de tenten; de weinige beweegbaarheid der troepen; 
de kleingeestigheid waarmede men er toen op lette, dat dezelfde 
troepen altijd dezelfde plaats in de slaglinie hadden, het- 
geen dus dikwijls het omwisselen van de vleugels noodzakelijk 
maakte, of omslachtige toebereidselen ten einde ieder gedeelte 
bij het nieuwe kamp juist daar te doen aankomen waar het zijne 
plaats in de slaglinie moest hebben ; dan zal men, alles samen ge- 
nomen, de kleine, onbeduidende marschen van dien tijd kunnen 
verklaren. Men ga, bij voorbeeld in Beaurain's geschiedenis van 
den veldtocht van 1674 in de Nederlanden, de marschen na van 
Condé*s leger, en men zal bevinden dat dit hoogstens marschen 
van een uur of vier zijn ; zelfs vindt men daar, dat het leger der 
bondgenoot en gedurende eenigen tijd geen grooter marschen 
verrichtte dan van twee uren daags. Met zulke ongeschikte werk- 
tuigen als de legers toen waren, kan men onmogelijk van de 
aanvoerders de snelle, beslissende bewegingen van Napoleon 
vorderen; even onredelijk zou dit zijn, alsof men van de groote, 
onhandige Spaansche galjoenen van Filips II de snelle zeetochten 
van Nelson's vloot verwachtte. 

Het belang om de troepen te sparen, bracht niet alleen mede 
dat de legers gedurende de krijgsverrichtingen kampeerden, maar 
ook dat die krijgsverrichtingen gedurende het ongunstige jaar- 
getijde afgebroken werden. Nauwelijks was de zomer geëindigd of 
van weerszijden werden de krijgsverrichtingen gestaakt; men ver- 
deelde de legers over eenigp garnizoensplaatsen, en daar rustten 
zij gedurende den ganschen winter uit, om in het volgende 
voorjaar, soms zeer laat, weer te velde te trekken. De veldtochten 
van die tijden strekken zich over slechts weinige maanden van 
het jaar uit. Uit afbreken van de vijandelijkheden was als het 
ware een overeengekomen iets, een vaste regel; elke partij wist 
vooruit, dat de tegenpartij ook zoo zou handelen; en daar, waar 
hiervan werd afgeweken — zooals onder andere bij den winter- 
veldtocht van Gustaaf Adolf van 1630— 163 1 in het noorden van 
Duitschland — werd dit beschouwd als een ongehoorde handel- 
wijze, bijna als een ongeoorloofd middel om tot de zege te 
komen. Men zie onder andere nog in Archenholz, hoe deze het 



Digitized by 



Google 



30 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

vreemd vindt, dat Frederik II in een der laatste veldtochten van 
den zevenjarigen oorlog, zijne troepen zelfs 's winters te velde 
deed verblijven. 

Terwijl de legers dan in hunne winterkwartieren verdeeld 
waren, trachtten de beide partijen elkander kleine nadeelen toe te 
brengen ; dan hadden er verontrustingen, overvallingen, aanvallen 
op kleine posten of op de voorpostenketen plaats, allerlei ver- 
richtingen dus van den zoogenaamden kleinen oorlog. Even- 
wel hadden, door de mindere uitbreiding van de lichte troepen, 
de handelingen van den kleinen oorlog in de 17e eeuw nog niet 
dit gewicht, dat zij in de oorlogen van Frederik II hebben ver- 
kregen, en dat door de wijze van oorlogen van ónzen tijd weer 
grootendeels verdwenen is. 

Öe veldheerskunst van die dagen kan, in de hoofdpunten, tot 
het volgende worden teruggebracht. 

De eerste en groote moeielijkheid was, de legers voltallig te 
maken, en te velde te brengen. Vooral was die moeielijkheid 
groot, als die legers bestonden uit troepen van verschillende natiën, 
uit bondgenooten die van elkander onafhankelijk waren; dan 
hadden er eindelooze onderhandelingen plaats, alvorens men het 
eens was over de keus van den opperbevelhebber, over het doel 
dat men zich met den veldtocht voorstelde, en over het aantal 
troepen dat elk der bondgenooten zou aanbrengen tot bereiking 
van dat doel; vooral in ddt opzicht had Frankrijk, waar alles 
door éénen wil bestuurd werd, een groot voordeel op de bond- 
genooten, waar de strijdige belangen der verschillende staten dik- 
wijls aanleiding gaven tot de ongerijmdste handelingen, tot de 
onverantwoordelijkste tijdverspilling; en waar zelfs het genie van 
een Willem III dikwijls niet in staat was om de bezwaren te 
boven te komen, die hem de onkunde of de kwade trouw van 
vreemde onderbevelhebbers in den weg legden ; — onder andere 
is de veldtocht van 1674 in de Zuidelijke Nederlanden hiervan- 
een treffend bewijs. 

Waren de legers bijeen, de magazijnen in gereedheid (en ge- 
woonlijk was hiermede het voorjaar reeds verloopen), dan kwamen 
die legers te velde, zonder evenwel elkander dadelijk te gemoet 
te trekken, en eene beslissing te zoeken door een veldslag: men 
beoogde toen zulke groote uitkomsten niet; men vergenoegde 
zich met kleine voordeelen, met het vermeesteren van vestingen. 
De sterkste partij, de aanvaller, poogde door schijnbewegingen, 
door heen- en weermarschen den vijand te misleiden en diens 
leger te verwijderen van de vesting die men voornemens was 
aan te vallen. Die vesting werd dan onverwachts berend, voor- 
dat zij voldoende bezet en voorzien was. Soms gelukte het den 
verdediger vóór dien tijd eene aanzienlijke versterking binnen 



Digitized by 



Google 



WIJZE VAN OORLOG VOEREN IN DE ZEVENTIENDE EEUW. 3I 

de vesting te werpen, en meestal zag de aanvaller dan af van 
het beleg; soms ook ontdekte^ of raadde de verdediger het 
voornemen van den aanvaller^ plaatste zich bijtijds tusschen 
dezen en de bedreigde vesting, en verijdelde daardoor de voor- 
genomen belegering; want, tot dat einde het leger van den ver- 
dediger aan te tasten en slag te leveren, was een uiterst 
middel waartoe de aanvaller, zelfs bij groote overmacht, zelden 
overging. Was eenmaal de vesting geheel ingesloten, dan had 
het beleg gewoonlijk de eindelijke overgave van de vesting ten 
gevolge, tenzij de aanvaller niet de noodige middelen had om 
de belegering te verrichten, of de tegenpartij met een sterk leger 
tot ontzet oprukte. Dat oprukken tot ontzet geschiedde echter 
gewoonlijk alleen met sterker leger; en wanneer de belegeraar 
stand bleef houden^ dan trok het hulpleger meestal weer onver- 
richterzake af; beide partijen schroomden evenzeer het leveren 
van een veldslag; en de partij die maar de meeste stoutheid 
betoonde was er bijna zeker van, de bovenhand te behouden. 
Na de inneming van die eerste vesting, ging men over tot een 
tweede, een derde beleg; en dan rekende de aanvaller ook reeds 
genoeg gedaan te hebben; er kunnen ten minste een groot aan- 
tal veldtochten aangehaald worden waarin veel minder ver- 
richt werd. 

De handelingen van den verdediger waren, dit ligt in den aard 
der zaak, omgekeerd. De verdediger nam eene aanvankelijke stel- 
ling, waardoor zijne verschillende vestingen werden beschermd; 
en hij richtte vervolgens zijne bewegingen zoodanig in naar die 
van den aanvaller, dat hij altijd in staat was eene bedreigde ves- 
ting te redden door het bezetten van een sterke stelling tusschen 
haar en den vijand; of ten minste in staat om, vóórdat die 
vesting nog was ingesloten, troepen en krijgsbenoodigdheden 
daarbinnen te werpen. Was eenmaal het beleg van de vesting 
begonnen, dan trachtte de verdediger door verschillende mid- 
delen den aanvaller te noodzaken tot het opbreken van het 
beleg: soms door het bedreigen van een vesting des aanvallers; 
soms door pogingen aan te wenden tot oplichting van de kon- 
vooien des belegeraars — zooals het Fransche leger dit in 1708 
beproefde, gedurende het beleg van Rijssel door de bondgenooten. 
Soms ook door invallen te doen in het land des aanvallers, — 
zooals in 1629, gedurende de belegering van 's-Hertogenbosch 
door Frederik Hendrik, toen de Spaansche en Oostenrijksche legers 
in Gelderland vielen — doch alleen ddn, wanneer hij door aan- 
zienlijke versterkingen de overmacht aan zijne zijde had gekregen. 
Het behoorde tot de zeldzaamheden, dat de verdediger, om de 
belegerde vesting te redden, oprukte met het voornemen om slag 
te leveren; geschiedde dit, dan was meestal de overmacht aan 
zijne zijde, zooals het geval was met het Fransche leger dat in 



Digitized by 



Google 



32 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

1676 het belegerde Maastricht ontzette; of er bestond bij den 
belegeraar gebrek aan overeenstemming tusschen de verschillende 
bevelhebbers, bij voorbeeld in 1674, toen de bondgenooten Oude- 
naarden belegerden en Condé die plaats te hulp kwam. Bleef de 
belegeraar, in weerwil van het oprukken des verdedigers, stand 
houden, dan zag de laatste gewoonlijk af van alle poging tot 
ontzet en trok onverrichterzake terug, — zooals dit plaats had bij 
het beleg van Bouchain door Lodewijk XIV in 1676. Soms ook 
had de belegeraar zich zoodanig verschanst om de belegerde 
vesting, dat daardoor elke poging tot ontzet verijdeld werd; in 
den tachtigjarigen oorlog vindt men een groot aantal voorbeelden 
hiervan. 

Dikwijls ook, dat de verdediger weinig of niets verrichtte om 
de belegerde vesting te hulp te komen; en dat hij er zich toe 
bepaalde met, door het zenden van toevoer aan de bezetting^ 
en het aantasten van de vijandelijke konvooien, den tijd van den 
wederstand zooveel mogelijk te rekken. Zóó werd meesttijds ge- 
handeld, wanneer de macht des verdedigers buiten verhouding 
zwak was, vergeleken met de macht van den aanvaller; dan 
rekende de eerste al veel te hebben gewonnen, wanneer door 
het beleg van die vesting er zooveel tijd was verloopen, dat hij 
zijne strijdkrachten had kunnen organiseeren, en den aanvaller 
intusschen had bezig gehouden. 

Ziedaar wat grootendeels de veldheerskunst van de 17e eeuw 
uitmaakte. Het moet in het oog vallen, hoe eene dergelijke 
wijze van oorlogvoeren in het voordeel was van den verdediger, 
dewijl daardoor de beslissing steeds werd uitgesteld, en de oor- 
log gerekt; maar tevens hoezeer de aanvaller tegen zijn waar 
belang handelde, door zich bezig te houden met onbeduidende 
ondernemingen, die den vijand slechts ongevoelige verliezen ver- 
oorzaakten. De bekwame veldheer moest dus, — daar waar hij 
door zwakheid tot de verdediging was gedwongen — zooveel 
mogelijk zich houden aan de stelselmatige oorlogvoering van 
zijn tijd; terwijl hij daarentegen als aanvaller zich zooveel 
mogelijk moest vrijmaken van de banden waarmede de gebrek- 
kige samenstelling van de toenmalige legers zijne handelingen 
belemmerde. Wanneer men nu de door Willem III gevoerde 
oorlogen zorgvuldig nagaat, bespeurt men, dat hij bijna altijd 
— zoo niet door de getalsterkte, dan toch door de samenstelling 
van de door hem aangevoerde legers — zwakker was dan zijne 
tegenpartij, zoodat hij eigenlijk verdedigende oorlogen voerde; 
in de Fransche veldheeren, die tegenover Willem lEI stonden, 
kan men het dus niet zoo bijzonder prijzen, dat zij zich trouw 
hielden aan de wijze van oorlogvoeren van hun tijd; maar wél 
in den Nassauër, die daarin het middel vond om met zijne 
zwakke legers den oorlog te blijven volhouden. Bij die weinige 



Digitized by 



Google 



WUZE VAN OORLOGVOERIN IN DE ZEVENTIENDE EEUW. 33 

gelegenheden dat de Stadhouder aanvallend te werk gaat, kan 
men bij hem pogingen opmerken om zich vrij te maken van de 
angstvallige strategie dier tijden, en gaat hij over tot onderne- 
mingen, die groote, beslissende uitkomsten konden teweegbrengen, 

— die pogingen, die ondernemingen zijn niet veelvuldig; zij 
hebben niet altijd aan het doel beantwoord, maar nochtans doen 
zij dikwijls eene stoutheid en eene juistheid van inzichten kennen, 
welke aan die eeuw vreemd waren, en waardoor Willem III gun- 
stig afeteekt bij zijne tijdgenooten. 

Sprekende van de veldheerskunst der 17e eeuw, zouden wij de 
veldslagen bijna vergeten; — en niet geheel ten onrechte, daar 
veldslagen in die eeuw zelden plaats grijpen, weinig beslissende 
zijn, en meestal geleverd worden, meer om aan de wapeneer te 
voldoen, dan om daardoor groote, belangrijke uitkomsten te ver- 
krijgen. — Een enkel woord over dit onderwerp zal de beschou- 
wing over de krijgsvoering der 17e eeuw besluiten. 

Bij een veldslag van dien tijd ziet men de wederzijdsche legers 
zich eerst geregeld tegenover elkander in slagorde scharen; de 
infanterie gewoonlijk in het midden, ruiterij op de beide vleugels, 
geschut over de geheele slaglinie verdeeld. Na een wederzijdsch 
geschutvuur gaat de eene partij tot den aanval over; de aan- 
valler heeft hierbij het nadeel, dat, door de mindere beweeg- 
baarheid van de toenmalige artillerie, hij de beide andere wapens, 
bij het vooruitgaan, niet door zijne batterijen kan doen verge- 
zellen. Zoodra echter de beide legers handgemeen worden, houdt 
ook de werking op van de artillerie des verdedigers; daar dit 
wapen veel moeite heeft om van plaats te veranderen, is het 
meesttijds maar in het begin van den strijd werkzaam ; om dezelfde 
reden gaat de artillerie van de geslagene partij dikwijls geheel 
verloren, zooals dit onder andere te Neerwinden (1693) met de 
artillerie van Willem III gebeurde. De aanval heeft gewoonlgk 
plaats over de geheele uitgestrektheid van de slaglinie, en geeft 
aanleiding tot wat men een evenwijdigen veldslag noemt: 
ieder wapen, ieder regiment, valt aan op het wapen, op het 
regiment, waar het tegenover staat; het strijdt daartegen; het 
slaat, het vervolgt dit gedeelte, zonder zich als het ware te be- 
kommeren om de andere gedeelten van het vijandelijke leger; 

— vandaar dan ook, dat dewijl de slagorde van de legers zoo 
dikwijls dezelfde is, meesttijds voetvolk alleen strijdt tegen voet- 
volk, ruiterij alleen tegen ruiterij, en het gevecht van het eene 
wapen tegen het andere veel minder voorkomt dan in den nieu- 
weren tijd. De handelwijze om zich alleen te bekommeren om den 
vijand dien men recht tegenover zich heeft, is zoozeer de regel 
bij de veldslagen der 17e eeuw, dat óéiéx waar hiervan wordt 
afgeweken, dür waar men, na het verslaan van een gedeelte 



WILLEM in. — I. 



Digitized by 



Google 



34 KRIJGS- EN GKSCHIEDiCUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

der vijandelijke macht zich niet uitsluitend bezighoudt met de 
vervolging van dit geslagen gedeelte, maar zich wendt tegen 
andere gedeelten die nog stand houden, — zooals Cromwell deed, 
bij een van de veldslagen uit den Engelschen burgeroorlog — 
men die handeling vindt vermeld als een blijk van een bui- 
tengewone veldheersbekwaamheid, waaraan het behalen van 
de overwinning was toe te schrijven. 

Het is duidelijk dat bij zulk een aanval over het geheele 
front der slaglinie de kansen op de overwinning meestal gelijk 
moesten staan; want, had de aanvaller de getalmeerderheid al 
aan zijne zijde, de verdediger had daarentegen zijne stelling met 
zorg uitgekozen, versterkt, en de verschillende terreinvoorwerpen 
bezet, die zich daar bevonden. In ddt opzicht vooral verdienen 
de veldslagen der 17e eeuw bestudeerd te worden; men ziet hier 
den verdediger goed gebruik maken van de veldverschansing, die 
in de latere oorlogen ten onrechte is verwaarloosd, en eerst in 
ónze dagen weer in eere is gekomen; en verschillende veldslagen 
van de 17e eeuw bewezen reeds dat Rogniat's bekende theorie 
over de verschanste slagvelden zeer goed uitvoerbaar is. Het 
gebruik maken van terreinvoorwerpen heeft bijna even goed 
plaats in de 17e eeuw als bij de veldslagen van onzen tijd, 
en veel meer dan in den zevenjarigen oorlog; Willem III vooral 
muntte uit in de bekwaamheid om eene verdedigende stelling in 
korten tijd te versterken — zooals bij Neerwinden — en in het 
partij trekken van terrein voordeelen, zelfs bij een on verwachten 
vijandelijken aanval, zooals hij dit bij Séneffe (1674) bewees. 

Dat evenwicht tusschen aanvaller en verdediger; het verrichten 
van den aanval met gelijkelijk verdeelde krachten over- het ge- 
geheele front der stelling; het niet afzonderen van een sterke 
reserve, om daarmede, op één punt behaalde voordeelen door 
te zetten, en de overwinning te voltooien; — dit alles had ten 
gevolge dat die veldslagen zoo onbeslissend bleven: hier had de 
eene partij voordeelen behaald; daar de andere; die zich het 
zwakst rekende, trok af; maar de sterkste had geen zoo over- 
wegend voordeel behaald om dien aftocht ernstig te bemoeielijken, 
had geen genoegzame versche strijdkrachten bijeen om dien af- 
tocht, door de vervolging, in eene vlucht te doen ontaarden. 
Omtrekkende bewegingen, flankaanvallen hebben weinig of niet 
plaats; hiertoe is de beweegbaarheid der toenmalige legers te 
gering; daar waar zij voorkomen, zooals bij Fleurus (1690), zijn 
zij toe te schrijven aan de groote overmacht van de eene partij, 
en aan de groote misslagen van de andere. Dat het leger gedu- 
rende een marsch wordt aangevallen, zooals bij Séneffe, behoort 
tot de zeldzame uitzonderingen. 

In één woord: bij de veldslagen der 17e eeuw verdienen de 
handelingen der verdedigende partij somtijds bewondering, om de 



Digitized by 



Google 



LODEWITK XIV. 35 

goede wijze waarop zij stellingen weet uit te kiezen en te verster- 
ken; van de aanvallende partij valt daarentegen meestal weinig 
bijzonders te zeggen; tevergeefs zoekt men bij die veldslagen 
dicstoate, goedberekende bewegingen, die bij de nieuwere veldslagen 
voorkomen, en waardoor de massa der strijdkrachten des aan- 
vallers tegen het zwakke gedeelte der vijandelijke stelling wordt 
gevoerd, om op die wijze zulke voordeelen te behalen, die het 
geheele leger des vijands verloren doen gaan en een oorlog ten 
einde brengen. De meening van Clausewitz, dat de verdediging 
voordeeliger is dan de aanval, is zeker waar voor de veldslagen 
van de 17e eeuw; want toen was de aanvaller veel meer in 
bet nadeel dan in onze dagen, omdat hem bij een veldslag de 
twee hulpmiddelen ontbraken, die thans dikwijls de overwinning 
bezorgen: een overmachtig artillerievuur, en flankaanvallen of 
omtrekkende bewegingen. 



HOOFDSTUK II. 

LODEWijK XIV ; colbert; louvois. 

De worsteling tegen de Fransche overheersching, tegen de 
dwingelandij van Lodewijk XIV is de hoofdzaak in den levens- 
loop van Willem III; die worsteling maakt de geschiedkundige 
grootheid van den Stadhouder uit. Wil men dus die geschied- 
kundige grootheid naar eisch waardeeren, dan dient men te 
weten wat het Frankrijk van die dagen, wat Lodewijk XIV is 
geweest. £en enkel woord daarover is hier dus noodig. 

Over den vermaarden Franschen Koning is genoeg geschreven, 
ook door groote schrijvers: Madame de Sévigné, Saint-Simon, 
Voltaire, en zooveel anderen. Er zijn bronnen in overvloed om 
er kennis uit te putten van het karakter en de hoedanigheden 
van Lodewijk XIV; — wel is waar loopen de opgaven en oor- 
deelvellingen over dien Koning vaak hemelsbreed uiteen; maar 
juist dat is de taak van den geschiedenis onderzoeker, om die 
onderling strijdige opgaven met elkander te vergelijken, aan elkan- 
der te toetsen, hare waarde of hare onwaarde te bepalen, en 
zoodoende tot de waarheid te komen, — of tot de waarschijnlijk- 
heid. Het onderling strijdige van geschiedkundige opgaven is een 
veel geringer bezwaar dan het ontbreken van die opgaven. 

Onder de nieuwere schrijvers over de regeering van Lode- 



Digitized by 



Google 



36 KRTJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

wijk XIV en vooral over de krijgshandelingen muQt Catnille 
Rousset uit: zijn werk ^Histoire de Louvois^* enz. heeft groote, blij- 
vende waarde. Die arbeid van Rousset zal hier gedurig worden 
aangehaald, soms met instemming, soms met bestrijding; de ken- 
nis der Staats- en oorlogshandelingen van Willem III wint, wan- 
neer men ook het oordeel daarover verneemt van een kundig 
en vrij onpartijdig Fransch schrijver. 

Misschien kunnen sommige onzer lezers zich uit de Punch van 
1871 een fraaie teekening herinneren, voorstellende den Duitschen 
Keizer Wilhelm die op den troonzetel van Versailles sluimert, 
terwijl de schimmen van twee groote Fransche vorsten met ver- 
ontwaardiging op die ontheiliging nederzien. Die twee groote 
Fransche vorsten zijn Napoleon en Lodewijk XIV, de twee ge- 
bieders die den grootsten indruk op den geest huns volks heb- 
ben gemaakt ; en toch twee mannen, zoo ongelijksoortig, dat men 
haast niet begrijpt hoe zij in éénen adem genoemd kunnen 
worden : Napoleon, de man uit het volk voortgekomen, de held, 
de veroveraar, de krachtvolle, geniale gebieder ; en Lodewijk XIV, 
wiens voornaamste verdienste daarin heeft bestaan dat hij mees- 
terlijk de rol van Koning heeft weten te spelen. 

Maar neen, — die uitdrukking is toch niet juist :» meesterlijk de 
rol van Koning spelen", dat onderstelt iets gekunstelds, iets onwaars, 
iets waaraan men zelf niet gelooft; en dat was met Lodewijk het 
geval niet; hij geloofde wel degelijk aan zijne hooge koninklijke 
waardigheid; hij was diep doordrongen van zijne onmetelijke 
meerderheid, boven de andere menschen niet alleen, maar zelfs 
boven de andere Koningen. »De Fransche Sultan", zoo 
heeft Helmers hem genoemd, en in die uitdrukking ligt veel 
waarheid. Lodewijk beschouwde zich als een hooger wezen; alles 
moest hem huldigen en voor hem buigen ; zijn gunst te erlangen, 
dat moest het doel zijn van aller streven; hem te weerstaan, 
hem ongehoorzaam te zijn, dat was iets ongehoords, iets ge- 
drochtelijks, dat evenzeer zijne verbazing als zijn toorn opwekte. 
Zijn groote tegenstander Willem III heeft hij langen tijd beschouwd 
als niets meer dan een soort van rebel, die misschien alleen uit 
vrees voor- gerechte straf in zijn opstand bleef volharden , maar 
die altijd weer te winnen zou zijn zoodra Lodewijk hem in ge- 
nade wilde opnemen. 

Dat diep gevoel van alles beheerschende grootheid werd in 
den Franschen Koning gevoed door de slaafsche afhankelijkheid 
van het Fransche volk. Wanneer van het Fransche volk uit de 
dagen van Lodewijk XIV gesproken wordt, dan moeten daar- 
onder alleen verstaan worden de hoogere standen, de adel, de 
hooge krijgsbevelhebbers en staatsbeambten, de parlementen, de 
hovelingen die zich in den zonneglans van het Koninklijk gezag 



Digitized by 



Google 



LODBWUK XIV. 37 

koesterden; dat alleen maakte toen het Franschevolk uit; al het 
andere telde niet mede; al het andere bestond uit manants en 
roturiers^ wier roeening of gevoelen men nooit raadpleegde. Niet 
zeldzaam was het tijdens Lodewijk's regeering, dat die burgerstand, 
het eigenlijke volk, gekrenkt door onverdiende minachting en zwoe- 
gende onder onduldbare lasten, begon te morren, in verzet kwam 
en tot openlijken opstand oversloeg; — maar dan werd die op- 
stand met de meeste onverbiddelijkheid te keer gegaan, en op 
zoo wreede wijze gestraft als men nog in onze eeuw in Rusland 
een opstand der lijfeigenen heeft onderdrukt, of op Jamaica een 
opstand der negers; men leze in de brieven van Madame De 
Sévigné en bij anderen, hoe in die dagen in Bretagne of in 
Auvergne recht werd geoefend, en hoe die geestige vrouw met 
de meeste onverschilligheid dé gruwelijke wreedheden vermeldt 
waaraan zich toen landvoogden en gerechtshoven schuldig maak- 
ten. Galeien, galg en rad hielden toen het Fransche volk nog in 
toom; — een eeuw later zou de wraak van dat volk het hoofd 
doen vallen van Lodewijk's onschuldigen nazaat. 

De grooten, de edelen, de aanzienlijken, zij die Lodewijk om- 
gaven, bogen zich voor hem als voor een soort van Olympischen 
Jupiter, als voor een hooger wezen, in welks minste handelingen 
iets groots en goddelijks was gelegen; de muitzieke helden van 
de Fronde waren de meest gedweëe hovelingen geworden. De 
hooge geestelijkheid moge misschien tegen den Koning een on- 
afhankelijken toon hebben gebezigd; toch, wanneer Bossuet in 
zijne welsprekende taal de waarheid verkondigde dat de vorsten 
aan het Opperwezen ond'erdanig zijn, was hij nochtans vleier ge- 
noeg om er dadelijk bij te voegen, dat die vorsten ook alleen 
God boven zich hadden: 

«Celui qui règne dans les cieux, et de qui relèvent tous 
les empires, k qui seul appartient la gloire, la majesté et 
rindépendance, est aussi Ie seul qui se glorifie de faire la 
loi aux rois, et de leur donner, quand il lui plait, de 
grandes et de terribles legons." 

Bossuet. Oraison funèbre de la reine d' Angleterre. 
De vleierij van Bossuet en zijns gelijken moge een kleed van 
waardigheid hebben aangenomen, het was en bleef toch vleierij ; 
maar zij had niet dat kruipende, dat zelfverlagende, dat de vleierij 
van Lodewijk*s hovelingen kenmerkte. Het is bij onze heden- 
daagsche begrippen moeielijk te gelooven of te begrijpen, hoe 
destijds een Lodewijk XIV als een afgodsbeeld werd vereerd, en 
de minste zijner handelingen, en het voldoen aan alledaagsche 
'lichamelijke behoeften, in de oogen van zijne hovelingen met 
majesteit was omgeven. Men kan zich Napoleon of Frederik II 
desnoods nog voorstellen, op gemeenzame wijze sprekende of 
schertsende; bij Lodewijk XIV is dit iets onmogelijks: men kan 



Digitized by 



Google 



38 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

hem zich niet anders verbeelden dan omgeven met statigheid, 
met vorstelijke waardigheid, als een halfgod, die altijd aangebeden 
wil zijn, niet als een Koning, maar als de Koning, den man 
voor wien de wereld zich moet buigen. 

Welk oordeel moet men vellen over Lodewijk XIV? — Lees zoo 
veel geschiedschrijvers als gij wilt, ieder die van hem gewaagt 
spreekt verschillend over hem. Voltaire, in zijn » Siècle de Louis 
XIV", geeft een zeer gunstig beeld ; — te gunstig, te gevleid, te 
eenzijdig. In SaintSimon's gedenkschriften is het beeld reeds 
somberder getint, en komt de onbegrensde zelfzucht van den 
Koning uit. Michelet en andere demokratische schrijvers van den 
nieuweren tijd schilderen hem veel slechter af; bij sommige 
dier schrijvers is hij niets anders dan een gewetenlooze dwinge- 
land, wiens naam aan verachting en verfoeiing moet worden 
overgeleverd. 

Wat is hiervan waar? Misschien zal men, om Lodewijk XIV 
te rechtvaardigen, aankomen met die bekende woorden van 
Madame De Staël: >tout comprendre, c'est tout pardon- 
ner." Maar die woorden zijn eene machtspreuk, eene valsche 
stelling, meer niet. » Alles begrijpen", — o ja dat is zeer goed; 
daarnaar moet men streven; als men alles begrijpt, dan kan 
men alles verklaren; maar daaruit volgt geenszins het »alles 
vergeven." Kent men de aanleiding en de oorzaken van de 
eene of andere handeling, dan kan men daardoor vaak verzach- 
tende omstandigheden vinden voor die handeling; maar daarom 
nog geen rechtvaardiging. Elke overtreding van de eeuwige wetten 
van recht en menschelijkheid moet veroordeeld worden; men 
mag nooit onverschillig zijn voor goed en kwaad. 

Lodewijk was oprecht in het geloof aan zijne eigene grootheid; 
dit verklaart zeer veel bij hem; het kwam niet in hem op, er 
aan te twijfelen of hij wel het recht had om met de meeste 
willekeur over zijne onderdanen te beschikken, en geweld en 
onderdrukking ten aanzien van vreemde vorsten en volkeren 
te baat te nemen; dat recht stond bij hem vast. Wanneer hij Genua 
in brand liet schieten, of de Paltz verwoesten, of de meest onge- 
rechte oorlogen aanving, dan had geen mensch daarover iets 
te zeggen: hij wilde het, dus moest de wereld daarmede genoe- 
gen nemen. Het intrekken van het Edikt van Nantes, de dra- 
gonnades, de vervolgingen tegen de Protestanten — dat zijn 
gruwelen geweest, die niemand mag verdedigen of verontschul- 
digen; bij een Filips II zouden die gruwelen het gevolg zijn ge- 
weest van onbegrensden ijver voor een kerkleer, van blinde 
dweepzucht; die drijfveeren mogen gewerkt hebben op sommige 
raadgevers van Lodewijk, op hem zelf niet: Lodewijk* herriep 
het Edikt van Nantes, eenvoudig omdat hij, in de volheid zijner 
Koninklijke macht, geheel en al het recht daartoe meende te 



Digitized by 



Google 



LODEWIJK XIV. 39 

hebben; en indien hij, ter wille van de eenheid van zijn rijk, 
bepaalde dat al zijn onderdanen een en denzelfden godsdienst 
beleden, dan was dit bij hem een even gewone handeling als 
de handeling van den bevelhebber van een regiment die wil dat 
al zijn soldaten op dezelfde wijze gekleed zullen zijn. 

Op die wijze kan men de slechte handelingen van Lodewijk XIV 
begrijpelijk maken, door de denkwijze aan te geven die bij hem 
heerschende was; maar die denkwijze was te veroordeelen, en 
die handelingen blijven misdaden. Toch vordert de billijkheid, te 
erkennen, dat er bij dit alles in Lodewijk een gevoel voor groot- 
heid was, dat een betere natuur kenmerkt. In 1672, toen ons 
land Onder water werd gezet om de Fransche tirannie te kunnen 
weerstaan, ontlokt die handeling aan den Koning een betuiging 
van bewondering over zooveel heldengeest; en toen, in de 
laatste jaren van den Spaanschen successie-oorlog, de hand van 
het ongeluk zwaar op hem drukte en de wapenmacht zijner 
vijanden het uitgeputte Frankrijk teisterde, weigerde hij stand- 
vastig en op echt-Koninklijke wijze om den vernederenden vrede 
aan te nemen dien men hem aanbood. Hij was toen grooter 
dan in de dagen van zijn roemrijksten voorspoed. 

Uit Rousset's geschiedenis van Louvois kan men menig voor- 
beeld aanhalen van de willekeur en het geweld waarmede Lode- 
wijk XIV ten aanzien van vreemde volken en vorsten te werk ging. 

In 1670 vermeestert Lodewijk XIV Lotharingen, tegen alle 
recht en billijkheid in. Nu zou men zeggen: dan heeft toch wel 
Lotharingen het recht om zich te verdedigen tegen die gewel- 
denarij, zelfs zich te verdedigen op onregelmatige wijze, door 
volkswapening of andere middelen die tot de ongeregelde wijze 
van oorlogen behooren. Volstrekt niet; zelfs aan de geregelde, 
wettig bestaande krijgsmacht van den Hertog van Lotharingen 
wordt het verboden om haar land te verdedigen; en met eene 
ongeloofelijke onbeschaamdheid wordt er gedreigd, dat men die 
verdediging als een zware misdaad zal straffen. Zie hier wat 
Louvois den 21 September 1670 aan den Maarschalk De Créqui 
schrijft : 

> Zijne Majesteit heeft in overweging genomen, dat de versterkte 
steden van den Hertog van Lotharingen (de M. de Lorraine) 
slecht voorzien zijn, dat zij volstrekt niet op hulp kunnen reke- 
nen, en dat dus die steden te verdedigen eene vermetelheid is die 
een voorbeeldige straf verdient. Zijne Majesteit heeft daarom be- 
sloten, dat al wat men daarin vindt aan ruiters, soldaten, militie 
(élus), en ingezetenen van Lotharingen, die aan de verdediging 
hebben deelgenomen, naar.de galeien moet worden gezonden, 
wanneer zij, veertien dagen na de overgave, niet een losgeld heb- 
ben betaald van honderd kronen per hoofd. Wat den Franschen 



Digitized by 



Google 



40 KRIJGS- EN GESCHIED ICUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

aangaat, die zich daaronder bevinden, die moeten worden opge- 
hangen, alle, als er niet veel zijn, en anders van de tien man 
één, en de overigen naar de galeien worden gezonden. En wat 
den Lotharingschen officieren aangaat en den edellieden, die moeten 
in de gevangenis worden gezet, en de edellieden op losgeld 
worden gesteld, naarmate dat zij vermogen hebben om te beta- 
len; doen zij dit niet, dan moeten hunne huizen onder den voet 
worden gehaald. Zijne Majesteit wil dat van de Lotharingsche 
militie de huizen worden verbrand, ten minste één in ieder dorp, 
en, opdat dit voorbeeld te meer indruk make, moet men 
het huis van den rijksten inwoner van het dorp uitkiezen. Wat 
den Franschen officieren aangaat die men bij de Lotharing- 
sche troepen vindt, de Koning wil dat de korpskommandant 
worde opgehangen, met al zijne officieren, als er niet meer dan 
vijf of zes zijn; zijn er meer, dan moet er van de twee een 
worden gehangen, en de anderen naar de galeien gezonden. Al 
het voorgaande moet met groote stiptheid worden uitgevoerd." 
(Rousset, ie deel bl. 300 — 301). 

De schrijver laat er echter op volgen: 

«Gelukkig voor de eer van Lodewijk XIV en van Louvois, 
maar dank zij het krachtige verzet van De Lionne" (een van 
Lodewijk's bekwaamste en beste staatsdienaars, kort daarop ge- 
storven) » werden die verfoeielijke bevelen, der zeventiende eeuw 
onwaardig, niet ten uitvoer gebracht; naar Louvois' zeggen had 
men ook geen voornemen om ze uit te voeren; het was eene 
bedreiging, meer niet . . . ." 

Aan dat laatste valt te twijfelen wanneer men opmerkt wat 
er in 1672 gebeurd is. — Voor het overige moet men hierbij 
niet uit het oog verliezen, dat Lotharingen toen geen Fransch 
gewest was, maar geheel op zichzelf stond; de hertog van Lo- 
tharingen was toen een onafhankelijk vorst. Toen Napoleon in 
1809 dreigde den generaal de Chasteler, het hoofd van den opstand 
in Tyrol, te zullen laten fusilleeren, onder de valsche bewering 
dat hij een Fransch onderdaan was, was dat al erg genoeg; 
maar de handeling van Lodewijk XIV ten aanzien van de 
Lotharingers laat die gewelddaad van Napoleon verre achter zich. 

Denkt men soms dat de regeering van Lodewijk XIV zeer kiesch 
was in de middelen, die zij ten nadeele van hare vijanden aanwendde? 
— Voor moord, zelfs voor sluipmoord, deinsde zij niet terug. 

In het begin van 1674 vergadert er een soort van vredes- 
congres te Keulen. Een van de handelende personen daar — 
al was het zonder officieel karakter — was een Baron De L'Isola, 
een Edelman 'uit Franche-Comté, die dat gewest had verlaten 
toen het door de Franschen werd veroverd, en die een hevige 
vijand was gebleven van Frankrijk en van Lodewijk XIV. In 



Digitized by 



Google 



LODEWIJK XIV. 41 

het tweede deel van Rousset's werk, bladzijde 3, komt het vol- 
gende voor over een bevel, door Louvois gezonden aan D'Estrades, 
toen gouverneur van Maastricht, dat het jaar te voren door de 
Franschen genomen was. 

>Het is zeer waarschijnlijk — schreef hij hem den i6en Januari 
1674 — dat de Baron De L'Isola spoedig Luik zal verlaten om 
naar Keulen terug te keeren. Het is van veel belang om zich 
meester te maken van zijn persoon, en zelfs is er niet veel aan 
verbeurd om hem te dooden, als hij of de zijnen weerstand 
bieden; want het is in zijn spreken een onbeschaamd wezen, 
dat al zijne bekwaamheid, waarvan hij niet misdeeld is, aanwendt 
met een rustelooze woede ten nadeele van Frankrijk 's belangen. 
Gij kunt u niet voorstellen hoeveel gij zijn Majesteit welgevallig 
. zoudt zijn {combien vous feriez votre cour ^ Sa Majesté) als gij 
dien aanslag kondt uitvoeren bij Llsola's terugreis." — Rousset 
voegt er bij: » gelukkig bespaarde Llsola's voorzichtigheid die 
misdaad aan Louvois, aan Lodewijk XIV en aan Frankrijk...," 

Maar, zal men zeggen, dit is bij een voornemen gebleven, het 
is tot geen begin van uitvoering gekomen; en bovendien was 
het vermoorden van L' Isola maar iets voorwaardelijks, het werd 
niet gebiedend voorgeschreven; alleen werd D' Estrades tot dien 
moord aangezocht: hij zou daardoor «Zijne Majesteit welge- 
vallig" zijn. Gewelddadige handelingen lagen ook in den geest 
van dien tijd. Zoo wordt op datzelfde Congres van Keulen een 
der onderhandelaars, vorst Wilhelm von Fiirstenberg, een aan 
Frankrijk verkochte Duitscher, door keizerlijke officieren opge- 
licht en naar Weenen vervoerd. Het Congres gaat daarop uiteen. 

Ziedaar wat men misschien kan aanvoeren ter verontschuldi- 
ging van dien aanslag tegen L' Isola; maar ziehier erger. 

In 1692, tijdens den veldtocht in de Zuidelijke Nederlanden, 
was het niet alleen op het slagveld van Steenkerke dat het leven 
van Willem III gevaar liep; het werd ook bedreigd door sluip- 
moordenaars. Een Fransch kolonel van de dragonders, nog wel 
een edelman — zijn naam was Grandval — , een Antoine Dumont, 
en anderen^ hadden reeds geruimen tijd het voornemen gekoes- 
terd om Willem III te vermoorden, hetzij op eene der jachtpar- 
tijen op het Loo, hetzij in eene der legerplaatsen in Braband. De 
moordenaars stelden zich in verstandhouding met Louvois, en 
na diens dood met zijn zoon en opvolger Barbésieux; zij ont- 
vingen van dezen aanmoediging en ondersteuning, ook van het hof, 
van Madame De Maintenon en van den verdreven Engelschen 
Koning Jakobus; Luxembourg, die toen het Fransche leger aan- 
voerde in de Zuidelijke Nederlanden, ontving bevel om de schel- 
men bij hun aanslag behulpzaam te zijn door eene afdeeling 
ruiterij uit te zenden tot bescherming van hunne vlucht, zoodra 



Digitized by 



Google 



42 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

zij Koning Willem in zijn legerkamp vermoord zouden hebben; 
— in één woord, men kan gerust zeggen dat de Fransche regeering 
medeplichtig was aan het feit. De aanslag werd verijdeld, door- 
dien Dumont, tot inkeer gekomen, den toeleg openbaarde; Grand- 
val, gevat en door een krijgsraad gevonnist, werd den i3en Augustus 
1692 gehangen en gevierendeeld; en het vonnis, door dien krijgs- 
raad uitgesproken, werd openbaar gemaakt en heeft van Fran- 
sche zijde nooit tegenspraak ondervonden. Men kan dus de 
medeplichtigheid van Lodewijk*s regeering aan die misdaad als 
bewezen aannemen. — De bijzonderheden omtrent dien aanslag 
van Grandval vindt men bij verschillende schrijvers van dien 
tijd; ook in Wagenaar, zestiende deel. 

Lodewijk XIV rekende zich tot alles gerechtigd ten aanzien 
van de andere mogendheden; en hij handelde alsof die mogend- 
heden geheel en al van hem afhankelijk waren, en hij op hun 
grondgebied even ongehinderd justitie en politie mocht oefenen 
als in zijn eigen land. Een Franschman, zich noemende graaf van 
Serdan, of van Saint Paul, was in 1681 sedert eenige jaren te 
Amsterdam gevestigd en had daar zelfs het burgerrecht verkre- 
gen ; hij werd aan het Fransche hof — terecht of ten onrechte — 
van zware misdaden beschuldigd; en niets was dus natuurlijker 
geweest dan dat men aan de Staten zijn uitlevering had gevraagd ; 
misschien had men die uitlevering verkregen; want in dat op- 
zicht waren de regeerders van de Republiek veel te toegevend, 
toegevend tot zwakheid en oneer toe: getuige zoo menig feit<, 
van de uitlevering van de rechters van Karel I in de dagen van 
De Witt tot aan de uitlevering van Mirabeau en van zijne min- 
nares in het laatst der vorige eeuw door de stad Amsterdam. 
Maar Lodewijk XIV achtte het zelfs beneden zich om die uit- 
levering te vragen: hij zond, doodeenvoudig, een officier met 
negen dragonders uit Iperen — toen een Fransche vesting — 
naar Holland, om daar dien graaf De Serdan op te lichten en 
naar Frankrijk weg te voeren. 

Ditmaal echter ging de vlieger niet op. De Staten, onderricht 
van den toeleg, lieten dien officier en zijn dragonders vatten, 
toen zij in het begin van December 1681 te Rotterdam kwamen 
en in Den Haag voor het hof van Holland terechtstellen. 
D'Avaux, de Fransche gezant, bewoog hemel en aarde om de 
rechtspleging te doen staken, en den officier en zijne dragonders te 
doen ontslaan ; maar ditmaal bleven de Staten standvastig hun recht 
handhaven. Het Hof van Holland sprak een vonnis uit, waarbij 
de officier veroordeeld werd om onthoofd te worden, en de dra- 
gonders om tien jaar in een » rasphuis" door te brengen." Men 
had alles gereed gemaakt om dit vonnis uit te voeren. Op de 
strafplaats stond reeds eene kist, met zwart laken bekleed, voor 
den luitenant. Doch kort nadat de veroordeelden hunne sententie 



Digitized by 



Google 



LODEWUK XIV. 43 

hadden hooren lezen, werd hun allen uit naam der hooge over- 
heid vergiffenis aangekondigd" (Wagenaar). Billijk ook; want de 
arme drommels, die niets deden dan gehoorzamen aan de ont- 
vangen bevelen, hadden toch eigenlijk geen schuld ; de schuldige 
was Lodewijk XIV; en hem gold de oneer van dit vonnis. 

Uit de briefwisseling, toen door Willem III gevoerd met zijn 
schoonvader, den Hertog van York, — later Koning Jakobus II — 
blijkt, dat deze van meening was, dat het eigenlijke doel van de 
afzending dier Fransche dragonders was het oplichten van den 
Stadhouder zelven. Voor die meening schijnt echter geen grond 
te bestaan. 

Dit is niet de eenige keer geweest dat Lodewijk XIV zijne 
vijanden of de menschen die zijn misnoegen hadden opgewekt, 
op vreemd grondgebied wilde doen oplichten; dit was bij hem 
geene ongewone handeling; en Napoleon, toen hij door zijne 
handlangers den ongelukkigen Hertog van Enghien op Baden- 
schen grond deed vatten, kon zichmethet voorbeeld van t/^^r^i?^ 
RoP* verontschuldigen; — indien het ooit verontschuldiging kan 
zijn voor eene misdaad, dat zij vroeger reeds is gepleegd. 

Omstreeks 1679 is Lodewijk XIV in onderhandeling met den 
Hertog van Mantua over het afstaan van de vesting CasaI aan 
Frankrijk. Die onderhandeling vlot aanvankelijk niet ; en weldra 
ontdekt de Fransche regeering dat Mattioli, de eerste Minister van 
den Hertog van Mantua, hierbij op eene slinksche, oneerlijke 
wijze te werk ging. Lodewijk, verbitterd over dat bedrog, wil 
dien hoon ten strengste straffen. Maar Mattioli is geen Franschman ; 
Mattioli is zijn onderdaan niet, maar de Staatsdienaar van een 
vreemd en onafhankelijk vorst; — dat doet er niets toe: Mattioli 
heeft den Koning van Frankrijk beleedigd, en de Koning van 
Frankrijk wreekt zich zonder tusschenkomst van anderen. De Ita- 
liaansche minister, zich te Turijn bevindende, wordt onder een 
schooDschijnend voorwendsel buiten die stad gelokt ; en — toch 
altijd op Italiaansch grondgebied — gevat en naar Frankrijk ge- 
bracht door eenige ruiters, aangevoerd door Catmat, die hier de 
weinig vereerende rol van gerechtsdienaar op zich nam. Die aan- 
slag had plaats zonder dat iemand er zich meê moeide, of er tegen 
opkwam; het gebeurde bleef in duisternis en geheimzinnigheid 
gewikkeld; en de ongelukkige Mattioli, naar de vesting Pignerol 
vervoerd, bracht zijne overige levensjaren in een Fransche Staats- 
gevangenis door. — Naar Rousset's meening zou ide man met 
het ijzeren masker" niemand anders zijn geweest dan Mattioli ; die 
meening komt echter weinig overeen met wat in Voltaire over 
dat raadselachtig wezen voorkomt, waar men vermeld vindt dat 
zelfe Louvois, de alvermogende Minister, altijd diepen eerbied 
voor den gevangene betoonde, en hem altijd aansprak in staande 



Digitized by 



Google 



44 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

houding. Het is weinig waarschijnlijk dat Louvois zooveel vor- 
men zou in acht genomen hebben ten aanzien van den gevallen 
minister van een klein, onbeteekenend Italiaansch vorst. 

Nog een ander voorbeeld van het weinige ontzag dat Lodewijk XIV 
had voor het volkenrecht en voor de gezanten van vreemde 
mogendheden, blijkt uit het gebeurde met Heinsius, die later 
als Raadpensionaris een zoo groote rol heeft vervuld en tijdens 
den Spaanschen Successie-oorlog met Marlborough en Prins 
Eugenius het lot van Europa in handen hield. In het derde deel 
van Rousset*s werk, bladzijde 211, zegt die schrijver, na vermeld 
te hebben dat in 1680 het Prinsdom Oranje tegen alle recht in 
bezit was genomen door Lodewijk XIV: 

>Toen de verontwaardigde Willem III zijn vriend Heinsius 
naar Parijs zond, niet om een gunst te vragen maar recht, werd 
dat recht hem geweigerd; zelfs vindt men in de gedenkschriften 
van Torcy, dat, na een levendigen woordentwist, Louvois den 
gezant van den Prins van Oranje dreigde, hem in de Bastille 
te laten zetten. Toen Heinsius, twintig jaar later, de erfgenaam 
was geworden van de macht en de vijandige gezindheid van 
Willem den Derde: toen hij HoUand's hoogste Staatsdienaar was 
en het hoofd van »de groote alliantie", wreekte hij dien hoon 
op geduchte wijze, niet op Louvois, die reeds gestorven was, 
maar op Lodewijk XIV en op Frankrijk." 

Als het waar is wat De Torcy hier vermeldt, dan wordt hierdoor 
verklaard de onverbiddelijke trotschheid waarmede Heinsius, tijdens 
den Spaanschen Successie-oorlog, weigerde met Frankrijk vrede 
te sluiten, anders dan op voorwaarden zóó vernederend dat zij 
daardoor onaannemelijk waren. Te verontschuldigen is daarmede 
die handeling van Heinsius evenwel niet, die onze Republiek 
toen groot nadeel heeft berokkend. 

Onwaarschijnlijk is het niet, dat de Fransche regeering toen 
op zoo beleedigende wijze is te werk gegaan ten aanzien van den 
gezant eener vreemde mogendheid; de vreemde vorsten zelven 
werden door Lodewijk even weinig ontzien; hij ging openlijk 
te werk, alsof zij zijne minderen, zijne ondergeschikten waren; 
hij sprak tot hen als gebieder, evenals Napoleon na Jena tegen 
de Duitsche vorsten sprak. Overal was, in den bloeitijd van 
Lodewijk's regeering, zijne macht overwegend. In Duitschland had 
de Fransche Koning overal vorsten bezoldigd en hooge staats- 
beambten omgekocht; de keurvorst van Brandenburg — hij, die 
in de geschiedenis onder den naam van »de groote Keurvorst" 
voorkomt — trok herhaaldelijk Fransch geld en schreef dan 
ook soms op den onderdan igsten toon aan Lodewijk ; en Leopold^ 
de Duitsche Keizer, had nu eens de Fransche wapenmacht 



Digitized by 



Google 



LODEWUK XIV. 45 

noodig om de Turken te wederstaan, en dan weer vreesde hij 
dat Frankrijk's ongenoegen hem de Turken en de opstandelingen 
van Hongarije op den hals zoude halen. Ook in Zwitserland deed 
zich de Fransche invloed gelden-, met de Noordsche mogend- 
heden, Denemarken, Zweden en Polen, was het niet beter gesteld. 
Rusland telde toen nog niet mee. De twee laatste vorsten uit 
het geslacht der Stuarts, Karel II en Jacobus II, de ellendigste 
Koningen die Engeland ooit heeft gehad, stonden in Fransche 
soldij; en de schaamteloosheid van die Koningen werd alleen 
geëvenaard door de schaamteloosheid van de hoofden der oppo- 
sitie in het Engelsche Parlement, die ook door Lodewijk werden 
betaald, ten einde hen, zoo noodig, tegen hun Koning te doen 
handelen. De Spaansche monarchie behoefde -evenmin te worden 
ontzien; het was een geheel uitgeput lichaam: trots en onmacht. 
In Italië werd zelfs de Paus niet ontzien, en moest deze de ergernis 
dulden dat de Fransche gezant met eenige honderden gewa- 
penden in Rome optrad, om in het stadsgedeelte dat hij be- 
woonde als meester te gebieden; en de jonge Hertog van 
Savoye werd als een kind geringeloord, wanneer hij het maar 
waagde om zonder Lodewijk's toestemming een kort uitstapje 
naar Venetië te maken en daar de genoegens van het karnaval 
bij te wonen. 

Is het wonder dat, bij zulk eene gesteldheid van de toenma- 
lige hoven van Europa, bij zoo onbeduidende vorsten en hooge 
staatsbeambten Lodewijk XIV zich gerechtigd achtte om overal 
als meester te spreken ; en is het wonder dat hij zich verbaasde, 
dat Willem de Derde niet naar zijn gunst dong, en het niet als 
een groote eer beschouwde, toen Lodewijk hem een zijner onechte 
dochters tot vrouw aanbood! 

Een enkel staaltje, een onbeduidend iets als men wil, zal het 
duidelijk maken, op welk een minachtende en despotische wijze 
Lodewijk XIV toen, ook ten aanzien der vorsten, te werk ging. 

In 1684 reist een hertog van Mecklenburg naar Frankrijk, 
zonder eenig staatkundig doel, enkel voor zijn genoegen, enkel 
om zich te vermaken. Ongelukkig voor dien Duitschen vorst was 
hij toen in geldelijke moeilijkheden gewikkeld met Denemarken, 
dat zich over hem bij Lodewijk beklaagde. Lodewijk trekt partij 
voor Denemarken, en matigt zich het recht aan om den slech- 
ten betaler te straffen. Zoodra de Hertog in Frankrijk komt, 
wordt hij zonder de minste plichtplegingen opgepakt, naar het 
kasteel van Vincennes gebracht, en daar drie maanden lang ach- 
ter slot en grendel gehouden. De zaak had verder geen ge- 
volgen: niemand verhief zich tegen die handeling, die men als 
zeer gewoon en zeer geoorloofd scheen te beschouwen. 



Digitized by 



Google 



46 KRIJGS- £N GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

Groote veldheeren heeft Lodewijk XIV om zich heen gehad; 
ook bekwame, uitstekende staatsmannen. De twee grootste van die 
staatsmannen waren Colbert en Louvois; zij zijn eigenlijk de twee 
grootviziers geweest van den Franschen Sultan. 

Van die twee is Colbert de beste geweest; — misschien was 
het juister om te zeggen: de minst slechte. Colbert heeft, onte- 
genzeggelijk, veel goeds gesticht; voor landbouw, handel, nijver- 
heid, zeevaart, het scheppen van eene oorlogsvloot heeft Colbert 
zeer veel gedaan, 't Is waar, niet alles wat hij deed was ver- 
standig en goed; hij deelde in de dwalingen en vooroordeelen 
van zijn tijd; een genie als Jan de Witt kon de beginselen van 
vrijen handel in zich opnemen; voor Colbert gingen die te ver; 
hij bleef hechten aan het stelsel van beschermende rechten, van 
afsluiting, van kunstmatige nijverheid, hij was te veel voorstander 
van dwang en gezag; hij was te veel van zijne eeuw. Maar men 
moet iemand beoordeelen, ook naar de meeningen die in zijn 
tijd de heerschende zijn ; en doet men dat, dan zal men Colbert's 
uitstekendheid als landsbestuurder huldigen; in vele opzichten 
moet Frankrijk hem erkentelijk zijn. 

Colbert, hoe uitstekend ook als staatsman, was toch geen onaf- 
hankelijk karakter en moest altijd een onderdanig hoveling van 
den Koning blijven ; er zijn toestanden die iemand noodwendig in 
waarde doen verminderen; men kon geen minister van Lodewijk 
XIV blijven, zonder tevens zijn vleier te zijn. Men moet zich 
dus niet verwonderen, dat de taal van den minister tegen den 
Koning soms zoo kruipend is, dat zij weerzin inboezemt. Zelfs be- 
wees Colbert zijn meester soms diensten, die geen man van eer moet 
bewijzen. Eene van de bijzitten des Konings, de markiezin De 
Montespan, had een man die niet al te geduldig was uitgevallen; 
zich met een zweep wapenende, kwam hij eens bij zijne vrouw, 
en kastijdde haar op ongemanierde wijze. Natuurlijk dat dit de 
trotsche markiezin niet beviel; evenmin beviel dit haren konink- 
lijken minnaar; die lastige echtgenoot moest dus verwijderd 
worden. Colbert werd daartoe aangezocht, en Colbert voldeed 
hieraan zonder eenige zwarigheid te maken. Dat deed de hoogst 
geplaatste staatsdienaar in Frankrijk, de man van rusteloozen 
ijver, van groote bekwaamheid, van genie; — zou men, in onze 
dagen, zoo iets voor mogelijk achten? 

Colbert had de hooge betrekking, die hij vervulde, ook juist 
niet op zeer lofwaardige wijze verkregen: zijne verhef&ng was 
de vrucht geweest van kuiperijen, van handelingen die het dag- 
licht niet mogen zien. In de eerste jaren van Lodewijk's regeering 
was Fouquet de alvermogende minister; het zou geheel in strijd 
zijn met de waarheid, het bestuur van dien man goed te noemen ; 
integendeel, het is zoo goed als bewezen, dat hij zich met mil- 
lioenen verrijkt had ten koste van het land ; maar, had Frankrijk 



Digitized by 



Google 



COLBERT. 47 

toen veel eerlijke landbestuurders ? Het is ook niet door zijn 
oneerlijkheid dat Fouquet is gevallen; hij is gevallen omdat hij 
te groote macht had, omdat dit den Koning wantrouwen inboe- 
zemde, omdat die Koning zich gekrenkt achtte door de grootsche 
weelde die een onderdaan ten toon spreidde, en eindelijk, omdat 
die onderdaan wel eens de stoutheid had om als medeminnaar 
van zijn Koning op te treden; — want vooral in dit tijdvak 
van de Fransche geschiedenis valt overal de invloed der vrouwen 
op te merken. 

Twee mannen, door haat en eerzucht geprikkeld, waren de 
voornaamste oorzaken van Fouquet's ondergang ; het waren Colbert 
en Letellier, de vader van Louvois. Het kostte hun weinig moeite 
om Lodewijk XIV voor zich te winnen; en er had als het 
ware eene langzame en zeer geheime samenzwering plaats tegen 
den machtigen Minister; het schijnt dat Lodewijk toen nog 
te weinig verzekerd was van zijne onbeperkte macht om open- 
lijk en rechtstreeks zijn hoogen staatsdienaar te doen terecht- 
stellen. Zóó ver zelfs dreef de Koning de veinzerij dat, toen het 
reeds bij hem vaststond dat Fouquet moest vallen, hij nog deel 
nam aan de luisterrijke feesten, door dien Minister op zijn kas- 
teel van Vaux gegeven ; een tooneelstuk van Molière, Les fdcheux^ 
werd hier voor de eerste maal gespeeld. Kort daarop werd 
Fouquet in hechtenis genomen, en, na een rechtsgeding dat jaren 
duurde en waarbij hij ternauwernood een doodvonnis ontkwam, 
lot levenslange gevangenisstraf veroordeeld. Of de ongelukkige 
in den kerker is gestorven, of in het allerlaatste van zijn leven 
nog in vrijheid is gesteld, — daarover loopen de berichten uiteen ; 
men weet niet eens hoe de man is gestorven, die lange jaren 
een geheel rijk zijn gezag deed ontzien. 

Dat Fouquet bij al zijn gebreken ook goede en schitterende 
hoedanigheden had, blijkt uit het groot aantal vrienden die hij 
zich had weten te verwerven, en waarvan de edelsten hem trouw 
bleven, ook na zijn val — Madame De Sévigné behoort daar- 
onder. Colbert, die, uit zucht om zich te verheffen en uit haat, 
op de meest arglistige wijze gewerkt had aan den val van den 
minister die hem in den weg stond, werd daardoor het voorwerp 
van de rechtmatige vijandschap van Fouquet's vrienden ; een hun- 
ner, Hénault, maakte toen het navolgende klinkdicht tegen Colbert : 

,.Ministre avare et Ifiche^ esclave malheureux, 
Qui gemis sous Ie poids des affaires publiques; 
Victiine dévouée aux chagrios politiques, 
Fantómc révéré sous un tilre ooéreux; 

Vois combien des grandeurs Ie comble est dangereux ; 
Contcmple de Fouquet les funestes reliques; 
Et, taodis qu* \ sa pene en secret tu t*appliques, 
Crains qu*oD ne te préparé un destin plus affreux. 



Digitized by 



Google 



48 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESC HOU V/ING EN. 

Sa chüte quclque jour te peut être commune. 
Crains ton poste, tou rang, la cour et la fortune; 
Nul ne tombe innocent d'oü l'on te voit monté. 

Cesse donc d'aoimer ton prince a soa supplice; 
Et, prés d'avoir besoin de toute sa bonté, 
Ne Ie fais pas user de toute sa juslice.'* 

Dat is krachtige poëzie ; — bij al de slaafschheid van het Frank- 
rijk van die dagen waren er toch enkelen die een stoute taal 
durfden voeren. 



Na die schets die wij hier van Colbert geven, en na ge- 
zegd te hebben dat hij >de minst slechte" was van de twee 
groote ministers van Lodewijk XIV, is het zeer duidelijk dat wij 
Louvois niet zullen afschilderen als een heilige : hij is, in ons oog, 
een man zonder menschelijk gevoel, een gewetenlooze wreedaard, 
die zich om goddelijke noch menschelijke wetten bekreunde. Wij 
haten hem ; — en juist daarom zullen wij trachten al het goede 
op te sommen, dat met mogelijkheid van hem kan gezegd worden. 

Oneerlijk was hij niet; — hij verwaarloosde wel zijne eigene 
belangen niet, hij verarmde niet in zijn hooge staatsbetrekking; 
maar, in vergelijking met zijne tijdgcnooten, moet men hem eer- 
lijk noemen, en niet bezeten door den geldduivel. 

Zijne zedelijkheid gaf ook weinig stof lot aanmerkingen. Hoe- 
wel getrouwd en vader van een vrij talrijk gezin, had hij wel 
eens maitressen; een enkele keer was hij de minnaar van een 
getrouwde vrouw, wier man, een geheel onbeduidend wezen, dan 
ook zijn vriend werd en door hem met ambten werd bevoor- 
recht; — de gewone laagheden waartoe men veelal gedwongen 
wordt bij de overtreding van het gebod: >gij zult niet begeeren 
uws naasten huisvrouw". Maar, neemt men in aanmerking de 
zeden van dien tijd, en de omstandigheid dat mevrouw Louvois 
ons wordt afgeschilderd als een dom en onbehagelijk schepsel, 
dan zou het onbillijk zijn of puriteinsche overdrijving verraden, 
wanneer men Louvois wilde hard vallen en veroordeelen om zijne 
minnarijen, — trouwens weinig in getal. 

Een zwak of toegevend vader was hij ook niet. Integendeel, 
hij betoonde harde, onverbiddelijke strengheid ten aanzien van 
zijne zonen, als zij van hun plicht afweken. Dezelfde ijzeren hand 
waarmede hij het roer van den Staat vasthield, deed zich ook 
gelden bij de regeling van zijne huiselijke zaken. 

Als minister waakte hij ijverig, krachtig en onvermoeid voor 
de belangen van zijn Koning; hij kende rust noch duur waar 
het die belangen gold; hij offerde alles daarvoor op, zijn tijd, 
zijne krachten van geest en lichaam, — maar men moet er bij 
voegen : ook zijn eer en geweten. 



Digitized by 



Google 



LOUVOIS. 49 

De werking van Louvois heeft zich voornamelijk doen gevoelen 
in krijgszaken ; daarin schitterde hij ; in andere zaken niet. Onder 
andere van staathuishoudkunde had hij even weinig begrip als 
een Torksche Pacha dit kan hebben. In ik weet niet meer welke 
gamizoensplaats was de huishuur te hoog geworden. Om dit te 
keer te gaan, gelastte Louvois eenvoudig, dat, als dit niet ophield, 
de verhuurders met inkwartiering gestraft en in de gevangenis 
moesten worden gezet. — Ook met de schoone kunsten moest 
men bij hem niet aankomen: als hij een enkele keer daarmee te 
doen had, bleek het spoedig, hoe weinig hij daarin te huis was. 
Voor het een of ander museum of tot versiering van het een of 
ander landsgebouw moesten er eens marmeren beelden in Italië 
worden gekocht. Louvois gelastte, dat die beelden niet naakt 
mochten zijn, maar gedrapeerd. Deed hij dit uit gevoel van 
betamelijkheid of op esthetische gronden ? — Och neen, volstrekt 
niet: hij deed dit, omdat de gedrapeerde beelden voor minder 
geld waren te verkrijgen dan de naakte. Zuinigheid in het be- 
heer van 's lands gelden, is altijd een karaktertrek van Louvois 
geweest, een zeer loffelijke karaktertrek. 

Als oorlogsminister is Louvois groot geweest; aan hem is het 
uitmuntende te danken van de Fransche legers van dien tijd; 
die legers zijn zijne schepping; en vele van de krijgsinstellingen, 
door hem in het leven geroepen, verdienen hoogen lof. Hij had 
het genie om te organiseeren zeker in even hooge mate als 
later Carnot of Scharnhorst. Hij bracht orde en regelmaat bij 
de Fransche legers, de soldaat werd behoorlijk gekleed en ge- 
voed en betaald ; de schandelijke bedriegerijen van vroeger hielden 
grootendeels op; en zij die zich daaraan schuldig maakten, 
hadden geldboeten, gevangenis, cassatie te wachten; de onver- 
biddelijkheid waarmede Louvois hierin te werk ging, had tenge- 
volge dat de ^ passevolanten*^ en -htnortepaaierC^ in het Fransche 
leger bijna geheel verdwenen. De wapening der soldaten werd 
verbeterd, de magazijnen en tuighuizen van alles rijkelijk voor- 
zien, het leger aanmerkelijk uitgebreid, en tal van steden opnieuw 
of beter versterkt. Oefening en krijgstucht, — die twee hoofd- 
zaken bij elk leger — werden door Louvois onverpoosd behar- 
tigd; en, zonder op vroegere gebruiken te letten die bijna rech- 
ten waren geworden, regelde Louvois de dienstverrichtingen en 
de bevorderingen volgens andere regelen, die den Koning en zijn 
minister veel meer vrijheid van handelen gaven, en juist daardoor 
de afkeuring verwekten van Saint-Simon, naijverig op de oude 
voorrechten van den adel. 

Wij zouden te uitvoerig worden, wilden wij lang en breed al 
het goede opnoemen dat Louvois voor het Fransche krijgswezen 
heeft gedaan; trouwens, dit is ook genoeg bekend en erkend. 

WILLEM in. — I. 4 



Digitized by 



Google 



50 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

Wij willen hier echter nog een woord zeggen over de verhou- 
ding van Louvois tot de hooge bevelhebbers van het Fransche 
leger. Die verhouding had wel hare moeielijke zijde door het ver- 
schil in afkomst van Louvois en van die van de meeste hooge 
bevelhebbers. Onder de bevelhebbers kon men er opnoemen^ die 
van vorstelijk geslacht waren: Condé, Turenne, Luxembourg; 
de meeste anderen waren van ouden adel, van zeer aanzienlijke 
afkomst ; de burgerlijken — om ons zoo eens uit te drukken — 
zooals Vauban en Catinat, waren zeldzaam. Louvois was, in tegen- 
stelling met de laatstgenoemden, wèl door den Koning verheven 
tot Markies De Louvois; maar hij was toch maar de zoon van 
Letellier, een man die uit den burgerstand afkomstig was en zich 
alleen door langdurige en goede diensten tot een hoog staatsambt 
had verheven. 

In onze dagen zou zulk eene omstandigheid Louvois geene hin- 
derpalen in den weg hebben gelegd; in dien tijd wèl: het ver- 
schil der standen was toen oneindig grooter. Louvois had echter 
de gunst des Konings voor zich; hij was een paar jaar jonger 
dan Lodewijk, en deze had zich reeds vroeg aan hem gehecht 
en den jongen Letellier reeds op twintigjarigen leeftijd in die 
hooge betrekking geplaatst, die hij onafgebroken een dertig jaren 
lang heeft bekleed, — terloops zij gezegd, dat die lange duur 
van Louvois' ministerie ook eene der hoofdoorzaken is waardoor 
hij zooveel heeft tot stand gebracht. Om wat belangrijks te doen, 
moet men tijd hebben; en ziedaar een der redenen waarom er 
thans zoo weinig belangrijks gebeurt in ons krijgswezen. Wat 
wilt gij in 's hemels naam van een Minister van oorlog verwach- 
ten, die maar een jaar aanblijft, en dit vooruit weet! — Lodewijk 
had den jongen Letellier als het ware ingewijd in de regeefings- 
kunst ; hij verbeeldde zich te goeder trouw dat zijn minister van 
oorlog eigenlijk zijn leerling was; en Louvois was sluw genoeg 
om den Koning in dien waan te laten, en daardoor langen tijd 
diens volle vertrouwen te genieten en een grooten invloed op 
hem te oefenen. 

De bevelen en voorschriften, die Louvois bij oorlogshandelingen 
gaf, waren vaak onverbiddelijk wreed; maar d^rin lag de 
moeielijkheid niet om ze uitgevoerd te krijgen ; want de leger- 
hoofden van dien tijd waren ook zoo bijzonder zachtaardig niet. 
Onder anderen Catinat heeft, de hemel weet waardoor, een on- 
verdienden naam van menschelijkheid verworven: in den oorlog 
tegen de Waldenzen, of tegen de \Barbeti\ heeft hij zich aan 
gruwelijke wreedheden schuldig gemaakt. Een van de menschelijkste 
der toenmalige Fransche legerhoofden is Condé geweest; deze 
heeft zich een kwaden naam gemaakt door zijn onbedacht ge- 
zegde: ^une nuit de Paris réparera celd\ toen men hem berichtte 
welk een groot getal zijner soldaten te Séneffe waren gesneuveld; 



Digitized by VjOOQIC 



LOUVOIS. 51 

ook was hij op het slagveld niet spaarzaam met het bloed der 
zijnen; maar buiten het slagveld was hij niet wreed. Van de 
menschelijkheid van Luxembourg behoeft niet gesproken te 
worden: daarvan kan Bodegrave en Zwammerdam getuigen; — 
ten aanzien van zijn eigen leger liet die aanvoerder uit gemak- 
zucht soms de krijgstucht verslappen; ging dit wat ver, dan liet 
hij weer eens eenige soldaten ophangen ; de strop was toen het 
afdoend middel, t argument sans réplique. 

Tegen de menschelijkheid van Turenne pleit de eerste verwoes- 
ting van de Paltz; hij was zeer bemind bij zijn leger, waarvoor 
hij uitnemend zorgde; hij werd door de soldaten als een vader 
beschouwd; — maar dat hij toch geen al te weekhartig vader was, 
blijkt uit wat men bij Rousset vindt op bladzijde 426 van het 
eerste deel: 

Turenne had in den winter van 1672 in Duitschland een roem- 
rijken maar zeer moeielijken veldtocht gevoerd. »Ik verzeker u", 
schreef hij aan Louvois, tdat 's Konings leger vergelijkender- 
wijze" (met de Duitsche troepen) >er uitziet alsof het een langen 
tijd van rust had genoten." 

In eene noot zegt Rousset hierop: 

>Na een moeielijken winterveldtocht te spreken van een leger, 
dat er uitziet alsof het een langen tijd van rust had genoten, is 
dat niet der spotternij te veel stof geven? Ëvenzoo als toen 
Turenne er die bijzonderheid bijvoegde, die hij alleen uit over- 
maat van oprechtheid of van opiiraismus waagde te uiten : » de chi- 
rurgijn in het hospitaal zeide mij dezer dagen, dat hij in den loop 
van den winter een paar duizend teenen van de soldaten heeft 
afgezet, en dat hen dit weinig bemoeilijkt in het marcheeren.'* 

Indien Turenne in de negentiende eeuw had geleefd, wat zou 
hij gehavend zijn geworden om die woorden! 

Louvois wist tegenover de Fransche legerhoofden uitermate 
goed zijn gezag te doen gelden. Als een voornaam middel be- 
zigde hij daartoe de intendanten die hij bij de legers plaatste; 
die heeren waren geheel en al van hem afhankelijk; het waren 
zijne dwarskijkers, die den stelligen last hadden hem dadelijk 
alles te berichten wat er in het leger bijzonders voorviel; de 
Intendanten mengden zich soms in de taak van het leger- 
hoofd^ niet meer of niet minder dan of zij gedeputeerden te 
velde waren. Tegen sommige legerhoofden sloeg Louvois wel 
eens een zeer hoogen toon aan : hij vorderde onbepaalde gehoor- 
zaamheid aan 's Konings bevelen, — dat wil zeggen, aan de 
zijne. Onwil, tegenstand, zelfs van de hoogste krijgsbevelhebbers, 
ging hij met de meeste strengheid te keer : meer dan eens dreigde 
hij zulk een bevelhebber met de ongenade des Konings, met 
afzetting, met verbanning, met gevangenzetting in de Bastille. 
De eenheid van handelen in het Fransche krijgswezen liet niets 



Digitized by 



Google 



52 RRIJGS- EN GBSCHIEDKUxVDIGE BESCHOUWINGEN. 

te wenschen over onder Louvois* bestuur; alles ging van hem 
uit; — misschien wel te veel, soms meer dan goed en ver- 
standig was. 

Wij willen, ter opheldering van wat hier gezegd is over het 
krijgsbestuur van Louvois, een woord zeggen over zijne verhou- 
ding tot sommige der toenmalige Fransche legerhoofden. 

Met den maarschalk De Bellefonds was die verhouding nog 
al zonderling: dat legerhoofd veroorloofde zich in zijn schrijven, 
niet alleen aan Louvois maar zelfs aan den Koning, eene vrij- 
heid van taal die buitengewoon moet genoemd worden; dit 
werd echter toegelaten, men ergerde zich daaraan niet, omdat 
men De Bellefonds beschouwde als een zonderling, bij wien men 
wat door de vingers moet zien en wien men maar moet laten 
praten. De Bellefonds was een rechtschapen man, maar zijn verstand 
liet wel wat te wenschen over; zijne oppositie tegen de bevelen 
van den Minister van oorlog raakte soms kant noch wal ; en eens 
zelfs, in 1674, bij de ontruiming van Holland door de Fransche 
legers, moest de Bellefonds zeer nadrukkelijk tot zijn plicht 
worden gebracht, waarvan hij op dwaze wijze was afgeweken. 
Er zijn gevallen waarin een legerhoofd geheel en al naar eigene 
inzichten moet handelen, zonder op de ontvangene bevelen te 
letten; er zijn gevallen waarin hij zich slipt aan die bevelen 
moet houden; onmogelijk is het, vaste gedragsregelen daarom- 
trent te geven, het oordeel van den veldheer moet hem daarom- 
trent inlichten. Dat oordeel nu miste De Bellefonds. 

Met Condé was het weer anders. De groote naam van dat 
beroemde legerhoofd en zijn verwantschap met het vorstelijk 
huis hadden tengevolge dat Louvois, in zijne briefwisseling met 
hem, altijd de vormen goed in acht nam; het was iemand die 
ontzien moest worden; en zeker, Condé had lastig kunnen wor- 
den wanneer er in hem oppositiegeest had gezeten. Maar Condé 
was, toen ter tijd, volstrekt geen opposant meer ; integendeel, hij 
had een onbepaalden eerbied en toewijding ten aanzien van 
Lodewijk XIV; het is alsof hij toen weer goed wilde maken wat hij 
misdreven had tijdens de Fronde^ toen hij de wapenen had gevoerd 
tegen zijn Koning en tegen zijn vaderland. Kwamen er bevelen 
of voorschriften, die hard of onmenschelijk waren, dan waagde 
Condé wel eene tegenwerping, hoewel altijd in zeer beleefde 
woorden; maar hield Louvois vol, dan onderwierp zich het 
legerhoofd dadelijk. Condé, dit moet men ook in het oog houden, 
was, vooral toen, als legerhoofd zeer ongelijk : dan eens vol zelfver- 
trouwen, vol vuur, rusteloos, stoutmoedig, een oorlogsgenie in den 
volsten zin van het woord, dan weer traag, lusteloos, ontmoedigd. 



Digitized by 



Google 



Louvois. 53 

Met Luxembourg stond Louvois dikwijls op een voet van 
groote gemeenzaamheid, die in hunne briefwisseling doorstraalt. 
Zoo — om maar eens iets te noemen meldt de minister dat aan 
Luxembourg een som gelds zal uitbetaald worden voor zijne 
eigene belangen. Ik hoop — schrijft Louvois — dat dit geld 
niet zal gebruikt worden om schulden af te doen, maar wel, 
als gij weer te Parijs zijt, om mij eens op een lekkeren schotel te 
onthalen. £r komen in die brieven spotternijen en kwinkslagen 
voor, niet altijd van het fijnste allooi, maar zooals men zich die 
veroorlooft onder menschen die niet noodig hebben op deftigen 
toon met elkander te spreken. Louvois en Luxembourg hadden 
karakters, die in vele opzichten overeenstemden; beide waren 
eigenlijk gewetenlooze schelmen. Maar met dat al, met al die 
gemeenzaamheid neemt Luxembourg ten aanzien van Louvois 
toch altijd een toon van onderwerping en vleierij aan, die 
soms tot aan het kruipende gaat; en Louvois, hoe vertrouwelijk 
ook met het legerhoofd, weet zich echter altijd te doen gehoor- 
zamen en het hem ernstig onder het oog te brengen, wanneer 
Luxembourg de krijgstucht laat verslappen — wat wel eens zijn 
zwak was. 

Om die verhouding tusschen Louvois en Luxembourg eenigs- 
zins toe te lichten, zullen wij hier overnemen wat men daarover 
bij Rousset vindt, in het tweede deel bladzijde 190— 191. 

Den 15 Augustus 1675 schrijft Luxembourg aan Louvois — hij 
is opperbevelhebber geworden van het leger in De Nederlanden. 
Op zijn gemeenzamen toon en met gemaakte nederigheid zegt 
hij, dat het leger goed is {*elle ne laisse pas que cPêtre belle et 
banné"\ maar dat de opperbevelhebber te wenschen overlaat: 

>Dat uitgezonderd, heb ik zeer goede verwachting van het 
overige. Maar ^s vijands leger is sterk ; daar is nog wat Hollandsch 
canaille bijgekomen, en men zegt dat er nog meer wordt ver- 
wacht. Maar met dat alles breek ik mijn goede hoofd niet" 

Hoe hij, na Séneffe, nog Hollandsch canaille {canaille de Hollandé) 
durft zeggen! — Hij vraagt Louvois voorschriften: 

^A1 wat Louvois hem voorschreef, vooral na het gebeurde 
met den maarschalk De Créqui," (deze had pas geleden nabij 
Trier eene geheele nederlaag ondervonden) > was, niets te wagen, 
maar zich te bepalen tot het in het oog houden van den prins 
van Oranje. Het leger dat, na de verschillende detachementen 
die men achtereenvolgens had gezonden naar Bretagne, naar den 
MoezeU den Elzas en Lotharingen, nog een 40.000 man sterk 
was, bracht de geheele maand Augustus door in het kamp van 
Bnigelette^ tusschen Mons en Ath. Van zijne zijde waagde de 
Prins van Oranje het niet, ons aan te vallen ; maar maakte groote 
vertooningen en groote toebereidselen, alsof het zijn voornemen 
was de eene of andere belangrijke stad te belegeren. Alles be- 



Digitized by 



Google 



54 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

paalde zich tot de verrassing van de kleine stad Binche, die maar 
2 of 300 man bezetting had. Na de inneming van Trier scheen het 
alsof de Luxemburgsche troepen van de eene zijde, de Prins van 
Oranje van de andere, gezamenlijk de Maas wilden naderen; 
Luxembourg trok ook derwaarts en sloeg zijn legerplaats op bij 
de Méhaigne, in de nabijheid van den Maarschalk D'Estrades, 
die nog altijd het bevel voerde over Maastricht, Limburg en 
andere vaste punten die de Franschen in Luikerland bezet hiel- 
den. Die enkele beweging was voldoende om voor het overige 
van den veldtocht 'svijands ontwerpen te verijdelen." 

Intusschen hebben er, door de achteloosheid van Luxembourg, 
wanorden en ongeregeldheden in het Fransche leger plaats; 
oude misbruiken heffen het hoofd weer op: 

tZoo waren er weer misbruiken opgerezen, die men uitgeroeid 
waande: de passevolanten bij voorbeeld, de bedriegerijen bij het 
uitbetalen der soldij, de verspilling van den leeftocht, en, als 
gevolg van dat alles, de desertiën." 

Louvois betuigt zijn ongenoegen hierover: Luxembourg ant- 
woordt daarop, door nóg meer kwaad te zeggen van het leger: 

»De troepen zijn losbandiger dan mij lief is; in strijd met 
mijn aard heb ik sinds het vertrek van den Prins van Condé" 
(van wien Luxembourg het opperbevel had overgenomen)" reeds 
een dozijn soldaten of ruiters laten ophangen; maar dit heeft 
niets gebaat; en ik merk dat de minst goede officieren zeer in 
hun schik waren van te kunnen zeggen, dat men de schuldigen 
maar moest ophangen." 

Louvois liet zich niet paaien door die behendigheid, die alle 
straf onmogelijk wilde maken door allen schuldig te noemen; 
hij eischte, dat er eenigen gestraft zouden worden; dit gebeurde; 
de ongeregeldheden hielden op en Luxembourg nam dadelijk 
een geheel anderen toon aan: tik ben zelf verwonderd," — 
schreef hij acht dagen later — tals ik het leger nu zie; men 
kan zich niets schoeners voorstellen ; het ziet er veel beter uit dan 
bij het begin van den veldtocht, want de malengers zijn nu weg; 
alle ruiters, alle soldaten hebben een gezicht dat eene volmaakte 
gezondheid aanduidt. De paarden zijn in den best mogelijken toe- 
stand; zóó in het vleesch, alsof zij nog in de winterkwartieren 
waren. Waarlijk, het leger is zeer sterk. Ik kan niet nalaten u te 
verzekeren, dat ik op den T4en October een leger heb gezien, 
zoo goed als ik het ooit gezien heb; men kan zich niets schoo- 
ners ter wereld voorstellen..." 

Natuurlijk, dat dit verslag van Luxembourg wel niet het meest 
waarheidlievende verslag is dat men kan bedenken: het heeft 
soms al den schijn, alsof hij op onbeschaamde wijze den draak 
steekt met zijne regeering! 



Digitized by 



Google 



Louvois. 55 

Waar Louvois het minst goed meê overweg kon, dat was met 
Turenne: die liet zich zeer weinig gezeggen, was zeer naijverig 
op zijn gezag, en wist den alvermogenden Minister soms nadruk- 
kelijk op zijn plaats te zetten, wanneer deze zich te veel macht 
aanmatigde bij het regelen van de krijgsverrichtingen. Onder 
andere, den gen September 1673 schrijft Louvois aan Turenne en 
gelast hem — namens den Koning — hoe hij moet handelen 
om de vereeniging te beletten van de legers van Willem III en 
van Montecuculi. Die voorschriften van Louvois waren toen 
goed en verstandig; en desniettegenstaande komen de volgende 
scherpe woorden voor in het antwoord, dat Turenne den isen 
September den Minister gaf: 

...»Ik begrijp die voorschriften van den Koning wel, en zal 
alles doen wat mogelijk is om die na te komen; maar gij moet 
mij vergunnen u te zeggen, dat ik niet geloof dat *s Konings 
dienst er door behartigd wordt, als men — zelfs aan den minst be- 
kwamen bevelhebber in Frankrijk — van een zoo ver verwijderde 
plaats zulke bepaalde bevelen zendt,*' (Rousset, i* Deel, blz. 496). 

Maar om zóó te spreken moest men ook zoo hoog staan als 
Turenne, zulk een veldheer zijn van den eersten rang. 

Wat schijnbaar in het voordeel pleit van Louvois, dat is de 
goede verstandhouding waarin hij voortdurend is gebleven met 
Vauban — den grooten vestingbouwkundige, en iemand die in al 
zijne handelingen zich doet kennen als een rechtschapen man, 
als een goed patriot, — zoo goed als men dit kdn zijn, onder 
eene despotische regeering. Maar daar is ééne omstandigheid 
die men niet uit het oog mag verliezen, en die wel eenige ver- 
klaring geeft van de hooge gunst waarin Vauban bleef bij Lou- 
vois en bij Lodewijk XIV: zij hadden hem noodig; hij was 
voor hen bijna onmisbaar; Vauban was de groote meester in 
het bouwen van vestingen; vooral was hij de groote meester in 
het belegeren van vestingen ; en vestingen bouwen was toen eene 
hoofdzaak bij het Fransche krijgswezen; vestingen belegeren 
was eene hoofdzaak bij de oorlogen van Lodewijk XIV. Geen 
wonder dus^ dat de Fransche Koning op zeer hooge waarde 
bleef houden een man die in den vestingoorlog een ster was 
van de eerste grootte. 

De volgende aanhaling uit Rousset (i* Deel, blz. 453 — 455), 
waar hij begint aan het beleg van Maastricht van 1673, zal doen 
zien, waarom Lodewijk XIV en Louvois zoo ingenomen waren 
met den vestingoorlog: 

»Het beleg van Maastricht is de eerste van die groote belege- 
ringen^ die in de krijgsgeschiedenis van deze regeering zulk een 
groote en terecht roemrijke plaats innemen. De belegeringen 



Digitized by 



Google 



56 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

tijdens den devolutie-oorhg** (de korte oorlog, die door de tripie 
Alliantie werd gestuit) >en die tijdens den veldtocht van 1672, 
hadden weinig indruk gemaakt, omdat zij te weinig inspanning 
hadden gekost; maar Lodewijk XIV en Louvois hadden zich 
daar geoefend in eene wijze van oorlogen, die in hun smaak 
viel en voor hen geëigend was. Lodewijk XIV hield niet van 
de krijgsverrichtingen in het open veld (Ja guerre de campagne) ; 
hoe<¥el hij het niet wilde erkennen, was hij toch niet geschikt 
daarvoor en blonk weinig daarin uit; de bekwaamheid van een 
veldheer had hij niet; te veel — voor hem — speelden geluk 
en ingeving van het genie daarbij hunne rol. De belegerings- 
oorlog was iets geheel anders; dat was een wetenschap gewor- 
den, meer dan een kunst, sedert Vauban's genie handelingen had 
bedacht en regels vastgesteld, die, in bepaaldheid en zekerheid, 
voor wiskunst konden doorgaan. Lodewijk XIV had iets wis- 
kundigs in het verstand, en maakte zich daardoor spoedig ver- 
trouwd met die handelingen en regels; bovendien, als hij het 
beleg sloeg voor een stad, dan had hij altijd Vauban bij zich; 
en wie Vauban bij zich had kon met zekerheid zeggen: bele- 
gerde stad, genomen stad. 

Louvois had dezelfde geestesrichting; reeds vroeg had hij de 
versterkingskunst grondig bestudeerd, en Vauban had hierin zijn 
onderricht voltooid. Het verstand en de ijver van den leerling 
waren de inspanning waard die de meester hem wijdde. Was 
Louvois geen Minister geweest, hij zou een goed ingenieur zijn 
geworden. De vestingoorlog had, behalve omdat hij ze goed 
kende, nog een andere aantrekkelijkheid voor hem. Voor de 
toebereidselen tot een veldtocht, de verdeeling der legers, de 
uitrusting der konvooien, voor de magazijnen, de munitiën , 
de levensmiddelen, was hij de man die alles regelde, met onbe- 
perkt gezag ; maar dan ook hield zijne taak op ; wilde hij verder 
gaan en de operatiën besturen, dan stuitte hij — zooals wij 
gezien hebben en nog zullen zien — op den rechtmatigen tegen- 
stand van de legerhoofden. Bij een beleg daarentegen bleef hij 
in volle werking, zonder dat iemand daarover iets kon zeggen; 
de man van het legerbeheer werd dan ook oorlogsman. Niet 
alleen dat hij lang te voren de bewegingen der troepen voor- 
bereidde, de misleidingen, de schijnbewegingen die den vijand 
onrust moesten inboezemen voor al zijne vestingen, geen be- 
paalde onrust voor ééne; de berekeningen, soms maanden te 
voren gemaakt, waardoor van de meest verwijderde plaatsen de 
troepen die aan het beleg moesten deelnemen, op een bepaalden 
dag en uur, om niet te zeggen op de bepaalde minuut, moesten 
samenkomen op het uitgekozen punt; niet alleen dat hij het 
geheele plan ontwierp, in al zijn bijzonderheden, met eene stipte 
nauwkeurigheid, eene volkomene helderheid en vooral met eene 



Digitized by 



Google 



Louvois. 57 

ondoordringbare geheimhouding, maar ook hij bestuurde dan de 
uitvoering, vaardigde de bevelen uit, ontving de rapporten, voor- 
zag in alle tegenheden, verhaastte of vertraagde den marsch der 
kolonnes; in één woord, dan was hij niet slechts Minister van 
Oorlog, maar dan was hij ook de Chef van den Staf van een 
leger. Beide was hij bij het beleg van Maastricht; allereerst was 
hij diplomaat." 

(Dat laatste bestond daarin, dat de Bisschop van Keulen — 
tevens Bisschop van Luik, en als zoodanig aanspraak hebbende 
op Maastricht — die vesting, nadat ze genomen zou zijn, afstond 
aan Lodewijk XIV, op de voorwaarden waarop de Republiek 
haar bezat). 

Dat Lodewijk XIV geen veldheer was, bleek onder andere 
overtuigend uit eene gebeurtenis tijdens den veldtocht van 1676 
in de Spaansche Nederlanden. 

Den 2en Mei 1676 wordt Bouchain belegerd door den Hertog 
van Orléans met een gedeelte van het Fransche leger, terwijl 
Lodewijk XIV met de hoofdmacht stelling neemt tusschen Sébourg 
en Quiévrain, om dal beleg te dekken. Willem III trekt door 
een snellen en verrassenden marsch eensklaps op Valenciennes, 
tusschen Bouchain en het kamp van Lodewijk XIV-, » had Lode- 
wijk XIV" — zegt RoussET, 2' Deel, blz. 220 — tgeene goede 
berichtgevers gehad, dan was Monsieur" (de Hertog van Orléans, 
*s konings broeder), t verloren". Maar Lodewijk is in tijds terug- 
gegaan, de Schelde overgetrokken tusschen Bouchain en Valen- 
ciennes, en neemt stelling bij Denain. 

Den loen Mei gaat het leger van Lodewijk XIV vooruit, naar 
de zijde van Valenciennes, en vindt bij Heurtebise, voorwaarts 
van die vesting, het leger van Willem III. Zal men aanvallen en 
slag leveren ? — De kansen van een veldslag zijn in het voordeel 
van het sterkere en betere Fransche leger, en Lodewijk brandt 
van verlangen om de vermetelheid te straffen van dien jongeling, 
die zoo de wapenmacht van Frankrijk's koning durft trotseeren. 
Maar die jongeling is de held van Séneffe, het legerhoofd dat 
daar den kamp tegen Condé voerde en roemrijk ten einde bracht. 
Hetzelfde mocht ook hier eens gebeuren; ook hier mocht de 
lelievaan eens onderdoen voor het Oranje-vaandel; Lodewijk 
mocht eens geslagen worden; — de Koning deinst terug voor 
het denkbeeld van zoo duldeloos een hoon; de mogelijkheid 
van eene nederlaag te ondergaan maakt hem afkeerig van een 
veldslag ; maar hij wil den schijn niet hebben van zelf af te zien 
van den strijd; hij wil op anderen de verantwoording van die 
zwakke handeling doen nederkomen. De koning roept een krijgs- 
raad bijeen, en onderwerpt daaraan de vraag: of men slag zal 
leveren, ja dan neen? 



Digitized by 



Google 



5 'S KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

Louvois vat het eerst het woord op; hij toont aan, in welken 
toestand men zich bevindt, en, 's konings ware gezindheid door- 
grondende, raadt hij den veldslag af. Drie maarschalken — Créqui, 
Schomberg, en La Feuillade — , ook ziende van waar de wind 
komt, stemmen met Louvois; alleen de maarschalk De Lorge, 
minder goed hoveling dan de anderen, stemt voor den veldslag. 
De koning volgt het gevoelen van de meerderheid: »daar gij 
allen meer ondervinding hebt dan ik, geef ik toe, hoewel met 
weerzin" (blz. 222). De stelling van het Fransche leger werd 
versterkt, en er had geen veldslag plaats, daar ook Willem III 
het ongeraden achtte om aan te vallen. 

»0p die wijze" — zegt Rousset, blz. 223 — 224 — twas het, 
dat Lodewijk XIV de schoonste gelegenheid liet voorbijgaan, die 
hij ooit heeft gehad om een veldslag te winnen; voor zich had 
hij alles wat ter overwinning leidt; voor zich had hij alle 
kansen, — behalve natuurlijk die ééne noodlottige kans, die 
de fortuin zich altijd voorbehoudt om de grootste veldheeren 
er aan te herinneren, dat indien de krijgskunst al een edele en 
verhevene wetenschap is, zij evenwel, spijt alle berekeningen 
van hun genie, toch geen wiskunst is, maar altijd op de eene of 
andere wijze afhangt van het spel van het toeval. Het is die 
ééne kans die Lodewijk XIV heeft doen aarzelen; hij is bang 
geweest, niet om slag te leveren, maar om geslagen te worden; 
bij hem was het niet het hart, dat vreesachtig of wantrouwend 
was; maar de trots maakte hem ^00. Louvois was bekend met 
die zwakheid in zijn karakter ; ook de maarschalken waren daar- 
mede bekend; waarom vroeg de koning hun raad, was het niet 
om, als de zaken^ slecht gingen, de schuld op hen te verhalen ? 
Voor die verantwoordelijkheid deinsden zij terug; hadden zij 
ongelijk? Saint-Simon, die met een wel te rechtvaardigen ijver 
de meening verdedigt van den maarschalk De Lorge, zijn schoon- 
vader, laat zich eene uitdrukking ontvallen die den tegenstanders 
van den maarschalk gelijk geeft : > zij waren verlegen met 's Konings 
persoon." En inderdaad, daar Lodewijk XIV van een opperbe- 
velhebber niets anders had dan den naam, was zijne aanwezig- 
heid bij het leger hinderlijk. Louvois had dus gelijk, van het 
slag leveren af te raden; Créqui, La Feuillade en Schomberg 
hadden dus gegronde redenen om zich aan te sluiten bij het 
gevoelen van Louvois. Waarom hen dan beschuldigd van oogen- 
dienaars te zijn?..." 

Waarom? — Omdat zij het algemeen belang hooger hadden 
moeten stellen dan het bijzonder belang des Konings. 

Hoezeer dus Louvois hier, bij dat beleg van Bouchain, geheel 
in den geest had gehandeld van den Franschen Koning, bleef 
deze echter, door een wonderlijke en onbillijke tegenstrijdigheid, 



Digitized by 



Google 



LOüvois. 59 

wrokken tegen zijn Minister, die door zijn raad den Koning 
verhinderd had zich te kunnen verhoovaardigen op den roem 
van een gewonnen veldslag. Men vindt dit duidelijk vermeld in 
het dagboek van Dangeau; — Dangeau, de hoveling die al het 
doen en laten van zijn vereerden vorst, dag voor dag, heeft op- 
geteekend met eene nauwkeurigheid die tot in kleinigheden ver- 
valt, en met eene vreesachtige voorzichtigheid die terugdeinst 
voor de uiting van het minste vrije oordeel. Dangeau was een 
van die Don Abboudi^s^ die men aan alle hoven ontmoet — ook 
wel elders — , maar die vooral talrijk waren aan het hof van 
den vergoden Lodewijk XIV. 

...>Hij" (Lodewijk XIV) thad op zijns harten bodem een 
niet te verwinnen spijt, van die gunst der fortuin ongebruikt te 
hebben laten voorbijgaan, en tegen Louvois een wrok, die, aan- 
vankelijk bedekt en bedwongen, zelfs schijnbaar uitgewischt, 
toch na verloop van tijd steeds toenam, naarmate de heersch- 
zuchtige aard van zijn Minister hem duidelijker werd en onver- 
dragelijker. 

Drie en twintig jaar na dien dag van Heurtebise, acht jaar na 
den dood van Louvois, gaf Lodewijk XIV, ten aanhoore van 
zijne hovelingen, nog lucht aan zijn misnoegen. Op Donderdag 
den i6en April 1699 — zegt Dangeau — wandelde de koning 
's namiddags in zijne tuinen te Marly * onder die wandeling viel 
het gesprek op den dag toen hij zijne legerplaats opsloeg bij 
Valenciennes ; op zachten toon zeide hij ons, »dat er in geheel 
zijn leven geen dag was geweest waarop hij meer misslagen had 
begaan dan toen; dat hij daar nooit aan dacht dan met groot 
leedwezen, dat hij er soms 's nachts van droomde, en dan altijd 
toornig wakker werd, omdat hij die wisse kans had verwaarloosd 
van zijne vijanden te verslaan ; de grootste schuld van dien mis- 
slag weet hij aan een man dien hij ons noemde, er zelfs bijvoe- 
gende dat die man, bij zulke gelegenheden evenals overal elders, 
een ondragelijk mensch was." Die man, wien Dangeau niet 
durft noemen uit overmaat van voorzichtigheid, zelfs ten aanzien 
van de dooden, is Louvois." (Rousset, 2* Deel, blz. 226 — 227). 

Er is beweerd — men vindt het onder andere bij Saint- 
Simon — dat Louvois in zijne laatste levensdagen zoozeer in 
ongenade was gevallen, dat er reeds bevel was gegeven om hem 
in de Bastille op te sluiten; en dat toen de Minister, om die 
vernedering te ontgaan, door vergift een einde aan zijn leven 
heeft gemaakt. Louvois is plotseling en onverwachts gestorven 
en het vermoeden heeft bestaan, dat die dood niet natuurlijk is 
geweest; zoo vindt men, onder andere in Wagenaar, dat zij die 
het in 1692 op het leven van Willem III toelegden, den Minister 
Barbésieux voor zich poogden te winnen door hem diets te 
maken dat zijn vader Louvois door toedoen van den Stadhouder 



Digitized by 



Google 



6o KRIJGS- KN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

vergiftigd was geworden. Al die beweringen zijn echter op goede 
gronden tegengesproken ; en de waarschijnlijkheid is er voor, dat 
Louvois aan niets anders gestorven is dan aan een beroerte. Wat 
echter bewezen schijnt, dat is, dat Louvois op het einde van zijn 
leven wel degelijk de gunst van Lodewijk XIV had verloren, en 
dat die koninklijke egoïst niet meer de minste gedachtenis had 
behouden van dertig jaren trouwen dienst en toewijding; een 
dienst die van rusten wist noch verpoozen; eene toewijding die 
voor niets terugdeinsde, zelfs niet voor de misdaad! 

Ondank der grooten, wat komt gij vaak voor in de geschie- 
denis! hoe waar is het, als reeds de Psalmist zegt: »Stel niet 
in Prinsen uw vertrouwen;'* of wanneer een onzer treurspel- 
dichters van den ouden stempel — De Marre, in de Jakoba van 
Beieren — zijn Frank van Borselen doet zeggen: 

»hoe! is U u onbewust 
dat onderdanen van een uitgestrekt vermogen 
het naast zijn aan hun val? dat ze in der vorsten oogen 
misdadig worden als 't geluk hen zóó verheft, 
dat hun verdienste *t loon dier Prinsen overtreft?" 

of wanneer Shakespeare, in zijne onsterfelijke poëzie, den ge- 
vallen staatsman Wolsey dus in klachten doet uitbarsten tegen 
Cromwell, zijn vertrouweling: 

t IJdele praal en glorie van deze wereld, ik haat u! Ik voel 
mijn hart vernieuwd: o hoe ellendig is die rampzalige die op 
vorstengunst bouwt! Tusschen dien glimlach waarnaar hij streeft, 
dat vriendelijk gelaat der vorsten, en hun ongenade, ontmoet 
hij meer angsten en vreezen, dan krijg of liefde opleveren; en 
valt hij, dan valt hij als Lucifer, zonder hoop van ooit weer op 

te staan O Cromwell, Cromwell, 

had ik maar mijn God gediend met de helft van den ijver waar- 
mede ik mijn koning diende, hij zou mij, op mijn ouden dag, 
niet naakt en weerloos aan mijne vijanden hebben prijsgegeven." 



HOOFDSTUK III. 

1672. aanleiding tot den oorlog van 1672 ; toebereidselbn ; 
strijdkrachten; oorlogsplannen. 

De veldheersloopbaan van Willem III vangt aan met het jaar 
1672, met wat door de Fransche schrijvers wordt genoemd yjla 
guerre de Hollande^'' 



Digitized by VjOOQIC 



AANLEIDING TOT DEN OORLOG VAN 1672. 61 

De oorlog, in 1672 begonnen tegen de Republiek, door Frankrijk, 
Engeland, Keulen en Munster, is eene van de ergste en schan- 
delijkste aanrandingen geweest van het onafhankelijk volksbestaan 
van eene vrije natie, die in de geschiedenis voorkomen. Alge- 
meen wordt die oorlog dan ook veroordeeld als een misdaad; 
een van Frankrijk's edelste en verlichtste mannen, Michel Che- 
valier, heeft daarvan gezegd: »quene donnerions-nous pas aujourd' 
hui pour déchirer de nos annales la conduite superbe de Louis XIV 
cnvers la Hollande, ou les scènes de Bayonne entre Napoléon 
et les princes Espagnols ?" (Journal des débats, van 7 October 1851). 

De aanleiding tot dien oorlog is bekend: de gekrenkte trots 
van Lodewijk XIV. Alle twijfel aan die aanleiding vervalt, als 
men leest wat de Fransche koning zelf daarover zegt in eene 
door hem opgestelde > memorie over den veldtocht van 1672", 
die niet uitgegeven is, maar te vinden in deel 1112 van het 
Dépót de la guerre te Parijs. Rousset deelt die memorie in haar 
geheel mede ; waarin de koning onder andere het volgende zegt : 

> Hoewel het niet betamelijk is, evenmin voor vorsten als voor 
bijzondere personen, om aan vrienden of naburen de weldaden 
voor de voeten te werpen waarmede zij ze overladen hebben, zoo 
is het toch geoorloofd, zonder daarom in dien misslag te ver- 
vallen^ de bron en oorsprong van den tegenwoordigen oorlog die 
tusschen Frankrijk en de Vereenigde Provinciën is ontbrand, te 
wijten aan den ondank, de miskenning, en de ondragelijke ijdel- 
heid der Hollanders. Iedereen weet dat dit volk zijne vestiging als 
vrij gemeenebest te danken heeft aan de machtige bescherming, 
die de koningen, mijne voorgangers, het bijna sedert eene eeuw 
hebben verleend, zoo tegen het huis van Oostenrijk, waaronder 
het vroeger stond, als tegen den keizer en tegen Engeland ; iedereen 
weet, dat, zonder die bescherming, die mogendheden, hetzij 
saamverbonden, hetzij afzonderlijk handelende, bij meer dan ééne 
gelegenheid dien Staat zouden verzwolgen hebben. Die gebeurte- 
nissen zijn nog kort geleden; en om dit aan te toonen is het 
voldoende, den laatsten oorlog aan te halen dien de bisschop 
van Munster, een van de kleinste Rijksvorsten, nog onlangs de 
Republiek heeft aangedaan, en die, zonder de hulptroepen die 
ik haar toezond, haar op den rand van het verderf zou hebben 
gebracht. De nakomelingschap, die al die gebeurtenissen niet 
heeft, boleefd, zal de vraag doen: wat het loon en de dank is 
geweest voor al die weldaden? Tot haar onderricht zal ik haar 
zeggen, dat bij alle oorlogen, door de koningen, mijne voorgan- 
gers, en door mij zei ven ondernomen sedert meer dan eene eeuw 
legen de naburige mogendheden, die Republiek ons niet alleen 
niet ondersteund heeft met troepen of geld, en nooit verder is 
gegaan dan tot de perken van eene eenvoudige, niets afdoende 



Digitized by 



Google 



02 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

onzijdigheid^ maar zelfs altijd getracht heeft, óf openlijk óf be- 
dekt, ons te dwarsboomen bij onze pogingen tot uitbreiding van 
macht. Wat nu gebeurd is, bewijst dit genoegzaam. Na den dood 
van Zijne Katholieke Majesteit had ik Spanje te vergeefs aan- 
gezocht om aan de Koningin recht te doen ten aanzien van hare 
wettige aanspraken- op de Nederlanden. Vermoeid door onop- 
houdelijke weigeringen had ik de wapens opgevat en den oorlog 
gevoerd in die gewesten, om de rechten dier vorstin te doen 
gelden en haar de Staten te doen teruggeven die haar toekwamen. 
God, die de beschermer is van het recht, had mijne wapens 
■gezegend en ondersteund; alles zwichtte voor mij, en nauw was 
ik verschenen, of het meerendeel van de beste steden der Neder- 
landen had zich aan mijn gezag onderworpen. Te midden van 
al dien voorspoed ondervond ik geen tegenstand van Engeland 
en van het Keizerrijk, die, welk belang zij ook hadden om mijne 
snelle veroveringen te stuiten, evenwel overtuigd waren van de 
rechtvaardigheid van mijne zaak. Niets vond ik tegen mij dan 
mijn goede, trouwe en oude vrienden, de Hollanders, die, in 
stede van te ijveren voor mijne macht, als den grondslag van 
hun Staat, mij de wet wilden voorschrijven, mij dwingen om 
vrede te sluiten, en mij zelfs durfden bedreigen voor het geval 
dat ik hunne bemiddeling zou afwijzen. Ik beken dat hunne 
onbeschaamdheid mij erg krenkte, en dat ik op het punt was 
om, op de kans af van mijne veroveringen in de Spaansche 
Nederlanden in gevaar te brengen, al mijne macht te wenden 
tegen de trotsche en ondankbare natie ; maar, de voorzichtigheid 
raadplegende en in aanmerking nemende dat ik, voor zulk eene 
onderneming, geen troepen genoeg had en geen voldoende bond- 
genooten, zoo ontveinsde ik mijn ongenoegen; ik sloot vrede op 
eervolle voorwaarden, met het voornemen om later die snoode 
handeling te straffen." (Rousset, i* Deel, blz. 321 — 323). 

Ziedaar de zeer oprechte bekentenis die Lodewijk XIV doet 
van de redenen die hem bewogen hebben tot den oorlog van 
1672. Het is niet moeielijk, in die bekentenis hier en daar be- 
weringen aan te wijzen, die weinig overeenkomen met de waar- 
heid van de geschiedenis. Hoe kan men zeggen dat in 1672 
de Fransche koningen > sedert meer dan eene eeuw" bij hunne 
oorlogen, tegenwerking hebben ondervonden van de Republiek? 
Dit is eene ongerijmdheid; de Republiek bestond op lange na 
nog geen eeuw in 1672. Hoe kan men het voorstellen, dat alleen 
de machtige bescherming van de Fransche koningen de vestiging 
van de Republiek mogelijk heeft gemaakt ; of dat Frankrijk ons, 
tijdens den tweeden Engelschen oorlog, krachtdadig heeft onder- 
steund? — Hendrik IV heeft de Republiek ondersteund, ja, 
maar de Republiek ook Hendrik IV en wanneer men de reke- 



Digitized by 



Google 



AANLEIDING TOT DEN OORLOG VAN 1672. 63 

ning eeos ging opmaken, dan zoii het zeer te bezien staan, of 
dit bondgenootschap meer voordeelig is geweest voor den Fran- 
schen koning^ of voor ons. En wat dat latere bondgenootschap 
betrof, de krijgsmacht die Lodewijk XIV ons toezond tegen de 
Munsterschen heeft niet veel bijzonders uitgericht; en de Fransche 
vloot nam toen bijna geen deel aan den oorlog, maar had den 
bepaalden last om het maar lijdelijk aan te zien dat de Engelsche 
en de HoUandsche vloot elkander onderling vernielden. De 
Fransche Koning heeft toen op eene dubbelhartige en trouwe- 
looze wijze gehandeld; en hadden wij op zijne hulp moeten 
wachten om naar Chattam te gaan, nooit hadden wij de oor- 
logsschepen van Karel II op den Theems verbrand. 

Maar dat daargelaten; op die onnauwkeurigheden en afwij- 
kingen van de geschiedkundige waarheid in deze koninklijke 
verklaring willen wij niet te veel drukken: een koning maakt 
zich vaak eene andere voorstelling van de geschiedenis dan een 
gewoon mensch. Zooveel is zeker, dat Lodewijk XIV den oorlog 
van 1672 gerechtvaardigd waant door de »triple Alliantie"; dat 
verbond, voornamelijk door De Witt tot stand gebracht, en 
dat de verovering van de Spaansche Nederlanden door Frankrijk 
heeft verhinderd. Vandaar dat die staatkunde van De Wilt bij 
velen afkeuring en veroordeeling ondervindt, en wordt voorge- 
steld als de oorzaak van de rampen die ons in 1672 getroffen 
hebben. Die eenzijdige voorstelling vindt men bij meer dan één 
schrijver; onder andere bij Sirtema^van Grovestins in zijne 
yjtiitoire des httes et rivalités politsques entre les puissances maritimes 
et la France durant la seconde moitié du XFII siècle;'' een werk in 
acht deelen^ dat in 1853 en 1854 te Parijs is uitgekomen. 

Het komt ons voor, dat dit werk van onzen landgenoot bij 
ons te weinig bekend is; en wij gelooven dat dit voor een ge- 
deelte is toe te schrijven aan den persoon van den schrijver, 
wien velen in Holland minder goed gezind waren. Grovestins 
is kamerheer geweest bij koning Willem I; indien wij ons niet 
vergissen, tot 1828, toen hij het hofleven vaarwel zeide en zich 
later te Parijs vestigde. Grovestins behoorde tot de bestrijders 
van het regeeringsstelsel van Willem I, en die waren toen bij 
ons niet in aanzien: dat regeeringsstelsel vond men toen zoo 
uitmuntend, en dien koning vergoodde men toen zoo, — om 
later, misschien met niet minder overdrijving, in een tegenover- 
gesteld uiterste te vervallen. In verschillende geschriften van Gro- 
vestins, ook in brieven van anderen, door hem uitgegeven, kwamen 
soms zeer scherpe, en niet altijd rechtvaardige oorteelvellingen 
voor over koning Willem I en de zijnen; dat maakte den 
schrijver niet bemind. Die schrijver schreef ook in het Fransch, 
en nam zoowat de houding aan alsof zijn eigen land hem wat 



Digitized by 



Google 



04 KRUGS- £N GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

te gering was; dat is ook niet het middel om populair te wor- 
den. En eindelijk — ook een erge grief — Grovestins toonde 
zich vaak vijandig gezind tegen de Hervorming, en gunstig ge- 
zind voor het Katholicisme. Neemt men dat alles te zamen^ 
dan zal men het zeer verklaarbaar vinden, waarom men, bij ons 
te lande, niet hoog wegliep met Grovestins; — was dit evenwel 
eene reden om zijne werken onvermeld en onopgemerkt te laten, 
om hem — om het zoo eens uit te drukken — dood te 
zwijgen? Volstrekt niet, zoo iets is geheel af te keuren; maar 
zoo iets is bij ons geen ongewone handeling: wanneer er bij 
ons lastige, onaangename waarheden worden gezegd, dan gaat 
men ze dikwijls maar onopgemerkt voorbij en doet alsof er niets 
was gezegd. Zeker, men is niet verplicht ieder onbeduidend war- 
hoofd te beantwoorden en te wederleggen; maar het is geen 
ronde, mannelijke handeling, de polemiek te ontwijken, over ge- 
wichtige onderwerpen, met eerlijke, degelijke menschen. 

Dat werk nu, van Grovestins, dat wij hier noemden, behan- 
delt een onderwerp van hoog belang en bevat zeer veel be- 
langrijks; de schrijver heeft gebruik gemaakt van een groot aan- 
tal zeer goede bronnen; onder andere van de briefwisseling 
van Willem III met den Raadpensionaris Heinsius: die brieven 
waren in het bezit van de familie Van der Heim, waaraan de 
schrijver verwant was. Er kunnen zeer gegronde aanmerkingen 
worden gemaakt op dezen arbeid van Grovestins; onder andere 
heeft hij de manie van uit de hoogte neer te zien op alles 
wat krijgsverrichtingen b^etreft, en het verhaal daarvan te be- 
schouwen als der geschiedenis onwaardig; — misschien een 
zijdelingsche aanval op Thiers ; — Grovestins drijft dit zwak zóó 
ver, dat hij, bij de vermelding van de ontruiming van Holland 
door de Fransche troepen in het begin van 1674, gewag maakt 
van een veldslag,- die nooit heeft plaats gehad, en waarvan schijn 
noch schaduw is geweest. Zoo zijn er nog meer aanmerkingen 
te maken; — maar dit belet niet, dat dit werk van Grovestins 
ten volle verdient gelezen en overwogen te worden. 

En wanneer wij hier dit oordeel uitspreken, dan is dit in zoo 
ver onpartijdig, omdat wij juist niet bijzonder ingenomen zijn 
met den geest die in dit werk van Grovestins heerscht. De 
schrijver loopt hoog weg met Willem III; — daar hebben wij 
niets op tegen; ook wij deelen in die ingenomenheid, al is het 
dat wij Macaulay's schets van dien held veel te geïdealiseerd 
vinden. Grovestins staat verder de meening voor, dat de oor- 
logen van Willem III tegen Lodewijk XIV volstrekt geen gods- 
dienstoorlo^n zijn geweest, geen kamp van het protestantisme 
tegen het katholicisme; — ook die meening is goed vol te 
houden en bevat veel waarheid, al valt het niet te ontkennen 
dat toch ook godsdienstige drijfveeren bij die oorlogen in het 



Digitized by 



Google 



AANLEIDING TOT DEN OORLOG VAN 1672. 65 

spel zijn geweest, vooral na de herroeping van het Edikt van 
Nantes. Wat wij echter geheel en al afkeuren, dat is het oor- 
deel van Grovestins over Jan de Wilt: niet alleen dat hij de 
staatkunde van den grooten Raadpensionaris veroordeelt, maar 
ook spreekt hij over hem op een toon van minachting, die 
onrechtvaardig en onbetamelijk is. — Een enkel woord over die 
staatkunde. 

Wie geen volslagen vreemdeling is in onze geschiedenis, weet 
dat er in onze Republiek twee groote staatspartijen zijn geweest : 
de Stadhouderlijken, de Prinsgezinden of Oranjemannen ; en de 
Siaatsgeztnden, de Patriotten of de Loevesteinsche factie, — wel- 
ken naam men ze geven wil. De eene parlij, de Oranjepartij, 
steunde op eenige adellijke geslachten, voornamelijk in de land- 
provinciën, op het leger, op de protestantsche geestelijkheid, en 
op de groote massa van het volk, op wat men nu soms noemt 
>het volk achter de kiezers". De andere partij had voor zich de 
Regenten der steden en die daartoe behoorden ; de oude Patrici- 
sche geslachten, die een zoo hoog gevoel van eigenwaarde had- 
den, dat zij zich ver boven den adel stelden; en het verlichtste 
gedeelte van de burgerij ; — die partij bestond uit het kundigste, 
beste, edelste deel des volks; hare hoofden kenmerkten zich 
meestal door verstand, ruime inzichten, een verlichten en ver- 
draagzamen godsdienstzin; zij waren zeer vrijheidsgezind, — in 
dien zin, dat zij noode een meester over zich duldden, maar 
gaarne den roeester speelden over anderen; wat hun het meeste 
tegenstond, dat was de heerschappij van de groote massa, van 
het gemeen: > liever vtrheerd^ dan \txknechf\ waren Oldenbarne- 
veld's woorden. In den regel waren de Prinsgezinden meer op 
de hand van Engeland; de Staatsgezinden op die van Frankrijk. 

Die twee groote staatspartijen droegen elkander een feilen 
haat toe, die zich dikwijls op de ruwste en heftigste wijze open- 
baarde , en in de tegenstanders alles kwaads zag. De eene partij 
had in dat opzicht de andere niet veel te verwijten; beide 
ontzagen zich niet om de haar vijandige hoofden en leiders op 
de hevigste wijze aan te randen en van de ergste misdrijven te 
beschuldigen. De haat der vijanden van Oldenbarneveld ging 
zóó ver, dat zij hem voorstelden als een man die om God noch 
zijn gebod gaf en een zeer duister verleden had; den dag dat 
de De Witten vermoord zouden worden, gingen er in Den Haag 
liedjes rond van dit allooi: 

♦ Lucifer roept uit de hel: 
Waaneer De Witt doar komen zei ? 
De Burgers roepen uit Den Haag: 
Wacht hem t' avond in uw maag." 



WILLEM ni. — I. 



Digitized by 



Google 



66 KRIJGS- EN GESCHIKDKUNDIGB BESCHOUWINGEN. 

En men moet wel in het oog houden, dat men toen geloofde 
aan >Lucifer" en aan >de hel"; in onze dagen zou zulk een 
rijmpje minder beduiden; in 1672 was het een krachtige ver- 
wensching, door den volkshaat uitgesproken. De Patriotten gaven 
in hevigheid aan de Prinsgezinden niets toe; om maar eens iets 
te noemen, de arme Willem V, een goedaardige sukkel, werd 
soms als iets heel gewoons bij Nero en Caligula vergeleken. De 
beschuldiging van heulen met den vijand, van landverraad, was 
een zeer gewone beschuldiging die men elkander naar het hoofd 
wierp: de Stadhouders stonden naar het hoog gezag, en daarom 
zochten zij hulp bij het buitenland en bij onze vijanden; het was 
hiin schuld dat de Duinkerkers zeeroof pleegden, of dat bij den 
Amerikaanschen oorlog onze zeehandel niet beschermd werd 
tegen de Engelschen; Oldenbarneveld was door de Spanjaarden 
omgekocht, Jan de Witt door Frankrijk; — deze en soortgelijke 
ongerijmde beschuldigingen waren toen gewone zaken. Geen 
heviger partijschriften dan die, welke tijdens de Republiek bij 
ons uitkwamen; geen losbandiger drukpers dan toen; en toch, 
vrijheid van drukpers bestond er eigenlijk niet; de schrijvers 
van blauwboekjes en pamfletten stonden bloot aan zware straffen, 
wanneer zij ontdekt en gegrepen werden, maar het was toen zoo 
moeielijk om een schotschrijver te ontdekken, en zoo gemakkelijk 
kon hij zich onttrekken aah het gerecht, welks macht dikwijls 
niet verder reikte dan tot de muren der stad waar het zetelde. 

Aan den verbitterden en blinden partij haat moet men veel 
vergeven; maar onvergeeflijk is het, nu nog aan te komen met 
die aantijgingen van omkooping en landverraad; en ddt is eene 
grief die wij tegen het werk van Grovestins hebben. Die schrijver, 
zich grondende op een losse en door niets gestaafde bewering, 
in een der brieven van Luxembourg voorkomende, beschuldigt 
er Jan de Witt van, in 1672 met Frankrijk in verstandhouding 
te hebben gestaan. Het is niet noodig om in ernst te antwoorden 
op zulk een beschuldiging: zij schaadt alleen hem die haar doet. 

Wie had nu eigenlijk gelijk, de Stadhouderlijke partij of de 
Staatsgezinde? aan welke zijde was het recht? — Het is zeer 
moeielijk op die vragen een bepaald antwoord te geven: elke 
der beide partijen had hare goede, hare groote zijde ; de waarde 
van eene partij hangt veel af van de waarde van hare hoofden, 
en in dat opzicht zijn beide evenzeer gelukkig geweest: Willem 
de Eerste, Maurits, Frederik Hendrik, Willem de Derde zijn 
heröen geweest, sterren van de eerste grootte; maar de Staats- 
gezinde partij kon ook bogen op tal van uitstekende mannen, 
volkomen geschikt om als hoofden van den Staat op te treden: 
Oldenbarneveld. de Witt, Van Beverningh, Van Beuningen, Hop, 
Heinsius zijn ontzagwekkende gestalten in onze geschiedenis. 

Het streven van de Oranjepartij was gericht op een nauw ver- 



Digitized by 



Google 



AANLEIDING TOT DEN OORLOG VAN 1672. ' 6^ 

band tusschen de Vereenigde Gewesten, op meer eenheid van 
macht, berustende in de handen van een enkelen Stadhouder, op 
eene meer Europeesche staatkunde. De Staatsgezinde partij daaren- 
tegen streefde naar eene meer HoUandsche staatkunde, naar eene 
staatktmde die zich alleen ddn naar buiten deed gelden, als dit 
hoog noodig was; die partij streefde naar beperking van het 
gezag des Stadhouders, en naar de zelfstandigheid van elke der 
zeven Vereenigde Provinciën; die partij beschouwde de Repu- 
bliek als een bondgenootschap tusschen zeven van elkander onaf- 
hankelijke Staten; de Prinsgezinden neigden er toe, om van de 
zeven gewesten één Staat te maken. Holland was meest de 
Staatsgezinde partij toegedaan, omdat het, op zich zelve blijvende, 
door zijn grootere macht en rijkdom, de andere gewesten dan 
gemakkelijk naar zijne inzichten kon doen handelen; Holland 
was toen, om zoo te zeggen, de Republiek; en in Holland had 
de enkele stad Amsterdam zooveel gewicht in de schaal te leg- 
gen, alsof zij alleen eene mogendheid was. Willem de Derde 
— in zijne brieven — komt er gedurig op terug, dat men ide 
Heeren van Amsterdam" moet ontzien, >de Heeren van Amster- 
dam" voor zich moet winnen. De onderneming van 1688, die 
Willem den Derde op den Engelschen troon bracht, was alleen 
mogelijk nadat Witsen en andere burgemeesters van Amsterdam 
daarvoor gewonnen waren. 

De staatsregeling van de Republiek was uitermate gebrekkig, 
en te vergeefs zou men daarin eene juiste afbakening willen 
zoeken van de grenzen der verschillende staatsmachten; nu eens 
was de eene partij aan het hoofd, dan weder de andere, al naar 
gelang de omstandigheden dit medebrachten en vooral naar ge- 
lang er een man van groote en uitstekende bekwaamheden optrad ; 
zulk een man had dan metterdaad het hoog gezag in handen; 
hij regeerde, hij oefende het dictatorschap van het Genie uit. Zoo 
kan men zeggen dat De Witt een twintig jaar ger^eerd heeft, 
Willem de Derde een kleine dertig; De Witt van zijn eerste 
optreden als Raadpensionaris, kort na den dood van Willem den 
Tweede, tot in 1672; Willem III, van 1672 tot zijn dood. — 
Wat hebben beiden van de Republiek gemaakt? 

De Witt heeft vooral den bloei en de welvaart van Holland 
beoogd en die in hooge mate behartigd; de geldmiddelen lieten 
onder zijn beheer niets te wenschen over; de oorlogsvloot ont- 
ving eene uitbreiding, die ongekend was ; het krijgswezen te lande 
werd verwaarloosd, — echter niet alleen door de schuld van 
De Witt. De Raadpensionaris had eene HoUandsche staatkunde, 
en was weinig geneigd om zich bezig te houden met de groote, 
algemeene belangen van Europa; toch werd hij door den drang 
der omstandigheden gedwongen om herhaaldelijk oorlog te voe- 
ren, meestal zee-oorlogen, die bijna alle roemrijk werden ten 



Digitized by 



Google 



68 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

einde gebracht: de eerste en de tweede Engelsche oorlog — de 
eerste gaat eigenlijk De Witt minder aan — , en de oorlog in 
het Noorden, toen de Republiek Denemarken beschermde tegen 
Zweden's wapenmacht. Eindelijk achtte De Witt het noodig, tus- 
schenbeide te treden om de heerschzucht van Lodewijk XIV te 
beteugelen, toen deze de Spaansche Nederlanden wilde veroveren. 

Die laatste handeling van De Witt vindt bij velen hooge 
afkeuring; zij hebben die handeling voorgesteld als een roeke- 
looze uittarting van het machtige Fransche rijk, als de oorzaak 
van de rampen die ons in 1672 hebben getroffen. Wij vereenigen 
ons volstrekt niet roet zulk eene voorstelling; wij gelooven inte- 
gendeel dat die handeling van De Witt hoogen lof verdient. 

Stel u de zaken voor zooals zij waren in 1667 en 1668, toen 
Lodewijk XIV zich meester wilde maken van de Spaansche 
Nederlanden. De Witt regeert toen in de Republiek; — regeert, 
wij weten zeer goed dat dit woord, in den stipten zin, niet juist 
is; dat De Witt rechtens niet het hoofd was van den Staat^ 
maar hij was dit metterdaad; — De Witt regeert in de 
Republiek ; De Witt, het uitstekende hoofd van de Staatsgezinde 
partij, de vijand van het Huis van Oranje, de zoon van Jakob 
de Witt, een der slachtoffers van de heerschzucht en willekeur 
van den Stadhouder Willem den Tweede, de zoon van dien som- 
beren en haatdragenden grijsaard, die hem gedurig toeriep >denk 
aan Loevestein". De Witt komt in zijn buiten landsche staatkunde 
telkens in aanraking met Engeland en Frankrijk; Engeland, dat 
de Stadhouderlijke partij op alle mogelijke wijzen ondersteunde; 
Frankrijk, dat die partij tamelijk ongenegen was, zoo niet vijan- 
dig. Wat is dus natuurlijker dan dat De Witt, in het belang 
van zijn eigen gezag en van de. grootheid van zijne partij, het 
bondgenootschap van Frankrijk aanneemt. 

Maar nu komt het oogenblik waarop Lodewijk XIV de Spaansche 
Nederlanden^ wil veroveren en daardoor de onmiddellijke nabuur 
van de Republiek zal worden. Had De Witt toen enkel gelet 
op zijn eigen belang, of op het belang van zijne partij, dan had 
hij Lodewijk XIV toen ongehinderd laten begaan; maar De 
Witt lette op het belang van het vaderland; hij zag het dreigende 
gevaar in, van de Fransche legers zoo onmiddellijk aan onze 
grenzen te hebben; en om dat gevaar af te wenden sloot hij 
met Engeland en Zweden dat drievoudig verbond, dat Lodewijk 
dwong den oorlog te staken en af te zien van de voorgenomen 
verovering van de Zuidelijke Nederlanden. — Indien die hande- 
ling van De Witt geen edele, lofwaardige handeling is geweest, 
dan begrijpen wij er niets van. 

Maar het was eene onvoorzichtige handeling, — wordt dan 
gezegd; — men stelde zich daardoor bloot aan den toorn van 
den machtigen Franschen koning. 



Digitized by 



Google 



AANLEIDING TOT DEN OORLOG VAN 1672. 69 

Eene onvoorzichtige handeling ? — Dat de triple Alliantie het 
ongenoegen van Lodewijk XIV zou opwekken, dat was vrij dui- 
delijk; maar dat ongenoegen kon minder kwaad, zoolang men 
Engeland en Zweden als bondgenooten had. Kon men verwachten 
dat die bondgenooten ons zoo spoedig zouden verlaten, dat zij 
zoo spoedig door het Fransche goud zouden gewonnen worden, 
en dat een zeer klein aantal jaren voldoende zou zijn, om 
Engeland van onzen bondgenoot in onzen bittersten vijand te 
verkeeren ? Is het De Witt als schuld toe te rekenen, dat hij niet 
gedacht heeft aan zoo schaamtelooze kwade trouw, aan zoo erge 
eerloosheid f 

Ziedaar wat men kan zeggen van de regeering van De Witt. 
Wat nu heeft de regeering van Willem den Derde gedaan? 

Groote, roemrijke zaken, dat lijdt niet den minsten twijfel. 
De verdediging van ons vaderland in 1672 en 1673; de aan- 
houdende en heldhaftige worsteling tegen de heerschzucht van 
Lodewijk XIV; de onvermoeide kamp voor Europa's vrijheid; 
het bevrijden van Engeland van het juk van dweepzucht en 
dwingelandij ; het scheppen van een uitmuntend Hollandsch leger, 
dat zich met roem overlaadde, zoowel op de slagvelden van 
Séneffe en van Fleurus als later bij de veldslagen van den 
Spaanschen Successie- oorlog ; — dat alles en meer heeft men 
aan Willem den Derde te danken ; en dat alles omgeeft zijn naam 
met een onsterfelijk en roem. 

Maar nu de schaduwzijde. Een uitmuntend leger is geschapen ; — 
is de HoUandsche oorlogsvloot onverminderd gebleven? — De 
Republiek heeft toen eene schitterende rol gespeeld ; — heeft zij 
zich daarbij niet overspannen, hare krachten niet uitgeput, hare 
latere verzwakking niet voorbereid? — Wij hebben toen Enge- 
land bevrijd; — hebben wij ons toen weten te vrijwaren tegen 
de aanmatigingen van Engeland's heerschzucht; hebben wij toen 
ónze belangen, ónze staatkunde niet ondergeschikt gemaakt aan 
de belangen en de staatkunde van Engeland; zijn wij toen niet 
de sloep geworden, lijdelijk in het zog blijvende van het groote 
Engelsche schip? — Willem III is de kampvechter geweest voor 
Earopa's vrijheid; — maar hij heeft daarbij de hulpmiddelen 
van ons land op de meest kwistige wijze gebruikt; hij heeft de 
belangen van Europa meer behartigd dan de onze. Grovestins 
is oprecht genoeg om dit laatste te erkennen, maar tracht dit 
goed te maken door de aanmerking: dat iedere Staat er naar 
moet streven om, zelfs ten koste van eigen welzijn, de taak te 
vervullen, die het meest met de wereldorde overeenkomt; — 
een zeer wijsgeerige troost, die echter niet algemeen ingang zal 
vinden. 

Wij hebben door deze beschouwingen over de staatkunde van 
De Witt en die van Willem III volstrekt niet de eerste willen 



Digitized by 



Google 



7 o KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

verheffen ten koste van de tweede; wij hebben alleen willen 
doen uitkomen, dat, zoo de regeeringsdaden van Willem III 
grootscher zijn geweest en heilrijker voor geheel Europa, de 
regeeringsdaden van De Witt daarentegen meer geëigend waren 
voor Holland, meer dienstig zijn geweest voor de Hollandsche 
belangen. Vooral hebben wij onze stem willen verheffen tegen 
de verwatenheid, die uit de hoogte durft nederzien op De Witt's 
bestuur. Dat bestuur verdient hoogen lof; De Witt is een der 
krachtigste en grootste karakters geweest, die in de geschiedenis 
voorkomen; hij heeft zijn vaderland met roem omgeven, en 
onvermoeid en met zelfopoffering gewaakt voor het welzijn van 
dat vaderland. De zwaan — het zinnebeeld waaronder De Witt 
soms wordt voorgesteld — heeft de haren trouw verdedigd tegen 
de aanranding van wreede vijanden. 



Lodewijk had, volgens zijne eigene verklaring, >geen troepen 
genoeg en geen voldoende bondgenooten" om, dadelijk na het 
sluiten van de triple Alliantie, de Republiek den oorlog aan te 
doen; maar de drie of vier jaar tusschen die Alliantie en 1672 
werden door den Franschen koning gebruikt om daarin verbete- 
ring te brengen. De bondgenooten van de Republiek werden 
haar ontrouw gemaakt en grootendeels aan Frankrijk's zijde ge- 
bracht; en de Fransche legers werden voortdurend versterkt. 
Omtrent dit laatste vindt men bij Rousset belangrijke bijzonder- 
heden, die duidelijk aantoonen hoe de legers van Lodewijk, 
evenals alle legers van dien tijd, voor een goed gedeelte uit 
vreemdelingen bestonden. 

>Heel het Westen van Europa" — zegt Rousset, eerste deel, 
bladzijde 328 — >werd op schatting gesteld om hem" (Louvois) 
> soldaten te verschaffen. Wij spreken hier niet van de bondge- 
nooten die rechtstreeks belang hadden bij den oorlog, en wier 
legerafdeelingen een sterkte hadden, door de verdragen bepaald, 
en streden naast de Fransche legers, maar met hunne eigene 
aanvoerders en onder hun eigen vaandel ; dit waren de Keulsche 
en de Munstersche troepen, en de Britsche regimenten van Karel II. 
Er is hier zelfs geen sprake van die vreemdelmgen-korpsen, altijd 
voor iedereen openstaande, en die aangevuld werden met over- 
loopers en fortuin zoekers, sommigen gelokt door Frankrijk's 
militairen naam, maar het meerendeel door het lokaas van een 
hooge soldij. De toevloed van zulke avonturiers was in 1672 
aanmerkelijk; Louvois was daardoor in staat gesteld om twee 
regimenten lersche infanterie op te richten, een Engelsch, een 
Duitsch, een Spaansch, — zonder nog acht regimenten 'ruiteri) 
meê te rekenen. Wij spreken van de onzijdige mogendheden, 
vooral van de kleine Staten van Italië, Frankrijk meer of minder 



Digitized by 



Google 



TOEBEREIDSELEN. ^ I 

genegen, en die het moesten toelaten, soms aanmoedigen, dat er 
op hun eigen grondgebied openlijk voor Frankrijk werd gewor- 
ven. Gaarne zagen zij dit echter niet." 

Te Venetië gelukten die wervingen niet; wél te Parma, Modena, 
Lucca, en Florence : >een nieuwe zendeling, Camus Duclos, slaagde 
er in, in korten tijd een prachtig regiment voetvolk aan te wer- 
ven, dat Royal-ltalien genoemd werd, en ongeveer 3000 man sterk 
was." (bl/. 329). 

Van Genua wordt gezegd (blz. 329 — 330) : 

iDe Genueezen betoonden zich aanvankelijk niet rekkelijker 
dan de Venetianen; toen Louvois hen rechtstreeks vroeg om 
gemachtigd te worden een regiment voetvolk in Corsica aan te 
werven, gaven zij lang een weigerend of ontwijkend antwoord. 
Het was niet vóór Mei 1673 ^^^ ^^^ »Hollanders van Italië", 
tot het uiterste gebracht door het in beslag nemen van hunne 
galeien, er in toestemden om 1200 man te leveren..." 

Wat Piémont belreft, de Hertog van Savoye, Karel Emmanuel, 
wordt gewonnen, doordien zijn zoon van Lodewijk XIV ten ge- 
schenke ontvangt een regiment voetvolk en een regiment ruiterij, 
maar — van de Piémonteesche troepen. Een vreemde manier, om 
iemand een geschenk te doen van zijn eigen goed! Karel Emma- 
nuel is zeer weinig ingenomen met die eer; maar half door 
bedreiging wordt hij gedwongen dit aan te nemen: 

> Karel Emmanuel, hoezeer gekrenkt en misnoegd, aanvaardde 
of, om juister te spreken, gaf, hoewel met tegenzin, eerst het 
regiment ruiterij, en eenige maanden later het regiment voetvolk. 
Eindelijk, na een rampspoedigen aanval op de Genueezen, waar- 
door hij zijne wapeningen zoozeer had uitgebreid dat het hem 
onmogelijk was langer gebrek aan macht voor te wenden, werd 
hij gedrongen, op het laatst van het jaar 1672, aan Lodewijk XIV 
nog drie andere regimenten voetvolk te geven, te zamen omstreeks 
4 a 5000 man sterk. Tot den Nijmeegschen vrede" (1678) 
>werden al die korpsen voltallig gehouden door wervingen in 
Piémont; maar zij werden betaald als de Fransche regimenten, 
en in alles op dezelfde wijze behandeld; zoodat Lodewijk XIV 
zich de bevoegdheid deed geven door de Piémonteesche regee- 
ring — of liever, de regeering dat afdwong — om de openval- 
lende plaatsen aan te vullen, evenals bij zijne eigene troepen..." 
(!• deel, blz. 332). 

Bij de Zwitsers wordt door Louvois gezonden een bekwaam 
en eerlijk officier, Stoppa, uit Grauwbunderland afkomstig; — 
bij onze schrijvers wordt hij Stouppa genoemd ; zijn naam komt 
veel voor bij de k rijgsverrichtingen van 1672 en 1673. Bij zijne 
pogingen om in Zwitserland troepen aan te werven stuitte hij 
aanvankelijk op bezwaren; de godsdienst kwam hierbij in het 



Digitized by 



Google 



72 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

spel; lang duurde dit echter niet^ en spoedig slaagde Stoppa 
volkomen in het doel zijner zending: 

>Ternauwernood was Stoppa begonnen met eenige van zijne 
voorstellen te uiten — want hij wachtte zich wel om met alle 
te gelijk voor den dag te komen — of hij had te antwoorden 
op een menigte aanmerkingen van staatkundigen of godsdien- 
stigen aard. Sommigen trokken partij voor den Keizer, en be- 
weerden dat de Koning van Frankrijk met een leger van hon- 
derdduizend man Duitschland wilde binnentrekken, om Monseig- 
neur den Dauphijn met geweld tot Roomsch koning te verheffen." 
Anderen, die beter onderricht waren, spraken van den oorlog 
tegen de Hollanders, maar als van een godsdienstoorlog. De 
predikanten in de Hervormde kantons t preekten een menigte 
dwaasheden tegen die werving; de voornaamste in deze stad." — 
Stoppa schrijft uit Bern — >is als door den duivel bezeten over 
deze zaak. Sedert eenigen tijd wordt op den preekstoel gebeden 
voor de arme vervolgde Hervormde Kerk in Frankrijk." Maar 
die groote beweging in de gemoederen komt hem verdacht 
voor, en met een jammerlijk scepticisme voegt hij er bij: 
>eenig geld, dat de Hollanders hieraan besteden, brengt dit 
alles te weeg." Ongetwijfeld dwaalde Stoppa hierin ; de gemoeds- 
beweging bij de Hervormden was oprecht, maar zij belette niets; 
zij bracht op zijn hoogst te weeg, dat de zendeling van Louvois, 
om haar te bestrijden, een ruimer gebruik moest maken van de 
geldelijke argumenten. Zooveel is zeker, dat hij, na van 
Bern gereisd te zijn naar Bazel, en van Bazel naar Fribourg, in 
twee maanden tijds zijn zending had volbracht, en toen aan den 
Minister kon schrijven — in dien stijl waar Louvois zooveel van 
hield, een stijl van feiten en cijfers: — > vergis ik mij niet, dan 
zult gij het getal van 99 compagnieën hebben, daaronder be- 
grepen 1200 man voor de aanvulling; dit zal dus niet ver zijn 
van 19000 man, de garde niet medegerekend." (i* deel, blz. 

333—334). 

Van Lennep is een uitmuntend prozaschrijver; — als dichter 
staat hij minder hoog. Zijn proza is zoo natuurlijk en eenvoudig, 
zoo door en door Hollandsch, zoo helder en duidelijk, zoo vol 
geest en goeden smaak, dat het, in weerwil van alle betweters, 
altijd bij ons in hooge waarde zal blijven. Van Lennep was niet 
erg Duitschgezind, en had vooral een afkeer van de overdreven 
grondigheid van vele Duitsche schrijvers, die gepaard gaat met 
zooveel omslachtigs en zooveel duisters; hierin had de schrijver 
van „Ferdinand Huyck^^ nu juist geen ongelijk; — maar wel had 
hij ongelijk, wanneer die afkeer hem in een tegenovergesteld 
uiterste deed vervallen, zooals wel eens gebeurde. Van Lennep 
bleef wel eens te veel aan de oppervlakte der zaken ; en ver- 
kondigde dan soms als eene waarheid wat bij nader onderzoek 



Digitized by 



Google 



TOEBEREIDSKLBN. 73 

niets anders bleek te zijn dan een paradox, onbedacht geuit en 
geestig volgehouden. 

Z0OO heeft Van Lennep in een zijner romans — vergissen wij 
ons niet, dan is het in ide Pleegzoon" — de stelling geuit, 
dat wij ongelijk hebben van ons te verhoovaardigen op den 
roem van den tachtigjarigen oorlog; dat bij dien oorlog vreem- 
delingen van verschillende landen voor ons hebben gestreden; 
want dat er bij de legers van Maurits en van Frederik Hendrik 
een groot aantal vreemdelingen waren. Had Van Lennep dit 
punt wat nader onderzocht of overwogen, dan zou hij tot de 
bevinding zijn gekomen, dat in dien tijd alle legers waren 
samengesteld zooals de legers van onze Stadhouders; dat men 
toen bij alle legers een menigte vreemdelingen had ; dat nationale 
legers toen niet bestonden. Wij zien dit weer bevestigd door wat 
Rousset mededeelt over die wervingen tijdens Lodewijk XIV; 
het blijkt daaruit dat, zelfs bij het meest militaire volk van 
Europa en waar het krijgs wezen het meest was ontwikkeld, een 
goed gedeelte van het leger uit vreemde troepen bestond; en 
dit is eene zoo algemeen erkende waarheid, dat in dien tijd 
bijna altijd gesproken wordt van „rarmée de France\ en niet 
van yparmée franfaise\ En toch zal niemand de dwaasheid heb- 
ben om te beweren, dat de overwinningen, door Lodewijk be 
haald, niet ten bate mogen gebracht worden van Frankrijk's krijgs- 
roem. Daarom, laat ons het dan er ook maar voor houden, dat de 
slag van Nieuwpoort een HoUandsche overwinning is geweest. 

Om ons land te beoorlogen had Lodewijk XIV zich verbonden 
met Engeland^ en met den keurvorst van Keulen en den bis- 
schop van Munster. Het voornemen der Franschen was, niet om 
door de Spaansche Nederlanden te trekken, maar om meer 
oostelijk door het Keulensche, den Neder-Rijn en Gelderland te 
bereiken en ons daar aan te vallen. Dit vorderde toebereidselen 
in het Keulensche, want bij de voeding en het onderhoud ging 
men toen omslachtiger te werk dan in onze dagen; magazijnen 
wareii toen haast onvermijdelijk; vandaar dat Louvois tot dat 
einde in onderhandelingen moest treden met den keurvorst van 
Keulen; of, om juister te spreken, met de twee vorsten van 
Fürstenberg, twee broeders die geheel en al de belangen van 
Frankrijk waren toegedaan, en geheel en al den zwakken keur- 
vorst beheerschten. Die keurvorst 'behoorde tot de talrijke klasse 
der Rois fainéants; hij bemoeide zich met niets en had ook niets 
te zeggen. 

In Rousset vindt men bijzonderheden omtrent die onderhan- 
delingen tusschen Louvois en den keurvorst van Keulen; wij 
nemen er hier eenige van over, die het meest den eigenaardigen 
toestand van zaken van dien tijd doen kennen. 



Digitized by 



Google 



74 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

Louvois laat magazijnen aanleggen in het keurvorstendom 
Keulen. Een twist tusschen den keurvorst en de stad Keulen 
geeft gelegenheid om den bisschop, die Frankrijk's bijstand 
inroept, te ondersteunen met munitie en krijgs voor raad, die 
bijeengebracht worden in de steden Neuss, Keizersweert, Bonn 
en Dorsten. De keurvorst-bisschop handelt hierin geheel volgens 
de aanwijzingen van vorst Wilhelm von Fürstenberg, en diens 
broeder, den bisschop van Straatsburg; ttwee Duitschers, geheel 
en al gevormd en gedrild naar den wil van Lodewijk XIV" (blz. 
366). — Jolly, een agent van Louvois, schrijft hem over de 
Fürstenbergen : 

»Ik begin te begrijpen, dat men er niet blindelings op moet 
vertrouwen, vooral niet op den vorst van Fürstenberg. Hij 
beoogt alleen zijn eigen belang, en aarzelt als hij de beslissende 
verbintenis moet sluiten ; ik geloof dat hij tot die menschen be- 
hoort, die gaarne nog een achterdeur behouden waardoor zij 
kunnen wegkomen. De bisschop van Straatsburg heeft meer een 
bepaalde meening; ik geloof dat hij meer oprecht en vastberaden 
is..." (blz. 377). Van den keurvorst zelf zegt JoUy: >'t is een 
goedaardig vorst, die, naar ik zie, zich met niets hoegenaamd 
bemoeit, en geheel geregeerd wordt door die menschen" (de 
Fürstenbergen). 

Louvois zendt zwaar belegeringsgeschut naar Keulen, — in 
schijn als geschenk voor den keurvorst. De vaartuigen, die dat 
geschut hebben overgebracht, worden daarna tot pontons inge- 
richt; ook wordt daarvan een gierbrug gemaakt, »een gierbrug 
uit één stuk bestaande, die, tweemaal in het uur, telkens een 
500 man en een 100 paarden van den eenen oever van den 
Rijn naar den anderen kan overbrengen." (blz. 338). 

Er wordt niet gezegd op welk punt, en hoe breed de Rijn 
daar was. 

Aan boord van die vaartuigen waren een aantal zakken met 
geld, bestemd om daarmee koren op te koopen in Duitschland, 
in Holland, tot in Polen toe. 

Om de Hollanders te beoorlogen werd in Holland zelf 
munitie opgekocht: 

(RoussET, i** deel, blz. 338 — 339). >Wat nog ongeloofelijker 
is, de Hollanders boden vaardig daartoe de hand en ontwapen- 
den zich goedwillig ten bate van hunne vijanden; zoozeer werd 
bij dit volk van kooplieden de vaderlandsliefde verdoofd of 
verblind door handelsgeest en winzucht. Het is waar, de zaak 
werd ook aangelegd op voorbeeldig slimme wijze. E^n Joodseh 
bankier uit Amsterdam, Sadoc genaamd, was de bekwame en 
gelukkige handlanger bij deze vreemdsoortige speculatie. Onder 
voorwendsel van munitiën bijeen te brengen, óf ten behoeve 



Digitized by 



Google 



TOKBEREIOSELEN. ^ $ 

van de Spaansche Nederlanden, óf voor rekening van sommige 
Duitsche steden, zooals Mainz en Frankfort, kocht hij groote 
hoeveelheden kruit op, salpeter, lont, lood en kogels, en deed 
dit snel vervoeren naar Keulen. Toen de Staten- Generaal lucht 
kregen van dien handel, was hij schier geëindigd. Sadoc had 
hen reeds beroofd van ten minste 400000 pond buskruit, 160000 
pond salpeter, 120000 pond zwavel, 200 000 pond lood, 200000 
pond lont." 

In enkele opgaven vindt men zelfs het fabeltje, dat Louvois 
in persoon over kwam om die munitie te koopen, en toen groot 
gevaar liep van aangehouden te worden. 

Dat koopen van munitie in Holland om Holland daarmee 
te beoorlogen, is een prachtige tekst voor een e declamatie, maar 
het was eene handeling geheel in den geest van dien tijd. Bij 
het krijgswezen van de meeste staten had men toen geen vaste 
oorlogsmagazijnen, of waren zij ten minste van weinig beduidenis; 
hoogstens had men in eene vesting een arsenaal om daar het 
geschut te bergen. Was een oorlog aanstaande, dan schafte men 
zich munitie aan ; men kocht die op, overal waar zij maar voor- 
handen was; het was een koopwaar waarin men handel dreef, 
onverschillig door wie of aan wie; en het is een feit, dat ge- 
durende den tachtigjarigen oorlog onze Hollanders krijgsvoor- 
raad aan Spanje verkochten: hadden zij dit niet gedaan, dan 
had Spanje dien krijgsvoorraad elders gekocht, en een ander was 
dan met de winst gaan strijken. Dus, dat de Franschen vóór 1672 
munitie kochten in Holland, was zulk een vreemde zaak niet. 

In 1674 had het tegenovergestelde plaats. Bij de ontruiming 
van Holland voerden de Franschen al hunne munitiën naar 
Grave. Chamilly, de bevelhebber van Grave, klaagde er loen 
over, dat hij daar te veel kruit had en de veiligheid van zijne 
vesting daardoor gevaar liep; hij ontving toen machtiging van 
Louvois om een goed deel van dat kruit te verkoopen aan de 
Hollanders; ondershands, in schijn tot zijn eigen (Chamilly' 
voordeel. 

Voordat de oorlog met de Republiek begon, werden 
Fransche vestingen aan de grenzen van de Spaansche Nede 
landen ook voorzien van een aanmerkclijken krijgsvoorraad. 

In October 1671 komt Chamilly — een broeder van den 
lateren verdediger van Grave — als zaakgelastigde van Frankrijk 
bij den keurvorst van Keulen. Chamilly richt toen ten behoeve 
van den keurvorst uit deserteurs van het Fransche leger een 
regiment op: >een goed regiment waarover hij het bevel gaf 
aan zijn eigen broeder." (blz. 342). 

Eindelijk, nadat zijne zendelingen alles genoegzaam hebben 
voorbereid, komt Louvois in persoon, om de laatste hand te 
leggen aan de overeenkomst met zijne Duitsche bondgenooten. 



Digitized by 



Google 



76 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGB BESCHOUWINGEN. 

Wat er bij Rousset voorkomt omtrent die reis van Louvois naar 
het Keulensche, bevestigt alweer het bekende feit, dat aan de 
Duitsche hoven van die dagen de matigheid niet de hoofddeugd 
was. Geheel in het begin van 1672 komt de Fransche minister 
te Brühl om daar den keurvorst en den bisschop van Munster 
te spreken. Den len Januari 1672 schrijft hij van daar aan 
Lodewijk XIV: 

> Dezen ochtend ben ik drie uren in gesprek geweest met den 
bisschop van Sraatsburg" (een der Fürstenbergen) ; > en welk een 
denkbeeld ik mij ook reeds gevormd had van zijne weifelingen 
en van zijne onbeslistheid, door wat de heer De Chamilly mij 
daarvan had bericht, moet ik Uwe Majesteit toch bekennen dat 
het mij nog heeft verbaasd, en dat het mij tevens heeft verwon- 
derd dat de heer De Chamilly de belangen van Uwe Majes- 
teit zoo goed heeft weten te behartigen en ze in zoo goeden 
toestand heeft weten te brengen als zij het thans zijn, terwijl 
hij te doen had met iemand zóó zwak en zóó onkundig als 
deze is. Tegen twaalf uur is de bisschop van Munster hier aan- 
gekomen . . ." 

Louvois sluit nu een verdrag met de beide bisschoppen; en 
den 4en Januari 1672 schrijft hij aan zijn vader Letellier: 

lik had gemeend dezen ochtend te vertrekken, en de onder- 
teekende traktaten te kunnen medenemen; maar de slemppartij 
{Ja débauchè) die de bisschop van Munster en de bisschop van 
Straatsburg eergisteren hielden tot viering van het teekenen van 
het verdrag van Keulen, belette mij om den ganschen volgenden 
dag iets met hen te kunnen uitrichten... Gij kunt u zoo iets 
onkundigs niet verbeelden, of de bisschop van Straatsburg over- 
treft dat nog; voeg daarbij een eindelooze besluiteloosheid en 
een gemeene gierigheid, en dan ben ik verzekerd dat gij hen 
beklaagt die met zoo iemand moeten onderhandelen. En toch is 
het van dezen man dat, in dit land, alles afhangt; zonder hem 
wordt tot niets besloten..." (blz. 342 — 345). 

Die verdragen houden in, dat, tegen uitbreiding van grondge- 
bied ten koste der Republiek, de keurvorst van Keulen eene 
macht van 17 ^ 18000 man zal voegen bij het leger van Lode- 
wijk XIV, en voor drie jaar de stad Neuss aan Frankrijk afstaat 
met het recht om haar te versterken en te bezetten; en dat de 
bisschop van Munster zijne legermacht bij de Keulensche zal 
voegen. Van het Fransche leger gaan daarop 4000 man — 
keurtroepen — in dienst over van den keurvorst van Keulen; 
die Fransche troepen betoonen daarbij aanvankelijk veel onwil, 
die echter ophoudt, zoodra zij hooren dat die overgang in vreemden 
krijgsdienst geschiedt op bevel van Lodewijk XIV. 



Digitized by 



Google 



STRUDKRACHTEN. 77 

Alvorens aan te vangen met het verhaal der krijgsverrichtingen 
van 1672, is het noodig een enkel woord te zeggen over de 
strijdkrachten der oorlogvoerende partijen, hunne legers^ de 
militaire waarde der troepen, de bekwaamheid der aanvoerders, 
den toestand der vestingen en der verdedigingslijnen. Frankrijk 
en de Republiek maken hoofdzakelijk die oorlogvoerende par- 
tijen uit. 

Over de sterkte van het Fransche leger in 1672, en in het 
bijzonder van het leger waarmede Lodewijk XIV Holland aan- 
viel, vindt men een aantal opgaven; maar het zijn opgaven, die 
niet met elkander overeenstemmen, die integendeel elkander 
tegenspreken. Wij zullen enkele daarvan hier mededeelen, 'en 
tevens zeggen wat naar onze meening het meest overeenkomt 
met de waarschijnlijkheid; voor de waarheid staan wij 
niet in: ook bij geschiedkundige onderzoekingen is die zelden 
te bereiken. 

Rousset (!• deel, blz. 346 — 347) zegt dat Louvois den 4en 
Februari 1672 aan Lodewijk XIV den sterktestaat aanbood van 
het Fransche leger ; in dien sterktestaat kwam het volgende voor : 

1 Eerst de keurtroepen, het regiment Gardes Frangaises en het 
regiment Gardes Suisses^ te zamen onder de wapenen een 5000 
man voetvolk uitmakende; de gardes-du-corps^ de mousquetairesy 
de verschillende compagnieën gendarmes en chevaux-lêgers van de 
Maison du Roi^ een korps uitmakende van 2950 ruiters, de beste 
ruiterij van de wereld. Voor het eigenlijk gezegde leger: 46 regi- 
menten Fransche infanterie, iets meer dan 56000 man uitmakende ; 
12 regimenten vreemde infanterie, Zwitsers en anderen; die regi- 
menten waren sterker dan de Fransche," (in eene noot komt 
voor: ibij de Fransche infanterie waren de compagnieën maar 
van 50 man, zonder de officieren; de Zwitsersche compagnieën 
telden 200 man, en de andere vreemde compagnieën 100"), >en 
gaven een totaal van bijna 30 000 man; 78 regimenten Fransche, 
en 9 regimenten vreemde ruiterij, te zamen in rij en gelid .meer 
dan 25 000 paarden uitmakende. In het geheel, een leger van 
omstreeks 120000 man, goed gewapend, uitgerust, geoefend, van 
een krijgshaftig voorkomen, en onderworpen — bevelhebbers 
zoowel als soldaten — aan alle eischen van de krijgstucht. Bij 
dit leger waren de noodige voertuigen en bespanningen voor den 
leeftocht, de munitiën, het veldgeschut en het belegerings- mate- 
rieel; 97 vuurmonden, mortieren en kanonnen van verschillende 
kalibers; 72000 kanonkogels, 600 bommen, 150000 granaten, 
drie pontontreinen, de eene van 100 koperen pontons, de twee 
andere ieder van 100 vaartuigen." 

Lodewijk XIV had in 1672 geen anderen vijand te bestrijden 
dan de Republiek; hij had dus niet noodig, legers achter te 
laten om de Fransche grenzen te beschermen; toch is het zeer 



Digitized by 



Google 



78 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

duidelijk, dat er eenige troepen in Frankrijk moesten achter- 
blijven, en dat de 120000 man die het Fransche leger uitmaak- 
ten, niet alle aangewend konden worden voor de verovering 
van Holland. Hoe sterk is het leger geweest, waarmede de 
Fransche koning in 1672 naar Holland is getrokken? — Bij 
Rousset vindt men daaromtrent geen bepaalde opgave. 

Een ander Fransch schrijver. De Quincy, een tijdgenoot van 
Lodewijk XIV, maar wiens nauwkeurigheid wel eens te wenschen 
overlaat, stelt de geheele sterkte van de Fransche krijgsmacht 
bij het begin van 1672 op ruim 176000 man, dus veel hooger 
dan Rousset; beide schrijvers begrijpen onder die sterkte alleen 
voetvolk en ruiterij; zij gewagen daarbij niet van de artillerie- 
en genie-troepen, die toen trouwens slechts eene onbeduidende 
sterkte hadden. 

De samenstelling der regimenten van Frankrijk's leger was 
toen zeer uiteenloopend. Eenige oude regimenten voetvolk had- . 
den tot 70 compagnieën; de andere waren veel zwakker, 
soms uit slechts één bataljon bestaande. Het bataljon telde ge- 
woonlijk 17 compagnieën, waarvan eene grenadier-compagnie, 
met geweren gewapend. De compagnie bestond uit een kapitein, 
een luitenant, een vaandrig, benevens 50 soldaten; hiervan waren 
er 12 gewapend met pieken, 4 voorzien van geweren met bajo- 
netten met een houten steel, en de overigen met musketten met 
lonten; — De Quincy zegt echter, dat in 1672, door nieuwe 
wervingen, de compagnie gebracht moest worden tot eene sterkte 
van 80 soldaten; is dit geschied? — Een bataljon werd in zes 
gelederen opgesteld en in drie afdeelingen verdeeld, waarvan de 
piekeniers de middelste uitmaakten. 

De compagnie ruiterij bestond uit: i kapitein, i luitenant en 
I kornet met 50 ruiters; 3 compagnieën maakten een eskadron 
uit; 2 of 3 eskadrons een regiment. De dragonder-regimenten 
maakten hierop eene uitzondering : zij bestonden uit 4 eskadrons, 
ieder van dezelfde sterkte als de eskadrons der overige ruiterij. 

Grondt men zich op die samenstelling van het toenmalige 
Fransche leger, dan kan men als waarschijnlijk aannemen de 
opgave, bij Beaurain voorkomende, dat Lodewijk XIV voor 
zijne' onderneming tegen Holland eene groote honderd duizend 
man bijeenbracht; hiervan kwamen aanvankelijk een 60000 
man in kantonnementen tusschen de Sambre en de Maas, een 
30000 man tusschen de Maas en den Moezel, en een 12000 in 
het keurvorstendom Keulen. Later werd die macht bijeengetrokken 
tot twee legers : het eene, 60 000 man, waarbij zich Lodewijk XIV 
bevond met zijn broeder, den hertog van Orléans, zou onder het 
bevel van Turenne komen : het andere, 25 000 man, onder dat 
van Condé. Het overige zou, onder Chamilly, dienen om de 
bezetting van Maastricht gade te slaan, of, onder de Nancré, de 



Digitized by VjOQQIC 



STRIJDKRACHTEN. 79 

Spaansche Nederlanden in bedwang te houden; die laatste afdee- 
ling zou door nieuwe wervingen worden versterkt. 

Sijpesteyn en De Bordes — in hun grondigen en uitmuntenden 
arbeid over de verdediging van Nederland in 1672 en 1673 — 
deelen eene opgave roede, die de sterkte van het leger van 
LodewijkXIV op 83000 stelt; die schrijvers achten die opgave 
te laag. In het tweede deel van hun werk komen Sijpesteyn en 
De Bordes echter op die sterkte van het Fransche leger terug 
om haar minder hoog te schatten; uit de cijfers, door die schrij- 
vers aangenomen, valt het echter niet moeielijk te bewijzen, dat 
Lodewijk XIV bij het begin van den veldtocht aan het hoofd 
heeft gestaan van bij de honderd duizend man. 

Zeer uiteenloopend blijken die opgaven te zijn, wanneer men 
verschillende schrijvers vergelijkt met betrekking tot de in 1672 
tegen Holland genchte Fransche legermacht. Voltaire spreekt 
van 112 000 man; eene andere opgave van Beaurain dan de 
reeds aangehaalde noemt 1 20 000 man ; De Quincy en Valckenier 
zeggen omstreeks 146500 man; Sylvius, 150000. De schrijver 
van id'ontroerde leeuw" — een werk, reeds in 1674 uitgekomen — 
zegt van het Fransche leger dat ihet geschat wierd op meer dan 
300000 koppen, en in der daat niet minder was, gerekent alle 
de pagies, lacqueyen, koetsiers, voerluy, jongens, krauwels, pioniers, 
wijven, trossen, hoeren etc, waarvan de monsterrollen uitleverden 
146 270 eifective soldaten, met mortepayen en al, en daarbij een 
geweldige artillery enz." 

Als waarschijnlijk nemen wij aan dat het leger, waarmede 
Lodewijk XIV in 1672 Holland aanviel, eene sterkte heeft gehad 
van ïoo 000 man. 

De Munstersche en Keulensche krijgsmacht, vereenigd, schat- 
ten wij op een 30000 man. Sijpeste)ai en De Bordes spreken 
van ruim 20 000 man ; wij gelooven dat dit cijfer te laag is ; 
want alleen de keurvorst van Keulen had aangenomen om 17 a 
18000 man te velde te brengen; en de bisschop van Munster 
kon over eene sterke legermacht beschikken. Bij het begin van 
de belegering van Groningen moet het vereenigde Munstersche 
en Keulensche leger meer dan 20 000 man sterk zijn geweest ; 
en bovendien waren er zeer zeker bezettingen achtergebleven 
in de vele reeds genomen steden. 

Wij gelooven dus niet ver van de waarheid te zijn, wanneer 
wij bet cijfer van 130 000 man aannemen als het geheele bedrag 
van de legermacht, die in het voorjaar van 1672 de Republiek 
aanviel. 

Een leger van 130000 man zou zelfs in onze dagen eene 
geduchte macht uitmaken; in de zeventiende eeuw was zij zon- 
der voorbeeld. En het waren geen slechte, opgeraapte, verwijfde 



Digitized by 



Google 



8o KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

troepen; het waren geen soldaten van Xerxes, welke dat 
leger uitmaakten; integendeel, vergeleken met de andere 
legers van het toenmalige Europa bezaten de legers van Lode- 
wijk XIV een hooge militaire waarde. Vroeger hebben wij de 
gebreken reeds vermeld, welke toenmaals den krijgsstand in het 
algemeen aankleefden; ook de Fransche legers deelden in 
die gebreken; ook die legers bestonden uit even onzuivere be- 
standdeelen als de overige Europeesche legers; en d^dr, waar 
zij niet meer werden in bedwang gehouden door een ijzeren 
krijgstucht, ddAr, waar zij teugelloos aan zich zelve werden over- 
gelaten, kon men zeker zijn dat zij tot de ergste uitspattingen 
en wreedheden zouden overslaan, en een vreeselijke geesel wor- 
den voor het land waar zij oorloogden. Maar voor het oorlog- 
voeren zelf hadden die legers veel voor boven die van andere 
Staten : daarbij bevond zich het grootste gedeelte van den krijgs- 
haftigen Franschen adel; er waren een menigte officieren bij, 
die, niet door zedelijke beginselen belemmerd, weinig kiesch in 
de middelen die zij bezigden, al die voortvarendheid, dapperheid 
en beleid bezaten, die meestal kenmerken zijn van den Fransch- 
man ; stoute gelukzoekers, die, door gouddorst en roemzucht ge- 
prikkeld, daardoor aangespoord werden tot buitengewone daden ; 
zeker, dat die beloond zouden worden met vorstelijke mildheid. 
Want eene eigenschap die men met recht in Lodewijk XIV 
moet roemen, is, dat hij koninklijk wist te geven. Het leger was^ 
toen ten minste, het voorwerp zijner zorgen; hij was nog in 
den tijd waarin de krijgsroem hem toelachte; en aan de oor- 
logsmacht, welke hem dien roem moest verwerven, wijdde hij al 
zijne zorgen en de rijke hulpmiddelen van Frankrijk. Vandaar 
dan ook dat ■ de Fransche legers volledig voorzien waren van 
alles wat noodig is tot het voeren van den oorlog. Niet alle 
gedeelten waren even rijk uitgerust; maar de Maiion du Rot' moet 
in dat opzicht evenzeer hebben uitgemunt als door schitterende 
dapperheid ; men leze wat Voltaire zegt van het leger waarmede 
de verovering van Holland werd ondernomen : 

•Jamais on n*a vu une armee si magnifique, en même temi>s 
mieux disciplinée. C'était surtout un spectacle imposant, que la 
Maison du Roi uouvellement réformée; on y voyait quatre com- 
pagnies des gardes-du-corps, chacune composée de trois cents 
gentilhommes, entre lesquels il y avait beaucoup de jeunes cadets 
sans paie, assujettis comme les autres a la régularité du service ; 
deux cents gendarmes de la garde, deux cents chevaux-légers, 
cinq cents mousquetaires, tous gentilhommes choisis, parés de 
leur jeunesse et de leur bonne mine; douze compagnies de la 
gendarmerie, depuis augmentées jusqu'au nombre de seize; les 
Cent-Suisses même accompagnaient Ie roi; et ses régiments des 
gardes frangaises et suisses montaient la garde devant sa maison. 



Digitized by 



Google 



STRVDKRACHTEN. 8l 

ott devant sa tente. Ces troupes, pour la plupart couvertes d'or 
et d'argent, étaient en mème temps un objet de terreur et d'ad- 
miration . . ." (Siècle de Louis XIV). 

De MuQStersche en Keulsche troepen zullen denkelijk in 
vergelijking roet dit leger van een veel minder gehalte zijn ge- 
weest; ten minste vindt men in de briefwisseling der Fransche 
bevelhebbers met Louvois zeer dikwijls uitdrukkingen van 
minachting ten opzichte dier troepen, die door hen worden 
voorgesteld als ordeloos en slecht. Maar, behalve dat vreemde 
bevelhebbers dikwijls geneigd zijn tot onbillijkheid jegens de 
bondgenootschappelijke troepen die zij aanvoeren, zoo moet men 
ook in het oog houden, dat de Fransche bevelhebbers, bij de 
beoordeeling van de waarde der Munstersche en Keulsche 
troepen, die denkelijk hebben vergeleken met het leger van Lode- 
wijk XIV, dat alle andere Europeesche legers zoo ver overtrof; 
minder in waarde dan dit leger, kunnen daarom de Munstersche 
en Keulsche troepen toch nog goed zijn geweest in verge- 
lijking van die onzer Republiek; zelfs is dit waarschijnlijk, als 
men acht geeft op de krijgszuchtige gezindheid des bisschops 
van Munster, die hem in onophoudelijke oorlogen wikkelde en 
die hem dus wel zorg zal hebben doen dragen voor de goede 
uitrusting en oefening zijner krijgsmacht. 

De Fransche legers werden ook aangevoerd door uitmuntende 
bevelhebbers. Wij spreken hier niet van Lodewijk XIV zelf, die 
in persoon den veldtocht medemaakte, — evenmin als van zijn 
broeder, den ellendigenOrleans; — de tegenwoordigheid des Konings 
mocht dienen om de geestdrift zijner troepen meer op te wek- 
ken en om meer eenheid te brengen in het opperbevel; die 
voordeelen werden ook weer opgewogen door nadeelen dewijl 
de zorg voor 's Konings veiligheid en welzijn, en de noodzake- 
lijkheid om hem in alles te raadplegen, de handelingen des legers 
dikwijls moesten belemmeren. Eens Konings tegenwoordigheid 
bij het leger is ddn alleen gunstig, wanneer hij wezenlijk veld- 
heer is; en Lodewijk XIV was dit niet. De eigenlijke aanvoer- 
ders waren Condé en Turenne, twee namen die omgeven zijn 
roet een welverdienden veldheersroem. 

Turenne*s groote bekwaamheden zullen zeker door niemand 
roeer worden betwijfeld, sedert Napoleon zelf die erkend, en de 
veldtochten des Franschen Maarschalks tot een onderwerp zijner 
stttdién gemaakt heeft. De tijdgenooten van Turenne kenden hem 
— ten onrechte — als veldheer meer voorzichtigheid toe dan 
stoutheid; ten onrechte, zeggen wij: want, wat het ontwerpen 
aangaat, overtreft Turenne in stoutheid de meeste veldheeren. 
Het is alleen bij de uitvoering, dat hij eene hooge mate van 
voorzichtigheid betoont. Zelden gaat hij over tot het leveren van 



WILLEM III. 



Digitized by 



Google 



82 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

een veldslag; hij is een van die aanvoerders, die zoo weinig 
mogelijk aan het geluk overlaten, en die een vijandelijk leger 
niet aanvallen, dan wanneer de meeste kansen op de overwin- 
ning aan hunne zijde zijn of dat zij door de noodzakelijkheid 
gedwongen worden tot dien aanval. Het uitkiezen van goede 
stellingen, het verrichten van snelle marschen, het misleiden en 
overvallen van den vijand, ziedaar wat men vooral bij Turenne 
vindt; en weinig aanvoerders hebben de stoutheid geëvenaard 
van zijne strategische handelingen, wanneer hij met eene kleine 
macht toch aanvallend te werk ging, zonder evenwel zich in 
gevaar te brengen door het leveren van een veldslag. 

Condé, wiens bekwaamheden als veldheer nu lager gesteld 
worden dan die van Turenne, werd door zijne tijdgenooten 
meesttijds boven dezen geplaatst. De zege bij Rocroy, op twintig - 
jarigen leeftijd behaald, had Condé*s hoofd met een stralenkrans 
omgeven, die de minder schitterende daden van Turenne ver- 
duisterde; en echter had deze veel meer bekwaamheden voor 
het beramen en uitvoeren der bewegingen van een leger. Condé 
schitterde voornamelijk bij een veldslag : daar wist hij met arends- 
blik de zwakke zijde des vijands, het geschikte oogenblik tot den 
beslissenden aanval op te merken; daar wist hij door zijn per- 
soonlijke dapperheid, door zijne rustelooze voortvarendheid, door 
zijn vroeger verworven roem allen met geestdrift te bezielen en 
de krachten van zijn leger te verdubbelen; — maar ook daar 
werd hij dikwijls door zijne onstuimigheid tot onberadene han- 
delingen vervoerd en offerde hij soms nutteloos een aantal dap 
peren op aan het hardnekkig doorzetten van een eenmaal ge 
nomen besluit. 

Later trad aan de Fransche zijde ook Luxembourg als veld- 
heer op. Hij was een leerling van Condé en bezat vele hoe- 
danigheden van een goed legeraanvoerder, die na verloop van 
tijd al meer en meer bleken. Bij een veldslag verstond hij even- 
als Condé meesterlijk de kunst om zijne troepen in werking te 
brengen; maar minder verstond hij de kunst, om van de veld- 
slagen partij te trekken tot bereiking van het doel des oorlogs ; 
de overwinningen die hij behaald heeft, zijn zonder gevolgen 
gebleven. Voor het overige was hij stout, eerzuchtige listig hove- 
ling, sluw onderhandelaar, had vertrouwen in zichzelf en wist 
dit aan anderen mede te deelen; hofgunst was, zooals voor de 
meeste zijner tijdgenooten, voor hem alles; en hoe weinig men- 
schelijkheid hij bezat kunnen onze jaarboeken leeren, waar zijn 
naam als die van een Franschen Al va vermeld staat. 

Behalve die hoofden des legers waren er aan de Fransche 
zijde nog een menigte onderbevelhebbers van groote bekwaam- 
heid. Chamilly, Montal en vele anderen waren mannen waarvan 
men buitengewone daden mocht verwachten. 



Digitized by 



Google 



STRIJDKRACHTEN. 83 

Niet alleen de wapenkracht, maar ook het goud dat hij met 
volle handen uitstrooide, maakte Lodewijk XIV tot een geduch- 
ten vijand voor onze Republiek. De Fransche onderhandelaars, 
die overal de omkooping te baat namen, waren misschien even- 
zeer te vreezen als de Fransche legers en vloten. Z ij waren het, 
die den Nederlandschen Staat zonder hulp lieten van bondge- 
nooten; die in Duitschland verschillende gebieders tot de belan- 
gen van Lodewijk wisten over te halen; en die zelfs in de 
Republiek de Fransche belangen bevorderden, de verdedigings- 
middelen verminderden. Bekend is het, dat reeds vroeger een 
Franschman met dien lichtzinnigen, aanmatigenden toon, zijner natie 
eigen, durfde verzekeren: >dat er in Holland maar vier men- 
schen onomkoopbaar waren, te weten de beide De Witten, 
Bevemingh en Van Beuningen." Het lijdt geen twijfel, dat de 
geringe wederstand die Lodewijk XIV aanvankelijk ondervond, 
niet enkel toe te schrijven is aan zwakheid en moedeloosheid, 
maar wel degelijk ook aan verraad, aan omkooping, aan de 
kennis die de vijand vroeger had ingewonnen aangaande de ver- 
dedigingsmiddelen van het land, en aan den bijstand welke een 
deel der bevolking hem bood. 



Ziedaar de strijdkrachten der eene partij; beschouwen wij 
thans de andere. 

Na den Munsterschen vrede was de landmacht der Republiek 
verminderd en in verval geraakt; terwijl daarentegen alle zorgen 
werden besteed aan de uitbreiding der zeemacht. Deze laatste 
was dan ook op een zoo geduchten voet, dat zij bij het uit- 
breken des oorlogs van 1672 aan de vereenigde vloten van 
Frankrijk en Groot-Brittanje met vrucht het hoofd kon bieden. 
Met de landmacht was het geheel anders : deze was zwak, slecht 
samengesteld^ slecht geoefend, zonder zedelijke kracht. 

Omtrent de wezenlijke getalsterkte ontbreekt het weer aan 
bepaalde o|>gaven; wel geven Sijpesteyn en De Bordes uitvoerig 
op, hoedanig in Juni 1672 de samenstelling en plaatsing van het 
leger der Republiek waren, en schatten zij dat leger toen op 
ruim 50 000 man, daaronder begrepen een 2800 man Spaansche 
hulptroepen; maar dit is niets anders dan eene min of meer 
waarschijnlijke schatting. £r bestaan 9 Staten van oorlog" van 
1671 en van 1673. In 167 1, toen de krijgstoerustingen van Frankrijk 
reeds geen geheim meer waren, was de geheele sterkte van het 
leger der Republiek toch slechts 37 155 man, waaronder 2600 
man ruiterij. In den loop van het jaar 1672 kreeg die krijgs- 
macht echter een aanzienlijke uitbreiding, zoodat zij bij het 
begin van 1673 sterk was: 866 compagnieën infanterie, te zamen 
sterk 76 994 man; 147 compagnieën ruiterij, te zamen 11 920 rui- 



Digitized by 



Google 



84 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

ters; en 20 compagnieën dragonders, uitmakende 2000 man. Alles 
te zamen: 90914 man. 

Dit is de sterkte^ die op de Staten van oorlog voorkomt; de 
werkelijke sterkte zal echter minder zijn geweest, omdat^ 
door allerlei misbruiken, de compagnieën en regimenten nooit 
die sterkte hadden, waarvoor zij op de betalingslijsten voorkomen. 

In het voorbijgaan eene enkele opmerking over de verhou- 
ding tusschen voetvolk en ruiterij, bij het leger der Repu- 
bliek in 1673; die verhouding is nagenoeg als van 11 tot 2, dus 
sterkere ruiterij dan bij de samenstelling der hedendaagsche 
legers. 

Die meerdere sterkte van de ruiterij in die dagen^ kan niet 
verklaard worden door hare mindere kostbaarheid. Want op de 
reeds aangehaalde Staten van oorlog vindt men, dat het onder- 
houd van een dragonder bijna tweemaal zooveel, en dat van 
een ruiter bijna twee en een half maal zooveel kostte als dat van 
een infanterist, wat geen zeer groot verschil maakt met het 
onderhoud van beide in onzen tijd. 

Er zijn redenen van krijgskundigen aard om die meerdere 
sterkte der ruiterij bij het leger van Willem III te verklaren. 
Men moet in de ruiterij van dien tijd eigenlijk niet veel meer 
zien dan infanterie te paard; zich haar voor te stellen — 
zooals ih den tijd van Seydlitz — als »een koperen muur die 
zich met de snelheid van den stormwind beweegt en alles in 
zijn vaart verbrijzelt," is een geheel valsche voorstelling; de rui- 
terij van de 17e eeuw streed dikwijls te voet; en als zij te 
paard streed, dan begon zij toch altijd met het vuurgevecht; 
eerst daarna bezigde zij de blanke wapens; en om door de 
hevigheid van den schok de overwinning te behalen, was eerk 
beginsel, haar toen geheel vreemd. De ruiterij was dus in de 
17e eeuw een geheel ander wapen dan in de 19e; het voorname 
voordeel dat zij in de 17e eeuw opleverde was hare meerdere 
marschsnelheid in vergelijking van die van het toenmalige voet- 
volk. Om vestingen onverwachts te berennen, om bedreigde 
vestingen spoedig van meer bezetting te voorzien, om in den 
rug des vijands strooptochten te verrichten, konvooien aan te 
vallen, brandschattingen t^ heffen, daarvoor was de infanterie 
te langzaam van beweging, daarvoor bezigde men ruiterij, en 
daar die handelingen een voornaam gedeelte van de toenmalige 
oorlogvoering uitmaakten, is het zeer natuurlijk dat de ruiterij 
toen zoo sterk was. 

Vooral moest dit wapen bij de Hollandsche legers nog al 
sterk zijn. Bij onze Republiek was er om oorlog te voeren 
minder gebrek aan geld dan aan soldaten; een ruiter kostte 
meer dan een infanterist, maar leverde meer voordeel op door 
zijn meerdere beweegbaarheid; en daar men in het getal der 



Digitized by 



Google 



STRUDKRACHTEN. 85 

soldaten soms beperkt was^ nam men dus — om maar een cijfer 
te noemen — liever looo ruiters in dienst, dan looo infante- 
risten ; te meer handelde men zóó, omdat onze meeste wervingen 
gedaan werden in Duitschland, waar de ruiterij nog al gemakkelijk 
was te verkrijgen. 

Op welke wijze nu het leger der Republiek van de sterkte 
die het in 1671 had, opklom tot de sterkte die het in 1673 
verkreeg — dit valt moeielijk te zeggen. Wij lezen wèl, dat er 
op het einde van 167 1 en in het begin van 1672 gedurig be- 
sluiten zijn genomen tot aanwerving van zooveel nieuwe regi- 
menten, van zooveel duizenden soldaten ; maar wij lezen tevens, 
dat die besluiten óf niet, óf slechts gedeeltelijk en langzaam 
zijn ten uitvoer gebracht. Zoo werden de Zwitsersche regimenten, 
die men wilde aanwerven, door den spoedigen inval der Fran- 
schen belet in Holland te komen; een regiment van den graaf 
van Königsmarck kwam eerst in het najaar van 1672 aan; een 
regiment ruiters en een regiment dragonders, door den Prins 
van Courland op de been gebracht, eerst in December van dat 
jaar. Over het geheel waren de besluiten tot de werving zoo 
laat genomen, of werden zij zoo traag uitgevoerd, dat de verschil- 
lende bevelhebbers hunne regimenten niet voltallig kregen; nog 
bestonden zij meest uit jonge, ongeoefende manschappen, waarop 
weinig te vertrouwen viel, en die zelfe voor een deel ongewapend 
waren; en wat de oude militie van den Staat betreft, deze was 
— volgens de verzekering van een onzer schrijvers, Valckenier — 
zoo gebrekkig samengesteld, dat zij inderdaad niet de helft der 
soldaten had, die men, als in dienst zijnde, betaalde. 

Ziehier ten slotte nog ééne opgave die inlichting kan geven 
aangaande de sterkte van het leger der Republiek in de eerste 
helft van 1672. De sterkte van het leger waarmede Willem UI 
van den IJsel terugtrok op Utrecht, wordt op 13000 man be- 
groot; het geheele bedrag der krijgsgevangenen, die in de ver- 
schillende vestingen den vijand in handen vielen, wordt geschat 
op 25 000 man ; 8 a 9000 man waren er in Maastricht, en laat 
er een 10 è 12 000 man zijn geweest, hetzij in de noordoostelijke 
provinciën, hetzij in Noord-Braband; dan zou het leger van de 
Republiek een 55 a 60000 man sterk zijn geweest. Dit cijfer, 
enkele duizend man hooger dan het bij Sijpesteyn en De Bordes 
voorkomende, maakt evenmin als het hunne aanspraak op wis- 
kundige juistheid. 

Over de militaire waarde van de Hollandsche troepen bij 
den aanvang van den oorlog is maar ééne stem. Er was geen 
eenheid in het krijgswezen, geen eenheid in het opperbevel, en 
het gebrek daaraan is altijd het verderfelijkste dat men beden- 



Digitized by VjOOQIC 



86 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

ken kan. De verschillende gedeelten van het leger werden be- 
taald door de verschillende gewesten; zij stonden dus, behalve 
onder het gezag der Generaliteit, ook onder de gewestelijke 
regeeringen welke hen betaalden; zij stonden ook onder de 
regeering der gewesten waar zij zich bevonden, of waar zij door- 
trokken, onder de regeering der steden waar zij in bezetting 
lagen. Vandaar eene verwarde vermenging van gezag, eene op- 
eenhooping van uiteenloopende, dikwijls strijdige bevelen en 
voorschriften, waardoor noodwendig de gang der zaken ver- 
traagd en belemmerd moest worden, en waarin meer dan één- 
maal de plichtvergetene een deksel vond om zijne ontrouw of 
lafheid te verbergen. Zeker, de man van eer, de wezenlijk goede 
officier zou in weerwil van die moeielijkheden zijn pHcht ver- 
vullen; en al moest hij soms vier verschillende eeden afleggen, 
toch zou geene daarvan in zijn oog een daad van lafheid 
rechtvaardigen of verschoonen; — maar hoe weinig officieren 
van dien stempel waren er toen bij het Hollandsche leger! Men 
had bij het begeven van de officiersplaatsen meestal niet in het 
minst acht geslagen op karakter, verdienste of kunde, maar alleen 
met voorspraak^ gunst, kuiperijen daarbij te rade gegaan. Een groot 
gedeelte der officieren bestond dus uit menschen zonder krijgsken- 
nis, zonder ondervinding, geheel ongeschikt voor hunne betrekking, 
niet het minste denkbeeld hebbende van eer en krijgsplicht, 
Wanneer men maar de helft gelooft van de menigvuldige voor- 
beelden die hiervan bij onze schrijvers voorkomen, dan krijgt 
men de overtuiging, dat in het begin van 1672 het Hollandsche 
leger in alle opzichten slecht was, zoo slecht als een leger maar 
zijn kan. — Natuurlijk is dit alleen in het algemeen ge- 
sproken; want dat er schitterende uitzonderingen waren, dat er 
mannen waren die zelfs bij dat slechte leger door uitstekende 
krijgsdeugden den aiouden volksroem waardiglijk wisten te hand- 
haven, dit is iets dat geen twijfel lijdt. 

Met een leger, zoo zwak in getal en nog zwakker door samen- 
stelling, zullen de sterkste vestingen en verdedigingslijnen weinig 
waarde hebben; maar ook met die doode strijdkrachten der 
Republiek was het ellendig gesteld. Men had, zeker, vestingen 
in overvloed, nog veel meer dan in onze dagen, en de ver- 
sterkingskoorts werd toen ook veel meer gerechtvaardigd 
door de toenmalige wijze van oorlogen. Maar die vestingen 
waren, op weinige uitzonderingen na, in den jammerlijksten toe- 
stand: borstweringen die men liet instorten, muren die men 
zelden of nooit herstelde, grachten die men niet uitdiepte, op 
het glacis en in de binnenruimte der bastions tuinen, huizen en 
andere gebouwen; vuurmonden bijna onbruikbaar en op half 
vergane affuiten en slechte beddingen; magazijnen, van alles 



Digitized by 



Google 



STRIJDKRACHTEN. 87 

onvoorzien; — ziedaar over het algemeen het beeld van een 
groot aantal der toenmalige Hollandsche vestingen. Met zulke 
vestingen, door zulke troepen bezet^ een werkzamen vijand tegen 
te willen houden, dit is dwaasheid; men zou dit even goed 
van de geschilderde kanonnen der Chineezen kunnen ver- 
wachten. 

De natuurlijke verdedigingsmidd^en van Holland, de rivieren 
en onderwaterzettingen, waren zeker van veel grooter waarde 
dao die onbeteekenende vestingen; maar ook die rivieren en 
onderwaterzettingen vorderen toch altijd een goed leger tot hare 
bezetting en verdediging, en hieraan ontbrak het. Bovendien zijn 
die natuurlijke hindernissen juist het geringst aan de oostelijke 
en zuidoostelijke grenzen van onzen Staat, waar denkelijk de 
vijandelijke legers zich zouden vertoonen. De IJsel is gedurende 
den zomer een rivier van gering belang; ook de Rijn heeft 
bij lagen waterstand doorwaadbare gedeelten; de Grebbe-linie 
bestond toen niet, evenmin als de linie die thans Holland en 
een deel van de provincie Utrecht afsluit. Men kon echter door 
het openzetten van eenige sluizen de grenzen van het eigenlijke 
Holland afsluiten, of tot eenige weinige toegangen bepalen die 
door schansen waren verdedigd; maar die schansen waren, vol- 
gens sommige opgaven, gebrekkig aangelegd; en de inundatiën 
lieten aanvankelijk ook veel te wenschen over; zoodat de dus 
genoemde oude Hollandsche waterlinie, toenmaals de 
laatste verschansing van de Republiek, in geenen deele als van 
onneembare sterkte kon worden beschouwd. — Wat de waarde 
dier verschillende verdedigingslijnen ook moest verminderen, was 
de omstandigheid dat de aanvaller, door omkoopingen en ver- 
standhoudingen in ons land, bekend kon zijn met de zwakke 
gedeelten, met de gunstigste aanvalspunten ; als bewijs hiervan 
behoeven wij alleen daaraan te herinneren, dat het een inboor- 
ling was die aan het Fransche leger de waadbare plaats in den 
Rijn aanwees, waardoor dit leger trok. 

Op eene algemeene volkswapening viel ook niet met zekerheid 
te rekenen. Wel is waar hadden de schutterijen, eene eeuw vroe- 
ger, in den krijg tegen Spanje zich door meer dan gewone dap- 
perheid onderscheiden, en een gewichtig aandeel genomen aan 
die stedenverdedigingen, die nog terecht de bewondering van 
den nakomeling opwekken. Ook nu, in dezen oorlog tegen 
Frankrijk, geven zij schitterende bewijzen van vaderlandsliefde 
in het verdedigen van Groningen en van Aardenburg; en reeds 
bij het begin van den veldtocht van 1672 dient een gedeelte der 
Hollandsche schutterijen tot bezetting van verschillende vestingen 
in Noord-Braband. Maar de geest die onze landgenooten bezielde 



Digitized by 



Google 



SS KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

gedurende den kamp tegen Filips II, had in 1672 veel van zijne 
kracht verloren ; en lange jaren van vrede hadden hun den oor- 
log te lande vreemd gemaakt, en den krijgsroanszin, die nooit 
zeer levendig bij hen was, grootendeels uitgedoofd. Alleen bui- 
tengewoon gevaar kon dien zin weer opwekken en hen tot bui- 
tengewone inspanningen aansporen ; — maar hiertoe wordt altijd 
de leiding vereischt van een bekwaam hoofd, van een groot man, 
zooals de eerste Willem dit was in de worsteling tegen Spanje. 

Kon men nu in 1672 voorzien dat Willem UI dat bekwame 
opperhoofd zou zijn? — volstrekt niet: zijne groote hoedanig- 
heden waren toen voor iedereen nog verborgen. Hij was een 
twintigjarig jongeling^ in wien men nog geen vertrouwen kon 
stellen; van wien men niets wist, dan dat hij een uitstekende 
opleiding had ontvangen. Want terecht wordt door den schrijver 
van »Holland's roem in kunsten en wetenschappen" 
(Collot d'Escury) aangemerkt, dat het een eeretitel voor De Witt 
is, dat hij, belast met de zorg voor de opvoeding van Willem IQ, 
zich zoo uitmuntend heeft gekweten van die belangrijke taak. 
De Witt — dit valt niet te ontkennen — heeft al zijne krach- 
ten ingespannen om het huis van Oranje uit te sluiten van alle 
gezag in de Republiek. In hoever dit nu voortsproot uit de her- 
innering aan de gewelddadige willekeur van Willem n, of uit 
de overtuiging dat werkelijk het stadhouderschap verderfelijk was 
voor de Republiek, of uit eerzucht, uit het bewustzijn dat zijne 
eigen groote bekwaamheden hem tot het geschiktste hoofd van 
den Staat maakten, laten wij daar; genoeg. De Witt was een 
vijand van het huis van Oranje; — maar een eerlijk, verstandig 
vijand, een van die vijanden die soms minder kwaad doen dan 
onhandige vrienden. Aan den scherpen blik van een De Witt 
kon het niet ontgaan, dat de loop der gebeurtenissen eenmaal 
den jeugdigen Willem III het gezag zijner voorvaderen kon her- 
geven-, en de Raadpensionaris wilde dat ddn ten minste een 
bekwaam man aan het hoofd van den Staat zou komen. Van- 
daar zijn zorg om den aanstaanden Stadhouder te doen toerusten 
met al die kundigheden welke hem in staat hebben gesteld, eene 
zoo grootsche rol te spelen op het wereldtooneel. 

Maar het beste zaad kan op een onvruchtbaren grond vallen; 
en in 1672 wist men nog niet, wat Willem III door die opvoe- 
ding was geworden. Zijn karakter was nog een raadsel, zijne 
bekwaamheden nog verborgen. Men wist dat hij stilzwijgend 
was ; maar niet of dit stilzwijgen diepe overpeinzingen en grootsche 
gedachten bedekte, dan wel het gevolg was van schroomvalligheid 
van karakter, van bekrompenheid van geest. Zijn uiterlijk had 
niets indrukwekkendst klein, bleek, zwakkelijk, niets duidde de 
heldenziel aan, die later Europa's bewondering opwekte. — Bij 



Digitized by 



Google 



STRIJDKRACHTEN. 89 

het beoordeelen van de kansen des oorlogs was er dus volstrekt 
geen reden om de bekwaamheid des veldheers van het Hol- 
landsche leger in rekening te brengen als iets dat, ten voordeele 
der Republiek, een zwaar gewicht legde in de schaal der over- 
winning. 

Wat de bondgenooten betreft, men kan zeggen dat Holland 
bij het begin van den oorlog er bijna geene had. De kuipe- 
rijen, de omkoopingen, door het Fransche hof op eene zoo 
groote schaal aangewend in Duitschland, hadden vruchten ge- 
dragen: sommige Duitsche vorsten verbonden zich met Lode- 
wijk XIV tegen ons land, andere poogden elke wapening tegen 
Frankrijk te beletten. De keizer bracht wel is waar een leger 
op de been, maar laat, en zonder dat het iets uitrichtte. De 
krachtigste^ om niet te zeggen de eenige hulp welke onze Staat 
van Duitschland kreeg, was die van den keurvorst van Branden- 
burg. Maar, hoezeer reeds den 6en Mei een verdrag was gesloten 
met dien vorst, waarbij deze beloofde een leger van 20 000 man 
op de been te brengen, — voor de helft ten koste der Republiek — 
was het echter eerst in September en October dat dit leger den 
Rijn naderde. Het trok door dien opmarsch een gedeelte der 
Fransche legermacht tot zich en maakte op die wijze eene goede 
afleiding ten voordeele van de Nederlanden; doch ongerijmd is 
het te beweren, dat dit de redding van onzen Staat was; die 
redding moet alleen worden toegeschreven aan eigen krachtige 
verdediging, zonder welke de Republiek geheel ten onder ge- 
bracht had kunnen zijn, lang vóór den opmarsch van het Bran- 
denburgsche leger. Het jaar 1672 is alweer een bewijs, hoe dwaas 
het is op de hulp van bondgenooten te vertrouwen en het 
y/tide toi, Ie del faidera" uit het oog te verliezen. 

Evenwel zou het onbillijk zijn, niet den bijstand te erkennen 
dien onze Staat toen ontving van een vroegeren vijand. Spanje 
was een zwak, maar een ijverig bondgenoot; en de toenmalige 
landvoogd der Spaansche Nederlanden, Monterey, verdient roet 
dankbaarheid te worden herdacht in onze geschiedenis. Hoezeer 
er nog geen oorlog bestond tusschen Frankrijk en Spanje, haastte 
zich Monterey om van de geringe krijgsmacht, die hij in de 
Spaansche Nederlanden had, een gedeelte af te zenden om de 
bezettingen van Maastricht en van de Noord-Brabandsche ves- 
tingen te versterken; en de zuidelijke gewesten der Republiek 
werden eenigszins beveiligd door de Spaansche Nederlanden. 
Eenigszins, zeggen wij ; want de Franschen, meester van Doornik, 
Ath^ Oudenaarde, Binche en Charleroi, trokken meermalen de 
Zuidelijke Nederlanden in verschillende richtingen door, zonder 
dat het krachtelooze Spanje hieraan veel kon verhinderen. 



Digitized by 



Google 



90 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

Uit die opgave van de strijdkrachten der twee partijen is ten 
duidelijkste op te maken, dat verdediging bet deel moest 
zijn van de Nederlandsche Republiek, aanval dat harer vijan- 
den. Maar de ongelijkheid in strijdkrachten was zóó groot, dat 
de aanvaller de geheele verovering of onderwerping van den 
vijandelijken Staat als doel van den oorlog kon aannemen. 
Clausewitz heeft de oorlogen onderscheiden in beslissende en 
onbeslissende, en de theorie daarvan gegeven ; — geheel ten 
onrechte, gelooven wij; want in onze dagen handelt de sterkste 
partij altijd slecht, wanneer zij den oorlog onbeslissend 
voert; en men moet geen theorie geven voor eene handeling 
die slecht is; — in de 17e eeuw waren, door de vroeger ver- 
melde oorzaken, de oorlogen meestal onbeslissend; maar de 
oorlog, die in 1672 aanving, maakte hierop, ten minste aanvan- 
kelijk, eene uitzondering. 

De gunstigste operatielijn, door het Fransche leger te volgen, 
was als van zelve aangewezen; het was gemakkelijk op te mer- 
ken waar de zwakste zijde van de Republiek was. 

De aanval aan de zuidzijde was onraadzaam. Want om in 
Noord-Braband door te dringen, moesten de Fransche legers 
eerst de Spaansche Nederlanden doortrekken en denkelijk de 
belegering verrichten van Mons, Brussel, Antwerpen, mogelijk 
ook die van Gent ; dan zou men op de Noord-Brabandsche ves- 
tingen stuiten en op de groote rivieren daarachter, welke aan 
de verdediging zoo gewichtige voordeelen geven. Die operatielijn 
volgende, zou men dus Holland aantasten aan de sterkste zijde; 
men zou slechts langzaam voortgaan, en dus den verdediger den 
tijd geven om zijne strijdkrachten te vermeerderen en den bijstand 
van bondgenooten te ontvangen ; terwijl men juist met spoed den 
aanval moest doorzetten om den vijand te beletten, iets te ver- 
anderen in zijn weinig weerbaren toestand. Die operatielijn was 
dus niet goed. 

Meer oostelijk daarentegen waren voor den aanvaller de kan- 
sen veel gunstiger, zooals vroeger de veldtochten van Spinola 
dit reeds hadden aangetoond. De aanvaller kon Charleroi als 
depotplaats bezigen ; en van daar, door het onzijdige Luikerland, 
in Limburg vallen. Hier ontmoette men Maastricht; maar, door 
het achterlaten van een observatie-korps en het tijdelijk ver- 
sterken van sommige plaatsen, zooals Tongeren, Maeseyck enz., 
kon men die vesting in bedwang houden. Het Fransche leger 
kon dan voortgaan tusschen Maas en Rijn; bij laatstgenoemde 
rivier was een groot aantal vestingen; maar men wist dat deze, 
èn in zoo slechten toestand èn zoo slecht bezet waren, dat men 
in weinig tijds meester daarvan kon zijn. Was dit gebeurd, dan 
moest het Fransche leger zich uitbreiden op den rechteroever 
van den Rijn en zich in verbinding stellen met de krijgsmacht 



Digitized by 



Google 



OORLOGSPLANNEN. 91 

van den bisschop van Munster. De aanvaller had dan Munster- 
land en het Keulensche tot operatie-basis, terwijl hij desnoods 
ook uit Charleroi, door Luikerland heen, rechtstreeks toevoer 
uit Frankrijk kon ontvangen. De gemeenschap met de operatie- 
basis was dus voldoende verzekerd; ten minste zoolang de 
Duitsche vorsten niet optraden als bondgenooten van de Repu- 
bliek en hunne legers aan den Rijn verschenen ; want in dat ge- 
val zou die gemeenschap geheel alleen afhangen van het bezit 
van Charleroi en dus zeer onzeker worden. 

In het oostelijk gedeelte van Gelderland doorgedrongen, zou 
het Fransche leger nu alleen door den IJsel worden geschei- 
den van het eigenlijke Holland. De overtocht van die ondiepe, 
twintig uren lange rivier moest men op het een of ander punt 
met geweld verrichten ; of wel, de stelling des verdedigers achter 
die terreinafscheiding omtrekken, door den Rijn over te gaan 
tusschen Arnhem en Nijmegen. Daarna moest men met den 
meesten spoed op Amsterdam en Den Haag marcheeren, en door 
het onderwerpen van Holland den oorlog ten einde brengen. 
Dewijl men toch zulk een overmacht had, kon de Munstersche 
krijgsmacht gebezigd worden om gelijktijdig Overijsel^ Groningen 
en Friesland te veroveren. — Eene hoofdzaak bij dit alles was 
om met de grootste voortvarendheid te werk te gaan, ten 
einde de tegenpartij geen tijd te geven tot het organiseeren van 
eene krachtige verdediging of tot het ontvangen der hulp van 
bondgenooten. 

Ziedaar het operatieplan dat onder de bestaande omstandig- 
heden voor den aanvaller het voordeeligst was; en dat werkelijk 
door hem is opgevolgd. — Het spreekt vanzelf dat wij hiermede 
niet bedoelen, dat de aanvaller reeds vóór het begin van den 
veldtocht zich al wat wij hier opgenoemd hebben bepaaldelijk 
als doel heeft voorgesteld; integendeel, tot die verschillende 
handelingen heeft hij waarschijnlijk eerst in den loop van den 
veldtocht besloten; zoo lezen wij onder andere, dat het, toen 
in half Mei de legers van Lodewijk XIV reeds in Limburg 
waren, nog een punt van overweging uitmaakte, of men Maas- 
tricht al dan niet zou belegeren, dat Condé die belegering aan- 
raadde, maar het tegenovergestelde gevoelen van Turenne de 
bovenhand behield. — In het algemeen is het eene ongerijmdheid 
om, met sommige schrijvers over de strategie, te spreken van 
een operatieplan voor een geheelen veldtocht; zulk een operatie- 
plan kan niets meer inhouden dan eenige zeer algemeene, zeer 
onbepaalde aanduidingen; want de handelingen van een leger 
gedurende eenen veldtocht hangen grootendeels af van de han- 
delingen der tegenpartij, die men niet vooruit kan weten. £en 
schaakspeler kan bij het begin der partij niet vooruit zeg- 
gen, op welke wijze hij zijn tegenstander mat wil zetten, dewijl 



Digitized by 



Google 



92 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

hij Zijne zetten moet regelen naar die van zijne tegenpartij; 
evenmin kan een legerhoofd alle bewegingen eens legers gedu- 
rende een veldtocht vooruit vaststellen; want die bewegingen 
zullen bepaald worden door de. bewegingen des vijands en door 
de niet te voorziene gebeurtenissen van den oorlog. 

De keus van de operatielijn, door het Fransche leger gevolgd, 
was zeer goed, omdat het leger, die lijn volgende, den minsten 
wederstand zou ontmoeten en de beslissendste uitkomsten 
kon verkrijgen. Hierbij dient echter aangemerkt te worden, dat 
wanneer de oorlog niet spoedig tot eene beslissing kwam, en 
wanneer ter hulp van de Republiek een Duitsch leger aan den 
Rijn verscheen, de operatielijn van het Fransche leger gevaar 
zou loopen, van afgesneden te worden door den vijand; — de 
latere gebeurtenissen hebben dit dan ook aangetoond; en dat 
na 1673 het grondgebied der Republiek door de Fransche leger- 
macht geheel werd ontruimd, was minder omdat Lodewijk XIV 
die legermacht elders noodig had, zooals sommige schrijvers dit 
opgeven — , dan wel omdat men, na de inneming van Bonn 
door Willem III, met reden bevreesd was, dat die legermacht 
afgesneden zou worden van Frankrijk, en dus geheel verloren 
gaan. Indien men daarentegen van de Fransche zijde den oor- 
log meer stelselmatig had gevoerd, eerst de Spaansche Neder- 
landen had vermeesterd, en eerst na die vermeestering de Noor- 
delijke Nederlanden had aangevallen, dan zou het verschijnen 
der Keizerlijke en Brandenburgsche legers aan den Beneden-Rijn 
voor de Franschen volstrekt geen reden zijn geweest om hunne 
veroveringen op het grondgebied der Republiek weer te ont- 
ruimen: de gemeenschap van de Fransche legermacht in de 
Noordelijke Nederlanden met hare operatiebasis zou dan te goed 
verzekerd zijn geweest. — Minder veilig dan de operatielijn door 
de Spaansche Nederlanden en door Noord-Braband, was echter 
de operatielijn, die, van Charleroi uitgaande, langs Maastricht, 
tusschen Maas en Rijn en verder op den rechteroever van 
den Rijn naar den ÏJsel liep, voor het Fransche leger de beste, 
omdat zij de beslissendste uitkomsten kon doen verkrijgen. 

De handelingen van den verdediger zijn niet zoo in overeen- 
stemming geweest met de goede regelen als de handelingen van 
den aanvaller. 

De verdediger, als de zwakste partij, moet — in het algemeen — 
de beslissing niet zoeken, maar den strijd ontwijken, den oorlog 
rekken. Tijd winnen is voor hem zeer veel, zoo niet alles; want 
daardoor kan hij de hulp van bondgenooten ontvangen, die bij 
den aanvang des oorlogs nog niet gereed was; daardoor zijn 
leger vergrooten, de volkswapeningen in het leven roepen, de 
verdedigingslijnen sterker maken; daardoor verdwijnt de eerste 



Digitized by 



Google 



OORLOGSPLANNEN. 93 

vrees die de overmacht des aanvallers heeft doen ontstaan, en 
wint de verdediger in zelfvertrouwen : daardoor eindelijk rekt men 
den oorlog tot het invallen van het slechte jaargetijde, dat natuur- 
lijk de marschen en bewegingen van den aanvaller belemmert 
en de voeding en verpleging van zijn leger moeielijk maakt. 

Om tijd te winnen kan de verdediger zelfs, als de ongelijkheid 
in strijdkrachten niet te groot is, door aanvallende bewegingen 
's vijands gemeenschaps-lijnen bedreigen, en daardoor zijn voort- 
gang verhinderen. Is die ongelijkheid te groot, dan moet de 
verdediger voorzichtiger te werk gaan, en slechts zijdelings 
's vijands marsch vertragen, door kleine diversiën of door met 
lichte troepen, met vrijkorpsen de flanken en den rug des 
vijands te verontrusten. Om den aanvaller rechtstreeks tegen te 
houden, plaatst de verdediger zich achter groote terrein- afschei- 
dingen, in sterke stellingen; hij verdedigt elke dezer natuurlijke 
hindernissen zoo lang het kan, zelfs dan als het te voorzien is, 
dat die verdediging op den duur onhoudbaar is en slechts eenige 
dagen tijds doet winnen ; — evenwel moet de verdediger hierbij 
in acht nemen, van niet zóó lang stand te houden dat hij een 
geheele nederlaag kan ondergaan. Flankstellingen zijn goed, mits 
zij werkelijk den vijand, wanneer hij voortrukt, in gevaar kun- 
nen brengen, en mits de verdediger van daar altijd terug kan 
trekken op die gewesten, die als het gewichtigste gedeelte van 
den Staat kunnen worden beschouwd, het gedeelte van welks 
bezit alles afhangt. De verdediging van dit gedeelte des lands 
moet altijd in het oog worden gehouden ; zij moet reeds vroeger 
met zorg zijn voorbereid; en de aanvankelijke stelling die de 
verdediger vóór het begin van den veldtocht bezet, moet zoodanig 
wezen dat hij van daar den aanvaller, waar deze ook oprukt, 
kan te gemoet gaan, en tevens altijd den ongehinderden terugtocht 
naar dat gewichtigste gedeelte des lands behoudt. Vestingen 
kunnen dienstig zijn om den aanvaller tegen te houden, wanneer 
het te voorzien is dat deze ze zal moeten belegeren; zoo niet, 
dan verzwakken zij maar en zijn dus slecht, — tenzij men altijd 
in staat blijft de bezetting daar weer uit te nemen. — Alleen 
dan wanneer de aanvaller het hart des lands bedreigt, moet de 
verdediger, zelfe met mindere macht, overgaan tot het leveren 
van een beslissenden veldslag; is dat niet het geval, dan blijft 
hij maar terugtrekken, totdat de versterking van het eigen leger 
of de verzwakking of verdeeling van het leger des vijands den 
verdediger in staat stelt zelf tot den aanval over te gaan. 

Past men die algemeene beginselen toe op den toestand des 
verdedigers in 1672, dan ziet men, dat door de groote ongelijk- 
heid tusschen de sterkte der wederzijdsche legers, er bij den 
verdediger niet aan kon gedacht worden om door aanvallende 
bewegingen den voortgang des vijands te beletten; aanvankelijk 



Digitized by 



Google 



94 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

moest het HoUandsche leger zich bepalen tot een lijdelijke 
verdediging. Het bezetten van eene flankstelling zou weinig 
gebaat hebben: onderstel het leger van Willem III vereenigd in 
een verschanst kamp onder de muren van Maastricht; dan was 
de Fransche krijgsmacht sterk genoeg om met een gedeelte het 
leger des Stadhouders in bedwang te houden, zelfs geheel in te 
sluiten, terwijl het ander gedeelte intusschen zonder moeite de 
verovering van het onverdedigde Holland zou verrichten. Eene 
dergelijke handelwijze zou dus geheel verkeerd zijn geweest. 

Over het geheel moest men hier, aan de HoUandsche zijde, 
zich de mogelijkheid voorstellen, zelfs de waarschijnlijkheid van 
het doordringen der vijandelijke wapenmacht tot het eigenlijke 
Holland. Men moest dus, zelfs vóór het begin van den veldtocht, 
alle maatregelen nemen om spoedig de inundatiën te kunnen 
stellen welke Holland afsluiten, de toegangen door die inun- 
datiën voorzien van sterke veldwerken, en de gewapende bevol- 
king gereed hebben tot bezetting van de linie. Voor het overige 
moest men het doordringen van den vijand tot zoover zooveel 
doenlijk vertragen, en hiertoe gebruik maken van alle mogelijke 
verdedigingslijnen. 

Viel het Fransche leger het zuidelijk gedeelte der Republiek 
aan, dan had men in de Noord-Brabandsche vestingen en in het 
betwisten van den overtocht van Maas, Waal en Rijn het mid- 
del om dat leger geruimen tijd tegen te houden; — de aanval 
aan die zijde was echter niet waarschijnlijk; die vestingen moes- 
ten dus slechts zwak worden bezet, ie meer daar zij door hare 
ligging gemakkelijk versterking konden krijgen. 

De inval des vijands aan de oosteijde en zuidoostzijde was 
het waarschijnlijkst. De Grebbe-linie bestond toen niet, en de 
tijd ontbrak om haar tot stand te brengen; men moest zich 
dus bepalen tot de verdediging van den IJsel, Die rivier was 
te gemakkelijk over te trekken, dan dat men rekenen kon op 
hare voortdurende verdediging; men moest die evenwel onder- 
nemen om tijd te winnen; en, ten einde in die stelling niet 
omtrokken te worden aan de rechterzijde, ook den Rijn tusschen 
Arnhem en Schenkenschans, en de Waal tot aan de Bommeler- 
waard sterk bezetten. Op den rechteroever van den IJsel, aan 
Maas en Rijn, bevonden zich een groot aantal vestingen; maar 
die vestingen waren onbelangrijk op zich zelve, meest in een 
slechten toestand, en de aanvaller was sterk genoeg om niet ge- 
dwongen te zijn ze te belegeren; men had dus beter gedaan 
die vestingen te ontruimen. Had men dit gedaan, en ook te 
Maastricht slechts een zwakke bezetting achtergelaten, dan zou 
men de sterkte van het leger te velde tot een 30 a 40 000 man 
hebben kunnen brengen, en dus de rivierverdediging met hoop 
op goed gevolg hebben kunnen verrichten. 



Digitized by 



Google 



OORLOGSPLANNEN. 95 

Om de Munsterschen tegen te houden moest men eene kleine 
macht) een 5 a 6000 man, afzonderen voor de verdediging van 
Overijsel, Friesland en Groningen. De schutterijen uit die ge- 
westen konden zich daarbij aansluiten^ en al was het hierdoor 
ontstaande leger aanvankelijk niet sterk genoeg om den vijand 
het doordringen in Overijsel te beletten, zoo kon het echter 
Groningen en Friesland beschermen, waar het meer begunstigd 
werd door het terrein. Merkt men hiertegen aan, dat dit afzon- 
deren van een gedeelte des legers tot bescherming van de noord- 
oostelijke gewesten in strijd is met het groote beginsel, van de 
strijdkrachten zooveel mogelijk vereenigd te houden, — dan 
antwoorden wij: dat de beginselen der krijgskunst nooit zoo 
absoluut moeten worden toegepast, en dat hier de verzwakking 
welke het hoofdleger zou ondergaan door het afzonderen van 
een gedeelte ter bescherming van Overijsel en Groningen, rijke- 
lijk zou opgewogen worden door het daardoor bezig houden 
van een deel der vijandelijke macht, en door het voordeel dat 
men daardoor meester bleef van de hulpmiddelen van provin- 
ciën, die anders den vijand zouden zijn toegevallen. 

Overbodig is het hier bij te voegen, dat de vestingen die men 
wilde verdedigen, goed bezet en goed voorzien moesten zijn, en 
dat men, om de bewegingen van het leger gemakkelijk te 
maken, voor bruggen op verschillende punten van de rivieren 
gezorgd moest hebben. 

In gewichtige punten weken de maatregelen van den verdedi- 
ger af van die, welke wij hier als de doeltreffendste hebben 
vermeld. 

Wèl oordeelde men, dat, tegen de groote overmacht des 
vijands, men zich in den beginne alleen lijdelijk zou kunnen 
verdedigen: maar men zag de waarschijnlijkheid niet in dat de 
aanvaller spoedig zou kunnen doordringen tot Holland; — ten 
minste, wij vinden nergens dat men ernstige toebereidselen 
maakte tot het stellen, versterken en bezetten van de Hollandsche 
waterlinie, wel onderzoekingen en besprekingen. Men vereenigde 
het Hollandsche leger grootendeels aan den IJsel, en wierp eene 
verschanste linie op, achter die rivier; de sterkte van die in de 
nabijheid van Arnhem vereenigde krijgsmacht bedroeg volgens 
sommige opgaven 17 000 man, volgens andere 22 000. Die macht 
had veel grooter kunnen zijn, wanneer men niet zulk een groot 
aantal vestingen had blijven bezetten ten zuiden van Gelder- 
land. Frederik Hendrik — beweert men — had reeds aange- 
drongen op eene aanzienlijke vermindering van het aantal sterke 
steden; maar zijn raad was geheel in den wind geslagen. De 
regeering der Republiek wilde het oorlogstooneel zoo ver mogelijk 
verwijderd houden van Holland; daarom bleef zij het groot 
aantal vestingen aan Maas en Rijn bezet houden; daarom werd 



Digitized by 



Google 



g6 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

in de enkele stad Maastricht eene macht vereenigd, door bijna 
alle schrijvers op een 1 1 ooo man begroot, maar door Sijpesteyn 
en De Bordes teruggebracht op 8 a 9000; daarom was er zelfs 

sprake — in het begin van 1672 om, door verstandhouding 

met de burgerij^ Hollandsche troepen binnen de stad Keulen 
te werpen, ten einde den vijand daar bezig te houden ; — evenals 
of hem dit zou doen afzien van den inval in Holland ; en even 
alsof het bij 's vijands groote overmacht geen dwaasheid was 
zich zóó uit te breiden, en naar Keulen troepen te zenden, die 
men weldra zou noodig hebben voor de verdediging van 
Amsterdam ! 

Voor het overige waren, Maastricht uitgenomen, de vestingen 
veel te zwak bezet. Dit was nog minder kwaad in de eigenlijke 
Hollandsche steden^ waar de schutterijen roet de bezetting kon- 
den medewerken tot de verdediging, maar in de vestingen van 
de zoogenaamde generaliteits-landen bestond die medewerking 
niet. De ellendige toestand van die vestingen, de gebrekkige en 
onvolledige uitrusting en wapening hebben wij reeds vroeger 
vermeld; dit verschoont wel is waar de lafhartigheid niet 
waarmede zij, in het begin van den veldtocht, werden overge- 
geven; maar zeker is het, dat zelfs bij nauwgezette plichtsbe- 
trachting der bevelhebbers, de wederstand toch niet lang zou 
hebben kunnen duren, en de bezettingen binnen weinig tijds in 
handen des vijands moesten vallen. Het ongelukkige stelsel van 
alles te willen verdedigen, was hier weer oorzaak dat niets 
goed werd verdedigd. 

In Noord-Braband had men slechts weinig macht; eenige Hol- 
landsche schutterijen waren ter bezetting van de verschillende 
vestingen naar dat gewest opgerukt; later kwamen daar ook 
eenige Spaansche troepen. — Aan de oostelijke grenzen wordt 
behalve van de bezettingen der steden, van geene krijgsmacht 
gesproken. — In de staten van oorlog van 167 1 merken wij 
op, dat er drie gierbruggen werden aangelegd: te Wezel, te 
Grave en te Nijmegen. Ook vinden wij daar gewag gemaakt 
van een voorstel om alle ingezetenen (zeker alleen in de ves- 
tingen) zich voor zes maanden van levensmiddelen te doen 
voorzien 5 of dit voorstel is aangenomen en uitgevoerd, blijkt 
echter niet; trouwens geen der belegeringen in dezen oorlog 
heeft zóó lang geduurd dat zij zes maanden levensmiddelen 
noodzakelijk maakte. 

De slotsom van ons oordeel is: deze verdedigingsmaatregelen 
waren slecht, omdat zij er toe leidden, om eene macht, die 
reeds zoo zwak was in vergelijking met die des vijands, nog 
zwakker te maken door haar overal te verspreiden; zij waren 
slecht, omdat men een goed gedeelte des legers nutteloos opof- 
ferde, door het te plaatsen in zwakke, onhoudbare vestingen. 



Digitized by 



Google 



OORLOGSPLANNEN. 97 

Bij de bespreking van het operatieplan van aanvaller en ver- 
dediger is alleen gewaagd van den oorlog te land. Van den 
oorlog ter zee slechts een enkel woord, voor zoover die van 
rechtstreekschen invloed was op de gebeurtenissen te land. 

Frankrijk en Engeland wilden hunne vloten vereenigen, daar- 
mede de zeemacht van de Republiek aantasten en slaan, en 
daarna eene legerafdeeling doen landen op het een of ander 
punt van Holland. 

Op zichzelf staande is eene landing volstrekt niet te duchten 
voor onzen Staat, en de verdedigings- maatregelen moeten al 
zeer slecht genomen worden, wanneer zij ernstig gevaar zal aan- 
brengen. Het bezwaar om eene genoegzaam sterke legermacht 
in te schepen, de tijd en de kosten die hiertoe gevorderd wor- 
den, de omstandigheid, dat bij een ingescheept leger meestal 
slechts weinig ruiterij en geschut is, de nadeelige invloed welke 
een zeetocht heeft op de strijdvaardigheid van landtroepen, de 
moeielijkheid en het gevaar eener landing en de onzekerheid 
van in gemeenschap te blijven met het eigen land, en het onwisse 
van toevoer, versterking en een vrijen terugtocht; — dit alles 
maakt de uitwerking van een landingsleger in het algemeen 
zeer gering, — en wanneer hier nog bijkomt een land als Hol- 
land, dat, met rivieren en kanalen doorsneden, den aanvaller 
buitengemeen bemoeielijkt, den verdediger begunstigt en de 
volkswapening toelaat om werkdadig op te treden, — dan zal 
eene landing, bij eenig beleid aan de zijde des verdedigers, 
weinig of niet te duchten zijn. 1799 en 1809 zijn daar, als be 
wijzen voor die waarheid. 

De vijandelijke zeemacht kan wel is waar de rivieren opzei- 
len en koopsteden en maritieme inrichtingen aan de vernieling 
prijs geven, zooals de Engelschen dit in 1809 met Vlissingen 
deden en in 181 2 met New- York; maar, — behalve dat dit 
daden zijn die niet meer in eene beschaafde eeuw maar in de 
tijden der Noormannen te huis behooren, en daarom de vlek 
van barbaarschheid werpen op de natie die zich daaraan schuldig 
maakt — , zoo brengen ook die ondernemingen wel verliezen 
toe, maar niet van zulk een belangrijken aard, dat daardoor een 
oorlog beslist wordt. Voor eene landing alléén behoeft een Staat 
als de onze niet ernstig beducht te zijn. 

Maar in 1672 zon die landing niet op zich zelve hebben ge- 
staan. Integendeel, zij zou in verband hebben gestaan met den 
aanval van geduchte legers aan de landzijde; en dit verandert 
de zaak geheel en al. Wanneer, toen Lodewijk XIV den Rijn 
overtrok en Amsterdam naderde, eene Engelsche legermacht — 
al was het maar een tienduizend man — op het een of ander 
punt van de Hollandsche kust was geland, dan zou dit een ge- 
deelte van het zwakke leger van Willem III tot zich hebben ge- 



WILLEM m. 



Digitized by 



Google 



98 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

trokken, en het overblijvende deel zou dan niet bij machte zijn 
geweest om de Hollandsche waterlinie tegen Frankrijk te ver- 
dedigen ; die landing zou aan de Republiek den doodsteek hebben 
gegeven. 

In zóóver zijn dus de handelingen ter zee van den gewich- 
tigsten invloed geweest op de handelingen te land; de glorie- 
volle zeeslagen, toen aan de vloten van de vijandelijke vorsten 
geleverd, dienden niet alleen om op de Noordzee de vlag van 
de Republiek te doen ontzien, maar ook om Holland's kusten 
tegen vijandelijke aanranding te beschermen ; en De Ruyter moet 
evenzeer als Willem III de redder van het vaderland worden 
genoemd. 

De zeemacht der Republiek had bij het begin des oorlogs 
een zoodanige uitbreiding, dat de vereenigde Fransche en En- 
gelsche vloten nauwelijks sterker waren; en toen later de nood- 
zakelijkheid om de landmacht te versterken, de zeemacht aan- 
merkelijk deed verminderen, werd die vermindering onschadelijk 
gemaakt door de dapperheid der vlotelingen en het beleid van 
Neerland's grootsten zeeheld. 



HOOFDSTUK IV. 

1672. EERSTE KRIJGSVERRICHTINGEN ; OVERTOCHT VAN DEN RIJN; 
STAATSOMWENTELING; DE HOLLANDSCHE WATERLINIE. 

r 

De eerste vijandelijkheden tusschen de Fransche en Neder- 
landsche legers hadden plaats naar de zijde van Kleefsland. Den 
27611 April trok graaf Maurits van Nassau met een 2 a 3000 man, 
grootendeels ruiterij, van de zijde van Wezel en Rijnberg op, 
ten einde de kwartieren te verontrusten van de Fransche troepen, 
die, onder Chamilly, zich in het Keulensche vereenigden. De 
voordeelen, door de Hollanders behaald, waren geheel onbedui- 
dend ; maar door die aanvallende beweging waren de Franschen 
genoodzaakt zich in enge kantonnementen te verzamelen, het- 
geen, zooals uit de briefwisseling van Chamilly blijkt, veel be- 
zwaren veroorzaakte voor de voeding van de troepen. — De 
bezetting van Maastricht deed ook kleine strooptrochten. 

Het Fransche hof had den 25611 April St. Germain verlaten en 
de koning was den 5 en Mei te Charleroi aangekomen. Hier hield 
hij zich tot den 11 en bezig met het in oogenschouw nemen van 
het om die stad vereenigde leger, en trok toen in de richting 



Digitized by 



Google 



EERSTE KRIJGSVERRICHTINGEN. 99 

van Maastricht, na eerst Monterey te hebben laten weten, dat 
de Fransche krijgsmacht genoodzaakt zou zijn om over Spaansch 
grondgebied te trekken. Turenne was met een gedeelte des 
legers — 20000 man voetvolk, 3000 ruiters en 30 stukken ge- 
schut — reeds twee dagen vroeger op marsch gegaan, en had 
zich vereenigd met de door Chamilly aangevoerde troepen, van 
de zijde van Hoey komende; beiden maakten zich meester van 
Tongeren, Maeseyck, St. Truijen en Bilsen, en breidden zich uit 
naar de zijde van Maastricht. Den l^en Mei kwam Lodewijk XTV 
tegenover Visé, aan de Maas, waar Turenne zich weer bij hem 
voegde. 

Het leger van Condé was uit de omstreken van Sedan opge- 
broken, door de Ardennen getrokken over Bouillon en St. Hubert, 
beneden het dorp Chenai de Ourthe overgegaan; het kwam den 
i9cn Mei in de nabijheid van Luik, op den rechteroever van de 
Maas. Men ziet dus dat die strategische opmarsch van de Fransche 
legers met geen groote snelheid werd verricht; wij hebben 
trouwens reeds gezegd, dat men die snelheid niet moet verwachten 
bij de oorlogen dier eeuw. 

Toen werd er eenige tijd doorgebracht met de beraadslaging 
over de vraag, of men Maastricht al dan niet zou aanvallen. 
Men kwam eindelijk tot het besluit om den marsch voort te 
zetten. Het leger van Condé zou bij Keizersweert den Rijn 
overgaan, en op den rechteroever van dien stroom Wezel be- 
legeren; gelijktijdig zouden de Koning en Turenne op den lin- 
oever Orsoy, Rijnberg en Burik aantasten. Chamilly zou op den 
Imkeroever van de Maas blijven om de bezetting van Maastricht 
in het oog te houden; met 5000 man voetvolk bleef hij te 
Maeseyck, terwijl 4000 ruiters en eenig voetvolk verdeeld wer- 
den over Tongeren, Bilsen, Stokhem en Rekhem. Later wer- 
den ook Sittard en het kasteel van Valkenburg door die 
troepen bezet, zoodat Maastricht met een kring van posten was 
omgeven. 

Eenige vooruitgezonden troepen, onder Montal, sloegen be- 
neden Keizersweert, bij het dorp Neerst, een schipbrug over den 
Rijn, en dekten haar door het opwerpen van een bruggenhoofd. 
Condé, naar den Rijn trekkende, kwam den 28en Mei tegenover 
Keizersweert, ging den volgenden dag den Rijn over en., den 
marsch in noordelijke richting voortzettende, kwam hij den 
31 en Mei te Dorsten aan deLippe. Den volgenden dag verscheen 
hij voor Wezel, waar zich Luxembourg met een gedeelte van 
het Munstersche en Keulensche leger bij hem voegde. Het hoofd- 
leger had den 21 en Mei, bij Visé, een schipbrug over de Maas 
laten slaan; de overtocht der rivier geschiedde echter niet voor 
den 24en. In de richting van den Rijn voortrukkende, kwam Tu- 
renne met een gedeelte des legers den icn Juni voor Burik, en 



Digitized by 



Google 



lOO KRIJGS- EV GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

het overige, door Lodewijk zelf aangevoerd, den 2cii voor Rijnberg 
en Orsoy. 

Het verhaal der belegeringen van Wezel, Burik, Rijnberg en 
Orsoy zal ons niet lang ophouden; die hechte bolwerken 
van den Staat — zooals men de vestingen wel eens noemt — 
vielen hier als kaartenhuizen ineen. 

Wezel, een vesting van grooten omvang, had eene bezetting 
van slechts 1500 il 2000 man; te weinig, voor eene goede ver- 
dediging. Bovendien waren de vestingwerken slecht onderhouden 
en de bewapening zoo ellendig, dat men niet meer dan een tiental 
schoten uit ieder stuk kon doen, omdat de affuiten geheel ver- 
molmd of verrot waren. De bezetting was even ellendig als de 
versterkingsmiddelen ; zij betoonde niet de minste geestkracht en 
moed ; of, beter gezegd, zij maakte zich schuldig aan lafheid en 
verraad. 

In den nacht van den aen op den 3en Juni maakte Condé zich 
stormenderhand meester van de Lippe- schans, aan de samen- 
vloeiing van Lippe en Rijn gelegen, en door een groote honderd 
man bezet. Het verlies van die schans bracht dadelijk de 
grootste ontmoediging te weeg in Wezel. Van Santen, de jam- 
merlijke bevelhebber dier vesting, liet zich door een oproer der 
burgerij dwingen om in onderhandelingen te treden, die door de 
stedelijke regeering reeds eigenmachtig werden aangevangen; 
zelfs officieren, hun' eed en plicht vergetende, zetten hunne sol- 
daten tot wederspannigheid aan om daardoor de overgave te 
bespoedigen. — Den 500 Juni legt de bezetting de wapenen neer, 
en is Wezel in 's vijands handen. 

Burik, tegenover Wezel, op den linkeroever van den Rijn, 
was een kleine vesting: een gebastionneerde zeshoek, met 
eenige ravelijnen, en aan de oostzijde een hoornwerk. De bezet- 
ting bedroeg volgens de Hollandsche schrijvers slechts 300 man, 
volgens de Fransche 4 a 500; zij stond onder het bevel van 
Otto van Heeckeren, heer van Pekkendam. De bewapening bestond 
uit slechts 10 vuurmonden, waarvan de twaalfponders het zwaarste 
kaliber waren; de affuiten (dit schijnt bijna een vaste regel te 
zijn geweest) waren genoegzaam onbruikbaar, de kogels, óf te 
groot, óf te klein; en in de geheele vesting — zeggen onze op- 
gaven — «was slechts één ervaren konstapel", zoodat de stuk- 
ken moesten worden bediend door ongeoefende manschappen. 

Niettegenstaande die ongenoegzame verdedigingsmiddelen, be- 
toonde de bezetting aanvankelijk nog al geestkracht, zij besloot 
de stad zoo lang mogelijk te betwisten aan den vijand, en om 
dezen te misleiden aangaande het gering aantal der verdedigers, 
deed men op den wal een aantal brandende lonten, aan stokken 
vastgemaakt, plaatsen, die dus soldaten moesten voorstellen. 



Digitized by 



Google 



EERSTE KRIJGS VERRICHTINGEN. lOI 

Om de gemeenschap van Burik met Wezel af te snijden, deed 
Turenne, in den nacht van den 2eD op den 360 Juni, tusschen Burik 
en den Rijn, eene redoute opwerpen en in de nabijheid daarvan 
een batterij van 9 stukken; te gelijk deed Condé een eiland in 
den Rijn beneden Wezel bezetten, en met geschut voorzien; op 
den Rijn zelf werden twee vaartuigen met troepen geplaatst. 
Daardoor was de bezetting van Burik verstoken van allen toe- 
voer en terugtocht; en toen nu, in den nacht van 3 — 4 Juni, 
Turenne aanstalten maakte tot eene bestorming^ vergat de be- 
zetting haar eerste voornemen om zich te verdedigen, trad in 
onderhandeling, en legde de wapenen neder. 

Het kleine Orsoy, met eene bezetting van 7 of 800 man, 
onder Moulet, werd den 2en Juni door den Franschen koning 
aangetast. Volgens sommigen vermeesterden de Franschen toen 
den bedekten weg; volgens anderen bepaalde het zich tot kanon- 
vuur. Den 3eD had de overgave plaats, waarbij men de wapenen 
nederlegde. 

Rijnberg gaf zich zonder zwaardslag over door het verraad 
van den bevelhebber, den Ier d'Ossery, die zich door den vijand 
liet omkoopen, en later voor dit misdrijf met den dood werd ge- 
straft. De bezetting verkreeg vrijen aftocht naar Maastricht, hare 
juiste sterkte wordt niet vermeld; in den krijgsraad die over de 
overgave handelde, zeide een der leden, dat er geen duizend 
man waren, goed voor de verdediging; volgens andere opgaven 
daarentegen ware Rijnberg zeer goed te verdedigen geweest. — 
De overgave had den 6en Juni plaats. 

Na de inneming van die vestingen vervolgden Condé en Tu- 
renne hun marsch langs de beide oevers van den Rijn, en kwamen 
den 8cn voor Rees en het daartegenover liggend fort. De stad 
zelve ligt op den rechteroever, was regelmatig versterkt, maar 
had eene bezetting van slechts 500 man, onder het bevel van 
Wijnbergen. De tegenoverliggende schans bestond uit een kleinen 
gebastionneerden vijfhoek, omgeven door drie hoornwerken, en 
van binnen voorzien van een klein reduit; zij had eene bezetting 
van 200 man, onder den kapitein Van der Hoeven. 

De verdediging van de schans was slecht; op de eerste 
kanonschoten des vijands gaf de bezetting zich, den 8en, aan Tu- 
renne over. De stad Rees scheen zich met meer geestkracht te 
zullen verdedigen; zij beantwoordde het geschutvuur des vijands 
krachtdadig, hoewel er slechts 16 vuurmonden aanwezig waren; 
maar — zoo sommigen willen — een opstand der burgerij. 
noodzaakte de bezetting, den 9eii Juni, de wapenen neer te leggen. 

De bezetting van Emmerik verliet, bij de nadering van Condé, 
die plaats, en trok teriig op Schenkenschans. Deutekom, waar 
een paar honderd man HoUandsche troepen waren, werd den 
pen Juni door eene kleine Fransche afdeeling genomen. Luxem- 



Digitized by 



Google 



102 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

bourg trok dadelijk na de overgave van Wezel roet 6000 man 
op Breêvoort, om zich weder bij den bisschop van Munster te 
voegen. Die kerkvoogd was in Overijsel gevallen^ had daar 
eenige onbeduidende plaatsen vermeesterd, en was den len Juni 
voor Grol verschenen. De verdediging van de vesting was, ver- 
geleken met de andere, vrij goed, daar de overgave eerst den 
9en Juni plaats had. Hoe sterk de bezetting was, wordt niet ge- 
meld; — zij moet echter niet sterk zijn geweest, want een onzer 
geschiedschrijvers (Sylvius) laat, na in het breede de sterkte van 
de vesting te hebben uitgemeten, er zeer naief op volgen: 
> alleen ontbrak daar behoorlijk garnizoen en voorraad." 

Zoo waren dan in weinige dagen de vestingen aan den Rijn 
en oostelijk van den IJsel in handen van den vijand gevallen. 
Zeker was die spoedige overgave grootendeels te wijten aan het 
plichtverzuim van de verdedigers; bij vele gelegenheden is het 
onmogelijk, hen vrij te pleiten van den blaam van lafheid 
en verraad ; en slechts zelden kan men de verdediging eenigszins 
voldoende noemen. Maar wanneer men den ellendigen toestand 
der vestingwerken, de zwakheid der bezettingen, de jammerlijke 
uitrusting en wapening in aanmerking neemt, dan ziet men dat 
die vestingen niet in staat waren om zich langdurig te verdedi- 
gen, en dat de Fransche schrijvers in hare spoedige verovering 
ten onrechte een buitengewoon wapenfeit zien. Aan de zijde 
van het Hollandsche krijgsbestuur was het een grove misslag, 
zich in te laten met het bezetten en verdedigen van zulke ves- 
tingen en daaraan zonder nut een 4 a 5000 man op te offeren. 
Wien die misslag moet geweten worden is onzeker, omdat 
men niet weet wie toen eigenlijk de oorlogshandelingen regelde; 
zeker niet Willem III, wiens gezag toen nog zeer beperkt was. 

De vijand moest, om in het hart der Republiek door te 
dringen, den overtocht van den IJsel of van den Rijn verrichten, 
en om die rivieren te verdedigen was het leger van Willem III 
grootendeels vereenigd in de nabijheid van Arnhem. De sterkte 
van dat leger wordt, zooals wij reeds gezien hebben, verschillend 
begroot: van 17000 tot 22000 man. Valckenier zegt: dat de 
geregelde troepen 17 k 18000 man uitmaakten, verdeeld in 19 
regimenten voetvolk en evenveel regimenten ruiterij; hierbij 
waren nu nog — volgens dien schrijver — eenige nieuw ge- 
worven waardgelders en gewapende boeren, die men bijna allen 
weer naar huis zond, wegens het volslagen gebrek aan orde dat 
bij hen heerschte; — het al of niet mederekenen hiervan zal 
denkelijk het verschil in de opgaven der sterkte van het leger 
veroorzaken. 

Met een zoodanig leger viel weinig goeds te verwachten van 



Digitized by 



Google 



£ERSTE KRIJGSVERRICHTINGEN. I03 

de verdediging eener ondiepe rivier, zooals de IJsel gedurende 
den zomer; toch wilde men die verdediging ondernemen, en tot 
dat einde was op den linkeroever eene verschanste linie opge- 
worpen, die, zich van IJseloort tot tegenover Deventer uitstrek- 
kende en de krommingen der rivier volgende, eene lengte had 
van omstreeks i6 uren gaans. Dit werk, meest verricht onder 
het bestuur van den veldmaarschalk graaf Maurits van Nassau, 
was den ^cn Maart begonnen en den 3oeii April voleindigd ; eenige 
duizenden boeren, die men van tijd tot tijd opontbood en die 
elk 6 stuiver daags ontvingen, hadden hieraan gearbeid, en de 
geheele linie kostte slechts ƒ 35 000. Het was een aaneengescha- 
kelde linie, samengesteld — voor zoover men uit de beschrijving 
en uit een soort van schets in >het ontroerde Nederland" 
kan opmaken — uit borstwering, gracht, bedekte weg, glacis en 
voorgracht; en voorzien van een zoo groot aantal hindernissen, 
dat die linie — volgens het oordeel van een onzer schrijvers — 
eene buitengewone sterkte had, > zoodat er geen hond door kon, 
veel min een mensch of een paard/* 

Zonder nu een onbepaald geloof te slaan aan die buitenge- 
wone sterkte, en zonder in het algemeen, veel op te hebben 
met die uitgestrekte verschanste liniën, meenen wij echter dat 
bier in dit geval, wilde men den IJsel verdedigen, niet veel 
beters kon gedaan worden, en dat het oordeel der Fransche 
schrijvers, welke die linie kostbaar, zwak en onnut hebben ge- 
noemd, ais ongegrond moet worden beschouwd. Het weinig kost- 
bare blijkt uit den prijs welke het opwerpen daarvan vorderde; 
het zwakke is niet gebleken, daar de linie niet is aangevallen; 
en onnut was zij alleen omdat men verzuimde haar te beveiligen 
tegen omtrekkingen: aan de eene zijde, beneden Deventer tot 
aan de Zuiderzee, bleef de IJsel geheel onbezet, en aan de 
andere zijde was de Rijn, van IJseloort tot Schenkenschans, 
slechts zwak bezet. Indien men maatregelen had genomen tegen 
die orotrekkingen, dan was de verschanste linie langs den IJsel 
voordeelig geweest; het was de beste, zoo niet de eenige wijze, 
waarop, in de toenmalige omstandigheden, die rivier verdedigd 
kon worden; — want, die verdediging te ondernemen op de 
wijze zooals Clausewitz die voor de kleine rivieren voorschrijft, 
was bij de groote overmacht des vijands een ondoenlijke zaak. 

Wanneer wij bij het bovenstaande voegen, dat Nijmegen, 
Amheai, Doesburg, Zutfen en Deventer voorzien waren van be- 
zettingen (welke begrepen zijn onder de opgegeven sterkte van 
het HoUandsche leger), dan moeten wij bekennen, dat dit ook 
alles is wat wij weten van de maatregelen des verdedigers. De 
wijze waarop hij zijne macht langs de rivier had geplaatst, de 
juiste sterkte van de afdeeling die den Rijn bezette, en de bijzon- 
dere voorschriften welke de bevelhebber dier afdeeling had ont- 



Digitized by 



Google 



I04 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

vangen, dit alles is ons duister of onzeker gebleven, ook na 
het lezen van Sijpesteyn en De Bordes. Wij kunnen dus moeie- 
lijk oordeelen over het meer of min goede van die verdediging. 

Het hoofdleger der Franschen was den 9C11 Juni te Wezel op 
den rechteroever van den Rijn overgegaan, en breidde zich uit 
naar de zijde van den IJsel. Condé stelde aan den*koning voor, 
om die laatste rivier in het gezicht van den vijand over te trek- 
ken, en zijne verschansingen te bestormen; Lodewijk gaf echter 
gehoor aan den meer voorzichtigen raad van Turenne, van die 
verschansingen te omtrekken, door tusschen IJseloort en Schen- 
kenschans den overtocht te verrichten van den Rijn, die daar 
zwak bezet en op sommige punten doorwaadbaar was; terwijl 
het hoofdleger dien rivierovertocht verrichtte, zou Luxerabourg aan 
den IJsel het leger van Willem III bezig houden. Een Fransch 
schrijver — Beaurain — is van gevoelen, dat het beter zou ge- 
weest zijn indien Turenne, die te Rees stond, naar den IJsel 
was getrokken om Willem III in het front bezig te houden, Condé 
den overtocht van den Rijn had verricht en Luxembourg bene- 
den Deventer den IJsel was overgegaan; — ddn, zegt hij, zou 
er kans geweest zijn om het leger van Willem III af te snijden 
van Holland. Hier valt tegen in te brengen, dat die omtrekkende 
beweging, tot noordwaarts van Deventer, tijd zou hebben gekost, 
en denkelijk tot geen ander gevolg zou hebben geleid dan tot 
den terugtocht van het Hollandsche leger, dat, onderricht van 
*s vijands bewegingen, geen stand zou hebben gehouden aan 
den IJsel. 

Condé, den loen Juni te Elten komende, oordeelde dat er een 
geschikt overgangspunt was aan den Rijn op ongeveer een uur 
afetands van Schenkenschans, tegenover het zoogenaamde tol- 
huis. Den II en hield men zich bezig met het verkennen van de 
rivier en met de toebereidselen tot het slaan eener brug; Lode- 
wijk zelf kwam des avonds te Elten, vergezeld van 6000 ruiters. 
Gedurende den nacht werden twee batterijen, met 12 vuur- 
monden gewapend, aan den oever opgeworpen. Het slaan van 
de brug ging slechts langzaam; men had toen nog niet de vaar- 
digheid van onze hedendaagsche pontonniers; in den och- 
tend van den laen waren er nog maar 6 pontons in de rivier, 
en — zegt Beaurain — het was waarschijnlijk dat de brug dien 
dag nog niet voltooid zou zijn. Men vreesde aan de Fransche 
zijde dat bij langer verwijl Willem III van Arnhem zou op- 
rukken om den overtocht te betwisten; en daarom besloot men 
om het voltooien van de brug niet af te wachten, maar gebruik 
te maken van een nabijzijnde waadbare plaats, die door een 
boer uit den omtrek was aangewezen, en verkend door De 



Digitized by 



Google 



EERSTE KRIJGSVERRICHTINGEN. I05 

Gniche^ een der Fransche bevelhebbers. Dit wed had slechts 
een klein gedeelte waar de paarden moesten zwemmen, — de 
opgaven verschillen van 20 tot 100 pas; al het overige had zoo 
weinig water, dat het niet tot aan de borst der paarden kwam. 
Aan de overzijde had men, op eenigen afstand van den oever, 
hoatgewas, waarachter men eenige Hollandsche ruiterij ontwaarde ; 
op grooter afstand bevond zich het tolhuis, een hecht gebouw, 
door een soort van palissadeering omgeven, en waar men vijan- 
delijk voetvolk werkzaam zag aan het opwerpen van eene borst- 
wering. 

Wij hebben reeds gezegd dat wij omtrent de sterkte en den 
toestand des verdedigers geheel in het onzekere zijn gebleven. 
Volgens sommigen zou de generaal De Montbas den yea Juni 
belast zijn met de verdediging van de Betuwe, en hiertoe twee 
regimenten infanterie — Aylva en Van Gent — en twee regi- 
menten kavalerie — Souielande en Kingma — tot zijne beschik- 
king hebben gekregen; volgens de toenmalige samenstelling van 
het Hollandsche leger kan dit niet meer dan een paar duizend 
man hebben uitgemaakt; artillerie moet hier ook bij geweest 
zijn, maar er wordt nergens gezegd hoeveel. Montbas plaatste 
zijne troepen op twee punten: bij het tolhuis en bij Huissen, 
ongeveer drie uren gaans van elkander verwijderd; bij het tol- 
huis kwam het voetvolk van Aylva en de ruiterij van Soutelande, 
te Huissen de twee andere regimenten; van de infanterie van 
Van Gent waren 3 compagnieën in Schenkenschans geplaatst. 
Montbas was aanvankelijk ook belast met de verdediging van 
Nijmegen; den 8en moet hij echter aanschrijving hebben gekregen, 
dat het bevel over die vesting aan den generaal Van Weideren 
was opgedragen, en hij zich uitsluitend had bezig te houden met 
de verdediging van de Betuwe. 

Montbas oordeelde met reden dat zijne macht te gering was 
om eene rivier-uitgestrektheid van 3^4 uren gaans te verdedi- 
gen; hij vroeg dus om versterking. Werkelijk schijnt Willem III 
voornemens geweest te zijn hem die te zenden, en er worden 
vijf regimenten genoemd, zoo voetvolk als ruiterij, die last 
kregen om van Arnhem op te rukken tot versterking van Mont- 
bas ; zoodat, indien men die regimenten mederekent, de Fransche 
schrijvers denkelijk niet ver van de waarheid zullen zijn, wan- 
neer zij de geheele macht op een 5000 man begrooten. Maar 
waarin zij zich geheel vergissen, is in de opgave dat die regi- 
menten^ door den veldmaarschalk Wirtz aangevoerd, werkelijk 
naar de Betuwe zijn getrokken: dit is niet zoo; het be- 
richt van de nadering eener Fransche legermacht naar de zijde 
van Doesburg bewoog Willem III den afmarsch dier troepen 
naar de Betuwe op te schorten; en alleen het regiment van 
Schot en een klein gedeelte van dat van Pain et Vin, beide 



Digitized by 



Google 



Io6 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

infanterie, schijnen op den linker Rijnoever te zijn overgegaan. 
Montbas, intusschen geen versterking krijgende, oordeelde, den 
ingang van de Betuwe niet te kunnen verdedigen; en op den 
iien verliet hij zijne stellingen aan den Rijn en kwam nog dien 
dag te Dieren aan, in het hoofdkwartier van den Stadhouder. 

Dit verlaten van den hem toevertrouwden post wordt aan 
Montbas met reden als een slechte en misdadige handeling 
verweten; en zijn naam staat daarom in onze geschiedboeken 
als die eens verraders aangeteekend. Hierin echter gelooven wij 
dat men te vér gaat, en, toestemmende dat die bevelhebber 
hier zwakheid, onkunde of lafheid heeft betoond, vinden wij 
echter geen grond om hem verraad ten laste te leggen. Men 
moet weten, wie en wat Montbas was, om zich zijne handelin- 
gen en het oordeel dat zij hebben uitgelokt te verklaren. Het 
was natuurlijk dat hij als Franschman in dien tijd wantrouwen 
moest inboezemen; de minste dubbelzinnige handeling (en wi) 
erkennen dat het verlaten van zijn post hier niet eens dubbel- 
zinnig, maar bepaald slecht was) moest hem als verraad worden 
toegerekend. Aan den anderen kant koesterde Montbas evenzeer 
wantrouwen tegen den veldheer van het Hollandsche leger, en 
nog meer tegen diens aanhang: Montbas, vermaagschapt met 
Pieter de Groot, nauw verbonden aan de partij der De Witten, 
wist dat hij den haat der Oranjepartij op zich had geladen, en 
hij schijnt zelfs een persoonlijke vijand geweest te zijn van den 
heer van Zuilestein, een basterd van Willem de Derde's groot- 
vader, Frederik Hendrik. Montbas meende daarom, dat de Stad- 
houder, door hem met zoo kleine macht de verdediging van de 
Betuwe op te dragen, niets anders beoogde dan hem in het ver- 
derf te storten; in zijn onrust en vrees hierover, mogelijk ook 
wel de bekwaamheid van den jongen Stadhouder mistrouwende, 
schrijft hij aan de Gedeputeerden te velde, en schijnt van dezen 
bevel te hebben ontvangen om zijn post aan den Rijn te ver- 
laten en op Nijmegen terug te trekken. Hij had dit bevel niet 
moeten gehoorzamen, maar dat hij het gehoorzaamde^ bewijst 
alleen dat hij ongeschikt was voor bevelhebber, dat hij zwakheid 
of lafheid betoonde; het bewijst nog niet, dat hij een verrader 
was. In het algemeen gelooven wij, dat in de krijgsgeschiedenis 
domheid en zwakheid een veel grootere rol spelen dan verraad. 
Dat Montbas later door de vlucht ontkwam aan de tegen hem 
gerichte vervolging, en zich uit wraakzucht voegde bij de legers 
van Lodewijk XIV, dit is een zoo natuurlijke handeling, dat 
men ze niet kan aanhalen om daarmee het verraderlijke van 
zijn vroeger gedrag aan te toonen. 

Toen Montbas te Dieren aankwam, gelastte Willem III aan 
Wirtz, om onverwijld met twee regimenten ruiterij — Haersohe 
en Van der Lek — naar het tolhuis te trekken en daar stelling 



Digitized by 



Google 



EERSTE KRIJGSVERRICHTINGEN. I07 

te nemen; *s avonds van den iien moeten die troepen daar zijn 
gekomen. Denkelijk zijn daar ook geweest het reeds vroeger 
afgezonden voetvolk van Schot en van Pain et Vin; zeker is 
dit echter niet, daar wij volgens een andere opgave het regi- 
ment van Schot later bij de bezetting van Nijmegen vinden; 
wat de troepen van Montbas aangaat, hiervan was het voetvolk 
— de regimenten Aylva en Van Gent — op Nijmegen terug- 
getrokken; van de ruiterij is dit minder zeker. Van Weideren, 
het belang inziende der verdediging van den Rijn, zond op den 
i2cn Juni het regiment van Aylva weer naar het tolhuis; voordat 
het echter dit punt bereikte, was de rivierovertocht door den 
vijand reeds verricht. Sijpesteyn en De Bordes beweren echter, 
dat het regiment van Aylva, toen de rivierovertocht plaats had^ 
reeds bij het tolhuis stond, en daar heeft gestreden, en ook de 
eenige infanterie is geweest die daar gestreden heeft; zij erken- 
nen echter, dat eerst den i2en Juni het regiment van Aylva van 
Nijmegen naar het tolhuis werd afgezonden. 

Als het waarschijnlijkste nemen wij aan, dat, toen het Fransche 
leger bij het tolhuis den Rijn overging, daar geen andere troepen 
waren dan de ruiterij van Haersolte en van Van der I^k, en 
het voetvolk van Schot en Pain et Vin ; alles te zamen geen 2000 
man. Het geschut was door Montbas teruggezonden, op drie kleine 
veldstukken na, die bij het tolhuis bleven ; verschansingen waren 
er, 's avonds van den iien, niet; en indien Wirtz er, na zijn komst, 
heeft laten opwerpen, kunnen zij niet veel te beduiden hebben 
gehad. 

In den vroegen ochtend van den 1 2cn Juni openen de Fransche 
batterijen haar vuur op de vijandelijke troepen op den anderen 
oever; en daar de Rijn hier slechts een geweerschots breedte 
heeft, is de uitwerking van dat vuur niet gering. Onder bescher- 
ming daarvan zal de ruiterij de waadbare plaats doortrekken, en 
Gaiche den tocht beginnen aan het hoofd van 2000 ruiters ; 
eenige schuiten zijn gereed om Condé en andere bevelhebbers 
over te brengen, en de koning zelf verschijnt op den oevft-, om 
door zijn tegenwoordigheid de zijnen aan te moedigen. Guiche, 
zich door eenige ruiters doende voorafgaan, gaat met een regi- 
ment kurassiers de rivier in; aanvankelijk geschiedt dit met 
kleine gedeelten, die, niet gesloten blijvende, door de kracht 
van den stroom worden weggedreven, zoodat verscheidene ruiters 
daardoor verdrinken. Slechts gedeeltelijk bereiken de kurassiers 
den anderen oever; en Wirtz, die in den beginne met zijne rui- 
terij achter het geboomte was gebleven, komt nu te voorschijn 
en drijft den vijand eenigszins terug. Een Fransch officier, Lan- 
gallerie, herzamelt echter de kurassiers in de rivier, op een loa 
pas van den oever, en weldra heeft hij een eskadron bijeen. 
Wirtz, van zijne zijde, plaatst zich met zijn ruiters op den oever, 



Digitized by 



Google 



Io8 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

en begint een onbeduidend vuurgevecht. Al meer en meer 
Fransche ruiterij komt zich bij Langallerie aansluiten, en deze 
rukt eindelijk ten aanval vooruit. Wirtz had aan zijne overige 
eskadrons gelast om zich aan te sluiten bij het voorste^ waarmede 
hij den Franschen het hoofd bood ; dit bevel werd echter niet nage- 
komen, denkelijk omdat het geschutvuur van den vijand de Hol- 
landsche ruiterij terughield ; het gevolg hiervan is, dat de zwakke 
ruiterafdeeling van Wirtz, door den vijand overvleugeld, overhoop 
wordt geworpen, en met de overij^e ruiterij op de vlucht gaat. 
De overtocht wordt nu door de Franschen ongehinderd voort- 
gezet, de eskadrons gaan nu meer gesloten de rivier door en 
vermijden daardoor de vroegere verliezen, de Maison du Roi 
volgt de kurassiers, en het moet een treffend gezicht zijn ge- 
weest, toen men die uitgelezen ruiterbende, met hare wapenrus- 
tingen schitterende van goud en zilver, den breeden stroom zag 
doorklieven. Guiche schaart de eskadrons in slagorde, naar ge- 
lang zij op den anderen oever komen. Weldra zijn 6000 ruiters 
daar vereenigd; en Condé, die met een schuit is overgezet, 
neemt nu het bevel op zich. 

De HoUandsche infanterie, bij het tolhuis op een afstand van 
het overgangspunt staande en door de vlucht der ruiterij zonder 
ondersteuning gebleven, was nu in den gevaarlijksten toestand; 
het tolhuis was niet van dien aard om dddr een verdediging te 
voeren, waartoe niets was voorbereid; en, om in geslotene massa 
terug te trekken en zóó de aanvallen af te slaan van de vijan- 
delijke ruiterij — zooals twintig jaar later de infanterie van Wil- 
lem III dit bij Fieurus deed — , hiertoe was die infanterie in 
1672 te slecht samengesteld. Toen dan ook Condé in persoon 
de Hollanders naderde en hen met gebiedende stem toeriep de 
wapens neer te leggen, schijnt de onverschrokkenheid van den 
Franschen aanvoerder zooveel indruk te hebben gemaakt, dat 
men op het punt was om aan zijn bevel te voldoen; maar een 
toeval verhinderde dit. Verhit door den wijn, rende de jonge 
hertof De Longueville, een neef van Condé, de HoUandsche 
infanterie te gemoet, pistoolschoten op haar lossende; deze be- 
sloot toen het leven duur te verkoopen; en, haar vuur op den 
vijand openende, deed zij Longueville en een aantal Franschen 
dood ter aarde storten. Condé zelf werd door een Hollandsch 
officier — de Fransche schrijvers noemen hem Ossembroek of 
Hassenbroek — aangevallen en door een pistoolschot gewond. 
Lang duurt echter de wederstand van de HoUandsche infanterie 
niet; de overmachtige vijandelijke ruiterij omringt en doorbreekt 
haar aan alle zijden, en wat niet gedood wordt valt in handen 
des vijands. De toren bij het tolhuis wordt verlaten door de 
kleine bezetting, die de wijk neemt naar Schenkenschans. De 
Fransche ruiterij, hare voordeelen voortzettende, ontmoet op 



Digitized by 



Google 



EERSTE KRIJGSVERRICHTINGEN. IO9 

den weg naar Nijmegen het regiment van Aylva; die infanterie, 
afgemat door nutteloos heen en weer inarcheeren, is buiten 
staat den vijand het hoofd te bieden ; zij wil terugtrekken, maar, 
tot tegenover Nijmegen door de Fransche ruiterij vervolgd, wordt 
Aylva's regiment geheel uiteengeslagen^ en het grootste gedeelte 
daarvan gedood of gevangen genomen. 

Ziedaar den vermaarden overtocht van den Rijn, zooals wij dien 
hebben trachten op te maken uit de verwarde en tegenstrijdige 
verhalen van de verschillende schrijvers; wij zeggen niet^ dat 
onze voorstelling van die gebeurtenis waarheid is, maar zij 
komt ons de geloofwaardigste voor. Omtrent de verliezen 
zijn de opgaven zeer uiteenloopend, zooals dit trouwens bij 
de meeste gevechten en veldslagen het geval is. De Franschen 
begrooten hunne verliezen op een 300 man; omtrent die van 
Wirtz ziJQ onze schrijvers niet duidelijk; een hunner zegt, dat 
er ruim 300 man zijn gesneuveld en een groot aantal gevangen 
genomen; daar de HoUandsche infanterie grootendeels verloren 
is gegaan, de verliezen van de ruiterij daarentegen niet groot kunnen 
geweest zijn, zoo zal men niet ver van de waarheid zijn, als men 
de verliezen van de Hollanders op 1500 man stelt of daaromtrent. 
Overdreven is de opgave van Beaurain, die deze verliezen op bi} 
de 3000 man begroot; nog meer overdreven de opgave van 
De Quincy, die alleen de gevangenen op 4000 man schat. 

Sedert lang heeft men recht gedaan aan de snorkerijen der 
vleiers van Lodewijk XIV, welke dien overtocht van den Rijn 
geroemd hebben als een buitengewoon oorlogsfeit, zooals de ge- 
schiedenis er mogelijk geen tweede oplevert ; zelfs Voltaire heeft 
reeds het ongegronde dier bewering doen zien, en het valsche 
van de voorstelling die de Fransche schrijvers van deze gebeur- 
tenis hebben gegeven. Men is het thans daarover eens, dat de 
overtocht van den Rijn een schitterende krijgsverrichting zou 
geweest zijn, ware die overtocht betwist door een ge- 
noegzaam sterken vijand, maar dat, zooals de zaken zich 
hebben toegedragen, het ontwerp tot den overtocht stout kon 
genoemd worden, maar de overtocht zelve niets bijzonders 
gehad heeft, niet in het minste te vergelijken is met den be- 
roemden overtocht van de Lech, door Gustaaf Adolf. Want, 
nemen wij de zaken zooals zij geweest zijn: een sterk leger, 
bestaande uit uitmuntende troepen, komt aan een rivier die wel 
is waar breed doch ook zeer ondiep is, en slechts een smal 
gedeelte heeft waar ruiterij zwemmende door moet; de waad- 
bare plaatsen zijn dat leger bekend; er is reeds een begin van 
een schipbrug; batterijen zijn opgeworpen, die den tegenover- 
liggenden oever bestrijken; op dien oever bevindt zich een 
zwakke vijandelijke afdeeling, hoogstens 2000 man, onver- 



Digitized by 



Google 



IIO KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

schanst, zonder geschut, — want de drie veldstukken bij het 
tolhuis konden niet medewerken tot bestrijking van de waadbare 
plaats waardoor de Fransche ruiterij ging; ook de Hollandsche 
infanterie kan men niet medetellen, daar deze zonder nut bij 
het tolhuis blijft; het wed wordt alleen verdedigd door de rui- 
terij, en die verdediging is flauw; Wirtz moge persoonlijk veel 
dapperheid hebben betoond, zijne ruiters hebben zich zwak ge- 
dragen; die ruiters worden teruggedreven, de Franschen trekken 
ongehinderd den stroom over, en de alleenstaande Hollandsche 
infanterie gaat geheel verloren. Welk onpartijdige zal beweren, 
dat er in dit alles iets is, dat onze bewondering verdient? Het 
gelukken van den overtocht des Rijn 's wordt soms aangehaald 
•om daarmede de onwaarde van een rivier als verdedigingslijn 
te bewijzen; het bewijst alleen de onwaarde van een rivier die 
niet of slecht verdedigd wordt. 

De aanmerking van een der Fransche schrijvers^ dat het 
vreemd is dat Willem III niet oprukte van Arnhem om de over- 
getrokken Fransche macht aan te vallen voordat de schipbrug 
voltooid was, is geheel ongegrond: de krijgsmacht van den 
Stadhouder was slecht samengesteld en niet talrijk; 6000 man 
Fransche ruiterij waren reeds op den linkeroever van den Rijn, 
en eer het Hollandsche leger, van Arnhem komende, het 
overgangspunt bereikte, kon de brug over die rivier reeds vol- 
tooid zijn, en dit leger dus zijn wissen ondergang te gemoet 
gaan. 

Volgens de opgaven van de Hollandsche schrijvers moet nog 
-den 1 2en de schipbrug over den Rijn voltooid zijn geworden ; 
zooveel is zeker dat reeds den i3cn het geheele leger van Condé 
op den linkeroever stond. Die bevelhebber, gewond zijnde, werd 
door Turenne vervangen; en, naar de meening van sommige 
-schrijvers, is die verwisseling niet zonder invloed geweest op de 
krijgsverrichtingen. Men wil tenminste dat Condé voornemens 
was met een sterk ruiterkorps ijlings in Holland door te dringen, 
om zich meester te maken van Amsterdam, maar dat de meer 
bedachtzame Turenne die onderneming te gevaarlijk oordeelde- 
Wanneer wij echter lezen dat Condé voor dien tocht 20000 
ruiters wilde nemen, ieder met een infanterist achter zich op het 
paard, dan moeten wij erkennen dat wij zeer weinig geloof 
hieraan hechten : dergelijke buitengewone handelingen, dergelijke 
geforceerde marschen waren niet in den geest van dien tijd. 
Dat geheele voornemen van Condé heeft dan ook, onzes inziens, 
het kenmerk van de gewone voorstellingswijze der Fransche 
«chrijvers, die, als eene onderneming van hunne landgenooten 
mislukt, er altijd op uit zijn om dit toe te schrijven aan een 
toevallige omstandigheid. Wij gelooven zelfs, dat Condé's ver- 



Digitized by 



Google 



EERSTE KRIJGSVERRICHTINGEN. III 

vanging door Turenne in zoover voor den vijand voordeelig is 
geweest, dat laatstgenoemde bevelhebber door zijne vroegere 
veldtochten onder Frederik Hendrik meer bekend was met de 
gesteldheid van ons land. 

Turenne wilde zich uitbreiden naar de zijde van Arnhem en 
beneden die stad den Rijn overgaan, om het leger van Willem III, 
wanneer dit bleef stand houden aan den IJsel, af te snijden van 
Holland ; gelijktijdig trok het hoofdleger, waarbij de Koning zich 
weer had gevoegd, naar de zijde van Doesburg. Den i3cnkwam 
Guiche met 1500 ruiters te Huissen, en, den marsch voortzettende, 
bereikte hij nog 's nachts den weg van Nijmegen op Arnhem. De 
tijding hiervan bewoog Willem III om zijne stelling bij Arnhem 
te verlaten, en op den i4cn den marsch te aanvaarden op Utrecht, 
waar het HoUandsche leger in den avond van den isen aankwam, 
cene marschsnelheid, voor de legers van dien tijd vrij groot. Bij 
dien terugtocht werd de achterhoede van het HoUandsche leger 
nog eenigszins verontrust door eene kleine afdeeling Fransche rui- 
terij, die, beneden Arnhem, den ondiepen Rijn was doorgezwommen. 

Het HoUandsche leger was aanmerkelijk verzwakt door het 
achterlaten van bezettingen in verschillende vestingen: twee 
regimenten voetvolk werden gezonden naar Zwolle, twee naar 
Deventer, een naar Zutfen, een naar Doesburg, twee werden in 
Arnhem gelaten, twee andere waren reeds vroeger naar Nijmegen 
gezonden. Er wordt gezegd, dat de overblijvende macht van 
Willem III nu nog 7 regimenten voetvolk en 14 regimenten rui- 
terij uitmaakte, eene opgave die, wat het voetvolk aangaat, over- 
eenkomt met de vroegere, maar ten aanzien der ruiterij een 
verschil geeft van 5 regimenten. De sterkte van dit leger wordt 
door de Fransche schrijvers op 13000 man begroot; een onzer 
schrijvers vermindert die tot 8000. Wij gelooven dat het laatste 
getal het dichtst bij de waarheid zal komen, want de sterkte 
van elk regiment voetvolk zal niet meer dan een 7 a 800 man 
lijn geweest; — wij lezen immers, dat de regimenten die in 
Arnhem als bezetting bleven, ieder slechts 8 compagnieën telden ; 
daar nu de gewone sterkte van de compagnie 70 man was, tel- 
den die regimenten nog slechts bij de 600 man; — en de 
sterkte van elk regiment ruiterij kon zeker op niet hooger ge- 
steld worden dan op 2 a 300 paarden, daar die regimenten zóó 
zwak waren dat zij, bij de Fransche schrijvers, eskadrons worden 
genoemd. — Het zware geschut, 15 vuurmonden volgens Beaurain, 
werd door den Stadhouder achtergelaten in de vestingen aan 
den IJsel. 

Te Utrecht gekomen, vond het HoUandsche leger de poorten dier 
stad voor zich gesloten. Er hadden onderhandelingen plaats tusschen 



Digitized by 



Google 



TI2 ICRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

den Stadhouder en de regeering van Utrecht, waarbij de laatste 
eindelijk aanbood, de stad te verdedigen tegen de Fransche 
legers, wanneer de troepen van Willem III wilden deelnemen 
aan die verdediging, en waarbij de Stadhouder den bijstand van 
die troepen toezegde, mits men vier voorsteden afbrandde die 
de verdediging belemmerden ; — die voorwaarde vond de Utrecht- 
sche regeering echter niet aannemelijk, en, ten gevolge van hare 
weigering om daarin te treden, werd de verdediging van de 
stad Utrecht opgegeven. 

Het heeft al den schijn, alsof men aan weerszijden bij deze 
onderhandeling niet te goeder trouw is geweest; en alsof noch 
de gewestelijke regeering, noch de Stadhouder ernstig de ver- 
dediging der stad hebben gewild: die regeering was, door den 
spoedigen voortgang der Fransche wapenen, door de verwarring 
en vrees hierdoor ontstaan, en door de oproerige gezindheid 
van een deel der bevolking, geheel verbijsterd en verschrikt, en 
verwachtte dus niets goeds van eene verdediging; en de Stadhouder, 
wiens leger reeds zoozeer verkleind was door het bezetten der 
steden aan den IJsel, wilde het ongaarne verder smaldeelen, door 
het weder achterlaten van een gedeelte zijner macht binnen 
Utrecht. Er kwam dan ook een bevel in van de Staten- Generaal, 
om het leger uit Utrecht te doen terugtrekken, en het uitsluitend 
aan te wenden voor de verdediging van Holland. Ingevolge 
hiervan brak het leger den iScq uit den omtrek van Utrecht op 
en verdeelde zich over de voornaamste toegangen tot de pro- 
vincie Holland. 

Ziedaar wat men het eerste tijdvak van dezen veldtocht kan 
noemen. Wij zullen, alvorens verder te gaan, enkele aanmerkin- 
gen maken op de handelingen der beide partijen. 

De veldtocht, de opmarsch der Fransche legers begint in de 
eerste helft der maand Mei. Een maand later heeft het Fransche 
leger reeds verscheiden vestingen bemachtigd, is de groote 
rivieren overgetrokken, en doorgedrongen tot in het hart van 
de Republiek der Vereenigde Nederlanden; op het einde van 
Juni moet Willem III zich bepalen tot het verdedigen van de 
toegangen naar Holland, en staat de vijand, om zoo te zeggen, 
voor de poorten van Amsterdam. Zulk een uitkomst is, opper- 
vlakkig beschouwd, buitengewoon; — dit buitengewone houdt 
echter op, wanneer men de zaak van meer nabij gadeslaat. 

Een leger van over de honderdduizend man, uitgelezen troe- 
pen, volledig uitgerust en voorzien van alles wat noodig is tot 
het oorlog voeren, aangevoerd door de eerste veldheeren van 
hun tijd, valt een kleinen staat aan, die nog geen twintig duizend 
man heeft te velde gebracht, ellendige troepen, zonder oefening, 
zonder krijgsgeest, zonder goede aanvoerders, en aan hun hoofd 



Digitized by 



Google 



EERSTE KRIJGS VERRICHTINGEN. 1 13 

een jongeliog hebbende, in wien men nog geen vertrouwen stelt, 
wien men nog geen gezag verleent; die aanval heeft plaats in 
het midden van den zomer — het gunstigste jaargetijde — ; de 
aanvaller is bekend met het oorlogstooneel waar zijn macht ver- 
schijnt; hij heeft tallooze verstandhoudingen met de bevolking 
van den aangevallen Staat, door menigvuldige omkoopingen 
ondersteunt hij het geweld zijner wapenen; de bevolking van 
het land dat hij doortrekt, legt hem niet de minste hinderpalen 
in den weg ; de landstreek levert hem geen andere bezwaren op, 
dan het overtrekken van rivieren die door langdurige droogte 
overal doorwaadbaar zijn, en het vermeesteren van vestingen, 
wier toestand — ellendig wat versterking, uitrusting, wapening 
en bezetting aangaat — bijna de lafhartigheid verontschuldigt 
waarmede zij werden overgegeven; — wanneer men al die 
omstandigheden in aanmerking neemt, dan komt men tot het 
besluit: dat de handeling des aanvallers in niet veel meer dan 
in een militairen marsch moest bestaan, en dat er niets verwon- 
derlijks is in den spoed waarmede het Fransche leger een aan- 
merkelijk gedeelte van de Republiek aan zich onderwierp. 

Er is in dit alles maar ééne handeling, die afsteekt bij den 
gewonen methodieken gang van de oorlogen dier eeuw; dit is het 
voorbijtrekken van Maastricht zonder die vesting te belegeren. 
Naar de sterkte van de wederzijdsche partijen, was er in die 
handeling niets gevaarlijks; bij een oorlog in onze eeuw zou 
men altijd zóó te werk gaan; maar in de zeventiende eeuw was 
het iets buitengewoons en verdient dus geprezen te worden. 

Maar, op die ééne uitzondering na, blijft men getrouw aan de 
gewone wijze van oorlogvoeren van dien tijd; men laat zich 
ophouden door de ellendige vestingen aan den Rijn, en sommige 
Fransche schrijvers vinden het reeds een groote stoutheid, dat 
Lodewijk vier van die vestingen gelijktijdig durfde bele- 
geren!... Een derde, een vierde gedeelte van zijne macht ware 
hiertoe ruim voldoende geweest» en het overige had onverwijld 
verder moeten doordringen in Holland. Het is waar, de belege- 
ring van die vestingen heeft nu aan de Franschen geen nadeel 
veroorzaakt, omdat de wederstand zoo kort was; maar onder- 
stel — wat toch niet onmogelijk was — dat die wederstand 
eenige weken had geduurd, dan zoude het Fransche leger gedu- 
rende al dien tijd opgehouden zijn, de Republiek had eenige 
weken meer tijd gehad om zich in staat van verdediging te 
stellen, en de inval in Holland was mogelijk daardoor verijdeld 
geworden. — Wat den overtocht van den Rijn aangaat, wij 
hebben reeds gezien, dat ook deze niets verwonderlijks heeft; 
en wij zullen later aantoonen, dat na dien overtocht aan de 
Fransche zijde verzuimd werd om partij te trekken van de toen 
bij den vijand bestaande wanorde en weerloosheid. 



WILLEM III. 



Digitized by 



Google 



114 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

Besluiten wij uit dit alles, dat dit gedeelte van den veldtocht 
geen j?elegenheid geeft om buitengewone strategische handelingen 
van Fransche zijde te bewonderen. Hij, die in de spoedige 
onderwerping van een groot gedeelte der Republiek door de 
Fransche wapenen iets verbazends ziet, laat zich door den schijn 
bedriegen en heeft niet nagedacht over de oorzaken dier ge- 
beurtenis; want, had hij dit gedaan, dan zou hij de overtuiging 
hebben verkregen, dat die spoedige onderwerping het noodwen- 
dige gevolg was van den bestaanden stand van zaken, en dat 
men zich alleen zou moeten verwonderen, indien het anders ware 
toegegaan. 

De verdediging was ellendig slecht. Dit sproot voort uit den 
gebrekkigen toestand der krijgsmacht en der vestingen, uit de 
onkunde in oorlogszaken bij de regeering der Republiek en uit 
het gemis aan eenheid in het opperbevel ; — want het gezag van 
Willem III was toen nog te beperkt, de zedelijke invloed dien hij 
oefende te onbeduidend, om in hem een opperbevelhebber te 
doen zien, — De hoofdmisslag bij de verdediging was, het nut- 
teloos verdeelen van de krijgsmacht der Republiek over een groot 
aantal vestingen, waarmede men zich ten onrechte verbeeldde, de 
vijandelijke legers te kunnen tegenhouden. 

In 1672 was die misslag echter veel minder groot dan zij het 
in onze dagen zou zijn : Men moet de krijgsbeginselen van ónzen 
tijd niet toepassen op de oorlogen van de 17' eeuw. 

In 1672, toen de wijze van oorlogen nog zoo geheel anders 
was, had men veel meer redenen om er op te vertrouwen, 
dat men door tal van vestingen een vijandelijk leger zou tegen- 
houden dan in onze dagen; en indien dat vertrouwen geheel 
ijdel is gebleken, dan is dit gedeeltelijk toe te schrijven aan de 
lafheid der verdedigers van die vestingen. Hoe groote voorstan- 
ders wij ook zijn van alles wat onzen volksroem betreft, zoo 
moeten wij echter de waarheid hulde doen, en erkennen, dat 
het begin van den veldtocht van 1672 in geenen deele eervol 
is geweest voor de HoUandsche wapenen. De belegeringen van 
dat tijdvak zijn een oneer geweest voor ons leger; men merkt 
daarbij niets anders op dan zwakheid, lafheid en verraad. Wij 
lezen wel bij sommige schrijvers, dat enkele bevelhebbers van 
vestingen aanvankelijk geestkracht betoonden, en hiervan blijken 
gaven door persoonlijke dapperheid ; — maar hoe spoedig houdt 
dit op! en wat beduidt een geestkracht, die niet voortdurend 
door daden wordt gestaafd, en dra geheel weersproken door de 
schandelijke overgave van de toevertrouwde vesting ! Want erken- 
nende dat de vestingen, toenmaals gevallen, niet geschikt waren 
voor een langdurige verdediging, dan neemt dit nog het 
schandelijke niet weg van een zoo spoedige overgave. Vergeefs 



Digitized by 



Google 



STAATSOMWENTELING. 1 1 5 

tracht men de bevelhebbers te verschoonen met den onwil en de 
moedeloosheid der bezettingen; juist ddt is hun plicht om dien 
onwil en die moedeloosheid te keer te gaan, en moed en geest- 
drift bij de hunnen op te wekken ; daarvoor zijn zij bevelhebbers. 
Mogelijk kunnen zij niet slagen in die taak; maar niets dwingt 
hen dan nog, om hunne toestemming te geven tot een schande 
lijke overgave; zij kunnen, door een eervollen dood te gemoet 
te gaan, het bewijs geven, dat zij vreemd zijn aan de lafheid 
der hunnen. Toen Beaurepaire in 1792, als bevelhebber van 
Verdun, zag, dat hij, overstemd door de andere leden van den 
raad van verdediging, de overgave der stad niet langer kon 
verhinderen, greep hij, geen deel willende nemen aan wat hij 
een lafheid noemde, een pistool en doorschoot zich; — die 
roem volle zelfmoord van den Franschman steekt zeer af bij het 
zwak gedrag der HoUandsche bevelhebbers in 1672. 



De groote voorspoed der Fransche wapenen bij den aanvang 
van den veldtocht van 1672, kon niet opgewogen worden door 
de overwinning bij Solebay, gelijktijdig (7 Juni) behaald. Al deed 
De Ruyter de vlag der Republiek op de Noordzee eerbiedigen, 
en de vloten van Engeland en Frankrijk afdeinzen, toch schenen 
de Vereenigde Nederlanden een wissen ondergang nabij. Die 
meening was algemeen in Holland; vrees en wanhoop waren in 
aller gemoederen; niemand zag mogelijkheid om dat geduchte 
leger tegen te houden, dat de grensvestingen had doen vallen, 
de rivieren was overgegaan, doordrong tot in het hart des lands, 
en waarvan de voorste ruiters zich nu reeds te Muiden hadden 
vertoond; zelfs de man die tot nu toe de steun en vraagbaak 
voor allen was geweest, De Witt, ontzet door den gcduchten en 
plotselingen tegenspoed die den Staat had getroffen, zag geen 
middel ter verdediging meer, en wist geen anderen raad te geven, 
dan om zich zoo spoedig mogelijk met den vijand te verdragen. 
Vrede! was dan ook de algemeene kreet der Regenten; al was 
het, dat zij zich niet konden ontveinzen, dat die vrede weinig 
anders kon zijn dan de onderwerping van onzen Staat aan zijne 
vijanden, dan de geheele ondergang der Republiek. 

Maar, indien de Regenten vrede wilden omdat zij geen mid- 
del zagen tot voortzetting des oorlogs, het volk, waarbij de her- 
innering aan de worsteling tegen Spanje*s reuzenmacht nog niet 
was uitgedoofd, wilde niet, zoo zonder zwaardslag, zijne onaf- 
hankelijkheid prijsgeven; en Oranje, in wiens heldenziel de over- 
tuiging bestond dat er nog mogelijkheid was om Frankrijk te 
weerstaan, wilde van geen vrede weten. De scherpziende en be 
kwame jonge vorst ontdekte spoedig welk een partij hij kon trek- 
ken uit de nadeelen die den Staat hadden getroffen, en uit den 



Digitized by 



Google 



Il6 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

misslag zijner tegenstanders om onderhandelingen te beginnen 
met Frankrijk en Engeland. De Oranjepartij schreef die nadeelen 
toe aan verraad; met denzelfden naam bestempelde zij de 
onderhandelingen, enkel gevolgen van vrees; de aanhangers van 
Willem III wisten overal het volk in beweging te brengen, en 
eené geheele omkeering van raken te bewerken; de hoofden 
der Statenpartij vielen door de woede van het opgeruide volk, 
vluchtten in ballingschap, of verdwenen in de vergetelheid van 
het ambtelooze leven; en weldra was aan den Stadhouder eene 
macht opgedragen, grooter dan zijn voorgangers die immer had- 
den bezeten. 

Wij schrijven hier geen geschiedenis, — enkel beschouwingen 
daarover; — wij behoeven dus de staatsomwenteling van 1672 
niet te schetsen, wij behoeven, Goddank! den moord der De 
Witten niet te verhalen, een feit, nog minder schandelijk op 
zich zelf, dan schandelijk door de straffeloosheid en de beloo- 
ningen, die het deel waren van de moordenaars! Willem III is 
zedelijk medeplichtig geweest aan die misdaad; maar, kan hem 
dit met recht worden ten laste gelegd, ontwijfelbaar daarentegen 
is het, dat alleen zijne geestkracht den veegen Staat behield, 
toen iedereen diens ondergang nabij waande; aan hem komt 
zonder wederspraak de roem toe, de Republiek te hebben 
gered van het Fransche juk; en al had de Oranjevorst in zijn 
levensloop geen andere uitstekende daad aan te wijzen dan deze, 
zoo zou deze alleen genoegzaam zijn om hem rechtmatige aan- 
spraak te geven op de dankbare vereering van het nageslacht. 

Na de ontruiming van Utrecht moest er allereerst gezorgd 
worden om het zegevierende vijandelijke leger tegen te houden, 
en de toegangen tot Holland daarvoor af te sluiten. Klein en 
slecht samengesteld als het leger des Stadhouders was, zou dit 
volstrekt niet berekend zijn geweest voor die taak, ware het niet 
begunstigd geworden door het groot verdedigingsvermogen van 
den grond dien het bezette. 



In het werk van Sijpesteyn en De Bordes vindt men eene uit- 
voerige en grondige beschrijving van de verdedigingslijn die in 
1672 Willem III diende om Holland te vrijwaren voor den 
vijand; wij verwijzen naar dien meesterlijken arbeid: wij zullen 
dien hier niet afschrijven; wij willen noodelooze uitvoerigheid 
vermijden, en daarom ons bepalen tot zeer algemeene aandui- 
dingen aangaande die Hollandsche waterlinie van 1672. 

Het oostelijk gedeelte van de provincie Holland, tusschen de 
Zuiderzee en de Lek, van Naarden en Muiden tot aan Schoon- 
hoven, een afstand van ongeveer 10 a 12 uren gaans, bestaat 
uit laag gelegen weiland, afdalend van de Lek naar de Zuider- 



Digitized by 



Google 



DE HOLLANDSCHE WATERLINIE. II7 

zee, en vormt verschillende polders, die door kleine ringdijken 
omgeven, en door rivieren, kanalen en een overgroot aantal 
soms zeer diepe slooten doorsneden zijn. Door het afdam- 
men van rivieren, het dichthouden van sommige sluizen, het 
openen van andere, doet men het water oploopen, dat zich 
weldra over het laag gelegen land verspreidt, door duikers en 
kleine sluizen geleid, den eenen polder na den anderen bedekt, 
en in weinige dagen de geheele landstreek in een onoverzien- 
bare waterplas verandert, slechts hier en daar doorsneden met 
dijken waarover de wegen loopen. Eenmaal in dien toestand, 
kan de geheele oostelijke grens van Holland als onaanvalbaar 
worden beschouwd. Het is waar, bij sommige polders bereikt 
het water slechts een geringe hoogte; maar die geringe water- 
hoogte, die over een vasten gelijken grond uitgespreid geen vijand 
het doorwaden zou verhinderen, is een onoverkomelijk beletsel, 
wanneer zij, zooals op Holland's oostelijke grens, een grond be- 
dekt die spoedig drassig wordt, en overal doorsneden is door 
diepe slooten, die niet te doorwaden zijn ; zelfs is die mindere 
waterhoogte een voordeel, omdat zij het den aanvaller onmogelijk 
maakt om door middel van schuiten of vlotten den overtocht 
te beproeven. De wegen en dijken, welke door de onderwater- 
zetting loopen, verheffen zich slechts zeer weinig daarboven, 
sluiten onmiddellijk daaraan, en hebben zulk een geringe breedte, 
dat zij met het meeste gemak te verdedigen zijn: een aarden 
veldwerk, met eenige stukken geschut die den dijk in de lengte 
bestrijken, dit was in dien tijd voldoende om den stoutsten aan- 
valler tegen te houden. 

De landstreek tusschen de Lek en de Merwede kon evenzoo 
afgesloten worden door eene onderwaterzetting, die bij Gorkum 
aan Noord-Braband sloot; — voor die laatste inundatie dient 
voornamelijk het opstoppen van de Linge, terwijl voor het vor- 
men der inundatiën ten noorden van de Lek, de rivieren de 
IJsel, de Rijn en de Vecht kunnen gebezigd worden. 

De lijn van onderwaterzettingen van 1672, die bijna altijd de 
grensscheiding van Holland bleef volgen en die gewoonlijk be- 
kend is onder den naam van oude HoUandsche water- 
linie, was minder uitgebreid dan de tegenwoordige HoUandsche 
waterlinie, die ook de stad Utrecht omvat; de toen bestaande 
afzondering van de verschillende provinciën verklaart het aan- 
nemen van die oude verdedigingslijn, al is het dat zij minder voor- 
deelen in zich vereenigt dan de thans aangenomene. — Die water- 
linie van 1672 kon men splitsen in een vijftal deelen of kommen. 

Zuidelijk, tusschen de Merwede en de Lek, werd eene eerste 
kom gevormd door de onderwaterzetting, die aan de eene zijde 
aan de vesting Gorkum sloot, en aan de andere zijde zich uit- 
breidde langs den Diefdijk tot aan de Lek. Het ophouden van 



Digitized by 



Google 



Il8 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

de Linge bracht hier de onderwaterzetting te weeg; en de zuide- 
lijke Lekdijk, de beide dijken langs de Linge en de noordelijke 
Waaldijk, waren de toegangen die bezet moesten worden. Het 
doordringen van den vijand door de onderwaterzettingen van 
deze kom — een breedte van ongeveer 4 uren gaans hebbende — 
zou echter geen beslissend nadeel wezen, dewijl de Fransche 
legers dan nog altijd zouden stuiten op de Lek en de Merwede, 
die, ten noorden en ten zuiden, de Alblasserwaard omgeven. 

Eene volgende kom, tusschen de Lek en den IJsel, werd uit- 
gemaakt door de inundatiën die zich van Schoonhoven tot tegen- 
over Oudewater en Gouda — een afstand van een paar uur 
gaans — konden uitbreiden, en die ontstonden door bij Schoon- 
hoven het water van de Lek in te laten. De voornaamste toe- 
gangen bij deze kom waren: de noordelijke Lekdijk, de Ben- 
schopper dijk, van IJselstein naar Polsbroek voerende, en de 
zuidelijke IJseldijk. Het doordringen van den vijand zou hier 
gevaarlijker zijn dan bij de eerste kom, omdat hij dan alleen 
door de smalle IJselrivier gescheiden zou zijn van de belang- 
rijkste steden van zuidelijk Holland. 

Een derde kom, van bijna gelijke uitgestrektheid als de tweede^ 
werd uitgemaakt door de onderwaterzetting tusschen den IJsel 
en den Ouden Rijn, van Gouda — of beter gezegd, van de 
Goejanverwellesluis — tot aan de Nieuwerbrug, westelijk van 
.Woerden; het openen der IJselsluizen, in en bij Gouda, veroor- 
zaakte hier de onderwaterzetting. De noorder IJseldijk en de 
zuider Rijndijk waren de eenige toegangen bij dit gedeelte, dat 
dus minder aanvalbaar was, maar waar de vijand, doordringende, 
ook dadelijk in Den Haag zou zijn. 

Als een vierde kom kan men beschouwen de onderwaterzet- 
tingen in de landstreek tusschen den Ouden Rijn en de Vecht, 
van de Nieuwerbrug tot bij de Hinderdam, een afstand van bij 
de 6 uren gaans. Hier week de onderwaterzetting van 1672 het 
meest af, niet alleen van de tegenwoordige waterlinie, maar ook 
van wat, in een memorie van 8 September 1802, van den Direk- 
teur- Generaal der fortificatiën van de Bataafsche Republiek (Van 
Hooff), genoemd wordt de Capitale Waterlinie. De linie 
van 1672 was veel meer achteruit: Woerden was daar niet in 
begrepen; in het midden schijnt zij bijna de grensscheiding tus- 
schen Holland en Utrecht te zijn gevolgd, wat daaruit is op te 
maken, dat in November 1672 de dorpen Waverenveen en 
Botshol door de Fransche troepen werden aangevallen, en 
dat aan den Uithoorn en te Abcoude versterkte posten van de 
Hollanders waren ; en aan de Vecht schijnt die linie niet gesloten 
te hebben bij Nieuwersluis, maar eerst veel lager bij Nichtevecht, 
wat ook daaruit is op te maken, dat het slot Kroonenburg, op 
den linkeroever van de Vecht beneden Nieuwersluis gelegen, 



Digitized by 



Google 



DE HOLLANDSCHE WATERLINIE. II9 

door den vijand is vermeesterd en vernield. Het schijnt dat het 
opgehoudene water van de Vecht, Amstel en Ouden Rijn de 
inundatie over dit laag en zeer doorsneden terrein heeft ver- 
oorzaakt, en dat de voornaamste toegangen waren de linker 
Vechtdijk en de noordelijke Rijndijk, terwijl de verdere, tusschen- 
liggende wegen van weinig of geen belang waren en uitkwamen 
op de moerassige streek zuidoostelijk van de Haarlemmermeer, 
of op de inundatiën nabij Amsterdam. 

Als een vijfde en laatste gedeelte der inundatie-lijn kan men 
beschouwen de landstreek van omstreeks een uur lengte, die 
zich van Hinderdam tot aan de Zuiderzee bij Muiden uitstrekt. 
Dit gedeelte werd beschermd door de Vecht en de door die 
rivier veroorzaakte onderwaterzetting. De voornaamste toegangen 
— die alle evenwel nog uitkwamen op de Vecht — waren: 
de zeedijk van Naarden naar Muiden, de Keversdijk, van Naarden 
naar Uitermeer geleidende, en de Kees-Jan-Tonis-kade, die van 
de zijde van 's Graveland bij den Hinderdam uitkomt. — Tot 
beveiliging van Amsterdam schijnt de landstreek om die stad 
gedeeltelijk te zijn geïnundeerd; ten minste, in de Tegen- 
woordige staat van Holland vindt men bepaaldelijk aan- 
geteekend, dat in 1672 de Diemermeer en de Bijlmermeer weer 
onder water zijn gesteld. 

Van de landstreek ten oosten van deze waterlinie wordt, in 
eene memorie van 1 73 1 gezegd : dat men tusschen de Vecht en 
de Merwede over het algemeen laag en gebroken weiland 
vindt: en dat men langs de Vecht op den rechteroever zeer 
laag, moerassig veenland heeft en enkele kleine meren. In di& 
memorie wordt gewag gemaakt van eenige hooge gronden: te 
Ter Aa, bij de Vecht, tusschen Linschoten en Montfoort, en in 
de nabijheid van Oudewater; — op de waterlinie van 1672 waren 
die hooge gronden echter zonder invloed, omdat zij geheel bui- 
ten die linie lagen. 

Wat de versterkingsmiddelen betreft, waardoor de toegangen 
van deze onderwaterzettingen werden afgesloten, de steden Gor- 
kum. Nieuwpoort, Schoonhoven, Gouda, Weesp en Muiden 
schijnen bevestigd te zijn geweest. Ten minste, genoegzaam om 
onaanvalbaar te heeten ten opzichte van een vijand die ze, óf 
in het geheel niet, óf slechts over smalle dijken kon naderen . 
In eene van de reeds aangehaalde memoriën wordt gezegd, dat 
in 1673 Muiden en Weesp versterkt zijn geworden; men zal 
hier denkelijk mede meenen dat de reeds bestaande vesting- 
werken dier steden vermeerderd zijn geworden; zoo moeten 
er te Muiden steenen poorten, bruggen en sluizen zijn ge- 
bouwd, en te Weesp het front aan de zuidzijde zijn versterkt. 
Te Hinderdam — wordt in die memorie gezegd — waren twee 
aarden ravelijnen op een eiland in de Vecht gelegen ; die sterkte, 



Digitized by 



Google 



I20 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

de zoogenaamde Overmeersche Schans, beschermde een daar 
aanwezigen dam met sluizen. Bijna alle Fransche schrijvers spre- 
ken van zeesluizen bij Muiden; dit schijnt echtereene vergissing, 
daar bij onze schrijvers gezegd wordt, dat de sluis te Muiden 
eerst in 1673 werd gemaakt, in plaats van den Hinderdam, die 
toen werd opgeruimd. Op een kaart van 16 19 vindt men ook 
geen sluizen te Muiden. Bij de Schans te Uitermeer was daaren- 
tegen in 1637 een sluis in de Vecht gebouwd. Tusschen 
Woerden en Bodegraven was in 1672, bij Wiericken, een oude 
schans; in 1673 werd zij nieuw opgebouwd; in dat laatste jaar 
werd bij Nieuwerbrug een tweede sterreschans aangelegd. 

Het Hollandsche leger was, dadelijk na het verlaten van 
Utrecht, door den Stadhouder verdeeld over de voornaamste 
toegangen tot Holland. Hij zelf nam, met 2 regimenten voet- 
volk en 3 regimenten ruiterij, stelling bij Bodegraven, het meest 
waarschijnlijke aanvalspunt; Maurits van Nassau, met i regiment 
voetvolk en 3 te paard, kwam te Muiden, waar zich reeds eenige 
vijandelijke ruiters hadden vertoond; Gouda en de Goejanver- 
wellesluis werden bezet door Hoome, met i regiment te voet 
en 4 te paard; Schoonhoven door Louvignies, met i regiment 
te voet en 2 te paard; eindelijk Gorkum door Wirtz, met 
2 regimenten voetvolk en 2 regimenten ruiterij. Dat die regi- 
menten zwak waren, dat onder andere de regimenten ruiterij 
daarom eskadrons worden genoemd bij de Fransche schrijvers, 
hebben wij reeds vroeger gezegd; als nader bewijs hiervan kan 
men aanhalen, dat de krijgsmacht, die onder den graaf van 
Hoorne bij Gouda stond, volgens Sylvius in den beginne nog 
geen 1000 man uitmaakte. — Naarden, Woerden en Oudewater 

bleven onbezet. 



Oogenblikkelijk deed Willem III beginnen aan het stellen der 
onderwaterzettingen en aan het versterken der posten. Zooals in 
den aard der zaak ligt, ontmoette dit weinig medewerking en 
zelfs tegenstand van de zijde der landbewoners, die noode hun 
grond door de golven zagen overdekt Op verschillende punten 
werden de maatregelen tot het onderwater zetten van de polders 
slecht uitgevoerd en tegengewerkt; hier en daar gaf het zelfs 
aanleiding tot gewapende wederstreving en tot openlijken op- 
stand; zoo vindt men aangeteekend, dat in Juni 1672, toen het 
Fransche leger reeds te Utrecht was, de boeren uit de omstreken 
van Gouda op die stad aanvielen, om het openhouden der sluizen 
te beletten. Oranje wist echter door krachtige maatregelen dien 
tegenstand te overwinnen en de onderwaterzetting tot stand te 
brengen. Gelijktijdig werden, op alle wegen en toegangen naar 
Holland afsnijdingen gemaakt, batterijen en schansen opgeworpen ; 



Digitized by 



Google 



DE HOLLANDSCHE WATERLINIE. 121 

het eene veldwerk verhief zich na het andere; de vestingwerken der 
steden werden weder in goeden staat gebracht; en op de rivieren 
en vaarten werden oorlogsvaartuigen geplaatst, uitleggers van 
geschut voorzien, om mede te werken tot de verdediging van 
de linie. Zóó werd in weinig tijds aan een geheel opene en 
genaakbare grens eene sterkte gegeven, die den aanval van den 
geduchtsten vijand tartte. 

Terwijl op die wijze aan het talrijke leger van Lodewijk XIV 
een bijna onoverkomelijke slagboom werd gesteld, was Oranje ge- 
lijktijdig bedacht om het leger te versterken, en het te verheffen 
uit den ellendigen toestand waarin het was verzonken. In de 
eerste oogenblikken vulde men het aan met alles wat voor- 
handen was: 66 compagnieën landlieden en vele vrijwillige bur- 
gers werden daar bijgevoegd, en verdeeld op de verschillende 
punten der Hollandsche linie; zekerlijk waren dit manschappen 
zonder oefening, maar zij behoefden ook niet te strijden in het 
open veld, en, zooals Napoleon heeft gezegd, «achter een borst- 
wering is een soldaat goed, zoodra hij maar zijn geweer weet 
af te schieten." Meer kracht ontleende het leger aan de toevoe- 
ging van een aantal matrozen en zeesoldaten, dappere lands- 
kinderen, die, nog warm van den kruitdamp van Solebay, ook 
te land zich zouden onderscheiden door stoute wapenfeiten. 
Later kwamen de regimenten aan, in Duitschland aangeworven; 
ook een groot aantal, door den vijand tegen losgeld ontslagen 
krijgsgevangenen; — maar reeds in een of twee maanden tijds 
had de Stadhouder zijn leger zoozeer versterkt, de verschillende 
deelen zoozeer tot een geheel doen samensmelten, oefening, krijgs- 
tucht, zelfvertrouwen en dapperheid zoozeer tot allen doen door- 
dringen, dat men daarin niets meer herkende van die ordelooze 
krijgsmacht, die, bij den aanvang van den veldtocht, door hare 
zwakheid den vijand de overwinning zoo gemakkelijk maakte. 

Vooral droeg hiertoe bij de onverbiddelijke gestrengheid waar- 
mede Willem III de bevelhebbers deed straffen, die zich aan 
plichtverzuim, lafheid en verraad hadden schuldig gemaakt. De 
geschiedenis heeft de namen dier rampzaligen opgeteekend, en 
vermeld wie hunner tot onteerende kerkerstraffen zijn veroor- 
deeld, wie hunner door de gerichtsbijl het leven verloren. Het 
is zeker hard, op die wijze recht te moeten doen; maar het is 
plicht, het is zelfs de noodzakelijkste plicht in gevaar- 
volle tijden, zooals in 1672, en wij roemen daarom vooral Wil- 
lem III, dat hij dien plicht zoo goed vervulde en dat hij onver- 
biddelijk was ten aanzien van la&ards en verraders. Alleen door 
streng maar rechtvaardig te straffen kan men een heilzamen schrik 
inboezemen, die elk plichtverzuim verhindert; wil men hebben 
dat een leger de krijgsdeugden der Romeinen bezit, dan moet 



Digitized by 



Google 



122 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

men ook straffen als de Romeinen, beloonen als de Romeinen ; — 
maar wanneer men, zooals in de laatste jaren onzer Republiek, 
een officier die bij de verdediging eener vesting zich door 
plichtverzuira heeft gekenmerkt, ongestraft laat en zelfs weder 
een andere vesting aan zijn beleid toevertrouwt, dan moet men 
ook niets verwonderd zijn, wanneer die daad van lafheid zich 
herhaalt, en de tweede vesting verloren gaat evenals de eerste. 
Zeker, daar waar het krijgsbestuur lang slecht is geweest, is de 
zwakheid van een bevelhebber niet te verwonderen, en de be- 
straffing dier zwakheid hard; maar, hoe hard ook, die straf is 
billijk, noodzakelijk en heilzaam voor het algemeen; het dood- 
vonnis van een Pain et Vin is van niet geringen invloed geweest 
op de schitterende dapperheid die de legers van Willem III op 
zoo menig slagveld en bij zoo menige belegering hebben be- 
toond. 

Wij schilderen den Stadhouder hier enkel als legerhoofd; — 
en zeker, men bladere vrij de geschiedenis door, men zal weinig 
legerhoofden vinden die zooveel geestkracht, zooveel beleid be- 
toonden als de jonge Oranjevorst in den zomer van 1672. Maar 
onze bewondering voor hem zou nog oneindig toenemen, wan- 
neer wij hem schetsten als hoofd van den Staat, wanneer wi) 
hem vertoonden, te midden van de krijgszorgen nog bezwaard 
met de veel grootere zorg voor een Staat, waarvan hij het hoofd, 
de eenige steun was geworden; wanneer wij zeiden, hoe hij 
onophoudelijk van stad tot stad reizende, overal wanorde en 
regeeringloosheid wist te doen ophouden en een nieuw bestuur 
in geregelde werking te brengen ; wanneer wij hem in 's lands 
raad zagen, nu het stilzwijgen stakende dat hij gewoonlijk be- 
waarde, en uren lang met mannelijke welsprekendheid aandrin- 
gende op het afbreken van de vredes-onderhandelingen ; wanneer 
wij zeiden, hoe dddr zijn taal de zwakken en vreesachtigen 
nieuwen moed gaf, als hij wees op de hulpmiddelen die het 
vaderland nog overbleven, op de bondgenooten die door zijne 
staatkunde werden aangespoord om in het harnas te komen 
tegen Frankrijk; wanneer wij vermeldden hoe hij, als een echte 
zoon van dat stamhuis waarvan de roem zoo nauw is verbonden 
met den roem van Nederland, de persoonlijke voordeelen die 
de listige vijand hem bij de vredes-onderhandelingen aanbood, 
met verontwaardiging van de hand wees, en zwoer » liever in de 
laatste verschansing vechtende den dood te willen vinden, dan 
een onteerend verdrag te onderschrijven, dat de ondergang van 
Nederland zou zijn!*' Gewis, hij die de geschiedenis van dien tijd 
raadpleegt, kan niet anders dan hooge bewondering gevoelen 
voor den man aan wien toenmaals de redding van het vader- 
land was te danken, en niet te verwonderen is het, wanneer 
Willem III door de oude schrijvers, in de vrome taal van dien 



Digitized by 



Google 



DE HOLLANDSCHE WATERLINIE. I 23 

tijd, 1 de Josua", » de Gideon" genoemd wordt, > die het verdrukte 
Nederland van de Fransche overheersching moest bevrijden," en 
welke staatkundige gevoelens men ook aankleve, hoe weinig 
medegevoel men ook hebbe voor enkele handelingen van Wil- 
lem III, onmogelijk is het, niet getroffen te worden door de 
grootheid, door hem in 1672 ontwikkeld; onmogelijk, niet de 
zielskracht, de bekwaamheid te bewonderen, die hem — den 
jongeling — het zwaard en de beukelaar deden worden van 
onzen veegen Staat. 



Een in het oog loopende tegenstelling met de verrichtingen 
van den Oranjevorst maken de verrichtingen van Frankrijks 
Koning en van zijne legerhoofden; en indien in 1672 Nederland 
niet uit de rij der volkeren is gewischt, dan moet dit voor een 
gedeelte ook toegeschreven worden aan de misslagen zijner 
vijanden. Onder die misslagen zijn er twee overgroote : het voor- 
schrijven van onaannemelijke vredesvoorwaarden aan de Repu- 
bliek, en de traagheid die voor de Fransche wapenen het gun- 
stige oogenblik deed verzuimen om de verovering van de Republiek 
te voltooien. 

Over dien eersten misslag vindt men inlichtingen in de vroeger 
aangehaalde memorie van Lodewijk XIV over den veldtocht 
van 1672. Belangwekkend is het te lezen, wat daarover voorkomt 
in het werk van Rousset (i* deel, blz. 374 — 376): 

» ...Die zaak van Muiden" (het niet in bezit nemen van die 
stad door de Franschen) » was de eindpaal van HoUand's groote 
krijgsrampen, en van de voordeelen door Lodewijk XIV in dezen 
veldtocht behaald. 

Toen hij hoorde dat de Hollanders den 22eii Juni de sluizen 
hadden geopend die hij bijna had bemachtigd, en dat, door 
een krachtvolle handeling, Amsterdam zich omgeven had met 
eene onderwaterzetting, die, ten minste tot den winter, eiken 
nieuwen aanval onmogelijk maakte, — wat moet toen wel zijn 
allereerste zielsaandoening zijn geweest? — Hij heeft ons dit 
niet gezegd; maar wij hebben iets, dat misschien nog meer 
waarde heeft; het is het kalme, onpartijdige, beredeneerde oor- 
deel, dat door iemand, die lief had al wat groot was, na eenig 
tijdsverloop wordt uitgesproken over eene daad die behoort tot 
de grootste daden die in de geschiedenis voorkomen ; het is het 
oordeel van Lodewijk XIV zelf: 

iDe stad Amsterdam was zoo verschrikt en terneergeslagen 
over die nadering van den Markies de Rochefort, dat de raads- 
leden, de magistraat en de voornaamste burgers die op het 
stadhuis vergaderden om te beraadslagen over wat er te doen 
stond in de omstandigheden waarin men verkeerde, besloten zich 



Digitized by 



Google 



124 KRIJGS- EM GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

tot mij te wenden om mijne bescherming te vragen; zelfs was 
de brief, waarin de magistraat mij zijne onderwerping berichtte, 
reeds geschreven, en de stadstrompetter gereed om mij dien te 
brengen en mij vrijgeleide te vragen voor de onderhandelaars 
uit de stad. Toen gebeurde er iets dat eenigszins den moed deed 
herleven van de burgemeesters en van de voornaamste raads- 
leden, en dat de uitvoering van wat men beraamd had deed 
uitstellen. Eenige burgers, die meer geestkracht, verstand en oor- 
deel hadden dan de anderen, stonden op en verweten aan den 
Magistraat zijne zwakheid en panischen schrik; zij deden uit- 
komen, dat een stad als Amsterdam belangrijk en aanzienlijk 
genoeg was om de eer te genieten van opgeëischt te worden tot de 
overgave. Die verstandige vertoogen, te juister tijd te pas gebracht, 
wekten weer eenigszins de geestkracht op bij den Magistraat en 
bij het volk. De afzending van den brief en van de onderhande- 
laars werd uitgesteld en dit was het behoud van de stad; door 
gebrek aan levensmiddelen en door gemis van toebereidselen 
kon ik er toen niet heen trekken; nog minder kon ik dit later 
doen, toen de Staten, een weinig bekomen van hun eersten 
schrik, en overtuigd dat het behoud van het overige des lands 
afhing van het behoud dier hoofdstad, die als het ware de ziel 
is van dat land, — de sluizen lieten openen, hun geheele land 
onder water lieten zetten, en mij dwongen mijne veroveringen 
naar de zijde van Holland te beperken tot Naarden, Utrecht en 
Woerden. Dat besluit om het geheele land onder water te zet- 
ten, was wel wat geweldig; maar wat doet men niet om vreemde 
heerschappij te ontgaan? En ik kan niet nalaten, lof en eer 
te geven aan de geestdrift en de vastberadenheid van hen die 
Amsterdam weerhielden van te onderhandelen {et je ne saurais 
ni'empécher d''estimer et de louer Ie zéle et la fermeté de ceux qut 
rompirent la nègociation d'' Amsterdam)^ al is het dat hun raad, zoo 
heilrijk voor hun vaderland, zeer nadeelig is geweest voor mijn 
eigene belangen." 
Terecht laat Rousset, op die woorden des konings, dit volgen : 
• Bewonderenswaardig en uiterst zeldzaam blijk van onpar- 
tijdigheid! Al de grootheid van Lodewijk's regeering haalt in 
luister niet bij deze openhartige en grootsche verklaring." 

Wat is er eigenlijk van aan, van die aanvankelijke gezindheid 
van Amsterdam, in 1672, om zich te onderwerpen aan den Fran- 
schen Koning? — Onder andere in Folard (4'' deel, blz. 354) 
vindt men daarover het volgende: 

> . . . Lodewijk XIV bemachtigt Naarden, Woerden en Oude- 
water; hij heeft nog maar één stap te doen om Amsterdam te 
bemachtigen, en de vermeestering van die stad zou onfeilbaar 
gevolgd zijn door de vermeestering van Holland. 



Digitized by 



Google 



DE HOLLANDSCHE WATERLINIE. I25 

Die machtige stad, die alleen zooveel gold als een groote 
mogendheid, was op het punt van zich te onderwerpen aan den 
overwinnaar. In eene algemeene vergadering beraadslaagde men 
daarover. >De meesten waren van gevoelen" — zegt de onge- 
noemde schrijver van de yjthtoire de la guerre de Hollande'' — 
> dat het raadzaam was om zich aan den Koning te onderwerpen, 
en poogden de anderen over Ie halen tot hun gevoelen. Maar 
Hasselaer en Hop, de een Stadspensionaris, de ander Hoofd- 
schout {grand Baillif)^ die beiden trouw wilden blijven aan de 
Unie, begonnen dit gevoelen te bestrijden op krachtige wijze. 
Ziende dat zij zulk een sterke partij tegen zich hadden, en dat 
deze ternauwernood naar hen wilde luisteren, openden zij plot- 
seling een venster dat op het plein uitkwam, en dreigden het 
volk te zullen oproepen, als men niet van gevoelen veranderde. 

8 ie bedreiging verschrikte de stoutsten en daar de Prins van 
ranje al zijn best deed om te doen gelooven dat er in alle 
steden verraders waren, besloten zij niet vol te houden om zich 
niet bloot te stellen aan de woede des volks, dat den eersten 
indruk zou opnemen zooals men het dien wilde geven. Zoo waren 
alleen die twee mannen oorzaak, dat de Koning Holland 
niet veroverde; want had Amsterdam zich overgegeven, dan had 
al het andere het voorbeeld gevolgd van die stad, die, alleen, 
machtiger is dan tien andere steden te zamen." » Door die daad," 
zoo besluit Folard, ireddeden twee mannen Holland." 

Bij andere Fransche schrijvers vin de men een soortgelijke 
voorstelling van wat er toen te Amsterdam gebeurd is. Dat die 
voorstelling geheel juist is, — neen, dat nemen wij niet aan, 
maar evenpin nemen wij aan, dat zij geheel onjuist is; er 
zal toen wel iets van dien aard gebeurd zijn. Bij onze schrijvers 
vindt men geen bepaalde opgaven hieromtrent; maar dit zegt 
nog volstrekt niet, dat die opgave, die men bij Folard vindt en 
bij andere Fransche schrijvers, geheel en al een sprookje is: wij 
hadden vroeger dikwijls een merkwaardig talent om de waar- 
heid te verzwijgen als ze ons wat te ongunstig was. 

1 Jammer," zegt Rousset waar hij die hulde vermeldt, later 
door Lodewijk XIV toegezwaaid aan de geestkracht van onze 
voorvaderen, jjamrcer dat zijn geest zich nog niet verheven had 
tot zoo hooge en eerbiedwekkende gemoedskalmte, toen hij zich 
vermat om de Hollanders te behandelen met een i ondragelijke 
hardheid" (zooals de Staten-Generaal zeiden) die door de grootste 
overwinningen niet kon worden gerechtvaardigd..." 

Ook Rousset is van oordeel, dat de vredesvoorwaarden die 
Lodewijk XIV toen aan de Republiek voorschreef, onaannemelijk 
waren; — dit is, gelooven wij, de heerschende meening. Maar, 
terwijl het veelal wordt voorgesteld alsof het harde van die 



Digitized by 



Google 



126 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

vredesvoorwaarden voornamelijk moet worden geweten aan Lou- 
vois, wil de Fransche schrijver dien minister daaromtrent van 
schuld vrijspreken, en die schuld geheel en al doen nederkomen 
op den Koning. 

Ziehier wat Rousset daarover zegt (i* deel, blz. 378 — 379): 
>Hier zouden, naar het schijnt, de vijanden van Louvois eene 
goede gelegenheid hebben om nogmaals te beweren, dat het zijn 
eenig streven was den vrede onmogelijk te maken. Zij zouden 
zich echter hierin vergissen, want, in zijne ongelukkige verblin- 
ding en in zijn ruwe miskenning van de waardigheid van een 
volk, geloofde Louvois te goeder trouw dat de Hollanders ge- 
zind waren om zich geheel te onderwerpen. »Ik hoop" — schreef 
hij den 2en Juli aan Letellier — »dat wij Maandagavond zullen 
weten waaraan wij ons te houden hebben met onze naburen, en 
het zal mij zeer verwonderen als zij niet alles onderteekeney 
wat wij hebben gevraagd." Lodewijk XIV deelde in dat zelf 
vertrouwen ; veertig jaar had hij noodig om Holland's tegenstand 
te begrijpen, en om door een harde rampspoed te leeren, dat er 
v redes voorstellen kunnen zijn waarop koningen en volkeren niet 
anders kunnen antwoorden dan met de opoffering van hun laat- 
sten man en van hun laatsten penning. 

Toen hij de ^^Mémoire sur la campagne de 1672" dicteerde, had 
hij die smartelijke ondervinding nog niet opgedaan. Toch ge- 
voelde hij reeds toen, dat hij een misslag had begaan door de 
vredes voorstellen van de Staten- Generaal af te wijzen. Maar het 
stuitte hem tegen de borst om dit ronduit te erkennen. »De 
vredesvoorstellen die men mij deed" — zeide hij — » waren zeer 
voordeelig; toch heb ik nooit kunnen besluiten om ze aan te 
nemen." Hier begint dan — hoezeer hij zich niet verplicht acht 
om daarvan rekenschap te geven — eene verwarde, verlegene 
uiteenzetting van de redenen die hem belet hebben om ze aan 
te nemen; het is de geheime verwachting van een oorlog met 
Spanje, dat dan de losprijs zal moeten betalen voor Holland ; — 
even alsof de Spaansche Nederlanden nog niet veel wisser zijn 
buit werden door den afstand van grondgebied waarin de Staten- 
Generaal bewilligden. Maar plotseling, alsof hem die onhandige 
verdediging vermoeit en vernedert, breekt hij die in eens af met 
een uitbarsting van trots; hooghartig, welsprekend en jammerlijk 
tevens: »de nakomelingschap mag, als zij wil, geloof slaan aan die 
redenen; of, lust het haar, mijne weigering wijten aan eerzucht, 
en aan mijn verlangen om wraak te nemen over de beleedi- 
gingen mij door de Hollanders aangedaan. Ik zal mij bij haar niet 
verantwoorden. Zucht naar eer en roem zijn altijd te vergeven in 
een koning, en vooral in een koning zooals ik, jong en zoo be- 
gunstigd door het geluk." — Maar die eerzucht werd teleurgesteld, 
de roem verduisterde, en het geluk werd minder volgzaam. 



Digitized by 



Google 



DE HOLLANDSCHE WATERLINIE. I27 

Het schijnt dus dat Lodewijk XIV zijn eigen inzichten volgde, 
toen hij in 1672 met de Republiek alleen vrede wilde sluiten op 
voorwaarden die geheel onaannemelijk waren, die zoo goed waren 
als de ondergang van den Staat, en nog wel een schandelijke 
ondergang. Op den Koning komt dus de schuld neer van die 
overmoedige handeling, die hem zelf en Frankrijk later zoo veel 
kwaad heeft berokkend. De vraag is echter, of Lodewijk XIV 
niet naar rede zou hebben geluisterd, had een minister hem toen 
verstandigen en gematigden raad gegeven. — Zulk een minis- 
ter was Louvois echter niet; integendeel, bij de onbegrensde 
minachting die deze toen koesterde ten aanzien van de Hollan- 
ders, meende hij dat men met hen alles kon doen wat men 
maar wilde, en dat er geen v redes voor waarden waren zóó hard, 
of men kon ze hen doen aannemen. Zulk een minachting ten 
aanzien van een vijand, is een misslag die vaak wrange vruchten 
draagt: Lodewijk XIV ondervond dit in 1672 ten aanzien der 
Hollanders, Napoleon in 1808 ten aanzien der Spanjaarden. 

Zeer terecht ziet Rousset in de woorden, door den Franschen 
Koning hier gebezigd, de uitdrukking van dien grenzenloozen 
hoogmoed die hem kenschetste; hij veracht het oordeel der 
nakomelingschap: »ik zal mij bij haar niet verantwoorden,^' zegt 
hij; — trotscher taal is moeielijk te bedenken. 

Het niet sluiten van den vrede, toen die vrede zoo besliste 
voordeelen zou hebben opgeleverd, is in 1672 aan de Fransche 
zijde, een eerste groote misslag geweest; een tweede groote 
misslag was het te traa^ voortzetten van de krijgsverrichtingen, 
waardoor men het gunstige oogenblik om Holland te veroveren, 
ongebruikt voorbij liet gaan. 

Turenne's leger, dat reeds den 1 3en Juni op den weg van Nij- 
megen naar Arnhem stond, had het naar Holland terugtrekkende 
leger van Willem III op den voet kunnen volgen, en aanvallen 
voordat het zich ter verdediging kon inrichten en de onder- 
waterzettingen stellen. Geen twijfel, of Holland zou dan veroverd 
zijn. In stede daarvan wendt de Fransche veldheer zich naar 
Arnhem, en slaat het beleg voor die stad; gelijktijdig worden 
de vestingen aan den IJsel: Doesburg, Zuifen en Deventer aan- 
gevallen door verschillende gedeelten van de Fransche en Mun- 
stersche krijgsmacht. Hiermede houden zich de Fransche aan- 
voerders bezig, en om Holland te veroveren bepalen zij er 
zich toe, derwaarts eene afdeeling te zenden van een 4000 
ruiters, onder Rochefort, volgens sommige Fransche schrijvers 
een bevelhebber van geringe bekwaamheid. 

Den i8ea Juni trok dit ruiterkorps zwemmende den IJsel door, 
maakte zich den i9en meester van Wijk-bij-Duurstede, Amers- 
foort en het Huis ter Eem en den volgenden dag van de ves- 



Digitized by 



Google 



128 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

ting Naarden, die verlaten werd door de zwakke Hollandsche 
bezetting. Vier Fransche ruiters kwamen toen voor Muiden, dat, 
bij hunne opeisching, de poorten opende, maar door hen weer 
werd verlaten. 

Den 21 en trok Rochefort de stad Utrecht binnen en bracht 
eenige dagen door met verschillende kleine steden te onder- 
werpen aan het Fransche gezag: Buren, Kuilenburg, Leerdam, 
Asperen en Heukelora. Hij poogde daarna ook Muiden te ver- 
meesteren, maar die stad was reeds bezet door graaf Maurits 
van Nassau. Het was te laat! en hoezeer Lodewijk op den 
5en Juli als overwinnaar zijn intocht deed binnen de stad Utrecht, 
zoo was dit reeds niet meer dan een ijdele vertooning; zijn prooi 
was hem ontsnapt, en terwijl hij zijn tijd verloor met belege- 
ringen, — wier vermelding ons later zal bezighouden — was 
intusschen Holland omgeven door een ringmuur, die het onaan- 
valbaar maakte. 

De oorzaak van die weinige werkdadigheid der Fransche aan- 
voerders, van dit verzuim om de vruchten te plukken, die hunne 
aanvankelijke voordeelen en hun groote overmacht hun ver- 
schaften, wordt door sommige schrijvers gezocht in den naijver 
van Engeland, dat Lodewijk XIV geen meester wilde zien van 
de geheele Republiek, en daarom niet wilde toelaten dat hij 
doordrong tot in het eigenlijke Holland. — Wij gelooven dat 
die meening geheel verkeerd is. Immers, wanneer men let op de 
verhouding die er bestond tusschen den Franschen vorst en den 
gebieder van Groot-Brittanje — de laatste door den eersten 
betaald, bezoldigd en geheel daarvan afhankelijk — , dan kan 
het wel geen twijfel lijden, dat geen vertoogen van de zijde van 
Engeland, Lodewijk zouden verhinderd hebben om eene ver- 
overing te voltooien, die bijna zeker was. Bovendien, de Engelsche 
gezanten kwamen eerst den 4en Juli in Den Haag en gingen eerst 
Lodewijk XIV opzoeken in zijn legerkamp bij Zeist. Vóór dien 
tijd had Holland veroverd kunnen zijn; twijfelt iemand hieraan, 
hij leze onder andere wat in Wagenaar, bij de onderhandelingen 
over den vrede, gezegd wordt van de verdedigingsmiddelen: 
1 polders die niet onder water stonden, posten die niet te houden 
waren, steden niet in staat zich te verdedigen, krijgsvolk waaruit 
de moed was verdwenen"; ziedaar het beeld, dat, bij de beraad- 
slagingen op den 25steii Juni, geschetst wordt van Hollands ver- 
dedigingsmiddelen. 

Zelfs al had de Engelsche regeering den wil en de macht 
gehad om den Franschen Koning te bewegen, zijne veroveringen 
in Holland te staken, dan zou hare tusschenkomst toch nog te 
laat zijn gekomen om dit land te redden. 

Waaraan is dan die redding toe te^ schrijven? — Wij hebben 



Digitized by 



Google 



DE HOLLANDSCHE WATERLINIE. I29 

reeds vermeld welk een gewichtig deel Willem III hieraan heeft 
gehad; maar voor een deel is zij ook te wijten aan de gebrek- 
kige en beperkte strategische inzichten der Fransche aanvoerders. 
Die aanvoerders, geheel doordrongen van den geest der toen- 
malige oorlogvoering, oordeelden het ongeraden om Holland 
binnen te trekken, terwijl zij de vestingen aan IJsel en Waal nog 
in hun rug hadden; die vestingen moesten eerst worden ge- 
nomen; en aan het onzekere voordeel van de vermeestering 
van die sterkten en van hare bezettingen, offerde men het 
zekere voordeel op van de vermeestering van Holland. 

Maar zelfs later, toen men die vestingen had genomen, was 
het nog tijd om de Hollandsche waterlinie aan te vallen. Zeker, 
toen er eenige weken verloopen waren, toen de inundatiën 
overal waren gesteld, de dijkposten overal verschanst, het Hol- 
landsche leger weer geordend en versterkt was, — toen kon die 
linie als onaanvalbaar worden gerekend; — maar in den eerjten 
tijd was zij dit niet en uit alles moet men opmaken, dat als de 
Fransche krijgsmacht in de eerste dagen den aanval had onder- 
nomen, zij in Holland zou zijn doorgedrongen. 

Zij deed dien aanval niet, denkelijk omdat de bevelhebbers 
onkundig waren aangaande de verdedigingsmiddelen der Repu- 
bliek en zich die geduchter voorstelden dan zij inderdaad waren. 
Bij de Fransche schrijvers kan men opmerken, welk een vreemd 
en zonderling denkbeeld zij zich maken van den toenmaligen 
toestand van Holland: het heet bij hen altijd dat de zeedijken 
waren doorgestoken; zij geven van Holland eene voorstelling, 
als ware het geheel en al door de zee overdekt, terwijl alleen 
de hooger liggende steden droog waren gebleven, evenals in den 
tijd der Batavieren de terpen bij een watervloed. Zelfs bij Vol- 
taire, die nog geen eeuw na 1672 schreef, die zelf in Holland 
was geweest, en wien men dan toch eenig oordeel moet toe- 
kennen, vindt men zulk een voorstelling. Wij gelooven dat die 
valsche voorstelling, meer dan iets anders, den vijand elke poging 
om aan te vallen heeft doen opgeven ; want bij een geheel door 
de zee overdekt land, waar men alleen over smalle dijken tot 
de steden kon komen, viel zeker weinig te veroveren! 

Over het niet bezetten van Muiden door de Fransche troepen 
van Rochefort bevat Rousset (i* deel, blz. 366 — 371), uitvoerige 
toelichtingen, die wij hier laten volgen, al dadelijk aanmerkende, 
dat de juistheid en nauwkeurigheid van die toelichtingen niet 
boven bedenking verheven zijn: 

>Op korten afstand van Amsterdam had men de kleine stad 
Muiden aan de Zuiderzee; daar waren de sluizen die het water 
tegenhielden, dat altijd de lage gronden om Hollands hoofdstad 
met overstrooming bedreigde. Den 2osten Juni drongen eenige 

WILLEM III. — I. 9 

Digitized by VjOOQIC 



130 KRIfGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

ruiters, van eene afdeeling door den Markies de Rochefort ter 
verkenning uitgezonden, tot in Muiden door en waren een oogen- 
blik meester van de stad ; maar wat hen aanvankelijk begunstigde, 
was later in hun nadeel; hun gering getal liet hun niet toe, 
zich daar te handhaven, en toen zij versterking kregen had Prins 
(Graaf) Maurits van Nassau in allerijl troepen afgezonden, die 
Muiden weer in bezit namen en het van dat oogenblik ver- 
zekerden tegen een coup-de-main. Deze kleine gebeurtenis, nietig 
op zich zelve en geheel en al toevallig, werd spoedig tot een 
groote zaak verheven. Wat een gevolgen had dat niet kunnen 
hebben! Wat een zegepraal voor den Koning! Wat een krijgs- 
geluk voor Frankrijk! Als de Markies de Rochefort meer be- 
kwaamheid had bezeten, voortvarender was geweest, zich meer 
had gehaast, zijne voorschriften beter had begrepen! Want men 
twijfelde er niet aan of hij had bepaalde voorschriften; en wat 
ongeloofelijk is, Lodewijk XIV, verbijsterd door al dat afkeurend 
geschreeuw, begon na verloop van tijd zelf te gelooven aan be- 
velen, die hij niet had gegeven." (Méfnoire inédit %ur la campagne 
de 1672). 

Misleid door het algemeen gevoelen hebben veel geschied- 
schrijvers dit oordeel overgenomen, en Rochefort, door zijn tijd- 
genooten gegispt, is ook den blaam der geschiedenis niet ontkomen. 
Het is eerst in onze dagen dat Louvois in die ernstige aange- 
legenheid is betrokken geworden en dat hij zelfs, terwijl Roche 
fort verontschuldigd werd, de ware schuldige is genoemd, de 
man van verraad verdacht, zoo niet volkomen overtuigd (Henri 
Martin, 13" deel, blz. 388 — 389). En toch zijn noch Rochefort, 
noch Louvois schuldig. Niemand van hen die Lodewijk omgaven, 
niemand in het geheele leger had toen eenig denkbeeld van het 
belang van Muiden. Maar één persoon, de graaf d'Estrades, die 
gezant was geweest in Holland, wist van het bestaan van sluizen 
aldaar. Maar hij was toen Gouverneur van Wezel, en twaalf of 
vijfden mijlen verwijderd van den Koning, die toen Doesburg 
belegerde. Den i8en Juni schrijft hij een langen brief aan Lode- 
wijk XIV, om hem geluk te wenschen met zijn snelle verove- 
ringen en om hem inlichtingen te geven omtrent de provincie 
Holland ; hij spoort hem aan om zich dadelijk meester te maken 
van Utrecht: »door het vermeesteren van die stad," voegt hij er 
bij, »zal Uwe Majesteit Holland geheel tot onderwerping dwin- 
gen, wanneer er geen tijd verzuimd wordt en er dadelijk een 
troepenkorps wordt gezonden naar Muiden waar de sluizen zijn, 
en van waar dat korps gerust kan trekken tot voor de poorten 
van Amsterdam en het zelfs nopen tot onderhandelen." 

Toen Lodewijk XIV dien brief kreeg was het te laat. Den 
ï8en Juni, denzelfden dag waarop de brief werd geschreven, had 
de Markies de Rochefort, luitenant-generaal en kapitein bij de 



Digitized by 



Google 



DE HOLLANDSCHE WATERLINIE. I3I 

GardeS'dU'Corps^ de legerplaats voor Doesburg verlaten, om op 
den anderen oever van den IJsel eene verkenning te doen, tien 
of twaalf uur ver naar de zijde van Utrecht, waar men wist dat 
de Prins van Oranje was. Den aosten Juni schreef Louvois aan 
Letellier, zijn vader: >Rochefort is eergisterenavond vertrokken 
aan het hoofd van 3000 ruiters en 600 dragonders, om naar 
Amersfoort te gaan dat naar men zegt onbezet is; dddr is hij 
maar twee uur verwijderd van Utrecht en zal het vijandelijke 
leger zeer bemoeilijken, dat met den dag vermindert, zoo door 
den schrik die onder de troepen heerscht, als omdat iedere pro- 
vincie de door haar betaalde korpsen terugroept om ze voor 
eigen verdediging te gebruiken," — De taak van Rochefort wordt 
hier duidelijk aangegeven: Utrecht observeeren, den Prins van 
Oranje in het oog houden en verontrusten, meer niet; geen 
enkel woord over d'Estrades, geen woord over Muiden. 

Daar is meer. Ziehier het rapport zelf, door Rochefort inge- 
zonden, maar aan Lodewijk XIV in persoon ; het is gedagteekend : 
Amersfoort, den 2osten Juni, 7 uur 's avonds: > Zaterdag en Zon- 
dagochtend, den dag toen ik hier kwam, zijn alle troepen die om 
Utrecht waren gelegerd, naar het binnenste van Holland getrok- 
ken; de Prins van Oranje met het grootste deel des legers naar 
Trego" (denkelijk Ter Gouw, Gouda) »dat op zes uur afstands is 
van Utrecht, als men van daar naar Rotterdam gaat, en Prins 
Maurits naar Wesert (denkelijk Weesp), dat naar den kant van 
Amsterdam ligt. De bevolking van Utrecht wacht Uwe Majesteit 
met ongeduld. Ik geloof dat wij dezen tijd niet moeten laten voor- 
bijgaan. Indien Uwe Majesteit een voorraad had van brood en 
vooruit wilde rukken met 4000 ruiters en 4000 Mousquetaires en 
mij gelasten om mij bij Uwe Majesteit te voegen, dan was de 
zaak zeker. Als Uwe Majesteit echter niet in staat is daartoe, 
maar mij het regiment dragonders wil zenden dat tot het leger 
van den Maarschalk De Turenne behoort, dan zal ik vooruitgaan 
met wat ik hier aan ruiters heb, en dan sta ik in voor hunne 
onderwerping. Mijne ruiters en ik zijn hier thans geheel over- 
tollig, daar wij uitgevoerd hebben wat Uwe Majesteit 
mij had bevolen, en zelfs iets meer dan dat." — Duidelijker 
kan men niet zijn. Rochefort was afgezonden, alleen om den 
Prins van Oranje gade te slaan en te verontrusten ; de Prins van 
Oranje trekt terug; de taak van Rochefort is toen geheel afge- 
loopen; hij wacht nieuwe bevelen en hij dringt daarop aan, met 
het ongeduld van iemand die ziet dat er zich een gunstige ge- 
legenheid voordoet. Hij houdt aan: > nogmaals smeek ik Uwe 
Majesteit om mij eenigszins spoedig een regiment dragonders toe 
te zenden en ik beloof Uwe Majesteit Utrecht en nog twee of 
drie steden bovendien. Wat ik hier aan Uwe Majesteit meld, is 
niets hersenschimmigs ; in dit land gaat alles thans zoo gemak- 



Digitized by 



Google 



132 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

keiijk, dat men om te slagen niets anders noodig heeft dan 
stoutheid." — Het ontbreekt hem dus noch aan doorzicht, noch 
aan voortvarendheid. 

Intusschen heeft hij het op zich genomen, om een kleine af- 
deeling te zenden naar de zijde van Amsterdam; naar dat Mui- 
den, dat hij evenals iedereen — graaf d 'Estrades uitgezonderd — 
beschouwde als een punt zonder eenig belang. »Ik zend DeRannes 
met 50 ruiters en 100 dragonders naar Naarden om in het Mui- 
derslot dragonders als bezetting te plaatsen; want 'de stad is niet 
te verdedigen, maar het slot is goed en slechts twee kleine uren 
verwijderd van Amsterdam." Het is niet te veronderstellen, dat 
als er in zijne voorschriften gewag was gemaakt van dat be- 
roemde Muiden, hij op zoo lossen toon daarover zou hebben 
geschreven en zijn rapport zou hebben afgezonden alvorens be- 
kend te zijn met den uitslag van den tocht van De Rannes. 
Waarlijk, het is voor hem haast als een ongeluk te beschouwen, 
dat hij dit detachement heeft uitgezonden ; — 't is waar, had het 
geluk hem gediend, dan zou hij dadelijk en zonder het te weten 
een groot man zijn geworden. Zijn rapport eindigt met een her- 
haald aandringen: »ik zal hier de bevelen van Uwe Majesteit 
blijven afwachten; ik waag het er bij te voegen, eenigszins met 
ongeduld van hier zoo vooraan te zijn zonder iets te doen, ter- 
wijl er wel wat te doen is." 

Nog eens:» Rochefort had zijne voorschriften volkomen opge- 
volgd; maar waarom waren die voorschriften zoo beperkt ge- 
bleven ? Klaarblijkelijk omdat de brief van Graaf d'Estrades te 
laat was gekomen ; te laat, niet slechts om hem den inhoud mede 
te deelen vóór zijn afmarsch, maar ook te laat om hem nieuwe voor- 
schriften te zenden in overeenstemming met de raadgeving des 
Graven; die nieuwe voorschriften kon hij nog niet hebben den 
2osten *s avonds, vóór den afmarsch van De Rannes met zijn 
kleinen troep. Dus, indien in deze zaak iemand de schuldige moet 
wezen, dan zou het moeten zijn Graaf d'Estrades, die, bekend 
met zulk een belangrijk geheim, het niet vroeger kenbaar maakte 
aan Lodewijk XIV..." 

Ziedaar op welke wijze Rousset het beleid verdedigt van Lou- 
vois — of van het opperste krijgsbestuur bij de Franschen in 
1672; — die verdediging beduidt niet veel. 

Het is zeker, dat wanneer I^odewijk XIV dadelijk na den over- 
tocht van den Rijn naar Holland was voortgerukt — in plaats 
van zich bezig te houden met de vestingen aan den IJsel — er 
kans was om Holland te veroveren ; men zou daar dan wel b e- 
gonnen zijn met het stellen der inundatiën, maar die inun- 
datièn zouden nog zeer onvolledig zijn geweest, te meer daar 
zij werden tegengewerkt door de plattelands- bevolking. 

d'Estrades — zegt Rousset — heeft te laat gewaarschuwd 



Digitized by 



Google 



DE HOLLANDSCHE WATERLINIE. I33 

omtrent het belang van Muiden en van zijne zeesluizen. Wat een 
redeneering! Men begint den oorlog tegen Holland, den inval 
in Holland; en de gezant die daar jaren was geweest, die daar 
alles had kunnen waarnemen — een gezant is een fatsoenlijke 
spion — ; de gezant die militair was en die dus kon oordeelen 
over alles wat militair belang had; die gezant wordt niet vooraf 
geraadpleegd omtrent alle mogelijke bijzonderheden die het van 
belang was te weten, en men wacht af totdat hij zelf aankomt 
met zijne inlichtingen, — en dan te laat ! Hoe ! rechts en links 
tracht men berichten in te winnen van den vijand, zelfs van de 
meest onbeduidende personen ; en een man die het best in staat 
is om 's vijands land te kennen, een man die men bij zich heeft, 
dien raadpleegt men niet ; men wacht af totdat hij zelf met een 
ongevraagden raad aankomt! Is dat waarschijnlijk? — Immers 
neen ; en daarom kan men gerust besluiten, dat deze verdediging 
van Louvois of van het opperste krijgsbestuur bij de Franschen 
in 1672, niet veel beduidt. 

Waren de sluizen te Muiden door de Franschen vermeesterd, 
Holland ware veroverd geworden; het is Rochefort's schuld dat 
die sluizen van Muiden niet genomen zijn; het is de schuld van 
I.ouvois dat hij geen bepaalde bevelen gegeven heeft om die 
sluizen van Muiden te bemachtigen; het is de schuld van d*Es- 
trades, dat hij niet gewaarschuwd heeft welk een groot belang 
die sluizen te Muiden hadden. Het grappigste bij al die be- 
weringen is, dat er in 1672 te Muiden geen sluizen waren. 

Wij haasten ons er bij te voegen, dat die aanmerking toch 
eigenlijk weinig beduidt: er waren wel geen sluizen te Muiden, 
maar die sluizen waren op een uur daar van daan, te Hinderdam. 
Ziehier wat daarover wordt gezegd door Sijpesteyn en De Bordes 
(de verdediging van Nederland in 1672 en 1673, 2' deel, 
blz. 24 en 25): 

> Langs de rivier de Vecht, die zich bij Muiden in de Zuiderzee 
ontlast, werd toen, evenals nu, het overtollige water van de langs 
hare beide oevers gelegene landen in die zee afgevoerd. 

De sluis in de Vecht, door welke dat water bij lagen water- 
stand in zee afliep, en welke, bij hoogen waterstand in de Zui- 
derzee gesloten zijnde, belette dat het zeewater het land binnen- 
stroomde^ was in 1672 niet te Muiden zooals thans het geval is, 
maar te Hinderdam. 

Het zeewater stroomde alzoo de Vecht in tot den Hinderdam. 
Bij laag water in de Zuiderzee stroomde dus het inundatie- water 
van de landen, gelegen langs de beide oevers van de Vecht, 
van Muiden tot den Hinderdam (dat op die landen was gesteld 
geworden door het doorsteken van de kaden langs dat gedeelte 
van de rivier) naar zee; een nadeel dat thans niet meer zou 
bestaan. 



Digitized by 



Google 



134 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

Om het afloopen van dat inundatie-water in 1672 te beletten, 
werd dan ook in de Vecht bij Muiden een dam gelegd; waar- 
door wel is waar het voorschreven doel bereikt is geworden, 
maar ook de gelegenheid werd afgesneden om, wanneer dit noo- 
dig mocht zijn, tot verbetering of vergrooting der inundatiën 
langs de Vecht, het zeewater in het land te brengen. 

Het groot ongerief, dat door dien dam aan de ingezetenen 
werd veroorzaakt, schijnt de reden te zijn geweest, dat er toen 
bij de Staten van Holland nogmaals op werd aangedrongen om 
eene zeesluis in plaats van die te Hinderdam, binnen de stad 
Muiden te bouwen." 

Den 9eQ Februari 1673 wordt door de Staten van Holland 
het besluit genomen tot het bouwen van die sluis te Muiden; 
het schijnt dat weinige maanden later die sluis voltooid was. 
De kundige schrijvers van >de verdediging van Neder- 
land in 1672 en 1673" merken hierbij aan, dat reeds in 1579 
zulk een sluis te Muiden als zeer nuttig werd voorgesteld; het 
duurde echter nog bijna honderd jaar eer die sluis tot stand 
kwam; wel een bewijs hoezeer ook toen »de Nederlanders voor- 
ingenomen waren tegen elke nieuwigheid, en met welke onge- 
loofelijke vooroordeelen en tegenwerking men in ons vaderland 
ten aanzien van zoo vele nuttige ondernemingen tot verbetering 
van de materieele welvaart te kampen heeft gehad." (Sijpesteyn, 
en De Bordes, 2* deel, blz. 25). 

Nog wordt onder de misslagen, toen aan de Fransche zijde 
begaan, opgenoemd het loslaten tegen een gering losgeld van 
het groot aantal krijgsgevangenen, in het begin van den veld- 
tocht gemaakt. Door dat loslaten ontving, zooals van zelf spreekt, 
het leger van Willem in eene aanmerkelijke versterking. — Uit 
Rousset (i* deel, blz. 380—381) blijkt, dat ook Lodewijk XIV 
later dien misslag inzag: 

> Lodewijk XIV had niets meer te verrichten op een oorlogs- 
tooneel, waar men nog lang zich zou moeten bepalen tot het 
gadeslaan van den vijand en tot de verdediging. Hij gaf het 
opperbevel over het leger aan Turenne, en het bewind over de 
provincie Utrecht en over eene sterke krijgsafdeeling aan den 
hertog de Luxembourg. Alle vestingen waren bezet en van leef- 
tocht voorzien. Den isten Augustus kwam hij te Saint-Germain 
terug. Maar voordat hij Holland verliet, had hij, op raad van 
Louvois, een ongelukkig besluit genomen ; 20 000 krijgsgevangenen 
waren in zijne macht; met een hooghartige en krenkende groot- 
moedigheid liet hij ze vrij voor een onbeduidend losgeld, de 
meeste zelfs zonder losgeld. Dit was schier een laatste hoon 
jegens eene natie, wier militaire hoedanigheden hij minachtte, 
terwijl hij — door een vreemde tegenstrijdigheid — hare geest- 



Digitized by 



Google 



DE HOLLANDSCHE WATERLINIE. I35 

kracht in het staalkundige bewonderde. Het duurde niet lang of 
hij had berouw over die daad; en hij had ten minste de open- 
hartigheid om zijn misslag te erkennen, ilk vertrok om naar 
Frankrijk terug te keeren," — zoo zegt hij in de Mémoire de 1672 — , 
«ruimschoots voldaan over den zegen dien God over mijne 
wapenen had uitgestort; over niets anders te klagen hebbende 
dan over de te groote wijsheid van hen, die door hunne ver- 
standige aansporing den Magistraat en den Raad van Amsterdam 
verhinderd hadden om zich aan mij te onderwerpen; en mij 
niets anders te verwijten hebbende dan eene overmaat van goed- 
heid die ik had ten aanzien van 20000 krijgsgevangenen, die 
ik naar Holland terugzond, en die de voornaamste strijdkracht 
hebben uitgemaakt, door de Republiek later tegen mij aange- 
wend." 

In een noot voegt Rousset hier nog bij: 

»In een brief van 25 Juni aan Graaf d'Estrades, bepaalde 
Louvois het losgeld van de ruiters op 10 kronen per hoofd en 
dat van de soldaten op 5; maar hij gelastte dat de officieren 
krijgsgevangen moesten blijven. 

Den i5en Juli schreef hij aan de Raynaud (denkelijk een 
intendant) dat het bewakeii van een zoo groot aantal krijgsge- 
vangenen zeer bezwarend was voor de garnizoenen en dat men 
daarom de ruiters en soldaten — uitgezonderd zij die uit de 
Provincie Holland afkomstig waren — naar de Duitschc grenzen 
moest brengen en ze daar loslaten; onder bedreiging dat zij, 
die weer in Hollandschen krijgsdienst traden, opgehangen zouden 
worden als men ze machtig werd." 

Die beide brieven zijn in deel 276 van het Dépót de la guerre. 

Aan de Fransche zijde zijn toen dus groote misslagen begaan, 
ook daaraan moet Hollands behoud in 1672 worden toegeschre- 
ven, — niet uitsluitend aan de natuurlijke sterkte des lands of 
aan het genie en de geestkracht van Willem III. Maar men zal 
moeielijk een oorlog aanwijzen, waarin geen misslagen voor- 
komen, en de bekwaamheid van een legerhoofd bestaat voor 
een deel daarin dat hij goed partij trekt van de misslagen van 
zijn tegenstander. Moet men dan bij een oorlog de berekening 
der kansen bouwen op de misslagen van den vijand? Dat zou 
dwaasheid zijn; maar geen dwaasheid is het om, als bij een 
oorlog de toestand schijnbaar wanhopig is, toch den moed niet 
op te geven, maar te hopen op de mogelijkheid van misslagen 
van den vijand; het >desespereer niet" van Koen moet de leus 
zijn, ook als alles donker en hopeloos schijnt. Willem I in 
1572 — 1576, Willem III in den zomer van 1672 schenen een 
wissen ondergang nabij; — toch hielden die groote mannen 
den kamp vol: zij betrouwden op Gods bescherming, die door 



Digitized by 



Google 



136 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

niet te voorziene oorzaken redding kan aanbrengen, ook daar 
waar het menschelijk verstand geen uitkomst ziet. 

De maanden Juli, Augustus en het grootste deel van September 
verloopen bij de Hollandsche waterlinie voor beide partijen in 
een toestand van rust, slechts enkele keeren afgebroken door 
schermutselingen van kleine, stroopende partijen. Willem III is 
intusschen onafgebroken bezig met zijn leger te versterken, om 
eene landing te keer te gaan, waarmede van de Engelsche zijde 
wordt gedreigd, en om later, wanneer de winter invalt, met vrucht 
de Fransche legers het hoofd te kunnen bieden. Aan de Fransche 
zijde wordt de tijd doorgebracht met geheel onbeduidende han- 
delingen. Oudewater, den 25sten Juni door Fransche troepen be- 
zet, werd den 11 en Juli weer door hen ontruimd en dadelijk in 
bezit genomen door Hoorne, die het stadje deed versterken en 
er een detachement zeesoldaten in legde. Het slot Kroonenburg, 
door een honderd man Hollandsche soldaten bezet, werd den 
23sien Juli door een sterke Fransche afdeeling bemachtigd en 
daarop vernield^ ook het Loenderslot werd door hen genomen. 
Woerden was door Willem III verlaten bij zijn terugtocht naar 
Holland, zoo beweerd wordt omdat men geen tijd had om de 
stad in staat van verdediging te brengen; — zij kreeg daarop 
Fransche bezetting die haar echter den 11 en Juli weer verliet; 
er verschenen toen Hollandsche troepen voor Woerden, die 
evenwel, vreemd genoeg, er niet in bezetting kwamen, zoodat 
den i8en September de stad weer in bezit werd genomen door 
de Franschen en door hen aanmerkelijk versterkt. Als reden 
voor dit niet bezetten van Woerden door de Hollanders wordt 
opgegeven de onwil van de stedelijke regeering om de pannen- 
bakkerijen aan de westzijde, die de verdediging zouden belem- 
meren, te laten vernielen. Vreemd is het echter dat de Stad- 
houder zich door die bedenking heeft laten weerhouden om 
eene stad te bezetten, aan wier inneming hij later zooveel ge- 
wicht hechtte. 

Het ligt in den aard van de zaak, dat hier niet alle kleine 
gevechten kunnen worden vermeld. In het algemeen moet hier 
echter worden gezegd, dat reeds toen door de Hollanders op 
eene krachtdadige wijze de partijgangers-oorlog werd begonnen, 
zoo door de bezetting van Maastricht, als door de troepen in 
de waterlinie. De opgaven die men daarover vindt bij onze 
schrijvers, dragen wel is waar de kenmerken van overdrijving, 
maar ook uit de briefwisseling van de Fransche bevelhebbers met 
Louvois kan men ontwaren dat hunne troepen gedurig door 
kleine aanvallen werden verontrust en daardoor verliezen leden. 

Behalve met de hierboven vermelde ondernemingen hielden 
de Fransche bevelhebbers zich ook onledig met het beramen 



Digitized by 



Google 



BELEGERINGEN. 137 

van plannen, om de onderwaterzettingen af te leiden die Hol- 
land dekten. Dat dit zonder gevolg bleef, behoeft hier niet 
bijgevoegd te worden. Als een kenschetsend blijk van de won- 
derlijke begrippen die de toenmalige Fransche bewindhebbers 
hadden omtrent den toestand van ons land en van hunne verre- 
gaande onkunde in zijne geschiedenis^ halen wij aan: dat in 
eene memorie in Augustus 1672 door Louvois aan Luxembourg 
toegezonden, de Fransche minister den raad geeft lom de Lek 
bij Wijk-bij-Duurstede met aardzakken af te dammen en daardoor 
al het water naar den Ouden Rijn, naar Utrecht, Woerden en 
Leiden te doen stroomen; dan" — zegt de Fransche minister — 
izal geheel Holland onderloopen, zooals dit reeds eenmaal plaats 
had in het jaar 810, toen door een hevigen storm de monding 
van den Rijn in de duinen verzandde en het land gered werd 
door Civilis, den aanvoerder van het ^iollandsche leger, die in 
allerhaast een kanaal deed graven van Wijk-bijDuurstede naar de 
Maas, in de richting van Rotterdam." (Op blz. 122 van de ver- 
zameling van brieven van Fransche bevelhebbers over den veld- 
tocht van 1672, komt deze memorie voor; — wij rekenen ons 
verplicht dit hierbij te voegen om iedereen in de gelegenheid 
te stellen tot het nalezen van dien geschiedkundigen onzin, die 
bijna ongeloofelijk is). 



HOOFDSTUK V. 

belegeringen; aardenburg; krijgs verrichting en in de ooste 
LijKE gewesten; Groningen; alüemeene opmerkingen. 

Wij gaan thans over tot de korte vermelding der belegeringen, 
die gelijktijdig met het hier voorgaande plaats hadden, en van 
de krijgsgebeurtenissen in de oostelijke gewesten van de Repu- 
bliek. Indien men hierbij veel zwakheid, veel lafheid vindt, zoo 
ontmoet men er echter ook heldendaden, die de roemrijkste tijd- 
perken onzer geschiedenis waardig zijn. 

Dadelijk na den overtocht van den Rijn was Turenne met de 
hoofdmacht van zijn leger op Arnhem getrokken, terwijl hij eene 
afdeeling op Knodsenburg deed rukken en eene andere op 
IJseloort. Het laatste was een vervallen fort, dat niet bezet was, 
maar in welks nabijheid zich eenige infanterie bevond: deze 
hield gedurende den 13011 juni de Fransche macht tegen, maar 
trok 's nachts op Arnhem terug, zoodat den 1400 de vijand 
bij IJseloort ongehinderd de rivier overging. Gelijktijdig was, 



Digitized by 



Google 



138 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

beneden Arnhem, eenige Fransche ruiterij op den rechteroever 
van den Rijn overgegaan; 's nachts werd daar een schipbrug 
geslagen; den isen trok Turenne's leger de rivier over en sloot 
Arnhem in. 

De wederstand van die stad was geheel onbeduidend, indien 
men den naam van wederstand mag geven aan eenige weinige 
kanonschoten, waardoor een klein aantal vijanden vielen. De be- 
zetting, bestaande uit de twee regimenten Amama en Vrijbergen, 
met nog eenige andere compagnieën voetvolk en 2 compagnieën 
ruiterij, kan een paar duizend man hebben uitgemaakt; — ver- 
keerdelijk begroot Beaurain haar op meer dan 3000 man, — 
het was althans een genoegzame macht ter verdediging, doch 
de toestand van de vestingwerken was weer ellendig; alom 
waren die van nabij belemmerd door huizen en gebouwen, die 
men niet wilde verbranden; van levensmiddelen en k rij gs voor raad 
was de stad schaarsch voorzien, de burgerij onwillig om zich te 
verdedigen, de krijgsbevelhebbers zonder geestkracht, in één 
woord, het was de gewone geschiedenis van de toenmalige be- 
legeringen, en zij had ook den gewonen afloop: men trad in 
onderhandeling met Turenne; reeds den i6en gaf de stad zich 
over en legde de bezetting de wapenen neder. 

Nog vóór de overgave van Arnhem, den isen Juni, was Turenne 
met 5600 man voetvolk en een brigade ruiterij op Knodsenburg 
getrokken, dat reeds den vorigen dag was ingesloten door eene 
afdeeling van 500 man. Het fort Knodsenburg tegenover Nijme- 
gen, westelijk van het dorp Lent liggende, was eene bijna vier- 
hoekige schans, goed gepalissadeerd en van welke geen ander 
gebrek wordt vermeld, dan dat hare natte grachten maar i el 
waterdiepte hadden; zij was gewapend met 8 stukken en had 
eene bezetting van 4 compagnieën infanterie, een 300 man uit- 
makende, onder het bevel van den kapitein Verschoor. De on- 
middellijk bij het fort gelegen huizen van Lent werden verbrand, 
de boomen in den omtrek gekapt, en de bezetting scheen eene 
hardnekkige verdediging te beoogen. Door eene schipbrug was 
zij in gemeenschap met Nijmegen, en met geschut gewapende 
vaartuigen waren op de Waal, om mede te werken tot de ver- 
dediging van Knodsenburg. — Laat ons terloops opmerken, dat 
van dit laatste verdedigingsmiddel in 1672 zeer dikwijls gewag 
wordt gemaakt, en dat het met goed gevolg schijnt aangewend 
te zijn;. men vindt voorbeelden dat die gewapende vaartuigen op 
de rivieren tot 20 stukken geschut hadden. 

In den nacht van den 1560 op den i6en Juni werd door 
Turenne den aanval op Knodsenburg begonnen op twee punten : 
oostelijk tusschen het fort en Lent, westelijk tusschen den Waal- 
dijk en de rivier. De Fransche opgaven zeggen dat die tweede 



Digitized by 



Google 



BELEGERINGEN. I39 

aanval buitendijks geschiedde, om daardoor de gemeenschap van 
het fort met Nijmegen geheel af te snijden; die reden schijnt 
echter niet zeer gegrond, want door het opwerpen van eene bat- 
terij, die haar vuur op de schipbrug bracht, had men toch wel 
kunnen beletten dat Knodsenburg ondersteuning kreeg uit de 
stad; en had men de loopgraven meer aan de noordzijde van 
het fort geopend, dan zou men de verliezen niet geleden heb- 
ben van het vuur uit Nijmegen en van dat van drie uitleggers, 
die ieder met lo è 12 stukken bewapend, tot op 30 pas van 
den oever naderden en in het voorbijzeilen hun vuur richtten 
op de Fransche loopgraven. 

Niettegenstaande dit hevige vuur uit fort, stad en schepen, 
zetten de Franschen hunne aanvalswerken met zooveel gezwind- 
heid voort, dat zij bij het aanbreken van den dag (16 Juni) 
reeds genaderd waren tot aan den buitengrachtsboord ; hunne 
overmachtige artillerie bracht die des verdedigers tot zwijgen en 
vernielde de borstwering van een der oostelijke bastions. Ver- 
schoor^ hoezeer gebrek aan munitie hebbende, wil echter de 
verdediging volhouden ; toen tegen den middag een tamboer uit 
eigen beweging appèl slaat, de soldaten dit voor een teeken 
tot overgave houden, hunne wapens wegwerpen en met onstui- 
migheid aandringen op die overgave. Vergeefs zijn alle pogingen 
van Verschoor en van zijne officieren om de soldaten weer tot 
hun plicht te brengen; zij weigeren de verdediging langer voort 
te zetten, en de bevelhebber is daardoor genoodzaakt om met 
den belegeraar in onderhandeling te treden, met dat gevolg, 
dat de schans nog dien dag aan den vijand wordt overgegeven, 
trekkende de bezetting met krijgseer naar Groningen. 

Volgens onze schrijvers zou dit korte beleg aan Turenne's 
leger bij de 2000 man aan dooden en gewonden hebben gekost; 
die opgave is zeker overdreven, maar wanneer men ziet dat de 
Fransche schrijvers toch zelve een verlies erkennen van 500 man, 
dan moet men er uit opmaken, dat hier door den belegeraar op 
eene roekelooze wijze soldaten zijn opgeofferd, alleen om spoediger 
zijn doel te bereiken ; de bedachtzame, stelselmatige belegeringen, 
zooals Maurits en Frederik Hendrik die deden, zooals Vauban die 
voorschrijft, waren toen nog niet algemeen; integendeel, men 
dingt meesttijds naar den val der vijandelijke vesting door on- 
stuimig geweld en niet door kunst; hetzelfde kan men nog op- 
merken in eene latere eeuw bij Wellington's belegeringen in het 
Spaansche Schiereiland. Wat de verdediging aangaat, wanneer men 
opmerkt hoe kort die heeft geduurd en hoe gering de verliezen 
der bezetting waren (nog geen twintig man), dan moet men die 
verdediging slecht noemen, hoe krachtig zij dan ook aanving; de 
officieren schijnen goed bezield te zijn geweest, maar de soldaten 
waren ellendig. — De Quincy zegt dat de bezetting krijgsge- 



Digitized by 



Google 



I40 KRIJGS- EX GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

vangen bleef; ook stelt hij de wapening van Knodsenburg op 
40 vuurmonden; — wij halen dit maar aan om het doorgaande 
gemis aan waarheid en nauwkeurigheid bij dien schrijver te doen 
uitkomen. 

Dadelijk na de inneming van Knodsenburg deed Turenne de 
batterijen op den rechter Waaloever haar vuur op Nijmegen 
openen, zonder dat dit echter veel uitwerkte; de Fransche veld- 
heer, zijn ruiterij grootendeels terugzendende naar Arnhem, trok 
met het overige van zijne macht naar de Schenkenschans, waar- 
voor hij den i8en Juni verscheen. Die sterkte, gelegen op het 
punt waar Waal en Rijn zich scheiden, was aan twee zijden door 
die beide stroomen gedekt en kon alleen worden aangevallen 
over de smalle, daartusschen liggende landtong, welke, eene 
breedte van slechts 2 k 300 el hebbende, niet toeliet, aan de 
loopgraven eene groote uitbreiding te geven. De bezetting, ver- 
sterkt door de vluchtelingen uit Emmerik, bestond uit 18 com- 
pagnieën infanterie, een 1200 man uitmakende; de vesting was 
met 19 stukken geschut bewapend en van de noodige levens- 
middelen en krijgsvoorraad voorzien; twee met geschut bewa- 
pende vaartuigen konden dienen om 's vijands nadernissen van 
ter zijde te beschieten. 

In één woord om eene verdediging te voeren, zooals die- 
welke Frederik Hendrik in 1636 negen maanden had opgehou- 
den, waren hier alle bestanddeelen vereenigd; alle, op een klei- 
nigheid na: geestkracht bij den bevelhebber, dapperheid bij de 
bezetting. Die bevelhebber was een twintig-jarig jongeling, een 
Ten Have of Ten Hove, die door den invloed van zijn vader, 
toen burgemeester van Nijmegen, in die belangrijke militaire 
betrekking was aangesteld, zonder de minste bekwaamheid of 
geschiktheid daarvoor te bezitten. 

Bij 's vijands nadering begon de HoUandsche bevelhebber met 
de gewapende vaartuigen weg te zenden en eene voorliggende 
batterij te slechten, die den Rijndijk kon bestrijken. Bijna zonder 
tegenstand liet men toe dat Turenne in den nacht van 18 — 19 
Juni, op slechts 40 el afstands van de contrescarpe, met de 
vliegende sappe eene loopgraaf deed maken, en men bespaarde 
hem de moeite om die ingraving met de achterliggende nader- 
nissen te verbinden, door reeds den volgenden dag in eene 
onderhandeling te treden, die daarop uitliep, dat de vesting aan 
Turenne werd overgegeven en de bezetting een vrijen aftocht 
naar Friesland verkreeg. Er bestaat verschil omtrent den tijd 
der overgave tusschen de Fransche schrijvers en de onze; de 
eerste stellen die op den 19611, de onze op den 21 sten Juni; — 
zooveel schijnt zeker, dat het Fransche goud krachtiger tot de 
overgave heeft bijgedragen dan de Fransche wapenen. Het is 



Digitized by 



Google 



BELEGERINGEN. I4I 

niet bewezen, dat de bevelhebber van Schenkenschans zich door 
den vijand heeft laten omkoopen, maar indien hij omgekocht 
I was, had hij niet anders kunnen handelen dan hij nu deed. 

i 

! Bijna gelijktijdig had eene andere afdeeling van Turenne's 

leger zich meester gemaakt van het onbezette Tiel (18 Juni), en 
van de schansen te Voorne en St. Andries (22 Juni), waarvan de 
bezettingen aftrokken naar Gorkum en Den Bosch. Overal wordt 
ter verschooning van dit gedrag der Hollandsche bevelhebbers 
aangevoerd de lafheid hunner soldaten, die onwillig waren om 
de wapenen te gebruiken tot verdediging der hun toevertrouwde 
sterkten. 

De vestingen aan den IJsel: Doesburg, Zutfen, Deventer en 
Zwolle, werden bijna gelijktijdig aangevallen door de Fransche 
en Munslersche krijgsmacht. Bijna niet verdedigd vielen zij bin- 
nen weinige dagen in 's vijands handen, en de sterke bezettingen, 
daarin geplaatst, waren verloren zonder dat zij van eenig nut 
waren geweest. 

Lodewijk XIV, na den overtocht van den Rijn naar het hoofd- 
leger ïe Emmerik teruggekeerd zijnde, was daarmede naar den 
IJsel getrokken, en omdat de kortste weg naar Doesburg door het 
'water onbruikbaar was geworden, eerst den lyen Juni voor die 
stad verschenen. Doesburg, aan den samenloop van den Ouden 
IJsel met den IJsel gelegen, wordt beschreven als eene vesting 
van aanzienlijke sterkte. Zij werd toen omgeven door een hoofd- 
wal met 9 bastions, had 4 ravelijnen en een hoornwerk, alles 
omringd door een breede, diepe gracht, waarvoor zich een be- 
dekte weg bevond, die behoorlijk in staat van verdediging was 
gebracht. Een dam, die men in den Ouden IJsel had gemaakt 
om eene onderwaterzetting te verkrijgen, had echter, door den 
toenmaligen lagen stand van de rivier, weinig beantwoord aan 
het doel. Van levensmiddelen was de stad goed voorzien, en van 
oorlogsbehoeften voldoende voor een langdurig beleg. De bezet- 
ting telde volgens sommige opgaven 3500 man, volgens andere 
zelfs over de 4000 ; hare samenstelling blijkt niet duidelijk ; alleen 
vindt men vermeld dat Willem III, bij het verlaten van den IJsel, 
in Doesburg het regiment van den kolonel Nieuland achterliet, 
alsook dat er onder andere 2 compagnieën ruiterij waren en com- 
pagnieën waardgelders, door de Zuid-Hollandsche steden onder- 
houden. Nieuland, de bevelhebber der vesting, drong er dadelijk 
op aan om, tot opwekking van den moed der verdedigers, eiken 
avond eene godsdienstoefening te houden; tegelijk deed hij met 
de overige hoofdofficieren en met de leden van den stedelijken 
raad den eed, de stad te zullen verdedigen tot den laatsten drup- 
pel bloeds. Eene handeling, die de hoogste vereering verdient. 



Digitized by 



Google 



142 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

wordt zij gevolgd door eene verdediging als die van Haarlem 
of Alkmaar; maar eene schandelijke, godlasterende handeling, wan- 
neer zij, zooals hier, enkel in woorden en klanken bestaat, en de 
daden den uitgesproken eed geheel logenstraffen! 

Eene opeisching, door de Franschen gedaan, werd afgeslagen. 
Den i8en opende de belegeraar de loopgraven, en eene batterij 
van 12 stukken opwerpende, teisterde hij de stad met het vuur 
dier stukken. De aanvalswerken der Franschen gingen de vol- 
gende dagen voort, zonder veel gehinderd te worden door het 
vuur uit Doesburg. Er werd in de stad voorgeslagen om een 
grooten uitval te doen, ten einde daardoor 's vijands voortgang 
te stuiten; dit voorstel werd echter verworpen, op grond dat 
het beter was, den vijand slechts door kleine uitvallen te veront- 
rusten, ten einde de bezetting te sparen voor de verdediging 
van den hoofdwal. Men ziet het, de bezetting van Doesburg had 
toentertijd het verdedigingsstelsel van Carnot reeds tot het hare 
gemaakt; — maar, in plaats van met den stouten Franschen 
ingenieur van meening te zijn dat eerst bij het verdedigen der 
bres de ware verdediging van de vesting begint, liet zij het zelfs 
zoo ver niet komen en gaf zij de vesting over, lang voordat er 
zelfs mogelijkheid was tot bresschieten : de soldaten, die men 
niet wilde opofferen door het doen van uitvallen, waren van hunne 
zijde ongezind ook om den hoofdwal te verdedigen ; het grootste 
gedeelte verliet zijne posten, de officieren deden evenzoo of be- 
letten het ten minste niet. Reeds den 21 sten Juni legde de be- 
zetting van Doesburg de wapenen neder en trok Lodewijk XIV 
de stad binnen. De Fransche monarch zond toen onverwijld 
4000 man infanterie en 1500 ruiters naar Zutfen om de macht 
te versterken waarmede Orleans, zijn broeder, die stad had inge- 
sloten. 

Het verdriet ons die belegeringen te vermelden, waarbij noch 
krijgskunst noch dapperheid uitblinken en waaruit men niets 
leert, dan hoe de sterkste bolwerken en de talrijkste bezettingen 
niets waard zijn, wanneer geen krijgsdeugd die bezettingen be- 
zielt. Daarom zullen wij ons niet lang ophouden met het verhaal 
der inneming van Zulfen; — inneming, zeggen wij: den naam 
belegering verdient het niet. Die stad werd toentertijd — zeg- 
gen onze schrijvers — voor eene van de sterkste plaatsen van 
de Nederlanden gehouden; — het is echter te denken dat hierop 
nog wel wat af te dingen zal zijn, vooral wanneer wij daarbij 
lezen: dat tijdens het beleg er hoegenaamd geen palissadeering 
was, noch op den hoofdwal, noch in de buitenwerken, noch in 
den bedekten weg. De stad had 10 bastions, eenige ravelijnen en 
hoornwerken, eene fausse-braie en een gracht met voorgracht, 
die beide ondoorwaadbaar waren; zij was goed voorzien van 



Digitized by 



Google 



AARDENBURG. I43 

levensmiddelen, maar met slechts 7 stukken geschut gewapend. 
De bezetting was door den Stadhouder versterkt met het regi- 
ment van Schwartsenburg ; zij bestond overigens uit nog andere 
infanterie, uit HoHandsche schutters en waardgelders en uit de 
verloopen bezettingen van Grol en Breêvoort. (Bij sommige 
Fransche schrijvers wordt verkeerdelijk vermeld, dat ook de be- 
zetting van Deventer, na de overgave van die stad, deelnam 
aan de verdediging van Zutfen). — De geheele sterkte der be- 
zetting kan op een 2 a 3000 man worden begroot. 

Eene opeisching, den lyen Juni gedaan, werd nog afgeslagen, 
maar reeds toen kon men voorspellen, dat het bezit van Zutfen 
aan het Fransche leger geen stroomen bloeds zou kosten. Schwart- 
senburg beweerde vreemd te zijn aan alles en dus het opper- 
bevel niet te kunnen aanvaarden ; een ander bevelhebber, Schim- 
melpenning, was tegen de capitulatie, omdat men nog geen 
vijand had gezien; logisch moest hieruit volgen, dat hij 
voor de capitulatie zou zijn, wanneer men den vijand zag; in 
het stedelijk bestuur ijverde men voor de overgave, vooral omdat 
twee Geldersche edelen, de belangen van Lodewijk XIV geheel 
toegedaan, de macht van den Franschen koning ten breedste 
uitmaten. In het algemeen moet de burgerij zóó slecht gezind 
zijn geweest, dat vrouwen uit den voornamen stand zich niet 
ontzagen, haren invloed aan te wenden op verschillende krijgs- 
bevelhebbers om deze tot de overgave aan te zetten; de zwak- 
hoofden hadden hiertoe niet veel aansporing noodig. Nadat 
den 21 sten Juni de vijand de loopgraven opende en het geschut- 
vuur op de stad aanving, dat aanvankelijk met goed gevolg 
werd beantwoord, en nadat op den 2351011 en 24sten Juni kleine, 
onbeduidende uitvallen hadden plaats gehad, trad men den 25sten 
in onderhandeling, opende de stad hare poorten en gaf de be- 
zetting zich krijgsgevangen. 

Later zullen de verrichtingen der Munstersche en Keulsche 
legers in Overijsel en Groningen worden vermeld; allereerst 
worden die der legers van Lodewijk XIV genoemd De tijdsorde 
noopt ons, hier een wapenfeit te vermelden, dat, roemrijk als de 
roemrijkste feiten van den tachtigjarigen oorlog, schitterend af- 
steekt bij zooveel zwakheid en lafheid. 



Een gedeelte der Fransche legermacht had geen deel genomen 
aan den opmarsch naar Holland, maar was in de Zuidelijke 
Nederlanden achtergebleven om de bewegingen gade te slaan 
van de Spaansche krijgsmacht. Die Fransche troepenafdeeling, 
onder het bevel van den Markies de Nancré, was grootendeels 
verzameld in de omstreken van Ath, en toen nu de berichten 
inkwamen van den voorspoed der Fransche wapenen in de 



Digitized by 



Google 



144 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

zuid-oostelijke gewesten der Republiek, schijnt De Nancré daar- 
door te zijn aangespoord om, zonder last hiertoe te hebben 
ontvangen, van zijn zijde een inval te doen in Staats- Vlaanderen. 
Hoezeer, door de natuurlijke gesteldheid van Zeeland, de ver- 
overing van dat gewest door een Fransch leger niet zeer waar- 
schijnlijk was, zoo kon toch de bemachtiging van Staats- Vlaan- 
deren ook op de Zeeuwsche eilanden onrust en verslagenheid 
teweegbrengen en op die wijze zijdelings medewerken tot de ge- 
heele onderwerping van de Republiek. 

De macht waarmede De Nancré zijne onderneming begon, 
wordt door de Fransche schrijvers op 4000 man begroot, door 
de onze op 5 a 6000, door enkelen zelfs op 8000; zij bestond 
uit voetvolk en ruiterij en had 4 veldstukken bij zich. Den 24steD 
Juni trok de Fransche bevelhebber op Oudenaarden, den 255160 
ging de marsch, zonder het grondgebied van de Spaansche 
Nederlanden eenigszins te ontzien, op Deinze; van daar werd de 
tocht voortgezet over Bellem en Maldeghem, op het kleine Aar- 
denburg, dat naar men wist slechts zwak was bezet. 

Reeds een jaar vóór het uitbreken van dezen oorlog, was het 
sloopen der vestingwerken van Aardenburg voorgesteld; die 
slooping was echter achterwege gebleven, maar ook het onder- 
houden van de vestingwerken. De kleine stad was vrij regelmatig 
omgeven door een gebastionneerden hoofdwal, met eenige kleine 
ravelijnen, maar palissadeering had men er hoegenaamd niet, en 
op sommige plaatsen was geen twee voet water in de gracht. 
Krijgsbehoeften waren er zeer weinig; 9 kleine stukken geschut 
stonden er op de wallen, maar er was niet meer dan één kanon- 
nier. Eene compagnie voetvolk was te Aardenburg in bezetting 
geweest; zij was er echter grootendeels uitgenomen en in de 
Elderschans geplaatst, een half uur van Aardenburg naar de zijde 
van Sluis. Op het oogenblik van den aanval was er in Aarden- 
burg geen andere bezetting dan 36 of 38 soldaten, onder den 
vaandrig Ëlias Beekman. 

In dezen stand van zaken krijgt men in Aardenburg op den 
avond van den 25sten, door een brief uit Gent bericht van de 
nadering van het vijandelijke leger. De stedelijke Raad komt 
bijeen en raadpleegt met den bevelhebber der zwakke bezetting, 
wat in dezen nood te doen staat. Eéne stem — en wanneer 
men let op het geringe der verdedigingsmiddelen, behoeft men 
dit nog niet te noemen de stem eens lafaards — ééne stem doet 
zich voor de overgave hooren, Beekman verzet zich hiertegen 
ten sterkste en zegt dat hij, aan eer en eed getrouw, liever tot 
den laatsten man toe wil vechten ; een schepen — Pieter Rooman 
van Haarlem — valt den dapperen krijgsman dadelijk bij; en 
allen zijn nu eensgezind om zich te verdedigen. De burgers 
wapenen zich, 165 in getal, sluiten zich aan bij den kleinen 



Digitized by 



Google 



AARDENBURG. I45 

hoop soldaten en bezetten met dezen den hoofdwal, terwijl vrou- 
wen en kinderen zich bezig houden met het gereed maken en 
aanbrengen van munitie. 

De marsch van het Fransche leger was zoo groot geweest, dat 
De Nancré alleen met de voorste troepen, voornamelijk ruiterij, 
nog in den nacht van 25 — 26 Juni Aardenburg bereikte. De 
Fransche bevelhebber doet dadelijk een storm ondernemen, 
hopende partij te trekken van de eerste verwarring die de tijding 
van zijne komst in de stad zal hebben teweeggebracht. Zijne 
ruiters stijgen af, en met de sabel in de eene hand, met takke- 
bossen in de andere om de grachten te dempen, snellen zij 
omstreeks twee uur 's nachts tegen de vesting in. Die storm, hoe 
ook herhaald, wordt telkens afgeslagen, en na een paar uur 
strijdens wordt met den aanbrekenden dag het gevecht geëindigd, 
dat den bestormers reeds gevoelige verliezen heeft gekost. 

De Nancré wacht met een tweeden aanval op den 26sten, totdat 
al zijne nakomende troepen zich bij hem hebben gevoegd; in 
den loop van den dag komen deze aan. Op den namiddag van 
den 26sten worden de verdedigers van Aardenburg versterkt 
door de komst van 40 soldaten van het Cadsandsche Retranche- 
ment opgerukt. De geheele macht, burgers en soldaten, bedraagt 
toen 240 man; te zwak om de buitenwerken te verdedigen, be- 
paalt zij zich tot het bezetten van den hoofdwal; boomen zijn 
omgehouwen en op de borstwering gelegd om naar beneden te 
laten rollen, vrouwen en kinderen zijn onledig met het aan- 
dragen van lonten, kruit, lood en van gekapt ijzer, waarmede 
men, bij gebrek aan kogels, de kanonnen laadt. 

De avond is reeds gevallen toen een vuurpijl, bij de tent des 
Franschen veldheers opgelaten, het sein geeft tot een nieuwen 
aanval. Onder luid krijgsgeschreeuw en met die onstuimige dap- 
perheid, den Franschen eigen, snellen de bestormers nogmaals 
naar de wallen van Aardenburg ; zij dringen door in het onbezette 
ravelijn tusschen het zuider-bastion en Êet bastion Oranje; wer- 
pen fascinen in de reeds zoo ondiepe grachten en trachten aan 
alle zijden den hoofdwal te beklimmen. Hier echter wacht hun 
de kleine heldenschaar der verdedigers, en wie der vijanden 
ook de kruin der borstwering bereiken, geen hunner die in de 
stad doordringt, geen hunner die terugkeert; allen sneuvelen of 
worden gevangen. De Nancré, verwoed over den tegenstand dien 
hij ondervindt, doet telkens zijn voetvolk door de ruiters op- 
drijven tot een nieuwen storm; zijn voornemen schijnt geweest 
te zijn om op vier verschillende punten dien storm te verrichten, 
maar in de duisternis en de verwarring van den nacht vermengen 
zich de aanvalskolonnen en alles snelt daarheen, waar het reeds 
bezette ravelijn een gemakkelijk doordringen schijnt te beloven. 
De verdediger richt met kanon- en geweervuur geduchte ver- 

WILLEM III. — I. 10 



Digitized by 



Google 



146 KRIJGS- £N GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

woestingen aan in die zoo dicht opeengehoopte massa; de 
kracht der aanvallen wordt gedurig minder^ en toen te midder- 
nacht een versterking van 1 10 man, onder den kolonel Spindler, 
uit Sluis te Aardenburg aankomt, is de uitkomst niet lang meer 
onzeker. De Nancré's leger staakt den storm met het aanbreken 
van den dag en trekt in overhaasting terug naar de zijde van 
Ath; maar eenige honderden Franschen zijn in het ravelijn ge- 
bleven, worden daar door het geschutvuur uit de stad ingesloten 
en leggen den volgenden ochtend de wapenen neer voor eene 
bezetting, die hun op lange na niet nabij komt in sterkte. 

Zóó eindigde de onderneming op Aardenburg, die altijd eene 
roemvoUe bladzijde in onze geschiedenis zal uitmaken. Zij wischt 
veel zwakheid uit, zij toont wat men kan verwachten van onze 
goedgezinde burgerij, zij bewijst hoe bij de verdediging van 
ons land zelfs de officier van minderen rang den hoogsten krijgs- 
roem kan verwerven. De naam van Beekman staat in onze ge- 
schiedrollen, naast die der Ripperda's en der Kornput's opge- 
schreven, en nog heden ten dage bewaart het kleine Aardenburg 
de degen van den held, die het met zooveel dapperheid tegen 
het Fransche geweld verdedigde. Door dit wapenfeit was Staats- 
Vlaanderen behouden, Zeeland beveiligd, de moed des volks 
weer opgewekt, den vijand geduchte verliezen toegebracht. De 
Fransche schrijvers verminderen die verliezen tot op 700 man; 
wanneer men echter in aanmerking neemt, dat alleen het getal 
gevangenen een 500 man bedroeg, en dat er volgens een brief 
van den 3en Juli van een der Fransche bevelhebbers aan Letellier 
— Louvcis' vader — alleen te Deinze 800 gewonden waren ach- 
tergebleven, dan verkrijgen de opgaven van onze schrijvers meer 
waarschijnlijkheid, die 's vijands verliezen op een 1500 man be- 
grooten. 

De Fransche schrijvers vermelden dien aanval op Aardenburg 
meestal maar terloops en vluchtig; een hunner. De Quincy — 
een schrijver die dikwijls aangehaald wordt en meer geprezen 
dan hij verdient — zwijgt zelfs geheel over die Aardenburgsche 
geschiedenis. Bij Rousset daarentegen vindt men over dit wapen- 
feit vrij uitvoerige opgaven, die wij hier laten volgen. 

Nogmaals terugkomende op het niet bezetten van Muiden, 
knoopt Rousset den mislukten aanval op Aardenburg daaraan 
vast (i« deel, blz. 371— 373)- 

iWas die Muidensche aangelegenheid een louter toeval, anders 
was het met den ongelukkigen aanval, bijna terzelfder tijd op 
Aardenburg ondernomen, op het ander uiteinde van Hollands 
grondgebied. Die tegenspoed, sedert het begin van den veldtocht 
de eerste die de Fransche wapenen ondervonden, is bijna onop- 
gemerkt gebleven; zelfs de krijgskundige schrijvers hebben er 
geen acht op geslagen; zij is verloren gegaan te midden van 



Digitized by 



Google 



AARDENBURG. I47 

het gedruisch van alle die groote gebeurtenissen die toen om 
Lodewijk XIV voorvielen. 

In de laatste dagen van Juni had De Nancré, de Gouverneur 
van Ath, last ontvangen om een deel der troepen uit Vlaanderen 
samen te trekken en die met spoed te doen oprukken naar 
graaf Chamilly^ die op de vereeniging met die afdeeling wachtte 
om in Staats-Braband te opereeren. Op het oogenblik dat hij op 
marsch wilde gaan kreeg de Nancré bericht^ dat de stad Aar- 
denburg, op de zuidelijke grens van Staats- Vlaanderen gelegen, 
zonder bevelhebber was en bijna zonder bezetting ; er waren, zeide 
men, daar niets anders gebleven dan 70 soldaten en eenige ge- 
wapende burgers. Oogenblikkelijk, en zonder eenige kennisgeving 
aan zijn meerderen, trok hij op Aardenburg, in een overmaat 
van zelfvertrouwen, waarin ongelukkiglijk de officieren deelden, 
die onder zijne bevelen stonden. Ëen krachtige en snelle aanval 
had kunnen gelukken ; maar men meende dat er niet gevochten 
zou worden en dat de stad zich zou onderwerpen, reeds op het 
verschijnen van de Franschen alleen. Dat gebeurde niet. De kleine 
Hollandsche bezetting, ondersteund door de burgerij en door de 
boeren uit den omtrek, richtte een moorddadig vuur op de voorste 
compagnieën, die men aanvallen liet doen op goed geluk en 
zonder verband. Het overige van de macht, voor en na in ge- 
vecht komende, hoopte zich op in de modderige stadsgrachten. 
Eindelijk moest men aftrekken met een overgroot verlies: 50 
officieren en 400 soldaten waren gesneuveld of gewond, onge- 
rekend een groot aantal gevangenen; een vierde van het voet- 
volk had zijne wapens verloren of weggeworpen. 

Zie nu op welke wijze Louvois het beginsel der verantwoor- 
delijkheid begreep en toepaste, ilk heb gezien," schreef hij aan 
De Nancré, »wat er gebeurd is bij uwe onderneming op Aar- 
denburg. Als men den last heeft tot zulk eene onderneming, en 
die mislukt, dan is men zeker te beklagen, al blijft men ook vrij 
van eiken blaam. Maar als men gehandeld heeft zonder bevel 
en zelfe in strijd met de ontvangene bevelen, en dat dan de 
onderneming mislukt, dan kan dit den toom van onze meer- 
deren opwekken, en dan hebben zij reden om misnoegd te zijn 
op hen die hunne krijgsmacht op die wijze in de waagschaal 
stellen." Aan De Nancré werd het bevel ontnomen over de afdee- 
ling waarmede hij Chamilly moest versterken ; het losgeld werd 
betaald voor de krijgsgevangen soldaten alsook voor de officieren, 
die zich goed hadden gedragen; wat de anderen betreft, ziehier 
het lakonieke vonnis — beter gezegd, het Romeinsche vonnis — 
dat Louvois over hen uitsprak: >na de lafheid die zij hebben 
betoond, worden zij niet meer opgenomen bij het leger." 

De straf van de Nancré was billijk; Rochefort werd niet ge- 
straft en mocht ook niet gestraft worden. Er is bovendien geen 



Digitized by 



Google 



148 KRIJGS- EN GKSCHIBDKÜNDIGE BESCHOUWINGEN. 

vergelijking te maken tusschen die Aardenburgsche gebeurtenis 
en de Muidensche. Beide mislukten, maar de eerste zonder dat 
dit opgemerkt werd en alleen ten nadeele van hen die haar 
dwaaselijk hadden ondernomen, terwijl de tweede een belangrijk 
geschiedkundig feit geworden is..." 

Wat hier gezegd wordt door Rousset, komt wel niet geheel 
overeen met wat onze schrijvers zeggen over dien aanval op 
Aardenburg, maar de Fransche schrijver erkent toch, dat bij 
dien aanval de Fransche troepen een gevoelige nederlaag hebben 
geleden. 

Wat later had eene belegering plaats, waarbij de verdediger 
algemeen is geprezen, naar wij gelooven ten onrechte. 

Na de inneming van Doesburg en Zutfen was de Fransche 
Koning met de hoofdmacht zijns legers in de richting van 
Utrecht voortgerukt •, het leger van Turenne bleef daarentegen 
in het Geldersche en ging eerst in het begin der maand Juli 
tot het beleg van Nijmegen over. Als men opmerkt dat Schen- 
kenschans zich reeds den iQcn Juni overgaf of op het laatst den 
21 sten Juni, en dat de Fransche veldheer eerst den 2en Juli de 
Waal overtrok om Nijmegen in te sluiten, dan ziet men dat er 
tien b. twaalf dagen door hem werkeloos zijn doorgebracht. Als 
reden van die vertraging wordt opgegeven, dat de vaartuigen, 
die van Wezel en Emmerik moesten komen om boven Nijmegen 
een schipbrug te slaan, eenige dagen werden opgehouden door 
tegenwind. Wat hiervan zij, zeker is het dat de Fransche leger - 
hoofden in dit gedeelte van den veldtocht geen groote werkdadig - 
heid hebben betoond. De zorg voor de genomen vestingen kan 
hen misschien hebben bezig gehouden. Turenne en Condé had- 
den aan den Koning voorgesteld, om alleen de zeer belangrijke 
plaatsen te bezetten en de overige te slechten; Lodewijk had 
echter gehoor gegeven aan den raad van Louvois om alle ge- 
nomen steden te blijven bezetten. Natuurlijk verminderde hier- 
door de sterkte van het Fransche leger aanmerkelijk, en men 
kan moeielijk zeggen voor wien in dezen veldtocht de vestingen 
nadeeliger zijn geweest, voor den aanvaller of voor den verdediger. 

Om aan de verzwakking van het hoofdleger tegemoet te komen^ 
ontving Chamilly bevel, de troepen van De Nancré tot zich te 
trekken, een 5000 man, onder De Vaubrun, bij Maastricht te 
laten, en met het overige zijner macht, langs de Maaskant, Noord- 
Braband binnen te rukken. 

Nijmegen, dat nu het geweld der Fransche wapenmacht moest 
verduren, was eene vesting die door de sterkte der bezetting en 
de genoegzaamheid van de bewapening, in staat was een krachtigen 
wederstand te bieden, en wanneer die wederstand slechts weinige 
dagen geduurd heeft, dan moet men dit toeschrijven, eensdeels 



Digitized by 



Google 



BELEGERINGEN. I49 

aan de wijze van aanval, waarbij om maar tijd Ie winnen geen 
roenschenlevens werden gespaard, en anderdeels — wij moeten 
er dit bijvoegen — aan het minder goede der verdediging. Wij 
weten wel dat die laatste bewering in strijd is met het gevoelen, 
200 van onze als van de meeste Fransche schrijvers, die de ver- 
dediging van Nijmegen zeer prijzen; zelfe in strijd is met het 
oordeel van Turenne, die in zijn brieven hoogen lof toezwaait 
aan de verdedigers; wij willen ook toestemmen dat de verdedi- 
ging van Nijmegen zeer gunstig afsteekt bij die der andere ves- 
tingen; — maar dit laatste zegt nog niet veel. Wanneer wij aan den 
eenen kant erkennen dat bij verschillende gelegenheden de bezet- 
ting groote geestkracht heeft betoond, zoo moeten wij aan de 
andere zijde er bijvoegen, dat de verdediging veel te spoedig 
heeft opgehouden; dat zij hoogstens redelijk mag worden ge- 
noemd, maar volstrekt niet den naam van goed verdient. 

Nijmegen, op den linkeroever van de Waal gelegen, was aan 
de rivierzijde alleen beschermd door een ouden muur, aan de 
landzijde door een gebastionneerden hoofdwal, (men moet hier 
geen te nauwe beteekenis hechten aan het woord: bastion; 
onder de werken welke wij hier zóó noemen, waren sommige 
van een zeer onregelmatige gedaante, vele van de hoofdwal af- 
gescheiden). De stad was omgeven met eene gedeeltelijk natte, 
gedeeltelijk droge gracht; de laatste was voorzien van een stevige 
palissadeering; en eene verhakking op de kruin van het glacis 
was bestemd om de verdediging van den bedekten weg te begun- 
stigen. Vóór het bastion Nassau, bijna in de onmiddellijke nabij- 
heid van de gracht, was een groot, tenaille-vormig buitenwerk, 
dat men onbezet en ongeslecht had gelaten; dit was een grove 
misslag, dewijl men wel kon voorzien dat de vijand daarvan 
partij zou trekken om zijne loopgraven zeer nabij de stad te 
openen. Op de geheele landzijde was de aanval te wachten, omdat 
het droge, opene terrein geen zwarigheden daartegen oplevert; 
aan de rivierzijde niet. hoezeer de Franschen het gerucht uit- 
strooiden dat zij met gewapende vaartuigen Nijmegen wilden be- 
stoken: eene dergelijke poging was weinig te duchten en de 
enkele ringmuur aan de rivierzijde was hiertegen eene voldoende 
verdediging. 

De bezetting bestond uit de regimenten infanterie van Cassiopijn, 
Van Beveren, Schot en Van Gent; mét de vier compagnieën die 
vroeger in bezetting op het huis te Gennep waren geweest, maar 
thans, die sterkte onUuimende, op Nijmegen teruggingen, maakte 
dit 40 compagnieën voetvolk. Die compagnieën moeten echter 
niet voltallig zijn geweest, want, mét 9 compagnieën ruiterij en 
5 compagnieën waardgelders, wordt de geheele sterkte begroot op 
2500 k 2600 man; — denkelijk doordat sommige der regimenten^ 
bij het gevecht van den i2en Juni om den overgang van den 



Digitized by VjOOQIC 



150 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

Rijn, reeds verliezen hadden geleden. Bij die troepen — volgens 
Turenne's verzekering de beste van het Hollandsche leger — 
voegden zich nog 5 compagnieën schutters uit Utrecht, Rhenen 
en Montfoort, en de gewapende Nijmeegsche burgerij, wier sterkte 
door een onzer schrijvers — denkelijk wat overdreven — op 
2500 man wordt begroot. De Fransche opgaven stellen het ge- 
heel der bezetting op 4000 man voetvolk en 400 ruiters; — 
zooveel is zeker, dat die bezetting een voldoende sterkte had» 
Van levensmiddelen en krijgsbehoeften was een genoegzame voor- 
raad voorhanden ; er waren in het geheel 60 stukken geschut, de 
meeste 24-pondersen i8-ponders; eene bewapening voor dien tijd 
zeer aanzienlijk. De bevelhebber was de ruiterij-generaal Van 
Weideren, een man, die wel is waar niet geheel ingewijd schijnt 
geweest te zijn in de geheimen van den vestingoorlog, maar die 
mindere kunde vergoedde door dapperheid en stoutheid. 

Den 2 en Juli begon de berenning van Nijmegen door een 
ruiterkorps waarbij zich Turenne zelf bevond, die dadelijk de 
verkenning van de vesting verrichtte. Den 3en trok het Fransche 
leger, 18000 man sterk volgens een onzer schrijvers, over een 
schipbrug bij Gent, een uur boven Nijmegen, de Waal over en 
legerde zich dadelijk om de vesting; de ruiterij had fascinen 
gemaakt voor de loopgraven, die nog denzelfden avond om ia 
uur werden geopend; 4000 man trokken naar het onbezette bui- 
tenwerk vóór het bastion Nassau, benuttigden de borstwering 
om zich te dekken, en deden van daar de loopgraven uitgaan, 
aan de eene zijde tot tegenover de Molenpoort, aan de andere 
zijde tot aan het ravelijn naar den kant van de Hezelpoort. Dit 
was voor den belegeraar een beslist voordeel: hij was nu dade- 
lijk bij het begin van het beleg zoover als men anders eerst 
na een paar weken is; dadelijk had hij eene parallel, die zeker 
geen 100 el verwijderd was van de saillant van het bastion 
Nassau. Aan de aanvalswerken werd met zooveel kracht voort- 
gewerkt, dat de belegeraars zich reeds in den ochtend van den 
4en hadden ingegraven op de kruin van het glacis; dit ging 
echter niet dan ten koste van zware verliezen, veroorzaakt door 
het hevige vuur uit de vesting. Bij het Fransche leger waren 
alle ingenieurs, op één na, d'Aspremont, buiten gevecht gesteld, 
en dit maakte dat de aanvalswerken niet altijd goed werden 
uitgevoerd, het verlengde van enkele deelen der loopgraven uit- 
kwam op de werken der vesting en de belegeraar daardoor meer 
verliezen leed dan noodig was geweest. Er werden drie batte- 
rijen opgeworpen : eene van 8 stukken in den inspringenden hoek 
van het buitenwerk, rechts daarvan eene tweede van 5 stukken 
en geheel op den rechtervleugel eene derde batterij, ook van 
8 stukken, tegen het ravelijn der Molenpoort en tegen het bas- 
tion Oranje. Wat eigenlijk de bestemming was van die batterijen^ 



Digitized by 



Google 



BELEGERINGEN. I5I 

valt moeielijk te zeggen; het plan der belegering maakt ons 
daaromtrent niet veel wijzer, evenmin als Beaurain's opgave, dat 
het was y^pour raser ies défenses des assiégés, et surtout un moulin 
jort élevé^ (foü ih voyaient dans presque tous les travaux,^'* Volgens 
onze schrijvers was het geschutvuur hoofdzakelijk gericht op 
kerken en hooge gebouwen, om daardoor de stad overlast aan 
te doen; eene handeling die in een tijd toen de burgerij een 
werkzaam deel nam aan de verdediging, niet zoo ongerijmd was 
als zij het in onze dagen zou zijn. 

De belegerden hadden eene opeisching, den 4en gedaan, van 
de hand gewezen. In den daarop volgenden nacht daalden de 
Franschen in de droge gracht neder, hieuwen een gedeelte van 
de palissadeering omver en naderden het bastion naar de zijde 
van de Uezelpoort; het vuur uit de vesting en een aanval door 
den kolonel Van Gent gedaan, dwongen hen evenwel met ver- 
lies af te trekken. Van Gent vond hier een roemvollen dood, 
evenals bij Solebay zijn broeder, de dappere vlootvoogd. 

De bedekte weg was intusschen verlaten door de belegerden; 
en de belegeraar daalde nu in de droge gracht neer, groef zich 
in op de punt van het bastion Nassau en maakte een begin met 
mijngangen onder dat werk en onder het Hezel-ra velijn. De bele- 
gerde poogde dit zooveel mogelijk te verhinderen door het doen 
van uitvallen en het werpen van handgranaten ; tevens maakte hij 
binnen-verschansingen in de twee bedreigde werken en bezette met 
voetvolk en geschut een tusschen beide liggenden toren, die uit 
drie verdiepingen bestond en waarvan de muren bijna 4 el dik 
waren. Sommige van onze schrijvers spreken van stormen in den 
nacht van 5 — 6 en van 6—7 Juli, door de Franschen onder- 
nomen, en door de onzen afgeslagen; hierover zijn zij evenwel 
niet eensluidend, maar wel daarin, dat op den 7 en tegen den 
avond, toen door een zwaren regen de meeste lonten waren uit- 
gedoofd, de Franschen een storm deden op het bastion Nassau 
en dit werk bijna veroverden: de belegerden namen reeds de 
wijk, maar door dappere bevelhebbers weer tegen den vijand 
aangevoerd, gelukte het hun dezen weder uit het bastion te ver- 
drijven en den hoofd wal geheel te behouden. De Fransche schrij- 
vers spreken niet van die stormen, maar zeggen daarentegen dat 
de Nederlanders gedurig uitvallen deden. 

Toen men echter op den 8sten de zekerheid verkreeg van het 
bestaan der twee door den vijand aangelegde mijngangen, wer- 
den — zooals een onzer schrijvers zegt — tvele officieren zeer 
zwaai hoc f' iig"; ontmoediging begon zich te verspreiden, onder 
bezetting en burgerij, en in een dien dag gehouden krijgsraad 
kwam men overeen om met den vijand te onderhandelen. Dit 
had ten gevolge dat op den Qen Juli Nijmegen aan den vijand 
werd overgegeven. De bezetting bleef krijgsgevangen ; de hoofd- 



Digitized by 



Google 



152 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

officieren verkregen evenwel vrijen aftocht naar Gorkum en 
onttrokken zich dus aan het lot hunner troepen, een verkeerde 
handelwijze, maar die toentertijd algemeen was aangenomen. 
De schutterijen uit Utrecht konden ook ongehinderd naar huis 
trekken. De overige officieren en soldaten der bezetting konden 
zich binnen eene maand tijds vrijkoopen; ieder ruiter moest 
daarvoor als losgeld betalen 6 rijksdaalders, ieder soldaat 3. 

Het verlies der belegeraars wordt door de Fransche schrijvers 
niet vermeld, maar de onze begrooten het, sommigen op ruim 
2000, anderen op 4000 man; wij gelooven dat in die cijfers 
overdrijving is, maar toch moeten de verliezen van het Fransche 
leger niet onaanzienlijk zijn geweest, te oordeelen naar de wijze 
van aanvallen, waarop toepasselijk is wat van den aanval op 
Knodsenburg is gezegd. Het verlies der belegerden wordt geschat 
op slechts 50 man aan dooden en gewonden. Wanneer men bij 
dit geringe verlies den korten duur van het beleg in aanmerking 
neemt (van 3 — 9 Juli, hoogstens zes dagen), dan geeft dit de 
maat van het meer of min krachtdadige der verdediging. 

Wij kunnen daarom die verdediging niet zoo prijzen als Tu- 
renne zelf dit heeft gedaan. De lof van de zijde eens vijands is 
zeker eervol, maar zij moet waar en gegrond zijn, en hier is zij 
dit, naar ons gevoelen, niet. Wij erkennen dat de bezetting, in 
den korten tijd van het beleg, met dapperheid heeft gestreden, 
dat haar gedrag gunstig afsteekt bij dat van andere bezettingen, 
en dat Beaurain niet geheel ten onrechte zegt, idat van alle 
steden, door de Franschen belegerd, Nijmegen de eenige was 
die zich behoorlijk verdedigde"; — maar wij noemen dit een vrij 
onbeduidenden lof; wij zijn van gevoelen dat door den misslag 
om het buitenwerk vóór het bastion Nassau onbezet te laten, 
de duur der verdediging aanmerkelijk is bekort geworden; 
wij zijn ook van gevoelen, dat zelfs nu de overgave niet 
zoo spoedig had behoeven te volgen, dat de bovengenoemde 
Fransche schrijver ten onrechte zegt idat Van Weideren zich 
hoogstens nog éénen dag had kunnen verdedigen", en dat men 
van eene bezetting, zoo sterk als die van Nijmegen, krachtiger, 
langduriger wederstand had mogen verwachten. — Men versta 
ons wel : wij noemen de verdediging van Nijmegen nog niet slecht, 
vooral niet wanneer wij ze vergelijken met de andere krijgshan- 
delingen van dien tijd; — maar ze goed te noemen, ze lof toe 
te zwaaien, daarop te wijzen als op een roemrijk voorbeeld, — 
dit is verkeerd, dit strijdt met de waarheid, dit toont aan dat 
men zeer weinig streng is in zijne eischen van krijgsplicht, dit 
bewijst eene onverstandige bewondering voor het voorgeslacht, 
die zelfs de onbeduidendste daden tot heldenfeiten wil verheffen. 

Nog vroeger dan Nijmegen was ook de vesting Grave in 

Digitized by VjOOQIC 



BELEGERINGEI>^. 1 5 3 

's vijands handen gevallen. Het oprukken van Chamilly, die met 
eene macht, door onze schrijvers begroot op bij de loooo man, 
Noord-Braband naderde, had met reden ongerustheid ingeboezemd 
voor Den Bosch en Breda, in welke vestingen slechts zeer zwakke 
bezettingen lagen. Men besloot daarom het minder gewichtige 
op te offeren aan het gewichtigste, en Grave te ontruimen, om 
roet de bezetting dier plaats de bezettingen te versterken der 
andere Noord-Brabandsche vestingen. Een last hiertoe, den 28sten 
Juni door twee afgevaardigden der Staten-Generaal aan den be- 
velhebber van Grave, Walenburg, toegezonden, werd door dezen, 
die van het belang dier vesting doordrongen was, niet uitge- 
voerd; in plaats daarvan vroeg Walenburg nadere bevelen van 
Willem HL Maar het bevel tot ontruiming van Grave werd tot 
tweemaal toe herhaald, de tweede maal zelfs met bedreiging des 
doods wanneer de bevelhebber der vesting niet gehoorzaamde, 
en daar er geen tijding inkwam van den Stadhouder, achtte 
Walenburg zich verplicht de vesting te ontruimen. — Het betrof 
hier het zoo dikwijls betwiste punt: of een krijgsbevelhebber 
altijd verplicht is tot uitvoering der ontvangene bevelen? Wij 
voor ons beantwoorden in het algemeen die vraag ontkennend, 
maar wij stemmen toe dat door niet te gehoorzamen een bevel- 
hebber zware verantwoordelijkheid op zich laadt, en dat hier, in 
dit bijzonder geval, de zaak duister en twijfelachtig was. 
. Den 2cn Juli verliet de bezetting Grave; versterkt door de be- 
zetting van het reeds vroeger ontruimde Ravestein, telde zij toen 
33 compagnieën, eene sterkte van 2400 man uitmakende. 

Intusschen waren eenige Spaansche troepen uit de Zuidelijke 
Nederlanden opgerukt om de bezettingen van Breda en Den 
Bosch te versterken. Willem III hiervan onderricht, gaf bevel 
dat Grave niet zou worden ontruimd, of wanneer het reeds ont- 
ruimd was, het onverwijld weer moest worden bezet. De bezet- 
ting van Grave, den 2en 's avonds om 10 uur in Den Bosch 
gekomen, ontving dus spoedig bevel om weer op Grave te trek- 
ken, en den volgenden dag, 's namiddags tusschen 4 en 5 uur, 
werd de marsch daarheen aangenomen. Walenburg zelf, met een 
80 dragonders, reed vooruit en kwam nog dien dag te Grave 
aan. Te laat! De regeering van Grave is reeds aan het onder- 
handelen met een officier van Turenne ; de ruiterij van Chamilly, 
een fooo paarden, staat reeds bij die vesting; en toen den vol- 
genden ochtend de voorste afdeeling der bezetting, een 1000 
man voetvolk met 200 ruiters, zich te Reek vertoont, een half 
uur van Grave, wordt die afdeeling plotseling door de Fransche 
ruiterij overvallen en, in wanorde zijnde, geheel verslagen, gedood 
of gevangen genomen. Grave, met eene bewapening van 40 ^ 5 o 
stukken en een aanzienlijken krijgsvoorraad, valt daarop in han- 
den van de Franschen. 



Digitized by 



Google 



154 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGK BESCHOUWINGEN. 

Na de inneming van Nijmegen ging Tarenne's leger den iien 
Juli op Grave, trok daar de Maas over en kwam, zijn marsch 
over Maren en Alem nemende, den 13CQ te Empel^ een klein 
half uur van het fort Crèvecoeur.. Chamilly had zich geplaatst 
aan de westzijde van Den Bosch, te Vlijmen en Bokhoven. 
Boven en beneden Crèvecoeur werden toen door de beide 
Fransche veldheeren schipbruggen over de Maas geslagen, en 
een gedeelte van de Fransche macht ging over op den rechter- 
oever der rivier, ten einde de insluiting van Crèvecoeur te vol- 
tooien. De Fransche Koning zelf, teruggehouden door de water- 
linie die Holland dekte, en geen kans ziende om dien hinderpaal 
te overkomen, had Utrecht weer verlaten; het bevel over de 
daar achtergebleven legermacht opdragende aan Luxembourg. 
Met een gedeelte zijns legers trok Lodewijk XIV over Arnhem 
op Noord-Braband en sloeg zich den l^^^ Juli bij Boxtel neder. 
£ien groote 40000 man Fransche troepen waren toen rondom 
Den Bosch vereenigd, en de verovering van geheel Noord- 
Braband scheen in 's vijands bedoeling te liggen. 

£en weinig vroeger ondernomen, zou die verovering niet veel 
zwarigheden hebben opgeleverd, want de bezettingen der ves- 
tingen waren zwak en onbeduidend, en de werken had men 
zoodanig laten vervallen, dat onder andere van Breda en Ber- 
gen op Zoom vermeld wordt, dat men daar het jaar vóór dezen 
oorlog de palissadeering had verkocht, en de heggen op de« 
bermen had omgehouwen. Maar toen men bericht kreeg van 
Chamilly's opmarsch, had men in alle haast de vestingwerken 
doen opmaken ; schutterijen uit Zeeland en Holland waren in de 
Noord-Brabandsche steden gekomen ; en, wat meer afdeed, Mon- 
terey zond eenige oude Spaansche troepen tot hare bescher- 
ming: — zoo kwamen in Den Bosch 1800 Spanjaarden, in Breda 
900, in Bergen op Zoom 800 en ook eenige compagnieën in de 
vestingen van Staats- Vlaanderen. Dit, gevoegd naar men wil bi) 
het regenachtige weder, waardoor de moerassen om Den Bosch 
aanmerkelijk vergroot werden, verijdelde 's vijands toeleg, en 
eene onderneming, die de wisse verovering van geheel Noord- 
Braband scheen ten gevolge te zullen hebben, bepaalde zich tot 
de inneming van twee onbeduidende vestingen: het fort Crève- 
coeur en de stad Bommel. 

Het fort Crèvecoeur had in 1672 nagenoeg dezelfde gedaante 
als die het ook in onzen tijd heeft gehad. Aan den samenloop 
van Dieze en Maas gelegen, was het een onregelmatig gebastion- 
neerde zevenhoek, die, ten noorden beschermd wordende door 
de Maas, aan de west- en zuidzijde door de Dieze, aan die 
zijden moeielijk was aan te vallen, maar die het aanvalbaarst 
was aan de oostzijde, aan den kant van Ëmpel, waar het tus- 



Digitized by VjOOQIC 



BELEGERINGEN. 1 5 5 

schen den dijk en de Maas gelegen terrein doorsneden was met 
slooten^ die natuurlijke loopgraven uitmaakten^ en waar eene 
kromming van den dijk, op geen 300 el van het fort, den be- 
legeraar eene bedekte nadering toeliet. 

De bezetting van het fort bestond uit 4 onvoltallige compag- 
nieën voetvolk, benevens 3 compagnieën waardgelders; zij wordt 
door de Fransche schrijvers geschat op 800 man, maar is waar- 
schijnlijk niet zoo sterk geweest. De bewapening bestond uit 11 
ijzeren stukken van 8 en van 10 pond, op affuiten, izoo oud dat 
zij het geschut naauwlijks konden dragen, veel min geweld van 
schieten uitstaan." Van levensmiddelen was de bezetting slechts 
voor weinige dagen voorzien, en toen de bevelhebber zich hier- 
over beklaagde bij de Gedeputeerden te Gorkum, ontving hij 
van deze het zeer Christelijke, maar weinig troostrijke antwoord : 
iwij hopen dat God u zal helpen; wij kunnen u nu niet helpen." 

Het niet aankomen van het belegeringsgeschut was oorzaak, 
dat eerst den i6en Juli de loopgraven tegen Crèvecoeur wer- 
den geopend, hoezeer reeds twee dagen vroeger die vesting was 
ingesloten; die tijd werd door Turenne's troepen doorgebracht 
met het maken van 10 000 fascinen. Terwijl Chamilly op den 
linkeroever der Dieze een schijnaanval deed, werd op den rech- 
teroever, bij den Empelschen dijk, de aanval begonnen; een 
sloot van eene groote 200 el lengte, tusschen den dijk en de Maas 
gelegen, werd als parallel gebruikt; door middel van schans- 
korven werd die parallel voortgezet tot aan de Maas, en in de 
onmiddellijke nabijheid der rivier gingen de loopgraven vooruit 
naar den uitspringenden hoek van het noord-oostelijke bastion 
van Crèvecoeur. Drie batterijen, met 16 vuurmonden bewapend, 
beschermden dien arbeid door hun vuur. De belegerden poogden 
alleen met geschutvuur 's vijands arbeid te vertragen, maar met 
weinig goed gevolg, daar reeds op den iSen eenige stukken bui* 
ten werking waren gesteld, de vijand tot de voorgracht was ge- 
naderd en die met fascinen trachtte te dempen. Een storm was 
aanstaande en de laffe bezetting wilde dien niet afwachten, wierp 
de wapens weg en dwong daardoor den bevelhebber om in onder- 
handeling te treden. Den igen Juli had de overgave plaats; men 
ontwapende de bezetting en liet haar toe om zich te begeven 
waarheen zij wilde. — De schans te Engelen werd toen ook 
ontruimd, de bezetting trok terug op Den Bosch. 

Bommel werd daarna aangetast; — vreemd is het dat die 
onbeduidende plaatsen een voor een en niet gelijktijdig door 
den vijand werden belegerd; dit bewijst niet ten voordeele van 
de Fransche legerhoofden, wier macht hiertoe meer dan vol- 
doende sterk was. Bommel, vrij regelmatig versterkt, met zeven 
bastions omgeven, kon evenwel niet lang weerstand bieden: de 



Digitized by 



Google 



156 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

Stad was zonder bedekten weg, zonder palissadeering, en de natte 
gracht die haar omgaf was zóó ondiep, dat — volgens de uit- 
drukking van Valckenier — » de ooijevaars gemakkelijk daar door 
wandelden." De bewapening bestond uit 21 stukken geschut, twee 
daarvan waren echter geheel onbruikbaar, en hoe de andere 
waren kan men opmaken uit de omstandigheid, dat bij het eerste 
schot dat men uit een dier stukken deed, de affuit dadelijk 
brak. De bezetting bestond uit 6 zwakke compagnieën, een 250 
man uitmakende ; hierbij voegden zich 4 compagnieën van de bur- 
gerij, een 500 man tellende. Het is nauwelijks te gelooven dat 
de Fransche aanvoerders, die door verstandhoudingen binnen de 
stad nauwkeurig onderricht waren van dien staat van zaken, 
haar echter de eer aandeden van een geregeld beleg, en dat 
Turenne zelf met een leger van 20 ^ 30000 man oprukte tegen 
eene vesting, die door een paar bataljons met eenige artillerie 
kon genomen worden. 

Het verhaal der belegering kan in weinig woorden geschieden. 
Den 2osten Juli komt Turenne voor de vesting, slaat zich neder 
met de hoofdmacht aan de zijde van het dorp Neder- Gameren, 
eischt de stad vruchteloos op, opent toen eene loopgraaf en werpt 
eene batterij op naar de zijde van de Gamerensche poort, wes- 
telijk van Bommel. Een gewapende uitlegger, den 21 sten de Waal 
afzakkende, brengt door geschut- en geweervuur eenig verlies 
en verwarring bij den vijand teweeg, die bij Gameren zijne tenten 
tot in de uiterwaarden had opgeslagen. Niettegenstaande dit 
kleine voordeel ziet men echter dra in, dat eene langdurige ver- 
dediging van Bommel ondoenlijk is; men treedt in onderhande- 
ling en den 22sten heeft de overgave plaats. De bezetting ver- 
kreeg vrijen aftocht naar Gorkura. 

Maar die onbeduidende voordeelen konden weinig of niets 
toebrengen tot de verovering van Holland, tot het einde des 
oorlogsj en de Fransche Koning, wanhopende hierin te slagen, 
de poging als het ware opgevende, besloot het oorlogstooneel 
te verlaten en naar zijne hoofdstad terug te keeren. Den 26sten 
Juli vertrok hij met zijn broeder Orleans, onder geleide van 
een sterk ruiterkorps uit Boxtel, en zijn weg nemende dwars 
door de Spaansche Nederlanden, kwam hij op den avond van 
den len Augustus te Saint- Germain ; hier vierde hij een zegepraal 
over veroveringen, zoo onbeduidend van waarde, zoo gemakkelijk 
verkregen, zoo spoedig weer verloren! 

Turenne's leger bleef na de inneming van Bommel eenigen 
tijd werkeloos, in kantonnementen verdeeld; het voetvolk in de 
Bommelerwaard, de ruiterij in de Meierij van 's Hertogenbosch. 
Chamilly keerde met zijn legerkorps terug naar de omstreken 
van Maastricht, en werd hier versterkt door het grootste gedeelte 



Digitized by 



Google 



KRUGSVERRICHTINGEN IN DE OOSTELIJKE GEWESTEN. 157 

van de Mahm du RoL Luxembourg was toen met een 16000 
man in en om Utrecht, het overige werd verdeeld over de ver- 
overde vestingen. 

Toen in het begin van Augustus de krijgstoerustingen van den 
Keurvorst van Brandenburg en van den Keizer eenige onrust 
begonnen te verwekken aan de Fransche zijde, trok Turenne 
een 8000 man bijeen te Berlicum bij Den Bosch. Versterkt door 
nog eenige afdeelingen, ging de Fransche veldheer den isten Sep- 
tember nabij Grave over de Maas, den 8sten bij Wezel over den 
Rijn, en stond op het einde der maand in Bergsland. Zijn leger 
was echter niet veel sterker dan een 12000 man; — men ziet 
dus hoe gering de afleiding was, door den opmarsch van het 
Brandenburgsche leger ten voordeele van de Republiek bewerkt. 
De voorname oorzaak van de verzwakking der Fransche legers 
in Holland moet gezocht worden in het bezet houden van alle 
veroverde vestingen, waardoor een goed gedeelte dier legers 
geheel onnut werd gemaakt. 



Om een volledig beeld te geven van dit tijdvak van den veld- 
tocht, moeten nog vermeld worden de krijgsverrichtingen van de 
Munsterschen en Keulschen, in de oostelijke provinciën der 
Republiek. 

Het vereenigde Keulsche en Munstersche leger, na in het 
begin der maand Juni zich zonder veel moeite te hebben meester 
gemaakt van Grol, Breêvoort en Lochem, was eenige dagen 
werkeloos gebleven tusschen Zutfen en Deventer. De sterkte van 
dit leger, nergens met juistheid vermeld, moe't evenwel toen aan- 
zienlijk zijn geweest, wanneer men in aanmerking neemt dat — 
volgens Sylvius — alleen het Keulsche leger met het Fransche 
hulpkorps uit 6 regimenten ruiterij en evenveel regimenten voet- 
volk bestond, en een dier laatste regimenten over de 3000 man 
telde; en het Munstersche leger uit 15 regimenten bestond, zoo 
ruiterij als voetvolk. Die opgave kan zeker weinig dienen om 
de juiste sterkte dier vijandelijke legermacht te doen kennen, 
maar zij doet ten minste zien, dat onze vroegere schatting van 
de vereenigde Munstersche en Keulsche krijgsmacht op een 
20 b, 30000 man zeker niet overdreven is ; onze schrijvers geven 
aan die krijgsmacht nu eens een sterkte van 30000, dan weder 
van 40000 man. De eigenlijke bevelhebber van dit leger was de 
Munstersche bisschop; Luxembourg was hem toegevoegd om 
zijne handelingen eenigszins te besturen, maar tusschen dit leger- 
hoofd en den krijgshaftigen kerkvorst schijnt spoedig zulk een 
gebrek aan overeenstemming te zijn ontstaan, dat de eerste door 
Lodewijk XIV werd teruggeroepen en vervangen door den 
markies De Renel. 



Digitized by 



Google 



158 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

De Bisschop had Zutfen willen belegeren, maar was daarin 
verhinderd door Luxembourg, die wist dat Frankrijk zelf die 
plaats in bezit wilde nemen; Deventer deed zich toen aan de 
Munsterschen voor. Hoezeer er eenige gebreken geweest kunnen 
zijn in de versterking van die stad, zoo moest men haar toen 
evenwel, voor de krijgsvoering van dien tijd, beschouwen als een 
sterke en belangrijke vesting, die langen tijd 's vijands macht 
had kunnen keeren. Behalve de regimenten voetvolk van Stekke 
en Broersma — die met 3 compagnieën ruiterij naar Deventer 
waren gezonden door Willem III, toen deze den IJsel verliet — , 
had men er nog andere infanterie en een 14 k 1500 waard- 
gelders, in 17 compagnieën verdeeld. Dit alles bedroeg een 4500 
man. Voegt men hierbij een 2000 gewapende burgers, dan maakt 
dit een aanzienlijke macht uit, die met beter gevolg kon werk- 
zaam zijn, doordien zij naar welgevallen op beide oevers van 
den IJsel uitvallen kon doen. Een 50 stukken geschut, die reeds 
op de wallen stonden, werden bij het verlaten van den IJsel 
door het Hollandsche leger nog versterkt door 16 of 18 stukken 
welke naar Deventer waren gezonden. De mond- en krijgsvoor- 
raad was voldoende. 

Al die verdedigingsmiddelen werden echter nutteloos gemaakt 
door het verraad van eene partij, die er toen op uit was om 
Overijsel van de Republiek af te scheuren en onder het Mun- 
stersche gezag te brengen. Die partij, die hare vertakkingen door 
de geheele provincie had, was het machtigst in Deventer, waar 
zij door een der aanzienlijkste geslachten — de Nilaut's — het 
voornaamste gezag in handen had en alles doordreef wat zij 
wilde; en de ongelukkige verhouding, die toentertijd de bezet- 
ting eener stad geheel ondergeschikt maakte aan de stedelijke 
regeering, werd door de zwakke krijgsbevelhebbers tot dekmantel 
genomen, om daarmede de spoedige en schandelijke overgave 
van Deventer te verschoonen. 

Den i6cn Juni vertoont zich de vijandelijke legermacht op den 
rechter IJseloever voor Deventer; den volgenden dag gaat eene 
afdeeling van 9000 man, die 6 mortieren bij zich heeft, een uur 
beneden de stad over den IJsel, plaatst zich op den linkeroever 
en voltooit zoo de insluiting. Er moet niet veel orde hebben ge- 
heerscht onder de Duitsche troepen, zoodat de sterke bezetting met 
voordeel had kunnen uitvallen, voornamelijk op den linkeroever ; 
tot dat laatste werd echter de mogelijkheid benomen, doordien 
men zelf den i yen de brug over den IJsel opbrak. Van uitvallen 
kwam dan ook weinig in, en reeds bij den aanvang was de ver- 
dediging zoo flauw, dat men niet eens den bedekten weg en de 
buitenwerken bezette. Op de beide oevers van den IJsel begon 
de belegeraar zich in te graven, terwijl hij in den vroegen ochtend 
van den 2osten een bombardement aanving, dat evenwel niet veel 



Digitized by 



Google 



KRIJGSVERRICHTINGEN IN DE OOSTELIJKE GEWESTEN. 159 

kwaad schijnt te hebben gedaan. Een uitval, die men uit de 
Norenberger Poort wilde doen, bleef zonder gevolgen door de 
kleinmoedigheid der troepen; voor dien uitval had men ook 
slechts 200 man genomen, bij eene bezetting van eenige dui- 
zenden! De loopgraven van den vijand, door niets verhinderd, 
gingen al vast voort en waren weldra aan de gracht. Men trad 
toen in onderhandeling, en niettegenstaande de tegenstreving van 
een der burgemeesters — Boekholt — , die op de groote ver- 
dedigingsmiddelen van Deventer wees om het plichtmatige van 
den wederstand aan te toonen, wist de roet den vijand heulende 
factie echter haren wil door te drijven en tot de overgave te doen 
besluiten. De militaire bevelhebbers schijnen niet het minste te 
hebben gedaan om die daad van verraad tegen te gaan ; sommige 
hunner waren zelfs medeplichtig aan dit verraad, zooals onder 
anderen de kolonel Broersma, die zich later voortdurend bij het 
Munstersche leger bleef ophouden en den bisschop met zijn raad 
diende. 

Den 21 sten Juni jrerd de schandelijke capitulatie geteekend, 
waarbij Deventer den vijand in handen werd gegeven en de be- 
zetting krijgsgevangen bleef, op eenige hoofdofficieren na, die 
zich niet schaamden om hun lot af te scheiden van dat hunner 
wapenbroeders, en van den overwinnaar de genade aan te 
nemen om vrij naar Groningen of Friesland te vertrekken. 

Gedurende dit korte beleg van Deventer zond de Munstersche 
bisschop detachementen uit om zich meester te maken van 
Elburg, Harderwijk en Hattem. Het eene dier detachementen, 
bestaande uit 600 ruiters en dragonders en aangevoerd door den 
overste HouttU)m, een uitgeweken Friesche balling, bemachtigde 
op den igen Juni Elburg en op den 2 2 sten Harderwijk, hetgeen 
niet de minste moeite kostte, daar die beide plaatsen geen bezet- 
ting hadden en niet werden verdedigd door de burgerij. Het andere 
detachement, naar de opgave van onze zijde 3000 man sterk en 
aangevoerd door den overste Nagel, ontmoette te Hattem meer 
* wederstand. Deze kleine stad, hoezeer geen andere bezetting 
hebbende dan 76 soldaten, waarbij zich 180 gewapende burgers 
aansloten, bleef zich echter vier dagen lang (18—22 Juni) met 
groote dapperheid verdedigen, en gaf zich eerst over toen 
zij de zekerheid had van niet te zullen worden ontzet en het 
geheele Munstersche leger hare muren naderde. Onze schrijvers 
beweren, dat het verlies van den vijand voor de muren van 
Hattem meer dan 700 man heeft bedragen ; zonder die bewering 
als geheel juist aan te nemen, moet men echter erkennen, dat 
de verdediging van die kleine stad lof verdient. 

Hattem, Elburg en Harderwijk, als tot Gelderland behoorende, 
kregen toen Fransche bezetting. 



Digitized by 



Google 



l6o KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

Het veroveren van de hoofdstad van Overijsel kostte den 
vijand even weinig moeite. Zwolle had toen tot bezetting de 
regimenten voetvolk van Bamphield en Ripperda; het eerste, 
door Willem III daarheen gezonden bij zijn terugtocht op Utrecht, 
bestond uit 8 compagnieën die te zamen slechts een 400 man 
telden; het tweede, nieuw aangeworven, had 9 compagnieën; 
in de stad waren nog 3 andere compagnieën voetvolk en 6 com- 
pagnieën nieuw aangeworven ruiterij ; — in het geheel wordt die 
bezetting begroot op een 1200 man, waarbij zich evenveel ge- 
wapende burgers konden voegen. 

Spoedig echter ontstond er een volslagen misverstand tusschen 
de bevelhebbers der bezetting en de stedelijke regeering; de 
eersten koesterden wantrouwen tegen de laatsten^ en hebben haar 
later — en met name een der burgemeesters, Royer — beschul- 
digd van in verstandhouding te hebben gestaan met den vijand, 
en dezen zoowel de bezetting als de stad in handen te hebben 
willen spelen. Het gedurig onderhandelen niet Munstersche zen- 
delingen en met een der Deventersche burgemeesters die het 
meest had aangedrongen op Deventer's overgave; het verwaar- 
loozen van alle middelen van verdediging; het ongeredderd 
laten van de vestingwerken ; de bijna onbruikbare toestand waarin 
men het geschut liet; — dit alles geeft de grootste waarschijn- 
lijkheid aan die beschuldiging tegen de Zwolsche regeering. 
Ripperda en Bamphield, wanhopende aan een goede verdediging 
en hunne troepen niet in *s vijands handen willende laten vallen, 
ontruimden Zwolle toen, trokken den 23steii Juni terug op Has- 
selt en den volgenden dag naar de Friesche grenzen. — Het 
onbezette Zwolle gaf zich toen den aósten aan den vijand over. 

Het zwak bezette Kampen volgde dit voorbeeld denzelfden 
dag, evenzoo Zwartsluis, Steenwijk en de overige kleine plaatsen 
van Overijsel. De Ommerschans werd ten gevolge van een op- 
stand der bezetting den 24sten Juni aan den vijand ingeruimd^ 
en de verovering van Overijsel werd als het ware bekrachtigd 
en bezegeld door eene capitulatie, welke de Ridderschap van 
dat gewest den 5 en Juli met den bisschop van Munster sloot. 
Zoo weinig volkszin en vaderlandsliefde was er toen bij de 
hoofden van dat gewest. 

Friesland en Groningen werden toen bedreigd met een inval 
van den vijand, en beide gewesten waren in weinig weerbaren 
toestand, bijna zonder troepen en alleen hier en daar eenige 
schier vervallen forten bevattende. De regeeringen dier gewesten 
namen intusschen dadelijk beleidvolle maatregelen voor hunne 
verdediging. In Friesland werden — zeggen onze schrijvers — 
de sluizen opengezet en polders en bedijkte landen geïnun- 
deerd; — hoever zich die inundatie uitstrekte, en in hoever 



Digitized by 



Google 



KRIJGSVERRICHTINGEN IN DE OOSTELIJKE GEWESTEN. l6l 

Friesland daardoor werd gedekt, is echter moeielijk op te maken. 
De weerbare bevolking werd te wapen geroepen en voegde zich 
bij den generaal Aylva, die te Heerenveen stelling nam met de 
troepen welke Overijsel hadden verlaten; de macht van dien 
bevelhebber bedroeg aanvankelijk slechts 13 ^ 1400 man, maar 
dag aan dag werd zij door schutterijen versterkt en hield zij den 
vijand in ontzag. 

De Groningsche Staten benoemden tot luitenant-generaal van 
de provincie en gouverneur der stad Groningen, Rabenhaupt, 
een oud, ervaren, krachtvol bevelhebber; een vreemdeling, als 
men wil — hij was Duitscher van geboorte — maar die zich 
ten volle het* burgerrecht heeft verworven door de langdurige en 
groote diensten, den lande bewezen. De geheele krijgsmacht, 
waarover Rabenhaupt aanvankelijk kon beschikken, was slechts 
een 1200 man; zij werd grootendeels vereenigd bij de stad 
Groningen. 

De Munstersche en Keulsche krijgsmacht, de strijdkrachten 
van Aylva en de verdedigingsmiddelen van Friesland sterker 
schattende dan zij waren, zag af van een inval in dat gewest en 
wendde zich naar de zijde van Groningen. De Oude of Belling- 
wolderschans, de Nieuwe of Langakkerschans, de Beijlerschans 
en het huis Ter Wedde werden zonder slag of stoot door den 
vijand bemachtigd; sommige dier sterkten waren mét, andere 
zónder last der Staten ontruimd, en twee bevelhebbers werden 
om dit laatste, of om het achterlaten van geschut, ter dood ver- 
oordeeld. De bevelhebber van de Bourtange, de kapitein Prot, 
gaf toen aan een onderbevelhebber des Bisschops, die hem door 
een aanbod van tweemaal honderd duizend gulden wilde over- 
halen om zijn vesting aan den vijand over te geven, het be- 
kende antwoord: tdat hij voor den vijand zooveel kogels had, 
als deze hem guldens aanbood." — Wij hebben de hoogste ach- 
ting voor de onbaatzuchtige eerlijkheid van dien trouwen be- 
velhebber, die, in een tijd van zooveel zwakheid en verraad, zich 
vrij wist te houden van alle omkooping, maar wij begrijpen niet 
hoe twee honderd duizend gulden konden geboden worden voor 
eene vesting als de Bourtange! 't Is waar, die som werd nog 
maar beloofd. 

Den aQsten Juni begon de vijandelijke ruiterij zich te vertoonen 
voor Coevorden, en den volgenden dag werd de vesting inge- 
sloten door de hoofdmacht der Munsterschen. Coevorden had 
vroeger eene zeer groote sterkte door hare natuurlijke ligging, 
maar door verloop van tijd waren de moerassen die haar om- 
gaven, langzamerhand verminderd; er waren slooten, afwate- 
ringen, afdammingen gemaakt, zoodat verschillende gedeelten 

WILLEM III. — I. II 



Digitized by 



Google 



102 KRIJGS- EN GESCHIBDKUMDIGE BESCHOUWINGEN. 

droog en begaanbaar waren, die men vroeger voor ontoegan- 
kelijk hield. Reeds in 1672 werd geklaagd over de verminderde 
sterkte van Coevorden; het was niet meer het y^Klesn Candia'\ 
zooals de Munstersche bisschop het ten onrechte noemde. 

De kunstmatige sterkte van Coevorden bestond uit een regel- 
matigen hoofdwal met 7 bastions en evenveel ravelijnen ; een van 
die bastions was door eene verschansing naar de stadszijde ver- 
anderd in een soort van citadel; het geheel was omgeven door 
een gracht, bedekten weg en voorgracht. Maar de werken waren 
slecht in orde, de borstweringen niet van genoegzame dikte, de 
grachten op sommige plaatsen geheel ondiep en de palissadeering 
zeer gebrekkig. Broersma, die vroeger bevelhebber ^an Coevorden 
geweest en bekend was met alles wat de vesting zwaks en ge* 
brekkigs had, bevond zich thans bij het leger van den Bisschop 
en wees dezen de gunstigste aanvalspunten aan. 

De bezetting bestond aanvankelijk uit 2 compagnieën ruiters 
en 13 compagnieën voetvolk, te zamen een 1000 man; weinige 
dagen voor het beleg kreeg men nog als versterking het vroe- 
gere garnizoen van Schenkenschans, dat door desertie tot op 
een 2 k 300 man was versmolten, zoodat de geheele bezetting 
van Coevorden op 12 ^ 1300 man kon worden begroot. De 
wapening bestond uit 29 stukken geschut op oude vermolmde 
affuiten; er was slechts een geringe voorraad van kogels, en toen 
men meer kogels had gevraagd, had men tot antwoord ge- 
kregen: idat dit niet noodig was, want dat de belegeringen, door 
de Franschen gevoerd, zelden lang duurden." Kon men scherper 
sadre maken op den ongelukkigen toestand waarin zich het krijgs- 
wezen in Nederland toen bevond! 

Den 309tcn Juni werd door de ruiterij der bezetting van Coe- 
vorden een uitval gedaan, die echter met verlies werd afgeslagen. 
Den 2en Juli werden de loopgraven geopend bij het huis Ten 
Klooster aan de westzijde en den 460 bij de Ësscherbrug aan 
de zuidoostzijde der vesting. De macht der belegeraars wordt 
door onze schrijvers begroot op 20 k 30000 man, en uit een 
brief van Chamilly — de broeder van den bevelhebber van het 
observatie-korps bij Maastricht — blijkt dat er bij de Bourtange 
eene afdeeling van 1500 man voetvolk en 1000 ruiters was 
achtergebleven om de bezetting dier sterkte, die een 300 man 
telde, in bedwang te houden. De belegeraar bracht bij beide 
nadernissen een groote hoeveelheid geschut in werking, dat, den 
6en Juli het vuur openende, in weinig dagen het geschut des 
verdedigers zoodanig tot zwijgen bracht, dat deze alleen geweer- 
vuur kon aanwenden tegen de aan vals- werkzaamheden; vooral 
het worpgeschut der Munsterschen richtte aanmerkelijke verwoes- 
tingen aan in de binnenruimte der kleine vesting. 

Terwijl de nademissen van den vijand steeds voortgingen, deed 



Digitized by 



Google 



GRONINGEN. 163 

deze, in den nacht van lo— ii Juli, den bedekten weg bestormen. 
Zoo groot was reeds de ontmoediging bij de bezetting, dat de 
wederstand gering was, en de aanvaller, slechts ten koste van 
een klein verlies, meester werd, niet alleen van den bedekten 
weg, maar ook van een der ravelijnen. Men trad toen in onder- 
handeling, en niettegenstaande de bevelhebber der vesting, de 
luitenant- kolonel Van Burum, volstandig weigerde in eene over- 
gave toe te stemmen, besloot echter de meerderheid van den 
krijgsraad daartoe, en zonder toestemming of zelfs voorkennis 
van den bevelhebber werden op den iien Juli de poorten der 
vesting voor den vijand geopend. De bezetting verkreeg vrijen 
aftocht naar Friesland, maar de voorwaarden der capitulatie 
werden door den Munsterschen bisschop zoo slecht gehouden, 
dat de bezetting eerst na geruimen tijd en na vele mishande- 
lingen te Harlingen aankwam. Te geringe straf voor de lafheid 
waarmede zij, alle krijgstucht met voeten tredende, zonder toe- 
stemming van haren aanvoerder de haar toebetrouwde vesting 
had overgegeven. 

De verliezen der beide partijen bij dit beleg vinden wij niet 
opgeteekend. Alleen wordt vermeld, dat de voormalige bevel- 
hebber der Schenkenschans hier sneuvelde ; — een eervolle dood, 
die zijne vroegere lafheid eenigszins doet vergeten. 

Na de overgave van Coevorden was het bij de hoofden van 
het vijandelijk leger een ernstig punt van overweging, of men 
al dan niet zou overgaan tot het beleg der stad Groningen. 
Tegen dit beleg bracht men in: de sterke ligging der stad, welke 
geen geheele insluiting toeliet; de bekwaamheid van haar bevel- 
hebber; en de nadeelige indruk welke deze onderneming zou 
maken wanneer zij mislukte. Ten voordeele van dit beleg voerde 
men aan: dat het nóg nadeeliger indruk zou maken, wanneer 
men niets uitvoerde; dat, daar men in Groningen alleen nog 
maar de stad Delfzijl had te vermeesteren en een inval in Fries- 
land ondoenlijk was door de inundatiën en het doorsneden ter- 
rein, er niet veel anders overbleef dan het beleg van Groningen ; 
dat dit beleg wel onzeker was, maar men toch ook moest reke- 
nen op de vrees en ontmoediging aan de Hollandsche zijde, op 
den aanzienlijken voorraad geschut, die men had, en op de 
sterkte der legermacht waarover men kon beschikken; die leger- 
macht bedroeg, behalve de ruiterij en behalve de bezettingen, in 
de vermeesterde vestingen en de afdeeling voor de Bourtange 
achtergelaten, nog een 13 k 14000 man alleen aan voetvolk. -— 
Al deze gronden, in het breede uiteengezet in eene memorie 
van vorst Wilhelm von Fürstenberg van den 24stcn Juli 1672, 
deden eindelijk tot het beleg besluiten. 

Waarschijnlijk is de Bisschop ook vooral aangespoord tot de 



Digitized by 



Google 



104 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

belegering van de stad Groningen, door Schuilenburg, die daar 
vroeger de hoogste betrekkingen had bekleed, deze later had ver- 
loren, en in 1663, bij een dier onlusten die in de geschiedenis 
onzer Republiek zoo veelvuldig voorkomen, zijn vaderland had 
moeten ontvluchten, om een tegen hem uitgesproken doodvonnis 
te ontgaan. De balling had zich na dien tijd aan het Munstersche 
hof opgehouden, en reeds tijdens den tweeden Engelschen oor- 
log den Bisschop met raad bijgestaan-, de zucht om zich op 
zijne vijanden te wreken over de ondergane vervolgingen en 
zegevierend in zijn stad terug te keeren, zal hem bewogen heb- 
ben, hare belegering den Bisschop aan te raden. 

De stad Groningen had hare sterkte toen voornamelijk te 
danken aan hare ligging in eene lage landstreek, bij verschillende 
uit het Drenthensche komende kleine rivieren, die zich verder 
noord- en oostwaarts in zee storten, en waardoor men onder- 
waterzettingen tot stand kan brengen, die het den vijand ondoen- 
lijk maken de stad aan verschillende zijden aan te vallen, en zeer 
moeielijk haar geheel in te sluiten. Nu behoeft het geen betoog, 
dat vooral die laatste omstandigheid aan Groningen eene zeer 
groote sterkte bijzette: eene vesting, die niet kan worden inge- 
sloten, die gedurig toevoer en versterking kan ontvangen, kan 
tot in het oneindige worden verdedigd; — Oostende heeft dit 
bewezen in de eerste jaren der 17e eeuw. 

Alleen de zuidzijde van Groningen, de hooge grond tusschen 
het Hoornsche Diep en het Schuitendiep, levert een geschikt 
front van aanval op. Dit terrein, eene breedte van een klein half 
uur gaans hebbend, en waar later de linie van Helpen is aan- 
gelegd, wordt oostelijk begrensd door het Schuitendiep of de 
Hunse, westelijk door het Hoornsche Diep. De eerste dier rivie- 
ren ontspringt uit de Wildervanksche venen, niet ver van de 
vroegere Valterschans, stroomt in de richting van het zuiden naar 
het noorden door het Zuidlaarder meer naar Groningen, buigt 
zich bij die stad in eene oostelijke richting om en loopt, onder 
den naam van Damsterdiep of Fivel, over Appingadam naar 
Delfzijl, waar zij zich in den mond van de £ems werpt. Het 
Hoornsche Diep, ook in Drenthe ontspringende, volgt langen 
tijd een bijna evenwijdigen loop met het Schuitendiep; te Gro- 
ningen verdeelt het zich in twee takken, de eene in westelijke 
richting, onder den naam van Hoendiep, eene trekvaart naar 
Dokkum vormende ; de andere, zijn loop in noordwestelijke rich- 
ting vervolgende onder den naam van Reitdiep, en in de Lauwerzee 
uitloopende. Het Hoendiep en het Reitdiep worden weer verbon- 
den door een dwarskanaal, het Aduarderdiep, dat, op een uur 
westelijk van Groningen, zich van het Hoendiep afzondert en, 
in noordelijke richting gaande, zich te Aduarderzijl met het Reit- 
diep vereenigt. Of te Aduarderzijl zich sluizen hebben bevonden, 



Digitized by 



Google 



GRONINGEN. 165 

is ons niet gebleken, maar wél wordt er bepaaldelijk gezegd, dat 
het vermeesteren van de daar aanwezige schans, den vijand in 
de gelegenheid zou hebben gesteld om de onderwaterzettingen 
van Groningen af te tappen. 

De stad Groningen zelve was regelmatig versterkt, omringd 
door een hoofdwal met 17 bastions (op oude plans dwingers 
genoemd), voorzien van een fausse-braie^ van eene breede en 
diepe natte gracht, en van eene gemetselde escarpe. Dadelijk, bij 
de nadering des vijands, had men, door het doorsteken van 
dijken en dammen, het openstellen van de kleine sluizen in den 
omtrek, en het leggen van twee dammen in de riviertjes die 
door de stad stroomen, eene onderwaterzetting verkregen, die, op 
de Drentsche zijde na, Groningen geheel omgaf. Naar de zijde 
van het front van aanval werden de voorsteden en alleenstaande 
gebouwen afgebroken of verbrand, heggen en boomen omge- 
houwen. Levensmiddelen en krijgsbehoeften waren er in Groningen 
genoegzaam aanwezig, en daar de gemeenschap met Friesland en 
Holland openbleef, werden zij steeds aangevoerd in den loop van 
bet beleg. Van geschut moet de vesting goed voorzien zijn ge- 
weest; ten minste, in de reeds aangehaalde memorie van den 
vorst van Fürstenberg wordt bij wijze van gerucht gezegd, dat 
er wel 200 stukken geschut in Groningen waren, en Renel, de 
Fransche aanvoerder die Luxembourg had vervangen, schrijft 
den 2isteQ Augustus uit het kamp voor Groningen, dat hij aan 
den goeden uitslag van het beleg wanhoopt, omdat de belegerden 
op het front van aanval wel een 60 stukken hadden en de be- 
legeraars nog slechts 26. 

De sterkte der bezetting wordt verschillend opgegeven : volgens 
sommigen bedroeg zij aanvankelijk slechts 1200 man, volgens 
anderen 2000 ; die laatste opgave komt vrij wel overeen met wat 
men vindt in den reeds aangehaalden brief van Renel, namelijk 
dat, »na de komst van 19 nieuwe compagnieën uit Holland, er 
in Groningen een 3000 man geregelde troepen waren" ; — over- 
dreven zijn andere Fransche opgaven, welke die geregelde troe- 
pen op 5000 man begrooten. De aanvankelijke samenstelling van 
de bezetting was: 23 of 24 compagnieën voetvolk, 4 compag- 
nieën ruiters en 3 compagnieën dragonders. Hieraan sloot zich 
de schutterij, 18 compagnieën uitmakende; bovendien hadden 
zich 4 nieuwe compagnieën gevormd, samengesteld uit burgers 
die anders vrij waren van schutterlijken dienst, maar thans uit 
vaderlandsliefde de wapenen hadden opgevat. Een 150 studenten 
vormden een keurtroep, die zich overal vertoonde waar het ge- 
vaar het grootst was, en zich overal onderscheidde door dap- 
perheid. — Wij gelooven dat men, zonder groote onnauwkeurig- 
heid, het geheele getal der verdedigers bij het begin van het 
beleg op een 4 è. 5000 man kan stellen. 



Digitized by 



Google 



l66 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

Genoegzaam sterke bezetting, voldoende uitrusting, krachtige 
wapening, vrije gemeenschap met het overige des lands, onaan- 
valbaarheid van het grootste gedeelte der vesting, ziedaar om- 
standigheden welke eene krachtdadige verdediging konden doen 
voorspellen, vooral daar er bijkwam de uitmuntende geest 
welke de verdedigers bezielde, en een aanvoerder die partij wist 
te trekken van al die voordeden. Rabenhaupt doet zich hier 
bij dit beleg kennen als een bekwaam, krachtvol en stout bevel- 
hebber; met beleid beraamt hij alle middelen die tot de ver- 
dediging moeten dienen; geen oogenblik luistert hij naar de 
voorslagen tot overgave ; en hij weet dadelijk den moed der be- 
zetting zoodanig op te wekken, dadelijk zulk een fieren toon 
tegen den vijand aan te nemen, dat deze, reeds van den eersten 
dag der belegering* af, aan de inneming van Groningen twijfelt. 
De opeischingen des Bisschops, de listige brieven van den ban- 
neling Schuilenburg, die, tegen zijn stad strijdende, zich in het 
leger der Munsterschen bevond, worden met verachting afge- 
wezen; eenige rampzaligen, overtuigd van verstandhouding met 
den vijand, worden ter dood gebracht, en diezelfde straf uitge- 
sproken tegen den voortvluchligen verrader Broersma, om daar- 
door in toom te houden wie zijn voorbeeld zou willen navolgen. 
De burgerij ondersteunt den wakkeren bevelhebber met een 
geestdrift, met een zelfopoffering, die herinnert aan de vroegere 
worstelingen tegen Spanje. 

Nagel, met 4000 ruiters de hoofdmacht des vijands vooraf- 
gaande, vertoonde zich op den iqcq Juli voor de poorten der 
vesting, na eerst, bij het dorp Helpen, in gevecht te zijn geweest 
met eene kleine ruiterafdeeling der bezetting onder den ritmeester 
Sickinghe. Den aostcn volgde de hoofdmacht, die den 21 sten zich 
voor Groningen vertoonde en daar eene legerplaats opsloeg tus- 
schen het Schuitendiep en het Hoornsche Diep; de Keulsche 
troepen rechts, die van Munster links. Er werden dadelijk veld- 
ovens aangelegd, om voor het onderhoud der troepen brood te 
bakken met het meel dat men van Zwolle en Deventer deed 
komen. 

Het was des Bisschops voornemen, om de stad Groningen 
zoo veel mogelijk geheel in te sluiten ; daartoe zou eene afdeeling 
over het Schuitendiep en het Damsterdiep trekken, om Groningen 
aan de noordzijde te omgeven; eene andere afdeeling zou het 
Hoendiep overgaan, zich naar de zijde van Dokkum uitbreiden 
om alle toevoer over land van de Friesche zijde te beletten, en 
tevens bij het Reitdiep een fort opwerpen, met 8 of 10 stukken 
geschut bewapend, om daardoor de gemeenschap met Holland 
over zee af te sluiten. 

Die pogingen slaagden echter niet. Den 22sten was door den 
vijand een brug geslagen over het Schuitendiep en breidde hij 



Digitized by 



Google 



GRONINGEN. 167 

zich uit op den rechteroever dier rivier, naar de zijde van het 
Damsterdiep. Over laatstgenoemde rivier waren twee bruggen: 
de Hoogerbrug, een kwartieruurs ten oosten van Groningen, en de 
Ruisscherbrug, bij het Siochterdiep ; beide bruggen waren in den 
beginne niet bezet geweest; thans echter waren zij van veld- 
werken voorzien en bezet met geschut, met eenige troepen en 
niet een aantal gewapende boeren, die, aangevoerd door de 
Groningsche edelen, het geheele Damsterdiep van Groningen 
tot Delfzijl bewaakten. Vruchteloos waren dan ook alle pogingen 
des vijands om die rivier over te trekken. 

Aan de andere zijde was eene afdeeling van 2000 vijandelijke 
ruiters, gevolgd door 8 compagnieën voetvolk, het westerkwartier 
binnengedrongen, den 23stcn Juli, bij Emetil, het Hoendiep over- 
gegaan, en had zich toen naar de Lauwerzee uitgebreid, de dor- 
pen Zuidhom, Noordhorn, Grijpskerke en het dorp Visvliet 
aan de rivier de oude I^uwers bezettende, en daardoor de ge- 
meenschap der stad Groningen met Friesland afbrekende. De 
schans te Aduarderzijl was echter nog bij tijds bezet door eene 
uit Groningen afgezonden afdeeling dragonders en een aantal 
gewapende boeren; en de aanvallen, den 25sten en 3ostcn Juli 
door de Munsterschen op die sterkte gedaan, werden telkens 
manmoedig afgeslagen, zoodat het den vijand niet gelukte, de 
onderwaterzettingen om Groningen af te tappen en de gemeen- 
schap over zee te verhinderen. 

Onder voor den belegeraar zoo ongunstige omstandigheden, 
werden op den 23stcn Juli de aanvalswerkzaamheden begonnen; 
door de Keulsche troepen rechts, naar de zijde van het Blaauwe 
huis; links door de Munsterschen, naar de zijde van de ge- 
rechtsplaats. Op welken afstand van de stad de loopgraven 
werden geopend, wordt niet met juistheid vermeld ; alleen wordt 
gezegd, dat den 23sten de loopgraven van de Keulenaars halfweg 
het Blaauwe huis en de stad waren; die der Munsterschen 
waren toen rneer achteruit, en volgens sommigen op te grooten 
afstand van de stad geopend; anderen zeggen, dat de steen- 
achtige grond oorzaak was, dat de aanvalswerken van de Mun- 
sterschen veel langzamer vorderden dan die der Keulenaars. 
Het front van aanvaK tusschen het Schuitendiep en het Hoorn- 
diep, bestond uit vijf bastions; twee poorten waren daar: ooste- 
lijk de Oosterpoort, westelijk de Heerepoort; bovendien 
had men, oostelijk van de Oosterpoort, nog een kleinere poort, 
het Steentilpoortje genoemd, waarvoor de belegerden een 
klein aardenwerk opwierpen, het Retranchement genaamd. 
De Keulenaars zouden nu hun aanval doen op de twee bastions 
aan weerszijden van de Oosterpoort, de Munsterschen op het 
bastion tusschen de Ooster- en de Heerepoort, dat ook door de 
Keulenaars werd aangevallen, en op de bastions westelijk van 



Digitized by 



Google 



l68 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

de Heerepoort. Den eersten dag werd de loopgraaf der Keule- 
naars bezet door 3 bataljons, die der Munsterschen door 2 regi- 
menten. 

De belegering van Groningen verdient minder nog uit een 
wetenschappelijk oogpunt onze aandacht, dan wel door den stand- 
vastigen moed die de verdedigers aan den dag leggen, en ook 
omdat men uit die belegering weer het bewijs kan putten, hoe 
moeielijk het is zich meester te maken van eene vesting die men 
niet kan insluiten. De aanvallers gaan in twee verschillende nader- 
nissen vooruit, zonder dat die nadernissen, die op sommige 
plaatsen niet meer dan een el of tien van elkander waren ver- 
wijderd, zich vereenigen ; van het aanwenden der parallellen vindt 
men hier geen spoor. De loopgraven van de Munsterschen blijven 
gescheiden van die der Keulenaars, en er wordt vermeld, dat 
die der eersten veel beter en ruimer waren dan die der laatsten. 
Geschutvuur wordt door den aanvaller op eene krachtdadige 
wijze aangewend om de vesting te doen vallen ; maar hij begaat 
daarbij twee groote misslagen: vooreerst door zijne batterijen 
niet gelijktijdig, maar de eene voor, de andere na in werking te 
brengen en ze daardoor, ieder afzonderlijk, bloot te stellen aan 
het overmachtige vuur van de vesting; en ten tweede door 
vooral werpgeschut te bezigen, niet tegen de vestingwerken, maar 
tot verwoesting van het inwendige der stad. In een tijd, toen de 
gewapende burgerij, bij de verdediging van hare stad, meesttijds 
even sterk was als de geregelde bezetting, kon het bombar- 
deeren van eene stad beschouwd worden als een barbaarsch, 
maar afdoend middel om de overgave te bewerken, door ont- 
moediging te brengen onder die burgerij; d^r echter, waar de 
burgerij waartegen men te strijden had, dapper en goed bezield 
was, kon dit middel weinig baten; en verminderde men, door 
een deel van het belegeringsgeschut tegen het binnenste der stad 
aan te wenden, de mogelijkheid om de vestingwerken te ver- 
nielen en het geschut des belegerden tot zwijgen te brengen. 

Vandaar dan ook dat, gedurende het gansche beleg, de artil- 
lerie der Groningers onbetwistbaar de overhand heeft op die 
des vijands; dat er gedurig batterijen der belegeraars worden 
vernield, terwijl slechts zelden vuurmonden der belegerden tot 
zwijgen worden gebracht, en dat, terwijl de belegeraars zeer 
groote verliezen lijden, in de stad wel veel huizen vernield wor- 
den, maar slechts een klein aantal der verdedigers sneuvelt. — 
Uit de batterijen werd ook met gloeiende kogels gevuurd, en 
uit de mortieren bommen in de stad geworpen, die, naar de 
opgave van onze schrijvers, 150 ^ 200 Nederlandsche ponden 
wogen! Ook wordt gesproken van mijngangen, die een honderd 
el lengte hadden, en waarmede de aanvaller, bedekt, de gracht 
schijnt genaderd te hebben. Die mijngangen moeten lager ge- 



Digitized by 



Google 



GRONINGEN. 169 

weest zijn dan het bo venvlak van het water in de grachten der 
vesting^ dat iets minder dan eene el beneden het maaiveld stond. 

De handelingen der verdedigers bestonden voornamelijk in het 
belemmeren van 's vijands werkzaamheden door middel van een 
hevig geschutvuur, en door het gedurig doen van kleine uit- 
vallen. De belegerden hadden meer geschut dan de belegeraars 
en gebruikten het op eene betere wijze. Vandaar dat zij altijd in 
het voordeel waren, 's vijands arbeid vertraagden, zijne batterijen 
gedurig vernielden en hem een groot verlies aan manschappen 
toebrachten. De uitvallen hadden meest plaats aan de oostelijke 
zijde, denkelijk onder bescherming van het aardenwerk dat men, 
nog gedurende het beleg, voor het Steentilpoortje opwierp; een 
honderd, een paar honderd man was de gewone sterkte der 
uitvallers, die meesttijds voordeden behaalden. Tegen het ont- 
staan van brand werden in de stad de meest gepaste maatregelen 
genomen, en daar de zuidelijke wijken het meest te lijden had- 
den, trok de burgerij zich grootendeels in het noordelijk gedeelte 
der stad terug. Tegelijkertijd waakte Rabenhaupt er voor, 'dat 
de vijand geen meester werd van die posten, zooals Aduarderzijl, 
de Hoogerbrug en de Ruisscherbrug, wier bezit hem in staat 
zou hebben gesteld, om Groningen geheel in te sluiten en de 
gemeenschap met Holland af te snijden ; gedurig werden er af- 
deelingen afgezonden om de bezettingen dier punten te verster- 
ken of af te lossen; andere afdeelingen werden gebruikt tot 
kleine aanvallende ondernemingen, die echter niet altijd slaagden. 

Ziedaar in algemeene trekken den gang van het beleg van 
Groningen, dat den 21 sten Juli begint en den aSsten Augustus 
eindigt; de bijzonderheden welke in die vijf of zes weken voor- 
vallen, zullen, als minder belangrijk, slechts kort worden vermeld. 

Reeds op den 23stcn Juli begint het geschutvuur der vesting 
op 's vijands loopgraven te spelen; dien dag krijgt men te Gro- 
ningen eene versterking van 200 man, behoorende tot het regi- 
ment, door Königsmarck aangeworven. Eerst den sósten hebben 
de Munsterschen eene batterij van 5 stukken gereed ; deze opent 
den volgenden dag haar vuur, maar alleen zijnde, wordt zij dra 
tot zwijgen gebracht door het geschut der stad. Den aSsten be- 
gint het worpgeschut des vijands op de stad te werken, en die 
beschieting wordt gedurende bijna het geheele beleg voortgezet ; de 
goede maatregelen die men in de stad tegen het ontstaan van 
brand heeft genomen, maken echter dat de schade, door dit bom- 
bardement veroorzaakt, veel minder groot was dan men van den 
langen duur had kunnen verwachten ; 's avonds wordt meestal 
het werpen gestaakt Het kanonvuur des aanvallers heeft slechts 
eene ondergeschikte werking, terwijl dat der belegerden gedurig 
toeneemt; de belegerde heeft nu ook 2 mortieren op het front 
van aanval gebracht; eerst den 28sten bezet hij de fausse-braie. 



Digitized by 



Google 



lyo KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWING tN. 

Het vuur uit het Retranchement voor het Sieentilpoortje be- 
lemmert den voortgang van de Keulsche loopgraven ; toch zijn 
de mijngangen van den vijand den 3osien Juli reeds tot nabij 
de gracht gekomen. 

De aanvaller, hopende door het bombardement ontmoediging 
in de stad te hebben gebracht, deed haar toen opeischen, maar 
ontving, den istcQ Augustus, een krachtig, weigerend antwoord. 
Het bombardement eener stad, wanneer het den moed der be- 
volking niet nederslaat, zal haar integendeel aanzetten tot eene 
verbitterde verdediging; het is een gevaarlijk middel; gebruik 
het tegen een weinig krijgshaftige bevolking, die zich dadelijk 
de ergste schrikbeelden schept, en maar op een voorwendsel 
wacht om zich over te geven; maar gebruik het niet legen een 
stoute, met geestdrift vervulde burgerij, die door het verwoesten 
van hare woningen alleen met meer haat bezield zal worden 
tegen den vreemden aanvaller ; — die laatste uitwerking had het 
hier te Groningen. De moed der verdedigers werd toen juist 
verRoogd door de tijding van 's vijands afgeslagen aanval op 
Aduarderzijl, en het vonnis, op dat oogenblik onder trommen en 
trompetten in de straten van Groningen tegen den verrader 
Broersma uitgesproken, werd begroet door het gejuich der met 
geestdrift bezielde bevolking. 

In den nacht van den 2en Augustus werden een 50 man der 
bezetting met een turfpont de gracht overgezet; zij vielen op de 
loopgraven der Keulenaars aan, doodden eenige vijanden en keer- 
den toen terug. Den 3cn werd die uitval door een ijo man hervat, 
welke den vijand grootere verliezen toebracht; den volgenden dag 
kwam weer eene versterking van 250 man uit Friesland in de 
stad Groningen. De vijand, hoezeer reeds den 3osten Juli in de 
nabijheid der gracht gekomen, deed echter geen poging om die 
over te trekken, dewijl het geschut- en geweervuur uit de vesting 
hem hierin hinderlijk was; van nu af aan kan men in zijne 
handelingen eene onzekerheid, eene weifeling opmerken, die aan- 
duidt hoezeer hij twijfelt aan het welslagen der belegering. Den 
7cn Augustus ondernam hij een aanval op het Retranchement 
voor het Steentilpoortje en op de Hoogerbrug; de eerste ge- 
lukte aanvankelijk; de bezetting, door eene vijandelijke storm- 
kolonne van 3 k 400 man nog voor het aanbreken van den dag 
overvallen, wijkt in wanorde binnen de stad; maar het geschut- 
vuur, dat dadelijk uit de stad op het verloren werk wordt ge- 
opend, is zoo hevig, dat de vijand het werk moet ontruimen, 
zoodat het weer bezet wordt door de Hollanders. — De aanval 
op de Hoogerbrug werd afgeslagen met groot verlies aan de 
zijde der aanvallers. 

Die mislukte aanvallen en het gedurig aankomen van verster- 
kingen in de stad, deden den toestand der belegeraars hoe lan- 



Digitized by 



Google 



GRONINGEN. 17I 

ger hoe moeielijker worden, en hunne pogingen bepalen zich voor- 
taan bijna alleen tot het voortzetten van het borobarderoent. De 
belegerde daarentegen begint meer aanvallenderwijze te handelen. 
Gedurig zijn er kleine afdeelingen van Königsmarck's regiment 
aangekomen; den loen Augustus komt het regiment van Jorman, 
14 compagnieën sterk, in de vesting; ook de vroegere bezetting 
van Coevorden en herhaalde aanvoeren van krijgsbehoeften en 
van geld bereiken de stad. — Rabenhaupt deed den 2 2 sten Augus- 
tus eene afdeeling van 400 man, onder den overste Huninga, 
uittrekken om de Nieuwe Schans te hernemen, in het oostelijk 
gedeelte van de provincie; door misleiding van de zijde der 
gidsen kwam die afdeeling echter te laat bij die sterkte die zij 
wilde overvallen, vond den vijand reeds onder de wapenen, en 
werd afgeslagen. 

Een batterij van 6 stukken, door den belegeraar in den nacht 
van 7 — 8 Augustus voltooid, wordt reeds den volgenden dag tot 
zwijgen gebracht door het vuur uit de vesting; dit vuur heeft 
echter minder uitwerking op de ingezonken mortierbatterijen, die 
voortgaan met het werpen van bommen. Den 1360 Augustus 
houdt het vuur van den belegeraar grootendeels op en blijft ge- 
durende eenige dagen geheel onbeduidend; hij herstelt zijne 
verliezen zooveel mogelijk, en bereidt zich voor tot eene nieuwe 
krachtsinspanning; maar talrijke troepen overloopers, die dag 
aan dag binnen Groningen komen, verkondigen de moedeloos- 
heid die reeds algemeen is onder de Munstersche en Keulsche 
krijgsmacht. Den 17 en hervat de aanvaller het vuur uit 5 batte- 
rijen; te zamen gewapend met 30 vuurmonden, zeggen onze 
schrijvers; met 26 volgens de opgave van Renel. Het vuur is 
heviger dan ooit, en van de belegerden wordt eene batterij bij 
de Oosterpoort tot zwijgen gebracht; maar de Hollandsche artil- 
lerie, overmachtig in getal, behoudt toch de overhand; reeds 
tegen den avond verflauwt 's vijands vuur; den volgenden dag 
zijn reeds zooveel verliezen toegebracht aan den vijand, dat 
tegen één schot van hem, de belegerden er vier of vijf doen ; 
en het springen van een kruitwagen doet een aantal belegeraars 
sneuvelen. Het vuur wordt voortgezet tot den sósten Augustus; 
het geschutvuur hield echter meestal tegen den avond op, en 
werd 's nachts vervangen door geweervuur. — Eene afdeeling 
van 400 Keulenaars, die in den nacht van 19 — 20 Augustus de 
Ruisscherbrug poogde te vermeesteren, werd met groot verlies 
afgeslagen. 

De vijandelijke legerhoofden begonnen toen in te zien, dat 
het tijd was om een beleg op te breken, welks voortzetting 
nadeelig en gevaarlijk was. Immers, van een bestorming was 
weinig goeds te verwachten: twij zijn," schrijft Renel den 21 sten 
Augustus, > reeds aan den rand der gracht, en kunnen aan den 



Digitized by 



Google 



172 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

overgang daarvan beginnen;" maar hij voegt er bij, dat door 
de groote hoeveelheid geschut, die de verdediger overal nog in 
batterij heeft en die de aanvaller niet tot zwijgen heeft kunnen 
brengen, die grachtsovergang zeer moeielijk {tres rudé) zal zijn; 
bovendien, er was niets dat op eene bres geleek. Een storm zou 
dus, bij de reeds heerschende ontmoediging bij het leger, eene 
dwaasheid zijn geweest. Het beleg voortzetten op andere wijze, 
kon ook niet voeren tot een goed einde; want daar men Gro- 
ningen niet kon insluiten, kon de macht des verdedigers gedurig 
versterkt en vernieuwd worden; het geschut van den aanvaller 
was, voor een goed gedeelte, buiten werking gesteld; de Mun- 
stersche en Keulsche soldaten liepen in menigte over, en de 
Hollandsche macht die zich in Friesland samentrok, — door 
Renel, mogelijk overdreven, begroot op 6000 man infanterie, 
2000 ruiters en 5000 gewapende boeren — zou toch dag aan 
dag sterker worden en kon dus spoedig gevaarlijk zijn voor het 
verzwakte leger dat Groningen bleef aanvallen. 

Dit alles bewoog de vijandelijke legerhoofden, met reden, om 
tot den aftocht te besluiten. — Den 26stcn Augustus heeft nog 
een uitval plaats, waarin de belegerden voordeden behalen; nog 
den systen vertoont de aanvaller zich bij Helpen, maar neemt 
den volgenden dag den terugtocht aan, die gedekt wordt door 
eene achterhoede die stelling neemt tusschen Helpen en Haren, 
en in den nacht van 29 — 30 Augustus den marsch volgt van het 
hoofdleger. De bezetting van Groningen is, dadelijk daarop, bezig 
met het vernielen van de aanvalswerken, ten einde eene hervat- 
ting van het beleg te verhinderen. 

Indien men onze schrijvers gelooven mag, zouden de verdedigers 
van Groningen, alles en alles, nog geen honderd man aan dooden 
hebben verloren, en zou het verlies des vijands gedurende dit 
beleg, aan dooden, gewonden, gevangenen en overloopers, 10 è. 
12000 man hebben bedragen. Wij waarborgen de juistheid van 
dit laatste getal niet, en wij vinden het zelfs vrij onverschillig 
of het verlies van de belegeraars een paar duizend man meer of 
minder is geweest; maar zooveel is ten minste zeker, dat door 
dit beleg de macht der Munsterschen en Keulenaars in onze 
oostelijke gewesten geheel werd geknakt, en van dien tijd af van 
alle aanvallende handelingen moest afzien. 

Wij hebben reeds vroeger de omstandigheden opgesomd, die 
de verdediging begunstigden en de inneming van Groningen tot 
eene hoogst moeielijke taak maakten ; — maar dit belet niet, dat 
die verdediging toch hoogen lof verdient en een roemrijk wapen- 
feit uitmaakt, dat wel in gedachtenis mag blijven, 't Is waar, men 
vindt hier niet, zooals bij de belegeringen van den tachtigjarigen 
oorlog — Haarlem, Alkmaar, Maastricht en andere — die telkens 
herhaalde en telkens afgeslagene stormen, dien hevigen kamp- 



Digitized by 



Google 



GRONINGEN. 175 

Strijd op een reeds in puin liggenden hoofdwal; — bressen in 
den hoofdwal^ stormen op den hoofdwal zijn hier niet geweest; 
evenals bij de belegeringen van den nieuweren tijd heeft de 
artillerie hier de voornaamste rol gespeeld, en men ziet dit wapen 
hier optreden met eene sterkte en eene krachtdadigheid, welke 
in die dagen een buitengewoon verschijnsel waren. Maar juist in 
de aanwending van de artillerie betoonen de belegerden de 
grootste bekwaamheid en geestdrift; de uitvallen, door hen ge- 
daan^ de verdediging der buitenposten, van wier behoud de 
insluiting van Groningen afhing, zijn goed en eervol geweest, en 
den hoogsten lof verdient de standvastigheid der bevolking, die 
zich niet laat ontmoedigen door de verwoesting van een goed 
gedeelte van hare stad, maar integendeel daardoor wordt aan- 
gevuurd tot grootere dapperheid. De 28ste Augustus, de dag 
van het opbreken van het beleg, wordt dan ook terecht in Gro- 
ningen nog steeds feestelijk herdacht, evenals de Fransche stad 
Rijssel nog heden ten dage den wederstand herdenkt die zij, in 
1792, den Hertog van Saksen -Teschen bood. Wat zegt evenwel 
die verdediging van Rijssel, vergeleken met het wapenfeit van 
1672; wat zegt die kortstondige wederstand, dat bombardement 
van zes dagen, tegen den wederstand dien Groningen bood aan 
krachtiger aanval, aan veel langduriger bombardement ! 

Dadelijk na het opbreken van het beleg van Groningen was 
Rabenhaupt er op bedacht, om op zijn beurt aanvallend te 
werk te gaan, en den vijand de verschillende kleine vestingen 
weer te ontnemen^ die hij in het oostelijk gedeelte der provincie 
had bemachtigd. Eene afdeeling van 2000 man voetvolk en rui- 
terij, onder den overste Jorman, verscheen den 8sten September 
voor Winschoten ; de Munstersche macht die hier was en die op 
een 1400 man wordt begroot, wilde zich niet laten opsluiten 
binnen de vesting, maar verliet haar en trok, na een klein ge- 
vecht, in oostelijke richting terug, Jorman nam toen Winschoten 
in bezit, evenals eenige kleine sterkten : de Winschoterschans, de 
Winschoterzijl, het huis Ter Wedde en de Bruggeschans, die 
alle zonder slag of stoot door den vijand werden ontruimd. 
De HoUandsche bevelhebber begon toen de insluiting van de 
Oude of Bellingwolderschans ; in deze en in de Nieuwe of 
Langakkerschans was de vijandelijke macht blijven standhouden. 

Van de zijde van Friesland was ook Aylva aanvallend te werk 
gegaan, — nadat eerst een aanval door de Munsterschen, in den 
nacht van 18 — 19 Augustus op de Friesche Schans te Heerenveen 
gedaan, tot driemaal toe was afgeslagen. Eene afdeeling van 
4 k 500 man, onder den kapitein Hania, v/erd ingescheept om 
zich meester te maken van Blokzijl, bezet door een 200 man 
voetvolk en 150 ruiters, Munsterschen. De Friezen landen in den 



Digitized by 



Google 



174 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

nacht van j — 2 September te Blankenham, een uur ten noorden 
van Blokzijl, ook aan de Zuiderzee gelegen; de Munstersche 
bevelhebber, hiervan onderricht, trekt hun den 2en September 
te gemoet met het grootste gedeelte van zijne bezetting, maar 
wordt geslagen, en neemt, door den vijand vervolgd, de wijk 
binnen Blokzijl; de burgerij staat toen op, opent een der poorten 
voor de Friezen, en de Munstersche bezetting neemt de wijk, 
eenige gesneuvelden achterlatende, waaronder haar bevelhebber. 

Weinige dagen later werd ook de Kuinderschans door de 
Friezen bemachtigd en VoUenhoven door den vijand ontruimd; 
maar eene poging, bijna gelijktijdig ondernomen, om zich mees- 
ter te maken van Zwartsluis, mislukte; voornamelijk door de 
persoonlijke dapperheid van Chamilly, die zelf van Zwolle toe- 
snelde ter hulpe van dat plaatsje. Bij die onderneming tegen 
Zwartsluis werd het jacht, waarop zich de aanvoerder der troepen- 
macht bevond, door de bemanning in brand gestoken en ver- 
laten; en Chamilly schrijft dan ook, met echt Fransche groot- 
spraak, den yen September aan Louvois, dat het HoUandsche 
tadmiraalschip" verbrand is geworden. 

Niettegenstaande dit kleine nadeel was evenwel op het einde 
van September in de noordoostelijke gewesten der Republiek 
de kans des oorlogs geheel in haar voordeel gekeerd: van aan- 
gevallene, was zij daar aanvaller geworden. 



Enkele algemeene opmerkingen mogen hier nog volgen over 
de krijgsverrichtingen gedurende die zoo gewichtige zomermaanden 
van 1672. 

De handelingen van Willem III verdienen hier de hoogste be- 
wondering. Zeker, men kan ook daarop aanmerkingen maken; 
men kan vragen, waarom Oudewater niet bezet bleef; waarom 
Woerden en Naarden — vestingen wier herneming later zooveel 
kostte — zonder slag of stoot aan den vijand werden afgestaan i 
Maar men moet ook in aanmerking nemen de overgroote ver- 
warring en moedeloosheid^ die er tijdens de ontruiming vau 
Utrecht in het staatsbestuur van Holland bestonden; en dan is 
het te verwonderen, dat er nog niet meer, niet grooter mis- 
slagen zijn begaan. De kritiek, rustig in de stilte van het studeer- 
vertrek de gebeurtenissen overpeinzende, mag wel zeggen welke 
handelingen beter en doeltreffender konden genomen zijn; maar 
zij heeft niet het recht, daarom den veldheer te veroordeelen, 
die deze handelingen verrichtte, te midden van den drang des 
oogenbliks, van de woeling der gebeurtenissen, die geen tijd 
lieten tot bezinning en tot overweging; zijn die handelingen 
over het geheel goed geweest, prijs ze, al is het dat zij in 
enkele bijzonderheden beter hadden kunnen zijn ; prijs ze te meer, 



Digitized by 



Google 



ALGEMEBNE OPMERKINGEN. 175 

naarmate de omstandigheden waaronder zij plaats hadden, moeie- 
lijker zijn geweest £n wie, die den toestand van Holland op het 
einde van Juni 1672 overweegt, den staat van ontbinding des 
legers, de moedeloosheid der bevolking, den weerloozen toestand 
der grenzen, de nabijheid en de reuzenmacht des vijands, — 
wie, die dit alles overweegt, moet niet eerbied en bewondering 
gevoelen voor die handelingen van Willem III, waardoor Hol- 
land is gered geworden. Doorblader vrij de geschiedenis, gij zult 
geen tweede verdediging vinden als die van onzen Staat in 1672. 
Ziet Wellington's verdediging van Portugal in 1810 — 181 1; zij 
is geprezen, en met reden; zij is een der schoonste lauwer- 
kransen die het hoofd des Britschen veldheers omgeven ; — maar, 
let men op de mindere sterkte van den vijand waardoor Wel- 
lington werd aangevallen, op zijne eigene sterke en goed ge- 
oefende krijgsbenden, op den langen tijd waarin deze verdedi- 
ging reeds was voorbereid, en op den krachtigen bijstand dien hij 
vond in de rijke hulpmiddelen van Groot-Brittanje, — dan komt 
men tot de overtuiging, dat Willem III, die in 1672 onder zoo 
veel ongunstiger omstandigheden streed, oneindig boven het 
Engelsche legerhoofd moet worden gesteld. 

Op de handelingen van de Fransche legerhoofden zijn zeer 
ernstige, zeer gewichtige aanmerkingen te maken. Die leger- 
hoofden hebben in den zomer van 1672 eene traagheid betoond, 
een gebrek aan goede strategische inzichten, welke hun veld- 
heersroem zouden verduisteren, — wanneer de geschiedenis ons 
niet tevens leerde, dat zij niet vrij zijn geweest in hunne hande- 
lingen, maar afhingen van de bevelen van hun Koning en van 
zijne staatsdienaars. Het slechte krijgsbeleid, dat in dit tijdvak 
van den veldtocht aan de Fransche zijde valt op te merken, is 
minder te wijten aan Condé en Tui enne, dan wel aan Lode- 
wijk XIV en aan Louvois. 

Reeds is aangemerkt dat, bij meer werkdadigheid aan de 
Fransche zijde, de verovering van Holland in de maand Juni 
mogelijk en zelfs waarschijnlijk was geweest; dat, dadelijk aan- 
vallende, vóórdat de Hollandsche waterlinie behoorlijk was ge- 
steld, versterkt en bezet, de Fransche bataljons Den Haag en 
Amsterdam zouden zijn binnengetrokken. Toen men dit gunstig 
oogenblik ongebruikt voorbij had laten gaan, toen was het zeker 
niet raadzaam, eene grens aan te vallen die in een zoo geduchten 
staat van verdediging was gebracht; — maar men had toch den 
tijd niet zoo werkeloos behoeven te laten verstrijken. 

Men wist dat de mogelijkheid bestond dat Duitsche legers tot 
hulp der Republiek oprukten, om Frankrijk zijne daar gemaakte 
veroveringen weer afhandig te maken, maar men wist ook, dat 
de bijeenbrenging en de opmarsch dier legers altijd langzaam 
gingen, en dat er minstens een maand of twee, drie moesten 



Digitized by 



Google 



176 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

verloopen, eer zij zich aan den Rijn zouden vertoonen. Van 
dien tijd had men gebruik moeten maken om, door het bemach- 
tigen der gewesten, door welke het verband werd onderhouden 
tusschen Frankrijk en zijne veroveringen in Holland, in staat 
te zijn om die veroveringen te kunnen blijven behouden, in 
weerwil van de nadering der vijandelijke legers. Men had slechts 
eene kleine macht ten noorden van de Hollandsche rivieren 
moeten achterlaten, om daarmede Willem III in bedwang te 
houden; maar met de hoofdmacht zich onverwijld moeten wer- 
pen op de bijna geheel onbezette Noord-Brabandsche vestingen, 
en op de Spaansche Nederlanden waar slechts eene geringe krijgs- 
macht aanwezig was. In een paar maanden tijds had men in 
Noord-Braband en in de gewesten tusschen Schelde en Maas 
zooveel kunnen veroveren om daardoor eene goede, onafgebro- 
kene gemeenschap in het leven te kunnen roepen tusschen 
Frankrijk en de Fransche troepen, die voor de poorten van 
Amsterdam stonden. Wanneer dan de Brandenburgsche en Kei- 
zerlijke legers aan den Rijn kwamen, beheofde de krijgsmacht 
in Holland niet bevreesd te zijn voor het verlies van de gemeen- 
schap met de operatie- bazis; zij kon, terwijl andere legers de 
Duitsche bestreden, in De Nederlanden blijven, en in dezen of den 
volgenden veldtocht de verovering van dat land voltooien. 

In stede daarvan brengt men den tijd werkeloos door; men 
besteedt weken, maanden aan nietsbeduidende verrichtingen. Men 
neemt, 't is waar, Nijmegen, Grave, het fort Crèvecoeur; maar 
men denkt niet aan Breda en Den Bosch; men denkt niet aan 
de Spaansche Nederlanden, die toch, door het ondersteunen van 
de Republiek, genoeg aanleiding hadden gegeven tot vijandschap, 
en die men toch, zonder eenig ontzag, in alle richtingen door- 
trekt. Men begaat den misslag, van alle vestingen der Republiek 
die men vermeeslerd heeft, te bezetten ; en men versnippert daar- 
door zijne macht zoodanig, dat, van een leger van een groote 
honderd duizend man, Luxembourg met slechts 16000 man bij 
Utrecht, Turenne met een 12000 man bij den Rijn, en Chamilly 
met eene kleine macht bij Maastricht, alles is wat te velde over- 
blijft; — het is, zooals wij vroeger reeds opmerkten, moeielijk 
om te zeggen, welke van de beide partijen in dezen veldtocht 
het onverstandigst te werk ging met de vestingen, en voor wie 
zij het nadeeligst zijn geweest. 

De Fransche schrijvers wijten dien laatsten misslag aan Louvois, 
evenzeer als den misslag, om een groot aantal Hollandsche krijgs- 
gevangenen voor een gering losgeld vrij te laten, en den Stad- 
houder dus de gelegenheid te geven om zijn leger opnieuw aan 
te vullen. Louvois of Lodewijk XIV ? maar op wien de verant- 
woordelijkheid ook moge neerkomen, zeker is het, dat in dit 
tijdvak van den veldtocht het krijgsbeleid aan de Fransche zijde 



Digitized by VjOOQIC 



ALGEMBENC OPMERKINGEN. 177 

slecht b geweest; daaraan is het toe te schrijven, dat Holland 
niet werd veroverd, dat Willem UI een leger kon scheppen, dat 
de Fransche strijdkrachten dwaaselijk werden verdeeld en dat 
de gemeenschap van het Fransche leger met zijne operatie-bazis 
onverzekerd bleef, zoodat de minste bedreiging van die gemeen- 
schap dat leger in gevaar bracht; de veroveringen in Holland, 
die van blijvenden aard hadden kunnen zijn, waren nu niets 
anders dan het kortstondig bezetten van eene landstreek bij een 
oogenblikkelijken strooptocht. 

Wat de krijgsverrichtingen in de oostelijke gewesten der Repu- 
bliek aangaat, in Overijsel merkt men de gewone zwakheid op, 
die in dezen veldtocht aanvankelijk de Hollandsche wapenen 
kenmerkte; weldra afgewisseld door een krachtigen en beleid- 
vollen wederstand in Friesland en Groningen. Op de handelingen 
van de Mnnstersche en Keulsche aanvoerders vallen geene bijzon- 
dere aanmerkingen te maken: hun besluit om de verovering 
van Friesland en Groningen te ondernemen, was zeer goed; 
niet alleen om het dadelijk belang dat zij hadden in het bezit 
van die gewesten, maar ook omdat zij daar het bijeentrekken 
en vergrooten eener vijandelijke macht moesten verhmderen, die 
de rechterzijde van hunne operatielijn bedreigde. Dat zij de stad 
Groningen belegerden was eene gewaagde onderneming, evenals 
het beleg van elke vesting die men niet kan insluiten; maar de 
ontmoediging die aan de Hollandsche zijde bestond, en de vroe- 
gere voordeden, zoo gemakkelijk door de vijandelijke aanvoerders 
behaald, gerechtigden die aanvoerders om iets te wagen. Onnoodig 
is het, te wijzen op het hooge belang dat Groningen toen had 
als vesting; een belang dat het nóg zou kunnen hebben. 

Die krijgsverrichtingen van 1672 bewijzen eindelijk het groote 
verdediging^vermogen dat ons land heeft, en waardoor het zijne 
onafhankelijkheid kan verdedigen tegen den aanval van den 
sterksten vijand. Wij zwijgen hier van de macht, welke in dat 
jaar ter zee de Republiek aanviel, en waartegenover zij eene 
bijna even sterke macht stelde; alleen van den oorlog te lande 
wordt hier gesproken. De krijgsmacht die te lande onze Republiek 
aantastte, was in getalsterkte en in samenstelling zóó geducht, dat 
zij zonder voorbeeld was in het verledene, en de toekomst er 
mogelijk geen tweede voordbeeld van zal opleveren; het leger 
der Republiek daarentegen was in allen deele zwak en slecht, 
hare vestingen in den ellendigsten toestand, de bevolking zonder 
militairen geest en bovendien verdeeld door staatstwisten ; — en 
toch, wat is de uitkomst ? Het behoud van Holland, de geheele 
mislukking der onderneming van Lodewijk XIV. Men moge die 
uitkomst voor een deel toeschrijven aan de misslagen van de 
vijandelijke aanvoerders, voor een grooter deel aan de uitstekende 
bekwaamheden van een Willem III, voor het grootste deel is zij 

WILLEM in. — I. 12 



Digitized by 



Google 



178 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

te danken aan de natuurlijke sterkte van ons land, aan die krach- 
tige verdedigingslijn die Holland omgeeft, en die den vijand zoo 
geducht voorkwam, dat hij het zelfs niet waagde om haar aan 
te vallen. 



HOOFDSTUK VI. 

OVERGANG VAN WILLEM III TOT DEN AANVAL; WOERDEN ; 
TOCHT NAAR MAASTRICHT EN DE BOVENMAAS (NAJAAR VAN 1672). 

Zoo zwak, ZOO weerloos als Holland was, toen de heirscharen 
van Lodewijk XIV den breeden Rijnstroom doortrokken, zoo 
sterk en krachtig was dat gewest drie maanden later; het was 
herschapen in eene groote, bijna onaanvalbare vesting; een 
sterke burcht voor de belaagde vrijheid. Aan de zeezijde strekte 
De Ruyter's vloot den Staat tot bescherming; en daar, waar de 
hulp dier vloot ontbrak, deed eene buitengewone lange ebbe de 
voorgenomen landing van den vijand mislukken, hetgeen bij den 
vromen zin onzer vaderen voor een duidelijk teeken werd aan- 
gezien, dat het Opperwezen zijne beschermende hand over Neder- 
land hield uitgebreid. Te land werd men door de onderwater- 
zettingen beschut; en zelfs wanneer de vijand die doortrok, dan 
zou hij nog op alle punten een geduchten tegenstand ontmoeten. 
De eerste jaren van de worsteling tegen Spanje schenen terugge- 
komen te zijn; geestdrift had aller gemoed ontvlamd en den 
vreedzamen burger herschapen in een kloeken krijgsman. Stad 
voor stad wilde zich tegen Luxembourg verdedigen, zooals zij 
dit, eene eeuw vroeger, tegen Alva's barbaarsche horden hadden 
gedaan. 

Het machtige Amsterdam vooral gaf toen een uitstekend voor- 
beeld van geestkracht en vaderlandsliefde; en wat het genie van 
KrayenhofF in 1810 beraamde, werd reeds in 1672, op eenigszins 
andere wijze, ten uitvoer gebracht. De Diemermeer- en Bijlmermeer- 
polders waren onder water gezet; op alle toegangen de bruggen 
afgebroken ; de wegen afgesloten door sterke dwarswallen en batte- 
rijen; forten aangelegd op verschillende punten: aan den hoek 
van den Diemermeer-polder, op een kwartieruur van de stad; op 
den weg naar Ouwerkerk; aan den Overtoom, een halfuur van de 
stad; op halfweg Haarlem en Amsterdam, en eindelijk een bij 
Jaap Hannes. De bolwerken van de stad werden tevens opge- 
maakt, van beddingen voor geschut voorzien en met een twee- 
honderd vuurmonden bewapend; de grachten werden uitgediept, 



Digitized by 



Google 



OVERGANG VAN WILLEM III TOT DEN AANVAL. 179 

de Stad omgeven door oorlogsschepen en gewapende uitleggers. 
De schutterij bestond uit 5 regimenten, 60 vendelen uitmakende, 
die te zamen een 12000 goed gewapende mannen telden. Boven- 
dien had men, uit de aanzienlijkste burgers, 3 compagnieën vrij- 
willige ruiters samengesteld, en eindelijk 1600 matrozen en zee- 
soldaten, onder den vice-admiraal Zweers voor de verdediging van 
de stad bestemd. Amsterdam, dat door zijne afgevaardigden zoo 
krachtig had medegewerkt om de vredesvoorslagen van Frankrijk 
en Engeland te doen verwerpen, ging dus ook de anderen voor 
in de wapening tegen de legers dier Staten ; maar ook de andere 
Hollandsche steden hadden hetzelfde gedaan; alom had men, 
met kracht van armen, de wallen en mureh weer in orde ge- 
bracht, en alle maatregelen gehomen om de nabijgelegen gronden 
onder water te zetten; de Zuiderzee was met oorlogsschepen 
bezet om elke landing van den vijand in Holland onmogelijk 
te maken. 

Holland, «omheind door kracht, versterkt door orde," was 
toen dus het sterke bolwerk dat Helmers zich in 1795 dweepte, 
en veilig kon men daar het beuken van den stormram des vijands 
trotseeren. Maar toch, hoe gunstig de kansen ook waren voor 
de verdediging, oordeelde Willem III met reden, dat het verkeerd 
zou zijn om zich tot die verdediging te bepalen. De Fransche 
macht, te Utrecht, Naarden en Woerden aanwezig, bleef altijd 
als een dreigend onweer boven Holland hangen; eene strenge, 
lang aanhoudende vorst, die de onderwaterzettingen doelloos 
maakte; verslapping en verflauwing bij de verdediging, niet 
vreemd als die verdediging zeer lang moet worden voortgezet ; 
onwil in het opbrengen van de lasten; binnenlandsche onlusten 
door verminderde welvaart, door de kuiperijen des vijands teweeg- 
gebracht; een niet te voorzien toeval; — dit alles kon mogelijk de 
wapens uit de handen doen vallen, en den vijand den weg banen 
tot de geheele verovering des lands. Want, welk eene onneem- 
bare sterkte de grenzen van Holland ook hebben, zoo is het 
toch altijd een zeer bedenkelijke toestand wanneer de vijand 
meester is van de overige gewesten, daar dan de hulpmiddelen 
dier gewesten verloren zijn voor onzen Staat, en de uitputting, 
door buitengewone omstandigheden teweeggebracht, lichtelijk 
onwil kan doen ontstaan en daardoor een einde maken aan de 
verdediging. In 1672 was dit te meer waar, omdat, niettegen- 
staande de overwinning van Soleba y, en niettegenstaande de 
overgroote voordeelen door de Zeeuwsche kapers behaald, het 
meesterschap ter zee toch in geenen deele voor ciis was ver- 
zekerd. Die stand van zaken mocht dus in 1672 niet te lang 
aanhouden; de vijand moest verder worden teruggedreven; hij 
mocht niet blijven voor de poorten van Amsterdam; hij moest 
worden aangevallen. 



Digitized by 



Google 



l8o KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

De vijand moest worden aangevallen. — Maar alvorens dien 
aanval te doen met dien nadruk die kon doen hopen daardoor 
groote uitkomsten te verkrijgen, wilde de Stadhouder eerst de 
kracht van zijn leger beproeven. Dat leger was, sedert het ver- 
laten van den Rijn, aanmerkelijk verbeterd in getalsterkte, in 
oefening, in krijgsgeest ; maar de indruk van de droevige gebeur* 
tenissen waarmede de veldtocht begon, was nog niet uitgewischt ; 
de overtuiging bestond nog niet, dat men met goed gevolg den 
kamp kon wagen tegen de goede en krijgshaftige legers van 
Lodewijk XIV. Die overtuiging wilde de Stadhouder aan zijn 
leger geven, vóórdat hij met dat leger een veldslag leverde die 
de beslissing van den oorlog kon aanbrengen ; kleine aanvallende 
gevechten moesten eerst de Hollandsche bataljons doen inzien, 
dat zij in dapperheid niet onderdeden voor hun vijand ; en vóór- 
dat die bataljons in Duitschland of in de Spaansche Nederlanden 
de legers van Condé en Turenne opzochten, moest eerst den 
strijd op vaderlandschen bodem een waarborg geven dat er in 
dat vooruitrukken op vreemden grond geen vermetelheid, geen 
roekeloosheid was gelegen. De Stadhouder besloot dus pogingen 
te doen, om den vijand zijne veroveringen in de Republiek weer 
gedeeltelijk afhandig te maken; de vermeerdering van zijne 
eigene strijdkrachten, de aanzienlijke vermindering van de Fransche 
macht gaven die onderneming veel kans tot gelukken. Allereerst 
wilde men op den vijand die versterkte punten hernemen, die, 
als uiterste voorposten, Holland bedreigden; vandaar de aan- 
slagen op Naarden en Woerden; in die aanslagen moet men 
echter in hoofdzaak niets anders zien dan het middel om moed 
en zelfvertrouwen bij eigen troepen te herstellen, bij den vijand 
te verzwakken. Men moet er niet in zien eene poging van 
Willem III om den vijand op die wijze weer uit de Republiek 
te verdrijven: daartoe zou de Stadhouder middelen aanwenden, 
meer krachtig, meer afdoende. 



Nadat eene poging, op den 28sten September ondernomen, om 
Naarden te verrassen, door eene toevallige omstandigheid mis- 
lukt was, besloot de Sudhouder — in het begin van October — 
een aanslag te beproeven op Woerden. Die stad, sedert i8 Sep- 
tember weer bezet door de Franschen, was door hen versterkt 
en voorzien van eene goede bezetting, volgens sommige opgaven 
2000 man bedragende ; de bevelhebber was de graaf De la Marck. 
Het voorname voordeel dat het bezetten van dit punt aan 
Luxembourg verschafte was, dat het eene voorpost uitmaakte 
voor Utrecht, men van daar het vooruitrukken der Hollanders 
van de zijde van Bodegraven kon verhinderen, en men tevens 
kon fourageeren in de omliggende landstreek. 



Digitized by 



Google 



WOERDEN. l8l 

De aaavals-dispositiëD van Willem III bestonden hoofdzakelijk 
hierin : 

Er zou eene demonstratie gedaan worden tegen Naarden^ ten 
einde Luxembourg, met 'svijands hoofdmacht, daarheen te lok- 
ken; evenzoo, om den vijand bezig te houden, zou Louvignies 
van Schoonhoven een detachement afzenden om Vreeswijk aan 
de Vaart te vermeesteren, waar de Franschen zich versterkt 
hadden; die aanval zou worden ondersteund door gewapende 
vaartuigen op de Lek; en terwijl de vijand dus op twee punten 
werd verontrust, zouden Zuylestein en Hoorne, van Nieuwerbrug 
en van Oudewater oprukken om Woerden in te sluiten. De eerste 
zou zich plaatsen oostelijk van Woerden naar de zijde van 
Utrecht^ aan de Grovenbrug, zich daar verschansen om op die 
wijze den vijand den weg af te sluiten als deze de aangevallene 
vesting te hulp wilde komen; het regiment van Solms met nog 
eenige andere compagnieën voetvolk waren onder zijn bevel; 
volgens eene der opgaven maakte dit een 1500 man uit. Hoome 
had 12 compagnieën infanterie en zeesoldaten, alles te zamen een 
tooo man met 12 stukken geschut bij zich; hij moest aan de 
zijde van Polanen en het oostelijke front van Woerden aanvallen ; 
om zijn terugtocht op Oudewater te verzekeren, werden 8 com- 
pagnieën infanterie en eenige ruiterij, onder Liebergen, te Mont- 
foort geplaatst. Dadelijk na de insluiting zou Willem in met 
4 regimenten van Bodegraven oprukken, om Woerden aan de 
westzijde aan te vallen. Men zal niet ver van de waarheid zijn, 
als men de gehcele macht van den aanvaller op 6 è. 8000 man 
stelt. De 10e October werd vastgesteld voor het begin der 
onderneming. 

Aanvankelijk scheen zij met geluk bekroond te worden. De 
tijding van het bijeentrekken van troepen te Muiden en Weesp 
deed Luxembourg vreezen voor Naarden; hij verliet daarop 
Utrecht met het grootste gedeelte zijner macht, en stond, vol- 
gens ééne opgave, den loen October met een 4000 man voet- 
volk en eene sterke ruiterij te 's Graveland, een groot uur ten 
zuiden van Naarden en 7 uren van Woerden verwijderd. Voor 
die vesting waren, den loen October, Zuylestein en Hoome 
verschenen; Zuylestein was voorbijgetrokken en had 's nachts 
stelling genomen aan de Grovenbrug; hier had hij inderhaast 
eene verschansing opgeworpen, waarachter teenig geschut" werd 
geplaatst, — zeggen de opgaven van onze schrijvers; de Fran- 
^c)len maken daarvap een volledig fort met 7 stukken bewapend. 
Hoorne had nabij Polanen eene batterij voor 12 stukken opge- 
worpen, om daarmede het vuur op de stad te openen. Oranje, 
aan de westzijde van Woerden oprukkende, had een uitval afge- 
slagen van 400 man der Fransche bezetting, ondernomen met 
het doel om de pannebakkerijen in brand te steken, die der ver- 



Digitized by 



Google 



l82 KRIJGS' EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

dediging hinderlijk waren; dat in brand steken was slechts ge- 
deeltelijk gelukt. 

Sein vuren, kanonschoten hebben intusschen Luxembourg be- 
kend gemaakt met het gevaar dat Woerden bedreigt, en in den 
nacht van lo op ii October gaat de Fransche bevelhebber in 
persoon naar Utrecht, aan een zijner onderbevelhebbers, De 
Genlis, lastgevende om hem onverwijld met de troepen derwaarts 
te volgen. Den iien is het Fransche legerhoofd te Utrecht. Hoe- 
wel zijne troepen nog achter zijn, gaat Luxembourg, door zijn 
ongeduld aangespoord en met reden vreezende dat bij langer 
verwijl de Hollanders hunne stelling onaanvalbaar zullen maken, 
onverwijld op marsch met de te Utrecht voorhandene macht. 
Omtrent de sterkte van die macht zijn de opgaven zeer ver- 
schillend; onze schrijvers spreken van 8 a 9000 man, die der 
Franschen zeggen 2 k 3000; — wij gelooven dat, indien het 
eerste getal te hoog is, het laatste te laag wordt gesteld, ten 
minste te oordeelen naar het aantal bataljons dat, volgens het 
verhaal van De Saveuse, een deelgenoot aan den strijd, Luxem- 
bourg vergezelde: hij noemt zes geheele bataljons, behalve nog 
wat er te Utrecht aanwezig was van eenige andere door hera 
genoemde regimenten. Trouwens, dit verschil in de opgave der 
sterkte is van zeer weinig belang: wie bekend is met de land- 
streek tusschen Utrecht en Woerden, weet dat zij volstrekt geen 
uitbreiding van groote troepenmacht toelaat; het slagveld be- 
paalt zich, om zoo te zeggen, tot den weg tusschen die beide 
steden, ten zuiden besloten door den Rijn, ten noorden door 
laag weiland, doorsneden, gedeeltelijk onder water staande. Het 
is een slagveld waar duizend man het hoofd kunnen bieden aan 
honderd duizend. 

Vooruitrukkende komt Luxembourg te Harmeien, waar hij op 
den toren lichten doet plaatsen om De La Marck kennis te 
geven van zijne nadering; nog op den avond van den 11 en 
stoot hij op den door Zuylestein bezetten post, valt dien aan, 
maar wordt afgeslagen. De Fransche aanvoerder ziet dra in, welk 
een geduchte sterkte de door de Hollanders bezette stelling heeft 
en hoe een frontaanval bijna onuitvoerbaar is ; hij verneemt naar 
wegen om die stelling te omtrekken en zóó Woerden te bereiken. 
De Montbas, door wraakzucht aangespoord, had Luxembourg 
bij zijn tocht vergezeld; die overlooper — of, volgens andere 
opgaven, een ritmeester De Mélac, die, lang te Woerden geweest 
zijnde, de omliggende landstreek kende — wijst een weg aan 
die, rechts over Houtdijken naar het dorp Kamerijk voerende, 
van daar verder, over half verdronken land, over de Kruip in, 
uitkwam tusschen den post van Zuylestein en Woerden. Zuylestein 
had op dien weg geen acht geslagen, op de verzekering van de 
boeren, dat hij onbegaanbaar was. Luxembourg gaat nog 's nachts 



Digitized by 



Google 



WOERDEN. 183 

op marsch naar Kamerijk, met een gedeelte zijner infanterie, ter- 
wijl het overige in front blijft van Zuylestein's stelling. 

De marsch op Kamerijk moet gepaard zijn gegaan met de 
grootste moeielijkheden. Tot aan de knieën — zeggen de Fransche 
opgaven — trok men door het water, en gedurig ontmoette men 
diepe slooten, waarover men horden wierp die een soort van 
bruggen vormden. Zóó bereikte men Kamerijk. Om van daar te 
komen op den weg van Utrecht naar Woerden, moest men de 
hulp der inwoners inroepen ; Luxembourg verkreeg die door een 
krijgslist: hij gaf zich uit voor den graaf van Hoorne, die, met 
Spaansche hulptroepen, aan het beleg van Woerden wilde deel- 
nemen, en verlangde daartoe den weg te kennen naar het kwar- 
tier van Zuylestein. De landlieden, daardoor misleid, boden hem 
hun bijstand aan; in hun valschen waan smeekten zij Luxem- 
bourg, geknield, hen toch te verlossen van het vreemde geweld, 
en vooral geen Franschman het leven te sparen; indien dit 
feit, door den Franschen veldheer zelf vermeld, waarheid is, — 
en bij de toenmalige gezindheid van het Hollandsche volk is het 
niet onwaarschijnlijk — dan verklaart dit de wreedheid door 
Luxembourg later betoond, — zij rechtvaardigt die niet. Er 
moet echter bijgevoegd worden, dat Willem III in die hande- 
ling van de Kamerijksche boeren opzettelijk verraad heeft gezien. 

Hoe het zij, met hulp van die gidsen trok Luxembourg met 
zijne bataljons over half verdronken land, en kwam in den vroegen 
ochtend van den i2en in den rug van Zuylestein's stelling. Hij 
stootte hier op verschansingen; — zeker kan dit echter niet 
worden gezegd ; want een onzer schrijvers, Valckenier, zegt stellig, 
dat de post van Zuylestein naar de zijde van Woerden on ver- 
schanst was; — de P'ransche opgaven spreken zeer verward 
en onduidelijk van twee sterke forten. Dit, ten minste, is geheel 
onwaarschijnlijk; dit is de gewoi* Fransche overdrijving: de 
kleine macht van Zuylestein was nog maar vier en twintig uur 
op haren post, en kon dus hoogstens een paar in haast opge- 
worpen dwarswallen op den weg hebben gemaakt; achter die 
wallen stond echter geschut; dit erkennen ook ónze schrijvers. 

Reeds voor het aanbreken van den dag, om twee of drie uur 
's ochtends — bij maanlicht, zegt een der verhalers — begonnen 
de aanvallen op Zuylestein's post van de zijde van Harmeien; 
wat later verscheen ook Luxembourg van de andere zijde; en 
er had een woedende strijd plaats, die vijf uren duurde, en 
waarbij aan weerszijden uitstekende dapperheid werd betoond. 
Het geschut- en geweervuur der Hollanders richtte groote ver- 
woestingen aan in de rijen der aanvallers, die van hunne vuur- 
wapens weinig of geen gebruik konden maken, en langzaam 
vooruit kwamen over het moeielijke terrein. Alleen de buiten- 



Digitized by 



Google 



184 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

gewone dapperheid van de Fransche officieren, het voorbeeld 
van den koenen Luxembourg zelf, die met den blanken degen 
in de vuist aan het hoofd der aanvallers was, deed de soldaten 
vooruitgaan ; — dat dit niet ging dan ten koste van zeer groote ver* 
liezen, kauF men opmaken uit de enkele omstandigheid, dat het 
regiment Navarre, waarvan slechts één bataljon deelnam aan 
den strijd, 21 officieren verloor aan dooden en gewonden. Maar 
die dapperheid doet de sterke stelling vallen, vooral daar het 
verschijnen van den vijand in den rug dier stelling noodwendig 
een nadeeligen indruk maakte op Zuylestein's soldaten. De gracht 
wordt doortrokken, de borstwering beklommen; maar zelfs toen 
nog blijven de Hollanders zich met hardnekkigheid verdedigen; 
eindelijk bezwijken zij en, alom door den vijand omringd, gaat 
de afdeeling van Zuylestein grootendeels verloren. Die aanvoerder 
zelf sneuvelt, met de sabel in de vuist, na achttien wonden te 
hebben ontvangen. De dood van dien held wordt verschillend 
verhaald: volgens sommigen viel hij door de hand van den 
wraakzuchtigen Montbas; volgens Luxembourg's verhaal werd 
hij gedood door een Fransch soldaat, nadat hij zich reeds had 
overgegeven aan De Saveuse. Hoe het zij, hij sneuvelde op eene 
roem vol Ie wijze, het bloed der Nassau 's waardig, waaruit hij ge- 
sproten was. 

Hoorne, door het vuren opmerkzaam gemaakt op 's vijands 
aanval, had zijne macht in slagorde geschaard; de komst van 
de vluchtelingen verkondigde hem Zuylestein's nederlaag; kort 
daarop verscheen eene afdeeling Fransche troepen, die echter 
spoedig werd teruggedreven door het musketvuur der soldaten 
van Hoorne. Een uitval der bezetting van Woerden, gelijktijdig 
gedaan, werd evenzoo afgeslagen. £en tweede aanval door de 
troepen van Luxembourg verricht, had geen gelukkiger gevolg; 
en Hoorne doet, na dien aanval te hebben afgeslagen, den overste 
Palm, aan het hoofd der zeésoldaten, op den weg naar Utrecht 
vooruitrukken. Met de blanke sabel storten zich die dapperen 
op den vijand, die, verzwakt door de geledene verliezen, ont- 
moedigd door den geduchten wederstand dien hij ontmoet, in 
verwarring de wijk neemt, en door Palm vervolgd wordt tot 
dicht bij de plaats waar Zuylestein had gestreden; een groot 
aantal der dddr door de Franschen gemaakte gevangenen wer- 
den toen — zeggen onze schrijvers — daardoor weer bevrijd. 
Luxembourg wil zijne troepen tegen de Hollanders aanvoeren, 
maar tevergeefs; het is onmogelijk hen weer vooruit te doen 
gaan, zoozeer waren zij uitgeput door den moeielijken marsch 
over het verdronken land; zoozeer, voegen wij er bij, waren zij 
geschokt door de geleden verliezen. Niet meer dan vijf of zes 
officieren kan de Fransche aanvoerder om zich heen vereenigen ; 
stampvoetend van ongeduld ziet hij uit naar de troepen die De 



Digitized by 



Google 



WOERDEN. 185 

Genlis moet aanbrengen; maar deze zijn nog ver weg; en, zon- 
der eenigszins het verder doorzetten van den aanval te beproeven, 
is het Fransche legerhoofd tevreden dat hij in de reeds ver- 
overde stelling kan blijven en daar niet wordt aangevallen. 

Willem III, het verslaan van Zuylestein vernemende, zag in, 
dat, al mocht Hoorne aanvankelijk den vijand hebben verhin- 
derd om tot Woerden door te dringen, het evenwel te moeielijk 
zou vallen om dien vijand op den duur tegen te houden op den 
rechter Rijnoever; en zelfs, dat het gedeelte van Hoorne's macht 
dat daar stond, gevaar zou loopen door de vereenigde aanvallen 
van Luxembourg en van de bezetting van Woerden. Hij besloot 
dus, de onden^jeming op te geven, en den terugtocht aan te van- 
gen ; om 10 uur 's ochtends werd het bevel daartoe gegeven, 
en die terugtocht uitgevoerd in de grootste orde en zonder ver- 
lies. Willem in keerde naar Bodegraven terug; en Hoorne, de 
bezetting van Woerden door artillerie-vuur bezighoudende, haar 
zéifs opeischende tot overgaaf^ deed zijne troepen ongemerkt 
teruggaan op Linschoten, waarheen, op zijn bevel, de afdeeling 
van Liebergen van Montfoort was opgerukt om de terugtrek- 
kende troepen op te nemen. Vervolging van de zijde der Fran- 
^chen had er volstrekt niet plaats; maar, door de nalatigheid 
van de manschappen, belast met het vervoer van de artillerie, 
liet men, van de twaalf stukken geschut van Hoorne, er twee 
achter. 

Gelijktijdig met dien strijd had er een aanval plaats van een 
gedeelte van Louvignies troepen op Vreeswijk aan de Vaart. Die 
aanval schijnt niet met nadruk te zijn doorgezet en bleef zonder 
gevolgen. Zestien gewapende uitleggers, de Lek opzeilende, ver- 
schenen voor Vreeswijk, openden geschutvuur op die plaats en 
zetten toen troepen aan wal, wier getal zeer verschillend] wordt 
opgegeven. Volgens de Fransche opgaven werd die aanval, tot 
tweemaal toe hervat, afgeslagen door de bezetting, die uit een ge- 
deelte van het regiment van Auvergne bestond ; enkele van onze 
schrijvers zeggen, dat de aanvallers tot binnen Vreeswijk drongen, 
maar, na wat geplunderd te hebben, onverrichterzake weer weg- 
gingen. Die plaats werd bij deze gelegenheid in brand geschoten, 
zonder dat het duidelijk is, welke der beide partijen dit deed. 

De verliezen in het gevecht bij Woerden zijn, zooals meestal, 
op eene zeer uiteenloopende wijze vermeld. De Fransche opgaven 
stellen ons verlies op 1500 man, het hunne op 200; wij daaren- 
tegen begrooten het verlies des vijands op 2000 man, het onze 
op 6 i 700 dooden en gewonden en 3 ^ 400 gevangenen; — 
neemt men in aanmerking de overdrijving die bij dergelijke op- 
gaven gewoonlijk plaats heeft^ dan ziet men dat de verliezen der 
beide partijen waarschijnlijk even groot zijn geweest; indien aan 
de eene zijde, van de afgesneden afdeeling van Zuylestein, weinig 



Digitized by 



Google 



l86 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

zich kon redden, zoo heeft aan de andere zijde haar langdurige 
tegenstand, haar geschut- en geweervuur groote verliezen moeten 
veroorzaken bij den vijand, die onbedekt, en met moeite» 
langzaam vooruit moest rukken. Maar aan onze zijde is geschut 
verloren en het slagveld is in het bezit gebleven van de Fran- 
schen; aan hen komt dus de eer der overwinning toe. 

De aanslag op Woerden kan dus, in zoover die vesting niet 
in handen der aanvallers kwam, als mislukt worden beschouwd; 
— wil dit zeggen dat men haar moet beschouwen als eene 
onderneming die slecht beraamd was, en die zonder gevolgen 
bleef? Het tegendeel is waar. Die onderneming^ was zeer goed 
beraamd; er waren kansen te over, om zich rondom Woerden 
zoodanig te verschansen, dat het aan het Fransche leger niet 
mogelijk zou zijn geweest om die stad te ontzetten ; de landstreek 
rondom Woerden begunstigt den verdediger bijzonder; er was 
.dus groote waarschijnlijkheid dat men Luxembourg zou verhin- 
deren om die stad te hulp te komen; hare inneming was dus 
te verwachten; en behalve het materieele voordeel dat de be- 
raachtiging van die stad en van de niet onaanzienlijke Fransche 
bezetting aan Holland zou geven, zou haar val ook eene groote 
zedelijke uitwerking hebben, omdat zij het bewijs zou geven, dat 
de meerderheid in strijdkrachten aan de zijde der Hollanders 
was gekomen, en dezen verdediging met aanval wisselden. Er 
waren dus veel redenen voor die onderneming tegen Woerden. 

Dat die onderneming den val der stad niet ten gevolge had^ 
is toe te schrijven aan Luxembourg's voortvarendheid, aan de 
meer dan gewone dapperheid van zijne troepen, en aan den 
misslag van Zuylestein, die den weg, van Kamerijk naar Woerden 
loopende, onbezet liet. 

Luxembourg, in den nacht van lo op ii October te 's Grave- 
land kennis krijgende van 's vijands verschijning voor Woerden^ 
is reeds op den avond van den iien voor de stelling van Zuy- 
lestein ; terecht oordeelt de Fransche veldheer dat er geen oogen- 
blik verloren mag gaan, en dat het er weinig toe doet met 
hoeveel hij aanvalt, maar wel wanneer hij aanvalt. Hij zet 
dien aanval door met een nadruk, met een stoutheid, met een 
persoonlijke dapperheid, die waarlijk bewondering verdienen, en 
die hier ook het eenige middel zijn om de overwinning te ver- 
krijgen. Zuylestein 's misslag, hier, kan eene nuttige waarschuwing 
zijn voor den verdediger van dijkstellingen ; die stellingen hebben 
meestal in front eene geduchte sterkte; maar men moet tegen 
omtrekkingen waken, vooral ook omdat bij dergelijke stellingei> 
eene omtrekking den verdediger dikwijls den terugtocht onmo- 
gelijk maakt, — zooals hier bij Woerden dan ook het geval 
was. Het bezetten of doorsteken van den weg van Kamerijk 



Digitized by 



Google 



WOERDEN. 187 

naar Woerden zou Zuylestein's stelling onneembaar hebben ge- 
maakt. — Feuquières zegt, dat het een misslag was van de Hol- 
landers van niet te zijn vooruitgerukt tot Harmeien; maar dil 
gevoelen komt ons ongegrond voor; want, hoe verder men 
vooruit rukte, hoe minder tijd men had om zich te verschansen^ 
hoe eer men den vijand zou ontmoeten. De stelling aan de 
Grovenbrug was even goed als die te Harmeien, mits men maar 
den weg naar Kamerijk had bezet. 

Maar, hoezeer Woerden niet in zijne handen was gevallen, 
had Willem III door zijne onderneming tegen die vesting toch 
gedeeltelijk het doel bereikt dat hij daarmede beoogde: hij had 
daardoor moed en zelfvertrouwen bij zijne troepen opgewekt, 
indruk op den vijand gemaakt. In dien strijd bij Woerden had- 
den de Hollanders eene dapperheid betoond, niet onderdoende 
voor die des vijands; zij hadden zich gemeten met die geduchte 
legerscharen van Lodewijk XIV, die, door den roem van zooveel 
overwinningen omgeven, tot nu toe hunne schrik waren geweest; 
zij hadden hunne krachten leeren kennen, en zoo den grondslag 
gelegd voor latere zegepralen. 

Ook bij den vijand had die strijd van Woerden diepen indruk 
gemaakt, en hem de overtuiging gegeven, dat de tijd der ge- 
makkelijke overwinningen voorbij was. Men behoeft, om dien 
indruk op te merken, nog geen geloof te slaan aan de soms 
onwaarschijnlijke opgaven van onze schrijvers; men leze de 
briefwisseling der Fransche bevelhebbers, en men zal er de be- 
wijzen van vinden. Den 1300 October, nog onder den indruk 
van den pas geëindigden strijd, schrijft Luxembourg aan Louvois, 
dat hij eene herhaling wacht van den aanval des Stadhouders 
en hij geeft zijne bekommering daarover te kennen. Later, den 
iSen October, schrijft hij aan dien Minister: »Ik heb mijnheer 
De Saveuse" (de overbrenger des briefs) > verzocht, u te zeggen,. 
dat de vijand sterk is. Toen mijnheer De Turenne in onze nabij- 
heid was, waar ik meende dat hij zou blijven, bekreunde ik mij 
daar niet om; maar thans is het iets anders.'' In een brief van 
den intendant Robert aan Louvois (13 October), wordt het ge- 
beurde te Woerden genoemd »een van de hevigste en tevens 
gelukkigste gevechten die in den oorlog kunnen voorkomen... 
Ik geloof niet" — voegt de intendant daarbij — »dat mijnheer 
De Luxembourg in zijn leven roemrijker daad heeft verricht." 
Hij laat echter daarop deze opmerkelijke woorden volgen, die 
bewijzen op hoe duren prijs de zege den Franschen was te staan 
gekomen. > Wij verzoeken u, thans op de gevolgen te willen letten ;. 
er is eene groote kracht bij onze troepen, maar gij zoudt die 
niet meer vinden bij de regimenten van Picardië, Norman- 
dië, Navarre, Piémont en van de Marine, — uithoofde van het 
groot aantal officieren dat daarbij gedood of gewond is; zoodat^ 



Digitized by 



Google 



•t88 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

als wij een nieuw gevecht moesten leveren^ ik niet weet of wij er 
zoo gelukkig af zouden komen . . . Wat gebeuren moge, mijnheer 
•de hertog De Luxembourg zal zeker alles doen wat in zijn ver- 
mogen is; want het ontbreekt hem noch aan doorzicht, noch aan 
geestkracht, en dit laatste schitterende gevecht heeft het ver- 
trouwen grootelijks vermeerderd, dat hij den troepen reeds had 
ingeboezemd; maar wat zal hij kunnen doen, als de vijand met 
.20000 man komt... Alle officieren hebben wonderen gedaan, 
«n de uitkomst van den strijd is aan hunne dapperheid te dan- 
ken; het is dus geen wonder, als wij er zooveel verloren heb- 
ben..." 

Deze en soortgelijke uitdrukkingen, gebezigd tegen een Minis- 
ter, wien men zoo gaarne de zaken ten gunstigste afschilderde^ 
bewijzen overtuigend, hoezeer het overmoedig zelfvertrouwen der 
Fransche bevelhebbers geschokt was door den aanval des Stad- 
houders. Het bloed dat op de dijken van Woerden stroomde, 
was niet nutteloos vergoten; want daardoor had de HoUandsche 
veldheer zijn leger vertrouwen gegeven in zich zelf en in zijne 
aanvoering; daardoor den vijand ontzag ingeboezemd; daardoor 
dus latere overwinningen voorbereid. Wat Lodi was voor Bona- 
parte bij zijn eersten veldtocht in Italië, was Woerden voor 
Willem III. 

Wat bij Rousset voorkomt over het gevecht van Woerden is 
minder juist; wij deelen het hier kortelijk mede. 

Rousset, na eerst een brief vermeld te hebbeu, den 23sten 
Augustus 1672 door Louvois aan Turenne geschreven, laat 
daarop volgen (i* deel, blz. 384 — 386): 

. ...»Wat later gelastte Louvois aan de kolonels van de regi- 
menten voetvolk om wervingen te doen, tot een geheel bedrag 
van 15000 man; om daarmee nieuwe compagnieën te vormen, 
•en in de oude aan te vullen de verliezen daarbij ontstaan door 
's vijands vuur, door ziekten en door desertiën (15 September 1672). 
Die krachtdadige handeling van Lodewijk XIV, de uitbreiding 
van zijne wapen macht en Turenne's groote naam deden opnieuw 
de Duitschers aarzelen, en maakten hen overdreven omzichtig. 
Hunne legers bewogen zich met eene traagheid, die bijna be- 
spottelijk was; het was half October voordat zij iets ernstigs 
ondernamen. 

Willem van Oranje verwenschte hunne aarzelingen, niet alleen 
in het belang van zijn land, dat er behoefte aan had om verlost 
'te worden van de Fransche wapenmacht, maar ook in zijn per- 
soonlijk belang. De democratische factie en het leger hadden 
hem tot het hoog gezag verheven, en om zich te handhaven 
móést hij beiden voldoen. Aan de eerste had hij pas, ten koste 
van zijn eer, een bloedig onderpand gegeven van zijn bondge- 
nootschap of liever van zijn onderwerping. De moord der twee 



Digitized by 



Google 



WOERDEN. l89' 

De Witten (20 Augustus), die afschuwelijke wraak^ volvoerd door 
een volkshoop dien Willem niet trachtte te beteugelen of te straffen^ 
had de verontwaardiging opgewekt van alle weidenkenden. Men 
vond »die allereerste blijken van gezag^ die de Prins van Oranje gaf, 
wel wat geweldig/' — zoo schreef Luxembourg den 22steQ Augustus- 
aan den Koning. Maar dezelfde volkshoop begon te gelooven 
aan een nieuw verraad, toen hij die Franschen, wier verdelging^ 
naar men beloofd had, dadelijk zou volgen op den dood der ver- 
raders, aldoor op dezelfde posten zag blijven staan, en altijd even 
dreigend. De achterdocht der menigte werd versterkt door de 
zorg waarmede de Engelsche ministers de bijzondere belangen, 
behartigden van den Prins, die verwant en verbonden was aan 
htm Koning. 2^1fs aan de poorten van het stadhuis van Den 
Haag werden geschriften geplakt, waarin men openlijk zeide, dat 
als de Prins van Oranje de Franschen niet aanviel, men met 
hem zou doen, zooals hij had laten doen met De Witt (brief 
van Luxembourg aan Louvois van i November). Wat de mili- 
taire partij betrof, die was minder onstuimig, maar even vurig 
en met meer eerzucht; zij maande den Stadhouder aan, om het 
leger eindelijk in de gelegenheid te stellen van door een schit- 
terend wapenfeit zich op te heffen uit die onbeduidendheid, waartoe 
De Witt's staatkunde het had doen dalen. Dit alles maakte het 
voor den Prins van Oranje noodig om een voordeelig gevecht 
te leveren." 

Dit alles was, volgens Rousset, de aanleiding tot de onder- 
neming van Willem III tegen Woerden. Geheel juist is die voor- 
stelling niet, die de Fransche schrijver hier geeft: Willem III is 
bij die onderneming veel meer te werk gegaan volgens eigene 
inzichten, en heeft niet zoo den drang der partijen gevolgd; de 
opgaven, door Luxembourg dienaangaande ingezonden, moet 
men niet onbepaald vertrouwen: de Fransche bevelhebber is 
denkelijk niet zoo nauwkeurig ingelicht aangaande den waren 
staat van zaken in Holland zelve. De voorname reden waarom 
Willem in tot die onderneming tegen Woerden overging, was 
de wensch om den moed van het Hollandsche leger te ver- 
hoogen, alvorens met dat leger oorlog te voeren in meer ver- 
wijderde gewesten. Ddt doel is door den Stadhouder toen vol 
komen bereikt. 

Ook het gevecht zelf bij Woerden is bij Rousset minder 
juist beschreven; en evenzoo is het minder nauwkeurig, wan- 
neer hij het een 9 hardt coup de mairC^ noemt (blz. 388), dat 
Luxembourg den aosten September Woerden had bezet; een stad, 
die toen niet verdedigd werd, die niet bezet was en ternauwer- 
nood versterkt! 



Digitized by 



Google 



IQO KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

De Stadhouder, partij willende trekken van den indruk dien 
iijne stoute aanvallende beweging op Woerden bij vriend en 
vijand had gemaakt, besloot tot eene onderneming van grooter 
belang en die, gelukkende, ten gevolge moest hebben de oogen- 
blikkelijke ontruiming van het grondgebied der Republiek door 
de Fransche legers; hij besloot de Hollandsche waterlinie bezet 
te doen houden door een klein gedeelte zijner legermacht, en 
met de hoofdmacht aanvallend te werk te gaan in de Zuidelijke 
Nederlanden en naar de zijde van den Rijn. In een krijgsraad, 
•den lyen October te Alphen gehouden, werden de maatregelen 
vastgesteld voor die aanvallende beweging. De Ruyter woonde 
'dien krijgsraad bij; en denkelijk heeft de groote vlootvoogd 
•de verzekering gegeven, dat er geene landing van eene En- 
gelsche krijgsmacht te duchten was; ten minste de ruiterij die, 
om eene landing te beletten, gedurende een goed gedeelte van 
den zomer bij Den Helder had gestaan, kreeg bevel op te bre- 
ken om deel te nemen aan den tocht naar Braband. Een aantal 
platboomde vaartuigen, volgens sommige opgaven 800 in getal, 
werd op de Maas vereenigd, om de troepen, het geschut, de 
munitie en levensmiddelen naar Noord-Braband over te brengen ; 
en men gaf last om in de Baronie van Breda een aanzienlijke 
hoeveelheid fourage bijeen te brengen, ten behoeve van de ruiterij, 
<iie een aanzienlijk deel uitmaakte van het leger des Stadhouders. 

De sterkte en samenstelling van dat leger worden zeer ver- 
schillend opgegeven. Volgens een onzer schrijvers — Valckenier — 
bedroeg het aanvankelijk ruim 23000 man, en later, versterkt 
door Spaansche troepen, 30000; hieronder had men 18000 rui- 
ters, 2000 dragonders en 10 000 man infanterie. Eene andere 
opgave, — Hollandsche Mercurius — begroot de aanvankelijke 
«terkte, zonder de Spaansche troepen, ook op 23 k 24000 man, 
waaronder de ruiterij 54 eskadrons uitmaakte, ieder eskadron 
verdeeld in 3 compagnieën; volgens die opgave zouden echter 
dadelijk bij den opmarsch naar Braband, 5 regimenten infanterie, 
al de artillerie en de bagage, naar Bergen op Zoom zijn terug- 
gezonden, en daarentegen 3 regimenten van de bezetting van 
Maastricht bij het leger zijn aangetrokken. 

De opgaven der Fransche schrijvers zijn hiermede in strijd. Zoo 
vermeldt Beaurain, dat het leger des Stadhouders in Noord-Braband 
1 2 000 man infanterie en 9000 man kavalerie telde, en Monterey 
eene versterking van 10 000 Spanjaarden had beloofd: dat echter 
bij den opmarsch de Stadhouder zijne infanterie en een deel zijner 
kavalerie in Noord-Braband achterliet, en slechts met 4000 rui- 
ters op Maastricht trok, terwijl de versterking die de Spanjaarden 
aanbrachten, slechts 7 k 8000 man bedroeg; — later, bij het 
beleg van Charleroi, stelt Beaurain de macht der bondgenooten 
evenwel op 30 000 man, — In de briefwisseling van de Fransche 



Digitized by 



Google 



TOCHT NAAR MAASTRICHT EN DE BOVENMAAS. I9I 

bevelhebbers vindt men, dat Duras den gen November aan Lou- 
vois schrijft, >dat er berichten zijn dat Willem III eene macht 
vereenigd heeft van 8000 man ruiterij en 8 è, 10 000 man voet- 
volk, met 12 stukken geschut." In een lateren brief van Duras, 
van 12 November, wordt echter gezegd: >dat de Stadhouder 
noch infanterie, noch geschut bij zich heeft ; dat de Spanjaarden 
hem 4000 ruiters gegeven hebben, behalve de dragonders; en 
Willem III evenveel ruiterij heeft." Luxembourg schrijft, geheel 
in strijd daarmede, den 29sten November uit Utrecht, idat de 
Prins van Oranje, niet alleen zijne ruiterij, maar ook een groot 
deel zijner infanterie had meegenomen, en er te Bodegraven 
maar 2000 man zijn overgebleven." 

Uit die opgaven moet men als het waarschijnlijkste opmaken : 
<iat de Stadhouder werkelijk — om welke reden is onbekend — 
bij het begin van den opmarsch een gedeelte van zijne infan- 
terie in Noord-Braband heeft achtergelaten, en hij zijn tocht 
naar Maastricht bijna uitsluitend met kavalerie heeft verricht, 
maar dat later ook die infanterie is opgerukt, en toen de leger- 
macht van Willem III een 30000 man zal hebben bedragen, de 
Spaansche troepen daaronder gerekend. 

Die legermacht, zoo voetvolk als ruiterij, was van de Hol- 
landsche waterlinie gemarcheerd op Gouda en Rotterdam, daar 
ingescheept en zoo naar Noord-Braband overgebracht; hier trok 
zij te zamen bij Wouw en Roozendaal. Den yen November was 
het HoUandsche leger daar vereenigd; den 8sten ving de tocht 
naar Braband aan. £en gedeelte van de krijgsmacht, voornamelijk 
voetvolk, was achtergelaten tot beveiliging van Holland en be- 
zette de waterlinie; bevelhebbers van de verschillende deelen 
dier linie waren: te Muiden en Weesp graaf Maurits van Nas- 
sau; te Bodegraven de graaf van Königsmarck; aan de Goejan- 
verwellesluis de graaf van Hoome; te Schoonhoven de markies 
van Westerloo; en te Gorkum de veldmaarschalk Wirtz. 

Terwijl nu de Stadhouder de HoUandsche legermacht in de 
Zuidelijke Nederlanden geleidde om den strijd tegen Frankrijk 
dür over te brengen, naderden gelijktijdig Duitsche legers den 
Rijn en bedreigden dit rijk met een inval in de oostelijke ge- 
westen ; en de samenwerking van die verschillende legermachten 
zou, waren zij krachtdadig aangewend, zeker groote uitkomsten 
hebben kunnen teweegbrengen. Die krachtdadigheid ontbrak 
hier echter bij sommigen; de ontwerpen van de bondgenooten 
werden hier weer verijdeld door de zoo gewone verdeeldheid van 
inzichten, waartegenover Frankrijk, evenals bij zooveel latere oor- 
logen, eene eenheid van handeling stelde, die alléén reeds vol- 
doende was om het een groot overwicht te geven op zijne vijanden. 

Twee Duitsche legers naderden den Rijn en bedreigden Frankrijk. 



Digitized by 



Google 



192 KRIJOS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

Het eene^ onder den keurvorst van Brandenburg, telde, volgens 
de waarschijnlijkste opgaven, een 24 k 25000 man, en werd op 
het einde van Augustus bij Halberstadt vereenigd; het andere^ 
een kleine 20000 man Keizerlijke troepen, onder Monte Cuculi^ 
ging den 29stea Augustus op raarsch, van Egra in Bohemen. 
Half September was het Brandenburgsche leger nog te Hildes- 
heim, dat van Monte Cuculi in Thuringen, en eerst in het begin 
van October trokken die beide legers naar den Rijn, naar de 
zijde van Keulen en Koblentz. — Wij drukken op dien laten 
opraarsch, om daarmede onze vroegere bewering te staven: dat 
het ongerijmd is, om aan den opmarsch van die Duitsche legers 
de redding van Holland in 1672 toe te schrijven. 

Eenheid van inzichten ontbreekt nogal dikwijls bij verbondene 
legers, maar hier schijnt zelfs de goede trouw niet bij allen te 
hebben bestaan. Wél aan de zijde van den Brandenburgschen 
keurvorst, die het oprecht meende met zijn bondgenootschap, 
met onzen Staat gesloten: de Keizer daarentegen schijnt noode 
den oorlog tegen Frankrijk te hebben willen voeren, en zich ten 
minste geen opofiferingen daarvoor te hebben willen getroosten. 
Hij had dan ook aan zijn veldheer Monte Cuculi tot bepaald 
voorschrift gegeven: »zoo weinig mogelijk te verrichten." Deze, 
anders een aanvoerder van groote bekwaamheid, kwam dien 
last goed na, speelde in dezen veldtocht eene onbeduidende rol, 
verlamde daardoor ook de handelingen van het bij hem ge- 
voegde Brandenburgsche leger en maakte op die wijze aan de 
uitstekende Fransche legerhoofden hunne taak gemakkelijk. 

Turenne en Condé waren hier belast met de verdediging van 
Frankrijk's oostelijke grenzen ; de eerste stond aan den beneden- 
Rijn, de tweede bij den Elzas. Condé had eene legermacht van 
18000 man, die van Turenne bedroeg aanvankelijk slechts 12 è. 
15000 man; bij verschillende gelegenheden werd zij echter ver- 
sterkt; het juiste bedrag van die versterkingen wordt niet opge- 
geven, maar Napoleon — in zijne kritiek over de veldtochten 
van Turenne — stelt de legermacht van dien veldheer, op het 
einde van 1672, even hoog als de beide Duitsche legers ver- 
eenigd. Behalve die legers van Condé en Turenne en het leger 
van Luxembourg in Holland, was er eene Fransche krijgsmacht 
rondom Maastricht geplaatst, op de beide oevers van de Maas; 
die krijgsmacht, vroeger aangevoerd door een der beide Cha- 
milly's, was, na het overlijden van dien bevelhebber, onder den 
hertog De Duras gekomen, en had tot taak om de bezetting 
van Maastricht in bedwang te houden en Luxembourg's gemeen- 
schap met Frankrijk te verzekeren. Eene andere Fransche leger- 
macht, onder den maarschalk d'Humières, was verdeeld in de 
vestingen die Frankrijk in de Spaansche Nederlanden bezette, en 
in de sterke steden van het noorden van Frankrijk. 



Digitized by VjOOQIC 



TOCHT NAAR MAASTRICHT EN DE BOVENMAAS. 193 

Terwijl Condé op den linker Rijnoever bleef, en, om den 
vijand den overtocht van dien stroom te verhinderen, de brug 
bij Straatsburg den i4en November deed verbranden, was Tu- 
renne op den rechteroever van den Rijn overgegaan, en ver- 
richtte hij wat volgens den kunststijl van Clausewitz eene actieve 
rivier-verdediging wordt genoemd. Dit was in strijd met 
de voorschriften die hij van de regeering had ontvangen, die 
den raad inhielden om op den linkeroever des strooms te blij- 
ven en dus eene lijdelijke verdediging te voeren. Turenne 
sloeg die voorschriften in den wind en besloot den vijand op te 
zoeken op den rechteroever. 

Stout mag die handeling worden genoemd; want indien het 
al waar is, dat later door de aangekomen versterkingen de 
macht van Turenne met die der bondgenooten gelijkstond, zoo 
was dit toch aanvankelijk niet het geval, de Fransche veldheer was 
zeer in de minderheid. Maar Turenne rekende op de langzaam 
heid en mindere bekwaamheid van zijne tegenstanders, op het 
uitmuntende van de Fransche troepen en op de hulpmiddelen 
die hij zou weten te vinden in zijn eigen beleid. Verschillende 
voordeden waren verbonden aan dien overgang op den anderen 
Rijnoever: daardoor kreeg het Fransche leger aan zijne zijde 
het zedelijk overwicht, dat de aanvaller altijd op den verdediger 
heeft; daardoor werden de bondgenooten zelve bedreigd, zelve 
verhinderd den Rijn over te trekken, en dus die stroom even 
goed verdedigd alsof men zich daarachter had geplaatst; daar- 
door eindelijk deed Turenne zijn leger onderhouden door de 
Duitsche Staten op den rechter Rijnoever, en beroofde hij de 
landstreek op dien oever van levensmiddelen; — iets, wat bij de 
wijze van oorlogvoren van dien tijdeen belangrijk voordeel was, 
dewijl het daardoor aan den vijand onmogelijk werd gemaakt 
om later zelf lang te verblijven in die landstreek. 

Dat er gevaar was gelegen in dien overgang op den rechter- 
oever des Rijns, — dit valt niet te ontkennen. Voor een veld- 
heer van mindere bekwaamheid dan Turenne zou die handeling, 
als zeer gewaagd, niet aan te raden zijn geweest; maar bij hem 
werd dat gewaagde weggenomen door de voorzichtige, beleid- 
volle wijze, waarop hij den strijd met den vijand wist te ont- 
wijken. Stoutheid bij het ontwerpen, voorzichtigheid bij het uit- 
voeren, — ziedaar het kenschetsende van Turenne*s strategie; 
en onder andere bij die verdediging van den Rijn op het einde 
van 1672 vindt men die beide hoedanigheden op eene mees- 
terlijke wijze vereenigd: met een klein leger gaat hij den veel 
sterkeren vijand te gemoet, blijft dezen geruimen tijd nabij, 
houdt hem in bedwang, — maar zorgt wél van niet gedwongen 
te worden tot een ongelijken strijd tegen de overmacht. 

Op drie verschillende wijzen konden de Duitsche legers Hol- 

wiLLEM ni, — I. 13 

Digitized by VjOOQIC 



194 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

land te hulp komen; zij konden op Holland trekken, ona zich 
óéiéLT met Willem III te vereenigen ; zij konden Keulen bedreigen, 
en daardoor de Keulsche krijgsmacht nopen om Holland te ont- 
ruimen; zij konden, eindelijk, den Rijn overgaan en trachten Frank- 
rijk binnen te dringen, hetzij door den Elzas, hetzij over den Moezel. 
In de onzekerheid wat 's vijands voornemen was, plaatste 
Turenne zich den loen September met zijn leger bij Wezel, op 
den rechter Rijnoever. Toen in het begin van October de op- 
marsch van de Duitschers plaats had naar het gedeelte van den 
Rijn tusschen Keulen en Koblentz, trok Turenne langs den stroom 
opwaarts en nam den 7en October stelling te Mulheim. Den 
i2en October gingen het Brandenburgsche en het Keizerlijke leger 
op marsch naar de zijde van Mainz en Frankfort. De bondgenooten 
werden daar versterkt met 5 k 6000 man, die de hertog van Lotha- 
ringen hun aanbracht. Voornemens bij Keulen den Rijn over te 
trekken, deden zij schijnbewegingen om den vijand te misleiden, 
en namen zij den 25stea October stelling te Höchst, tegenover 
Mainz, een uur of drie daarvan verwijderd. Turenne was zijnen 
vijanden gevolgd, altijd op den rechter Rijnoever, en nam den 
óen November stelling te Neuwied, tegenover Andernach. Hier 
deed hij, onderricht zijnde van den opmarsch van Willem III in 
de Zuidelijke Nederlanden, en dien vorst het naderen van den 
Rijn en eene vereeniging met de Duitsche legers willende ver- 
hinderen, een brug slaan over den Rijn ; die brug te Andernach 
werd verzekerd door een dubbel bruggenhoofd. Na daar eene 
genoegzame bezetting te hebben achtergelaten, ging het Fransche 
legerhoofd den i9eii November op den linkeroever van den Rijn 
over, en nam stelling te Witlich, ten noorden van den Moezel, 
op den weg van Aken en Maastricht naar Mainz. Hier was 
Turenne den 23sten November in gemeenschap met het leger 
van Condé, dat den Moezel was genaderd; en de Fransche veld- 
heer, tusschen de Duitsche legers en dat van Willem III in staande, 
was dus in de gelegenheid om de vereeniging te beletten van 
die beide legers, en elk afzonderlijk met overmacht aan te vallen 
en te verslaan. 

Die korte opgave van de operaliën aan den Rijn was noodig 
om de handelingen van Willem III in de Spaansche Nederlanden 
te verklaren. Den 8sten November had die vorst den opmarsch 
begonnen van Roozendaal naar Maastricht over Hoogstraten, 
Castelré, Arendonk en Peer; den 11 en November bereikte men 
Maastricht. Die marsch zou, zelfs in onzen tijd, voor een snellen 
marsch worden gehouden; zij maakt het dan ook waarschijnlijk 
dat de macht des Stadhouders aanvankelijk alleen uit ruiterij 
bestond. Er hadden onbeduidende ruiterij-gevechten plaats bij 
dien opmarsch; maar de macht van Duras was te gering om 



Digitized by 



Google 



TOCHT NAAR MAASTRICHT EN DE BOVENMAAS. I95 

het doordringen van het Hollandsche leger tot Maastricht te 
verhinderen. Die Fransche bevelhebber had zijne infanterie groo- 
tendeels als bezetting geplaatst te Tongeren en te Maaseyck; 
met zijne ruiterij, volgens Beaurain 3500 paarden sterk, had hij 
ten zuiden van Tongeren aan de Jeker gestaan, maar was, bij 
de nadering van Willem III, te Maaseyck op den rechteroever 
van de Maas teruggegaan; den ijen November nam hij stelling 
te Wassenberg, achter de rivier de Roer. Hier wachtte hij ver- 
sterking van ruiterij die Luxembourg hem uit Holland toezond. 
Uit een der brieven van dien Franschen maarschalk aan Lou- 
vois blijkt, dat die ruiterij uit 40 compagnieën bestond, en den 
yen November te Nijmegen zou aankomen. Neemt men aan, dat 
die compagnieën de gewone sterkte hadden, dan maakt die ver- 
sterking een paar duizend man uit, zoodat de opgaven van onze 
schrijvers, volgens welke Duras in het geheel een 6000 man 
ruiterij bij zich zou gehad hebben, alleszins met de waarschijn- 
lijkheid overeenkomen. 

Het ontzetten van Maastricht, van een vesting die reeds bijna 
een half jaar zoo goed als ingesloten was, de verschijning van 
eene Hollandsche legermacht in de Zuidelijke Nederlanden op 
een oogenblik dat de vijand nog voor de poorten van Amster- 
dam stond, waren zeker gebeurtenissen, die een diepen indruk 
moesten maken; het waren belangrijke zedelijke voordeelen voor 
Holland. Maar, om die voordeelen door te zetten, om oorlog te 
blijven voeren in de Spaansche Nederlanden en daardoor 
I^uxembourg te dwingen om Holland te ontruimen, daartoe was 
de macht van Willem III alleen te zwak, daartoe werd de mede- 
werking vereischt van de Spaansche en vooral van de Duitsche 
legermacht. Het hoofddoel van den Stadhouder schijnt dan ook 
te zijn geweest, om door zijn marsch op Maastricht het leger 
van Turenne naar de Maas te lokken, en het daardoor den 
Duitschen legers gemakkelijk te maken om den Rijn over te 
trekken; het was evenals bij een schaakpartij met vieren: de 
bondgenoot van Willem III was mat, en het kwam er vooral 
op aan dezen te ontmatten; gelukte dit, dan was er veel kans 
om de partij te winnen. Maar dat ontmatten gelukte niet: Tu- 
renne liet zich door de bewegingen van den Stadhouder niet 
aftrekken van den Rijn; hij bepaalde er zich toe — zooals men 
gezien heeft — eene brug te Andernach te slaan, waardoor hij 
steeds in de gelegenheid was, met zijn leger dat des Stad* 
houders te gemoet te gaan ; maar hij bleef vooreerst te Andernach; 
en toen hij later den Rijn verliet, plaatste hij zich zoodanig te 
Witlich, dat hij daardoor de vcreeniging van de Duitsche legers 
met dat van Willem III nog belette. Verder vooruitrukken tus- 
schen Maas en Rijn, het leger van Turenne opzoeken en slag 
leveren, daartoe was de macht van Willem III veel te gering; 



Digitized by 



Google 



196 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

en hij moest zich dus bepalen met in de nabijheid van Maastricht 
te blijven, en hier, door het bedreigen van de sterke steden die 
Frankrijk in de Spaansche Nederlanden had, of door het behalen 
van voordeelen op Duras, eene afleiding te bewerken ten voor- 
deele van de Duitsche legers aan den Rijn. 

Zelfs hiertoe werd de komst van de Spaansche hulptroepen 
gevorderd; en daar deze eerst den 24sten November aankwamen, 
bracht men een dag of veertien door met onbeduidende verrich- 
tingen bij Maastricht: den isen November trok de ruiterij des 
Stadhouders door Maastricht, en breidde zich uit op den rechter 
Maasoever tot Eysden; bij Navaigne werd een brug over de 
Maas geslagen; en met Luik werd eene overeenkomst gesloten, 
die den toevoer van levensmiddelen uit dit Bisdom aan het Hol- 
landsche leger verzekerde. Toen nu de Spaansche generaal Marsin 
met 7 k 8000 man op den linker Maasoever nabij Maastricht 
was verschenen, ging men over tot de insluiting van Tongeren; 
den 25sten November begonnen, werd zij den 26steii voltooid, 
toen de hoofdmacht van de bondgenooten voor die stad ver- 
scheen. Vóórdat die insluiting was voltooid, had zich Montal, 
de Fransche bevelhebber van Charleroi, met eenige ruiterij bin- 
nen Tongeren geworpen; het bevel tot die handeling vooruit- 
loopende, dat hem eerst den 26sten door Louvois werd toege- 
zonden. De komst van diei\ bekwamen en stouten Franschen 
aanvoerder binnen de muren der bedreigde vesting, verminderde 
voor de bondgenooten de kansen op hare vermeestering ; — 
kansen, die toch niet zeer groot waren, daar uit verschillende 
opgaven blijkt, dat Tongeren reeds maanden te voren door de 
Franschen met zorg was versterkt, en toen eene bezetting had 
die op een 3000 man wordt begroot. 

Ernstig schijnen de bondgenooten die onderneming tegen Ton- 
geren ook niet te hebben doorgezet; want reeds den 29sten No- 
vember werd het beleger ingsgeschut teruggezonden naar Maas- 
tricht; en den volgenden dag trok de Stadhouder met het 
grootste deel zijns legers ook derwaarts, de onderneming tegen 
Tongeren dus geheel opgevende. Aanleiding tot dit besluit schijnt 
te zijn geweest de weinige kans die men had om Tongeren te 
bemachtigen, en de hoop van een voordeel te behalen op Duras, 
die men meende dat met zijne 6000 man ruiterij over Maaseyck 
zoude oprukken, om de bedreigde vesting te hulp te komen; 
denkelijk heeft de geheele onderneming tegen Tongeren alleen 
gediend om Duras uit te lokken tot het leveren van een gevecht. 

Dit doel was echter niet bereikt; de Fransche bevelhebber 
was achter de Roer gebleven. Willem III, hem daar willende 
opzoeken, trok op den 3osten November met 9000 man ruiterij 
te Maastricht de Maas over en rukte op Linnick, voornemens 
dd^r, in het gezicht van Duras, de Roer over te trekken. Die 



Digitized by 



Google 



TOCHT NAAR MAASTRICHT KN DE BOVENMAAS. I97 

rivier was toen echter door aanhoudende regens zeer sterk ge- 
zwollen ; en daar Duras de bruggen vernield had, was hare over- 
tocht ondoenlijk. De Stadhouder keerde, na een paar dagen aan 
de Roer te hebben stand gehouden, naar Maastricht terug ; maar 
toch iets willende verrichten, deed hij, op den 6en December, 
het sterke kasteel van Valkenburg door 3 regimenten der bezet- 
ting van Maastricht — Beaumont, Mannemaker en Kilpatrick — 
met 4 stukken geschut aanvallen ; reeds den 7en was de Fransche 
bezetting, een paar honderd man sterke genoodzaakt zich over 
te geven. Duras, zijne stelling aan de Roer te gevaarlijk reke- 
nende, had die in de eerste dagen van December verlaten, en 
was den 5en te Oberwinter gekomen, tusschen Bonn en Ander- 
nach, daardoor zijne gemeenschap met Turenne verzekerende. 
Die terugtocht van den Franschen bevelhebber was, naar ge- 
woonte, gedekt door eene achterhoede; — wat de Hollandsche 
Mercurius, in zijne diepe kennis van de krijgskunst, als iets zeer 
opmerkelijks vermeldt: >dit was de Fransche gewoonte als zij 
het hazenpad kiezen, dat zij gedurig 10 è, 11 escadrons van verre 
laten navolgen, altoos omkijkende of haar vijand volgde." (23* 
deel, blz. 207). 

Die operatiën aan de Maas bleven intusschen zonder invloed 
op den gang der gebeurtenissen aan den Rijn: Turenne hield 
nog altijd stand te Witlich, tevens het bruggenhoofd van Ander- 
nach sterk bezet houdende ; en zijne vijanden gingen te werk op 
eene wijze, die ten duidelijkste deed blijken, dat zij geen ernstig 
voornemen hadden om den Rijn over te ga^n en den oorlog 
over te brengen op den linkeroever van dien stroom. Den 7en 
December deden zij eene zwakke poging om de brug te Ander- 
nach te vernielen en een aanval op het bruggenhoofd op den 
rechteroever; die poging mislukte, die aanval werd afgeslagen. 
Met half December verlieten zij daarop den Main en trokken zij 
naar de Lahn; en dit bewoog Turenne om den i7en December 
ook zijne stelling te Witlich te verlaten en de brug te Ander- 
nach meer nabij te komen. Op het bericht dat de Duitsche legers 
uiteengaan en een gedeelte van de Brandenburgsche macht naar 
het lagere gedeelte van den Rijn trekt, doet de Fransche veld- 
heer de brug bij Andemach afbreken en volgt hij de bondge- 
nooten naar de zijde van Wezel. 

Met het einde van December is de Duitsche legermacht geheel 
ontbonden; zij keert huiswaarts; en daar men, om de onzijdig- 
heid van de Duitsche vorsten te ontzien, gedurig omwegen moest 
maken, werden de marschen zoo vermoeiend, dat daardoor en 
door de invallende koude meer dan 3000 paarden bezweken. 
Het Brandenburgsche en het Keizerlijke leger hadden dus, in den 
striktsten zin van het woord, in dezen veldtocht niets gedaan; 



Digitized by 



Google 



198 KR^GS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

en dit was de bijstand die ons land in 1672 van Duitschland 
ondervond ; hij had tot niets anders gediend dan om in de laatste 
maanden van dat jaar een deel der Fransche krijgsmacht naar 
den Rijn te doen trekken. 

Oranje, nu aan zijne eigene krachten overgelaten, besloot nog 
voor het einde van den veldtocht tot eene onderneming over te 
gaan, die, gelukte zij, zijn krijgsroem zou verhoogen en een 
zwaren slag zou toebrengen aan de Fransche macht; hij besloot 
tot het beleg van Charleroi. 

Stout mag die onderneming worden genoemd, wanneer men 
in aanmerking neemt het vergevorderde jaargetijde, en de zeker- 
heid dat men daarbij zonder ondersteuning zou blijven van de 
Duitsche legers; maar er waren kansen voor het gelukken: men 
wist dat Charleroi niet sterk bezet was, en zich daarin niet meer 
dan 800 soldaten bevonden en 300 boeren, bestemd voor den 
arbeid aan de vestingwerken; wat meer was, de bevelhebber der 
vesting, Montal, wiens bekwaamheid men kende, was afwezig; en 
de verdediging zou dus, — dit was te verwachten — met niet 
veel kracht worden gevoerd. Ontzet zou de vesting niet spoedig 
kunnen krijgen, daar de Fransche macht in de vestingen der 
Zuidelijke Nederlanden op zich zelve hiertoe niet sterk genoeg 
was, Turenne zich aan den Rijn ophield en Duras was terug- 
gedrongen. De inneming van Charleroi was dus mogelijk en zelfs 
alles behalve onwaarschijnlijk. 

£n die inneming zou een belangrijk wapenfeit zijn geweest. 
Men moet, om dit te erkennen, zich verplaatsen in de wijze van 
oorlogvoeren van de 17e eeuw, en onze hedendaagsche denk- 
beelden daarover ter zijde stellen. Bij een veldtocht van de 19e 
eeuw zou de inneming van eene vesting als Charleroi een ge- 
heel onbeduidende handeling zijn; in de 17e eeuw niet; toen- 
maals was elke vesting van gewicht, en van zooveel gewicht, dat 
men rekende dat een sterk, overwinnend leger een roemrijken 
veldtocht had verricht, wanneer het, in den loop van dien veld- 
tocht, een of twee vijandelijke vestingen had belegerd en inge- 
nomen; — zie, ten bewijze, hoe verscheidene veldtochten van 
Marlborough niets anders dan dit opleveren, en dat was reeds 
18e eeuw! Wat moest het dan zijn, wanneer men een leger 
dat bij het begin van den veldtocht zwak, geslagen en vluch- 
tend was, een leger dat men bijna niet meer telde, plotseling 
weer aanvallender wij ze zag te werk gaan, en eene vesting bele- 
geren ên innemen, onmiddellijk aan de grenzen van het machtige 
en overwinnende Frankrijk! Het lijdt geen twijfel, dat zoo iets 
een verbazenden indruk moest maken; en dat, door die ver- 
meestering van Charleroi, de zedelijke kracht van Lodewijk's 
heerschappij een geduchten schok moest ondergaan. 



Digitized by VjOOQIC 



TOCHT NAAR MAASTRICHT EN DE BOVENMAAS. I99 

Maar ook de materieele nadeelen zouden groot zijn voor 
Frankrijk. Charleroi was toentertijd eene groote depotplaats voor 
de Fransche krijgsmacht in Holland*, het onderhield, in verband 
met de door Duras bezette sterke steden, de gemeenschap van 
die krijgsmacht met Frankrijk ; van daar kon die krijgsmacht ge- 
durig toevoer krijgen ; — maar viel Charleroi in handen van de 
bondgenooten, dan hield dit alles op ; dan was die gemeenschap 
verbroken; dan kwam geen toevoer meer van daar; dan was 
— om eene nieuwere uitdrukking te bezigen — Luxembourg's 
operatielijn door den vijand bemachtigd. De landstreek tusschen 
Maas en Rijn was dén de eenige weg, waarlangs die Fransche 
veldheer toevoer kon krijgen, waarover hij een terugtocht kon 
verrichten; en daar die landstreek ernstig bedreigd kon worden, 
èn door het leger van Willem III, èn door de Duitsche legers 
aan den Rijn, zoo was het voortdurend behouden van toevoer 
en van ongehinderden terugtocht voor Luxembourg iets zeer 
onzekers; en die Fransche veldheer, wilde hij geen gevaar loe- 
pen van door de bondgenooten te worden ingesloten, zou ge- 
dwongen zijn om Holland te ontruimen. 

Zulke groote en beslissende uitkomsten kon de vermeestering 
van Charleroi teweegbrengen. Dat die vermeestering niet plaats 
had, dat de onderneming mislukte^ dit bewijst niets: het ontwerp 
tot de onderneming blijft daarom toch even stout en groot. 

Oranje, zijne tegenpartij door schijnbewegingen misleidende, 
deed Montal gelooven, dat bij de bondgenooten het voornemen 
bestond om nogmaals Tongeren aan te vallen ; maar, terwijl een 
gedeelte van de macht des Stadhouders die stad naderde, trok 
eene afdeeling ruiterij den i5eu December plotseling naar Char- 
leroi en berende die vesting ; den i yen verscheen de hoofdmacht 
der bondgenooten aldaar en voltooide de insluiting. Er waren 
regimenten infanterie van Bergen op Zoom aangekomen, tenge- 
volge waarvan de geheele macht des Stadhouders tot 30000 man 
klom. Belegeringsgeschut werd te Maastricht ingescheept, om 
over de Maas en Sambre naar Charleroi vervoerd te worden. 
Men viel dus met sterke middelen eene vesting aan met geringe 
bezetting en zonder bevelhebber; een beleg van eenige dagen 
kon haar doen vallen; Frankrijk lag dan open voor het leger 
des Stadhouders; en de vrees voor een vijandelijken inval was 
daar zóó groot, dat er ernstig sprake van was, dat Lodewijk XIV 
zich in persoon aan het hoofd eens legers zou stellen. Verschil- 
lende omstandigheden keerden echter dit gevaar van Frankrijk 
af en deden het voorgenomen beleg mislukken. 

Montal, wanhopig van zich door den vijand te hebben laten 
misleiden, wil eene uiterste poging wagen om zich ie werpen 
binnen de vesting aan zijne zorg toevertrouwd. Die onversaagde 
bevelhebber verlaat met een honderdtal ruiters Tongeren, komt 



Digitized by 



Google 



200 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

in den vroegen ochtend van den i8en nabij Charleroi en neemt 
een list te baat om zich heen te slaan door de insluitende macht 
van de bondgenooten. Hij heeft zijne ruiters van oranjesjerpen 
voorzien, is — door den een of anderen overlooper — met het 
wachtwoord bekend geworden, en nadert nu de legerplaats der 
Spanjaarden van Marsin, waar hij zich uitgeeft als behoorende 
tot de troepen van den hertog van Holstein. Twee veldwachten 
laten hem ongehinderd door, maar bij de derde heeft oponthoud 
plaats; en toen de Franschman ziet dat hij ontdekt zal worden, 
werpt hij het masker af; op het door hem gegeven sein, — de 
kreet van y^vive Ie Rot' de Francé*^ — schieten zijne ruiters hun 
pistolen af, storten zich met de sabel in de vuist op de Span- 
jaarden, slaan zich daar doorheen en bereiken Charleroi. Hunne 
komst binnen die vesting wekt den neergeslagen moed der be- 
zetting weer op, en Montal, van de eerste geestdrift gebruik 
makende, doet dadelijk een krachtig geschutvuur op den vijand 
openen en uitvallen doen; de bondgenooten lijden daarbij ver- 
liezen: Louvignies wordt gekwetst en onder de gesneuvelden 
wordt een van de Bijlandts genoemd. 

De verdediging zou nu met kracht worden gevoerd, en aan 
de Fransche zijde maakte men zich gereed om de benarde ves- 
ting zoo goed mogelijk te hulp te komen. Duras had reeds 
vroeger — 4 December — last ontvangen van Louvois om zich 
te versterken met een 3 k 4000 man ruiterij van de Keulsche 
en Munstersche krijgsmacht die te Wezel te zijner beschikking 
zouden worden gesteld; alsook met een 1200 ruiters, onder 
Calvo, door Luxembourg uit Holland afgezonden; en met die 
vereenigde macht het leger van Willem III op te zoeken en 
terug te drijven; — dit bevel was echter niet tot uitvoering ge- 
komen, denkelijk omdat de overmacht des Stadhouders dit be- 
lette. Óp de eerste tijding der berenning van Charleroi zond 
Louvois — 17 December — andermaal bevel aan Duras om 
onverwijld met zijn geheele macht de Maas over te trekken, op 
Braine Ie Comte te marcheeren, en zich te Ath onder de be- 
velen te stellen van den maarschalk d'Humières, die daar 7000 
man infanterie en 1200 ruiters zou vereenigen; die gezamenlijke 
macht moest dan Charleroi ontzetten. 

Vóórdat dit leger oprukte, was echter het beleg van Charleroi 
reeds opgebroken. 

De voorname oorzaak hiervan was een plotseling ingevallen 
vorst, die den aanvoer onmogelijk maakte van het belegerings- 
geschut van Maastricht, het openen van de loopgraven belette, 
de soldaten des Stadhouders zeer deed lijden en een aantal 
hunner het leven kostte. Dit schijnt de hoofdoorzaak te zijn 
geweest van het opbreken van het beleg van Charleroi; — hoe- 
wel het zeer waarschijnlijk is, dat op dit opbreken ook niet 



Digitized by 



Google 



TOCHT NAAR MAASTRICHT EN DE BOVENMAAS, 20I 

zonder invloed is gebleven de dappere wederstand, door Montal 
geboden, de tijding van het bijeentrekken van een Fransch leger 
tot ontzet en de vrees dat, bij langer verwijl voor Charleroi, 
Holland intusschen door Luxembourg gevaar zou kunnen loopen. 
Den aasten December werd de kleine vesting Binche nog be- 
machtigd door eene afdeeling van het leger des Stadhouders, 
en de vijandelijke bezetting, 300 man sterk, krijgsgevangen ge- 
maakt; men slechtte de vestingwerken van dat stadje en verliet 
het toen. Daarna werd het beleg van Charleroi opgebroken en 
Willem III trok met zijn leger terug naar Holland, zonder bij 
dien terugtocht in het minst door den vijand gehinderd te wor- 
den. Daarentegen leed de Hollandsche krijgsmacht veel door 
de koude; en volgens Sylvius moeten de daardoor ontstane 
ziekten die krijgsmacht met een derde hebben verzwakt. Den 
3osteii December was de Stadhouder weer te Alphen. 

Rousset, in zijn „Histotre de Louvois*^ toont aan dat die onder- 
neming van Willem III op Charleroi >goed beraamd" was, en 
van eene » uitnemende stoutheid" -getuigt ; ziehier wat daarover 
voorkomt in het werk van den Franschen schrijver (i* deel, 
blz. 403—407): 

> Inmiddels had de Prins van Oranje zich een oogenblik ge- 
vleid, het doel van zijn streven te hebben bereikt. Hij had 
eenige troepen in Holland achtergelaten om de uiteinden der 
dijken te bezetten en Luxembourg te misleiden; en met de 
hoofdmacht was hij ongemerkt weggetrokken en snel, door 
Braband heen, op Maastricht gegaan. Verrast door die onver- 
wachte beweging had de hertog De Duras, die te Maaseyck 
graaf Chamilly had vervangen," (in een noot: > Graaf Charailly 
was den i8en October overleden"), >maar even den tijd gehad 
om zijne te veel verspreide troepen wat samen te trekken; maar 
het was hem onmogelijk den Prins van Oranje den overtocht van 
de Maas te betwisten. Reeds had Prins Willem het kasteel van 
Valkenburg vermeesterd en zijne voorposten vooruitgeschoven 
tot aan de Roer ; maar twee of drie dagmarschen verder, en hij 
was vereenigd met zijne Duitsche bondgenooten, toen hij het 
ongeloofelijke bericht kreeg van hun aftocht, die alles weer 
omverwierp. Nu gevaar loopende van ingesloten te worden tus- 
schen Duras, die bekomen was van zijne verrassing, en Turenne, 
die toen meer vrijheid van beweging had, trok de Prins terug 
op Maastricht; maar de verbittering der Hollanders tegen Lode 
wijk XIV, en zijne persoonlijke belangen gedoogden niet dat 
hij zonder zwaardslag aftrok, zooals de Duitschers. Met eene 
uitnemende stoutheid besloot hij, alléén, het groote ontwerp uit 
te voeren, dat slechts door de vreesachtigheid van den Keizer 
en van diens legerhoofden schipbreuk had geleden : het oogmerk 



Digitized by 



Google 



202 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

om de gemeenschap van Turenne, van Duras en van Luxem- 
bourg met Frankrijk af te snijden. Van Charleroi was het leger 
uitgegaan, dat Holland was binnengedrongen; ook te Charleroi 
wilde hij den terugtocht voor dat leger afsnijden. Gesteund door 
graaf Monterey, den landvoogd der Spaansche Nederlanden, die, 
zonder eenig bevel van zijn hof, niet schroomde, het in onge- 
legenheid te brengen door Willem bij te staan met eene afdee- 
ling van loooo man en met eene sterke artillerie, nam hij eerst 
den schijn aan van Tongeren aan te vallen, en verscheen toen 
plotseling, den 15 en December, voor Charleroi. 

De ontroering van Lodewijk XIV, toen hij hiervan bericht 
kreeg, bewijst genoegzaam, dat die onderneming hem gevoelig 
trof en goed was beraamd. >Ik acht dit een toestand, zóó ge- 
wichtig, als ik ooit zal beleven," schreef hij aan Louvois (21 
December). Want Louvois was reeds niet meer bij hem : de rus- 
telooze minister was vertrokken om het vuur van zijn ijver mee 
te deelen aan de bevelhebbers en de troepen die van alle zijden 
oprukten. Den 1760 December wist het hof dat Charleroi werd 
aangevallen; na den nacht 4e hebben doorgebracht met het 
uitvaardigen van bevelen, schreef Louvois, den i8en om vijf uur 
's ochtends, uit Parijs: >ik kom van Versailles; over een uur 
vertrek ik naar Vlaanderen. Morgen komt de maarschalk d'Hu- 
mières met 10 000 man te Ath; en over vijf dagen trekt de 
Prins van Condé met 6000 man op Charleroi. Ik hoop dat, 
binnen weinige dagen, de vijand berouw zal hebben van zijn 
dwaze onderneming." Bovendien had Duras bevel om met zijn 
geheele macht van Maaseyck op te rukken." 

Volgens Rousset was het 20 December toen Montal weer 
binnen zijne vesting kwam. Na die terugkomst vermeld te heb- 
ben, vervolgt de Fransche schrijver: 

•Twee dagen later, den 22sten, brak Willem van Oranje het 
beleg op en keerde naar Holland terug; zich met niets anders 
kunnende troosten dan met twee gemakkelijke en zeer onbe- 
duidende krijgsverrichtingen : het nemen van het kasteel van 
Valkenburg en het plunderen van het stadje Binche. Zoo ein- 
digde, even plotseling als zij begonnen was, hoewel met minder 
luister, die onderneming, die aan Lodewijk XIV zulk een gruw- 
zame onrust — yyune inquiétude furieusi'' — had ingeboezemd." 

Van den invloed, die het plotseling invallen van een strenge 
vorst deed gelden, wordt in die voorstelling van Rousset geen 
gewag gemaakt ; maar toch wijst die voorstelling ten duidelijkste 
aan, van welk een beslissenden aard deze strategische handeling 
van Willem III had kunnen zijn. Die handeling alleen is reeds 
voldoende om hem te kenmerken als een uitstekend legerhoofd* 



Digitized by 



Google 



WREEDHEDEN DOOR LUXEMBOURG GEPLEEGD. 203 



HOOFDSTUK VII. 

wreedheden door luxembourg gepleegd; bodegraven en 
zwammerdam: coevorden; strategische opmerkingen. 

Op hetzelfde oogenblik dat Willem III de Hollandsere wapen- 
macht tot aan Frankrijk's grenzen had doen doordringen, was 
Luxembourg er op bedacht, om door een inval in Holland voor- 
goed een einde te maken aan den wederstand van de Republiek, 
en hij trok daartoe partij van dezelfde winterkoude die des 
Stadhouders onderneming op Charleroi deed mislukken. Die 
voorgenomen inval van het Fransche legerhoofd bewijst echter, 
hoe gevaarlijk het is voor een vijandelijk leger om gebruik te 
maken van den weg welke een strenge vorst het baant over 
onze rivieren en on der water zettingen : een plotseling invallende 
dooi kan het verloren doen gaan. 

Na het gevecht bij Woerden hadden de krijgsverrichtingen in 
Holland zich bepaald tot kleine strooptochten, waarbij — volgens 
onze schrijvers — de Hollandsche partijgangers geen onaanzienlijke 
voordeelen behaalden; daarentegen deed Luxembourg verschil- 
lende dorpen die onder zijn bereik waren, bemachtigen, plun- 
deren en meestal verbranden. Zoo werd onder andere in den 
nacht van 26 — 27 November de Hollandsche post te Ameide 
door de Franschen overvallen en vermeesterd; Bamphield, die 
hier mee een gedeelte van zijn regiment was, moet, volgens 
sommige opgaven, hier niet ten volle zijne verplichting zijn nage- 
komen. Wirtz, met troepen van Gorkum oprukkende, hernam 
Ameide, waarvan de vermeestering onder andereu het leven kostte 
aan Castelnault^ den telg van een der oudste adellijke geslachten 
van Frankrijk. 

Al die kleine krijgsverrichtingen op te sommen, zou te uit- 
voerig en van te weinig belang zijn; maar de algemeene opmer- 
king mag niet achterwege blijven, dat uit die krijgsverrichtingen 
ten duidelijkste blijkt, op welk een wreedaardige wijze Luxem- 
bourg den oorlog voerde. Het plunderen en verbranden van de 
dorpen, het vermoorden va» eene weerlooze bevolking, van 
grijsaards, vrouwen en kinderen; ziedaar de middelen die, bij 
gebrek ^an iets anders, het Fransche legerhoofd bezigde om 
schrik in te boezemen en onzen voorouders de wapenen uit 
de handen te doen vallen. 

Er wordt soms beweerd, dat de oorlog tot zulke handelingen 
gerechtigt; — die bewering is eene onwaarheid. Ook in den 
oorlog mogen niet alle middelen worden gebezigd; alleen de 



Digitized by 



Google 



204 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

eerlijke middelen mogen tot de overwinning voeren ; ook in den 
oorlog gelden zekere regelen van recht en menschelijkheid, en 
schande kleeft op hem die deze regelen met voeten durft treden. 
Maar is er geen overdrijving in de tafereelen die verschillende 
van onze schrijvers ons schetsen, van de wreedheden door het 
Fransche leger in 1672 gepleegd? — Ja; wij geloo ven dat daarin 
overdrijving is ; verschillende gebeurtenissen van dat jaar zijn op 
eene vergroeiende wijze voorgesteld; van onbeduidende mishan- 
delingen heeft men soms gruwelijke martelingen willen maken. 
Wanneer wij bij voorbeeld in het bekende gedicht de Fransche 
tiran ny e, het als een gruwel hooren voorstellen, dat de inboor- 
lingen door de Fransche soldaten gedwongen werden om schui- 
ten voort te trekken: 

»Zij doen een paerdewerck en trecken voor de schuyten," 

dan kunnen wij, die vroeger in Vlaanderen op die wijze, als 
iets zeer gewoons, soms de grootste vaartuigen hebben zien 
voorttrekken, in die handeling geen zoo erge gruweldaad zien; 
en wanneer de dichter verder uitroept: 

»Wie schrickt niet voor dat boos en goddeloos bedrijf!" 

dan moeten wij ronduit erkennen dat wij tot het getal der niet- 
schrikkers behooren. 

Andere schrijvers — onder anderen Wagenaar — zijn, mogelijk 
door die overdrijving, juist in een tegenovergesteld uiterste ver- 
vallen, en hebben getracht de legermacht van Luxembourg ge- 
heel vrij te pleiten van de beschuldiging van wreedheid; maar 
dit is evenzeer indruischende tegen de waarheid; en men be- 
hoeft nog geen geloof te hechten aan Sylvius, Valckenier of de 
Fransche tirannye om Luxembourg te beschuldigen van 
onmenschelijke wreedheid; men vindt de gronden voor die be- 
schuldiging in de brieven van den Franschen maarschalk zelf. 
Zoo schrijft hij den 8sten November aan Louvois, — na den 
aanval op een dorp (mogelijk Waverveen) en op een gewapenden 
uitlegger vermeld te hebben: 

>Mais il est arrivé un malheur dans cette action; c'est 
que, comme les soldats étaient fort animés, il y avait force 
de bateaux des environs, pleins de peuples et de hardes, 
qui, sur Ie bruit de l'attaque de la frégate" (de uitlegger), 
>se retiraient vers Amsterdam; nos gens tiraient dessus pour 
les prendre, et par malheur il y eut force paysans et fem- 
mes tués de coups de mousquets, d'autres même qui allaient 
s'embarquer ont été tués encore, et dans ce désordre la, 
cent cinquante maisons se sont trouvées brulées" enz. 



Digitized by 



Google 



WREEDHEDEN DOOR LUXEMBOURG GEPLEEGD. 205 

En wat verder in denzelfden brief: 

>Je vous ai mande que CasleJnault avait brülé Ie village 
et Ie chiteau de Liesfeld" (mogelijk Jaarsveld; op de juist- 
heid der namen moet men bij de Franschen niet zien) . . . 
»M. de Macquelines va, cette nuit, chitier des paysans qui 
tirèrent l'autre jour sur un de nos partis; ils sont bien douze 
OU quinze cent; je pense qu'il en tuera beaucoup s'il les 
peut joindre, et ensuite il brülera deux de leurs villages. 
Jamais d'accès de fièvre n'ont été si régies que Test notre 
coutume de brüler, de deux jours Tun, ceux qui sont assez 
sots pour nous y obligèr." 
In een brief van den loen November meldt Luxembourg aan 
Louvois, dat Macquelines het dorp Overmeer, bij Hinderdam, 
verbrand heeft; met bijvoeging: 

»et comme ce füt la nuit qu'il y arriva, et que les 
maisons de ce pays sont fort combustibles, il est vrai que 
rien ne s'est sauvé de ce qui était dedans; chevaux, vaches 
et, k ce qu' on dit, assez de paysans, femmes et petits 
enfans." 
Verder zegt hij, dat Mélac het dorp Waarder, tusschen Bode- 
graven en Oudewater, verbrand heeft: 

>il y a brülé cinq granges et plus de cinquante bestiaux 
dans chacune, aussi bien que les hótes du logis.*' 
Wanneer men die uittreksels leest; wanneer men acht geeft, 
dat zij voorkomen in brieven aan de Fransche regeering, waarin 
Luxembourg zeker de zaken niet op het ergst zal hebben voor- 
gesteld ; wanneer men opmerkt, op welk een koelen, onverschilligen 
toon het Fransche legerhoofd die daden van brandstichting en 
moord vermeldt, als betrof het de onbeduidendste zaken ter 
wereld, dan heeft men geen ander bewijs noodig om hem te 
veroordeelen als een tweeden Alva. Neen: bij de blijkbare, bij 
de belachelijke overdrijving van sommige schrijvers, is er toch 
een grond van waarheid in het tafereel dat zij schetsen van de 
wreedheden der Franschen in 1672; en de overdreven onpar- 
tijdigheid, welke de billijke verontwaardiging over die wreedheden 
tracht te onderdrukken, bezondigt zich aan recht en waarheid. 
Het is een allerongelukkigste verdediging, wanneer een Pieter 
de Groot zegt: >dat het kleinigheden waren, in vergelijking met 
wat de Franschen in Duitschland deden;" — met evenveel recht 
kan men den verfoeielijken moord op de Chineezen op Java ver- 
dedigen,, door te zeggen, dat de Spanjaarden in Amerika en de 
Britten in Hindostan grootere gruwelen hebben bedreven. 

Rousset — een eerlijk, waarheidlicvend schrijver — ontveinst 
ook zijn afkeer niet van die wreedheden van Luxembourg; 
toch tracht hij tot een min of meer verzachtend oordeel te 
stemmen, door te wijzen op het oorlogsrecht — of oorlogs- 



Digitized by 



Google 



2o6 KRTJGS- EN GESCHIXDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

gebruik — van dien tijd, dat toeliet om » brandschattingen'* 
te heffen, en de plaatsen die weigerden om daaraan te voldoen, 
uit te plunderen of af te branden; in het i* deel, blz. 392 — 393 
van zijn y^Histoire de Louvoi5^\ zegt hij: 

»Noch Louvois, noch Luxembourg hebben dus dit stelsel 
uitgedacht; maar indien zij, wat dit aangaat, gewaarborgd zijn 
tegen den blaam der geschiedenis, dan blijven zij toch altijd 
verantwoordelijk voor de daden van wreedheid {actes sauvages) 
die zij hebben bevolen, aangemoedigd of toegelaten. Als Luxem- 
bourg aan Louvois schrijft: tik heb u bericht, dat wij den brand 
hebben gestoken in het fraaiste huis van den aanzienlijksten 
Amsterdammer {du plus haut huppé d'* Atmterdarfi) ; het had 25 000 
kronen gekost van aanbouw; en toch hebben wij daardoor nog 
niemand gewonnen" (27 September 1672); dan moet men de 
verantwoordelijkheid hiervoor niet schuiven op Luxembourg, maar 
wel op eene abstrakte onbelichaamde kracht, op het recht van 
den oorlog. Maar zoodra men weer den mensch ziet, die door 
zijn koude ongevoeligheid, zijn bijtenden spot de wreedheid ver- 
dubbelt van de wet die hij uitvoert, dan heeft de geschiedenis 
het recht om hem aansprakelijk te stellen en hem over te leveren 
aan het strenge oordeel van de openbare meening..." 

Eene enkele aanmerking hierop. 

Het woord > brandschatting" duidt aan het heffen van eene 
schatting of contributie, op straffe van, bij het niet voldoen van 
die schatting, de woningen in brand te zien steken; het heffen 
van brandschattingen was gebruikelijk bij de toenmalige oor- 
logen; — zelfs in ónze dagen is dat gebruik nog niet verdwenen. 
Op die gronden kan men dus Luxembourg's handelingen in 1672 
eenigszins verdedigen. Maar het blijft toch eene jammerlijke 
verdediging; want het is toch duidelijk, dat dit heffen van brand- 
schattingen niet met onverbiddelijke strengheid behoeft te ge- 
schieden ; het is toch duidelijk, dat men niet behoeft te beginnen 
met de huizen te verbranden, terwijl men nog niet eens weet of 
de eigenaars de gevorderde contributie willen betalen, terwijl 
men die contributie nog niet eens heeft gevorderd! En dan, het 
vermoorden van ongewapenden, van weerloozen, van vrouwen 
en kinderen, door welk oorlogsrecht wordt dit gewettigd? — 
Luxembourg en Louvois verdienen dus, om het toen gepleegde, 
gebrandmerkt te blijven als gewetenlooze wreedaards; vooral 
verdienen zij dit, wanneer men opmerkt, op welk een lossen, 
spottenden toon zij van die gruwelen gewagen; men wordt ziek 
van de geestigheid dier ellendelingen ! 

Te begrijpen is hun gedrag zeer goed; vooral van Luxem- 
bourg: hij, afstammeling van de Montmorency's, en die, als her- 
tog van Luxembourg, tot een stamhuis behoorde dat keizers had 
opgeleverd, moest met minachting neerzien op een volk van 



Digitized by VjOOQIC 



BODEGRAVEN EN ZWAMHBRDAM. 207 

kooplieden; hij, oorlogsman van top tot teen, kon misschien 
vergevensgezind zijn ten aanzien van zijne vijanden die ook 
oorlogslieden waren, maar niet ten aanzien van de burgerij, van 
wat hij minachtend y^e bourgeois^'* noemde ; — men was toen in de 
17e eeuw en niet in de 19e; — hij, aanbidder van de grootheid 
zijns Konings, kon niets dan haat koesteren tegen hen die de 
macht van Lodewijk XIV durfden trotseeren; hij, katholiek der 
17e eeuw, kende geen raededoogen ten aanzien van ketters. 
Want al was Luxembourg een man zonder eer of zedelijkheid, 
die zelfs verdacht werd van giftmengerij, en die niet schroomde 
om in zijne brieven zich schuldig te maken aan profane spot- 
ternijen over het bijbelwoord, — dat belet niet dat hij een 
ijveraar was voor zijn kerk. In die hooggeroemde zeventiende 
eeuw kon men zonder eer en deugd zijn; men kon zedeloos 
zijn in de hoogste mate; men kon de ergste gruwelen bedrij- 
ven; — maar stipt moest men aan zijne kerk blijven hechten, 
en haar, ten minste uiterlijk, diepen eerbied betoonen; 

*zoo gij dat alles slechts met godsdienstschiJD omkleedt," 
zooals Vondel in den Palamedes zegt. 



De wreedheden van den Franschen veldheer hadden haat, maar 
ook schrik door geheel Holland verspreid; en met bezorgdheid 
zag men daar den winter te gemoet, die mogelijk Luxembourg 
een weg over de onderwaterzettingen zou banen, op een oogen- 
blik dat Oranje met een goed deel van 's lands krijgsmacht 
afwezig was. Om dien gevreesden aanval tegen te gaan, werden 
krachtige maatregelen genomen : men gelastte dat bij het invallen 
van de vorst, sommige vaarten en weteringen open gehouden 
moesten worden; men deed 48 ijssleden maken, ieder voor 
3 kleine stukken geschut moetende dienen; de Hollandsche 
steden werden zooveel mogelijk in staat van verdediging ge- 
bracht; alom was het landvolk gewapend; en het machtige 
Amsterdam had zulk eene uitbreiding gegeven aan zijne ver- 
dedigingsmiddelen, dat er, volgens enkele opgaven die mogelijk 
niet vrij zijn van overdrijving, niet minder dan 60000 weerbare 
mannen gereed stonden om Luxembourg*s leger het hoofd te 
bieden. 

In November, bij het invallen van de eerste koude, had de 
Fransche maarschalk reeds eene sterke macht vereenigd bij 
Utrecht, voornemens daarmede over de dichtgevrorene onder- 
waterzettingen op Leiden en Den Haag te trekken; de wijze 
waarop Luxembourg dien marsch wilde verrichten, komt overeen 



Digitized by 



Google 



2o8 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

met de wijze waarop zij later plaats had. Eene verandering van 
het weer en het ongegronde bericht dat Willem III uit de 
Spaansche Nederlanden is teruggekeerd, doen Luxembourg van 
zijn voornemen afzien. In December, vijf of zes dagen voor 
Kerstdag, valt opnieuw een strenge vorst in; en Luxembourg 
vereenigt nu uit de bezettingen der naburige plaatsen te Utrecht 
eene macht die vrij algemeen op een loooo man wordt geschat, 
waaronder een kleine 2000 man ruiterij. Een invallende dooi 
doet den tocht opschorten; maar op Kerstdag begint de vorst 
met nieuwe felheid ; en in den ochtend van den 27sien December 
gaat de Fransche legermacht van Utrecht op marsch, om den 
voorgenomen inval in Holland te verrichten. 

Men komt te Woerden; daar schijnt het weder om te slaan; 
het is een noordoostenwind en er valt sneeuw. Den geheelen 
dag van den 27sten blijft de Fransche legermacht te Woerden 
stand houden; maar de veldheer, die de onderneming niet zoo 
spoedig wil opgeven, heeft Mélac met eene compagnie ruiterij 
uitgezonden, om de sterkte van het ijs te beproeven. Deze komt 
terug met het bericht, dat het ijs sterkte genoeg heeft om het 
leger te dragen; en om 10 uur 's avonds verlaat dit Woerden, 
om den tocht voort te zetten. Eene handeling, die stout, zelfs 
bijna roekeloos mag genoemd worden! 

Het voornemen was om van Woerden, ten noorden van den 
Rijn, over de dorpen Zegveld, Nieuwkoop en Aarlanderveen 
Alphen te bereiken; zóó de verschansingen der Hollanders te 
Nieuwerbrug en bij Wiericken in den rug te komen, waar zij 
minder versterkt waren; zich op die wijze van die schansen 
meester te maken, daardoor een weg te banen voor ruiterij en 
geschut, en dan met die vereenigde macht op Leiden en Deo 
Haag te trekken. Die steden wilde men bemachtigen, uitplun- 
deren, mogelijk verbranden, en op die wijze de Republiek dwin- 
gen om zich aan Frankrijk te onderwerpen. De onderneming 
kon beslissende gevolgen hebben ; zij had kans om te gelukken ; 
maar zij was onzeker en vol gevaar. 

De moeielijke tocht over het ijs van Woerden naar Zegveld 
vangt aan. Het leger wordt voorafgegaan, bij wijze van voor- 
hoede, door de twee bataljons van De Sault en Moussy, ieder 
een 500 man sterk; hun volgt de overige infanterie in twee bri- 
gades verdeeld, onder Sourches en De la Meilleraye; Gasston 
blijft achter met de ruiterij en een bataljon van Picardië, om, 
wanneer het overige des legers de verschansingen heeft omtrok- 
ken en in den rug aangevallen, zich in front daarvan te ver- 
toonen. Luxembourg zelf is aan het hoofd van de over het 
ijs voorttrekkende macht; legt men dien veldheer de wreed- 
heid van een Alva ten laste, de billijkheid vordert daarbij te 
voegen, dat hij ook in stoutheid en geestkracht niet onderdeed 



Digitized by 



Google 



BODEGRAVEN EN ZWAMMERDAM. 209 

voor het Spaansche legerhoofd. Men bereikt Zegveld. Voort- 
gaande, komt roen in den ochtend van den 28steD aan de 
Slimme Wetering, een vaart die open was gehouden; men 
slaat hier een brug over met planken en balken, uit de huizen 
van Zegveld gehaald. Twee uren tijds verloopen hiermede, en 
toen een klein gedeelte des legers den overtocht heeft gedaan, 
is de brug geheel onbruikbaar geworden, en het overige van het 
heir daardoor verhinderd om verder voort te rukken. Luxem- 
bourg zet echter den tocht voort met de 3500 man die over 
zijn; het andere gedeelte trekt, volgens sommige opgaven, op 
Woerden terug; volgens andere volgt het na eenige uren tijds, 
toen er eene nieuwe brug geslagen is over de Slimme Wetering, 
den marsch van Luxembourg. 

De veldheer gaat verder voort, niettegenstaande het ijs hier 
en daar reeds bezwijkt onder het gewicht van de marcheerende 
troepen. Men nadert de M ij e , een vaart die ook was opengehou- 
den ; men valt eerst aan op een daar aanwezigen uitlegger ; maar 
het geschutvuur dat van daar op de Franschen wordt geopend, 
doet dezen afdeinzen en dwingt hen hunne marschrichting te 
veranderen. Zij wenden zich nu naar de zijde van het dorp 
Nieuwkoop; maar ontmoeten daar een geduchten wederstand 
van vijf compagnieën gewapende boeren, die, wetende dat voor 
hen bij het doordringen van den vijand geen genade was te 
wachten, zich met den moed der wanhoop verdedigden. Luxem- 
bourg heeft geen tijd om zich daar lang op te houden; hij staakt 
het gevecht, wendt zich meer Unks en bereikt de kade, die langs 
de Mije naar het dorp Zwammerdam voert. Sommige opgaven 
zeggen, dat de Franschen op' Zwammerdam trokken over de 
beide kaden van de Mije; volgens Sijpesteyn en De Bordes 
was er echter geen kade aan de westzijde van de vaart, zoodat 
de marsch op Zwammerdam alleen moet hebben plaats gehad 
over de kade aan de oostzijde. 

Königsmarck was bevelhebber van de troepen, die in en 
bij Bodegraven geplaatst waren, en die uit 8 regimenten infan- 
terie (4000 man) en 6 compagnieën ruiterij bestonden; uit alle 
opgaven moet men opmaken, dat die aanvoerder hier noch de 
geestkracht, noch het beleid betoonde, welke zijne gewichtige be- 
trekking noodzakelijk vereischte. Op de eerste tijding van 's vijands 
nadering was hij naar Zwammerdam gesneld, waar zich een 200 
man voetvolk en een 30 ruiters bevonden; te gelijk met hem 
kwam daar de kolonel Pain-et-Vin, bevelhebber van de forten 
aan de Nieuwerbrug. Königsmarck gelastte aan Pain-et-Vin naar 
de Nieuwerbrug terug te keeren en met een gedeelte van de daar 
aanwezige macht de kleine bezetting van Zwammerdam te ver- 
sterken; hij zelf keerde naar Alphen terug, om evenzoo van 
daar versterking aan te voeren; — en op die wijze verlieten 

WILLEM m. — I. 14 



Digitized by 



Google 



210 KRIJGS- EM GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

die beide bevelhebbers Zwammerdam, op het ©ogenblik van 
gevaar, op het oogenblik dat de vijand ten aanval naderde. 

Dat zulk een handeling strijdig is met den plicht van een be- 
velhebber, dat zij op de soldaten den meest ontmoedigen den 
indruk moest maken, dit behoeft geen betoog. De wederstand die 
Luxembourg bij Zwammerdam ontmoette, was dan ook uitermate 
gering; volgens enkele opgaven schijnt het zelfs dat de aldaar en 
bij Bodegraven geplaatste troepen bevel hadden om bij de nade- 
ring van den vijand op Gouda terug te gaan ; — bij eene vaart 
werden de Fransche troepen een korten tijd opgehouden door 
de Hollanders, die zich achter de opgehaalde brug hadden ge- 
plaatst: maar toen eenige Fransche musketiers de vaart waren 
overgezwommen, namen de weinige verdedigers de vlucht. Zwam- 
merdam werd door den vijand vermeesterd *, en de woede des 
Franschen soldaats koelde zich aan de plundering en verbran- 
ding van dat ongelukkige dorp. Ook Bodegraven onderging het- 
zelfde lot. 

Königsmarck was niet alleen in gebreke gebleven, met ver- 
sterking te Zwammerdam te verschijnen, maar had zelfs, op de 
tijding van het doordringen des vijands. Alphen verlaten en was 
teruggetrokken op Leiden. Hier echter weigerde men hem bin- 
nen te laten; en op den stelligen last van eenige afgevaardigden 
uit de Staten van Ilolland, hernam hij zijne stelling bij Alphen 
en bij de Goudsche Sluis. 

In 't voorbijgaan gezegd: men deklameert soms te veel tegen 
het gezag, dat de afgevaardigden van de toenmalige Staten in 
k rijgszaken hadden; in den regel is zulk een gezag niet goed, hel is 
slecht; er moet eenheid zijn in het krijgsbestuur, en zoodra een 
groot aantal menschen zich daarmee moeit, gaat het verkeerd ; — 
maar men moet zich die afgevaardigden niet voorstellen als zoo 
geheel vreemd aan krijgskennis als onze hedendaagsche Staten- 
Generaal; integendeel: dikwijls betoonden zij meer geestkracht 
en beleid dan de bevelhebbers; staatsman en krijgsman waren 
in die dagen niet zoo van elkander gescheiden als in onzen tijd ; 
dezelfde man die in de raadszaal de belangen van het vaderland 
regelde, was ook niet vreemd aan de bloedige taak des oor logs. 
De Witt was Raadpensionaris en tevens vlootvoogd, en een ander 
onzer Raadpensionarissen, Hop, nam persoonlijk deel aan den 
roemvollen strijd bij Eekeren. 

De Goudsche Sluis, ten oosten van Alphen, met de daarbijge- 
legen schans, aan de samenvloeiing van den Rijn en de Gouwe 
gelegen, werd toen bezet door het regiment van Van Dam; de 
Boskoopsche en Waddinxveensche bruggen werden afgebroken; 
de macht van Königsmarck te Alphen geplaatst als een reserve ; 



Digitized by 



Google 



BODEGRAVEN EN ZWAMMERDAM. 211 

en alom de gewapende boeren opontboden. Zóó, in front ge- 
dekt door de Gouwe en door het voorwaarts liggende land, dat 
door den dooi weer onbegaanbaar was geworden, Was men 
spoedig in staat, den vijand het verder doordringen in Hol- 
land geheel te beletten; en die vijand, met weinig munitie, bijna 
zonder levensmiddelen, geheel zonder geschut, op een smallen 
dijk opeengehoopt, de weg over het ijs waarover hij was ge- 
komen onbruikbaar ziende door den dooi, en de weg op 
Woerden afgesloten door de schansen bij de Nieuwerbrug, was in 
het grootste gevaar van geheel ten onder te gaan. Het plicht- 
verzuim van één HoUandsch bevelhebber was zijn redding. 

Pain-et-Vin was op bevel van Königsmarck naar de zijde 
van Bodegraven en Nieuwerbrug gegaan, om van daar verster- 
king voor Zwammerdam te halen; toen hij met die versterking, 
een 80 man, dat dorp naderde, was het door de Franschen reeds 
in bezit genomen en daardoor de gemeenschap afgesneden van 
den HoUandschen bevelhebber met Königsmarck. Op het gezicht 
van den reeds zoo ver doorgedrongen vijand, verliest Pain-et-Vin 
alle tegenwoordigheid van geest; hij geeft alleen aan zijn blinde 
vrees gehoor; en zijne soldaten aan hun lot overlatende, rent hij 
ijlings naar Gouda heen. In den avond van den 28sten bereikt 
hij die stad; hij treft er het stedelijk bestuur en den bevelhebber, 
den kolonel De Thouars, aan. Verbaasd hem daar te zien, vragen 
hem dezen naar de reden. >Wij zijn afgesneden!" roept de ramp- 
zalige vluchteling uit; »zijn de regimenten van de Nieuwerbrug 
nog niet hier, dan moet ik ze halen, want anders zijn ze ver- 
loren." — Te gelijk vraagt hij om gidsen en geleide. Pain-et-Vin 
beweert, dat de regeering van Gouda de ontruiming van de 
schansen bij de Nieuwerbrug zou hebben aangeraden, en er op 
aangedrongen, de daar aanwezige macht — in het geheel 15 com- 
pagnieën infanterie — voor de verdediging van Gouda te ge- 
bruiken; die regeering heeft dit echter ten stelligste tegenge- 
sproken. Verzeld van gidsen, vertrekt de bevelhebber daarop 
naar de Nieuwerbrug j maar op een uur afstands daarvan, bij de 
D r i e b r u g , houdt hij stil en zendt van daar een bode, met zijn 
zegelring en het uitdrukkelijk bevel aan den kolonel Manger en 
den luitenant-kolonel Feullana, om de schansen bij de Nieuwer- 
brug te ontruimen, deze zooveel mogelijk te vernielen en met de 
bezettingen zich te Driebrug bij Pain-et-Vin te voegen. Ongelukkig 
wordt dit bevel zonder de minste tegenkanting uitgevoerd; de 
schansen worden verlaten; een paar uur daarna zijn de bezet- 
tingen aan de Driebrug, en Pain-et-Vin trekt daarmee terug op 
Gouda. 

Men weet dat die ongelukkige zijn laffe daad boette met den 
dood en dat hij den 23steD Januari 1673, in het leger te Alphen, 



Digitized by 



Google 



212 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

door beulshanden het leven verloor; twee vroegere vonnissen 
van den krijgsraad, waarbij Pain-et-Vin veroordeeld was tot een 
mindere straf dan den dood, werden door Willem III vernietigd, 
die zich daarbij beriep op de stellige bepalingen, in de krijgs- 
wetten voorkomende. De Stadhouder is soms om die handeling 
gelaakt; ten onrechte. Laat het zijn, dat hij door het tweemaal 
vernietigen van het vonnis van den krijgsraad inbreuk maakte 
op de macht en vrijheid van dien krijgsraad; laat het zijn, 
dat die handeling, uit een rechtskundig oogpunt beschouwd, is 
te veroordeelen ; zij werd hier — wat meer beteekent — gebie- 
dend voorgeschreven door billijkheid en rechtvaardigheid, door 
het algemeen welzijn. De bepalingen der krijgswetten waren te 
duidelijk, te stellig veroordeelend voor Pain-et-Vin; de krijgs- 
raad deed aan zijn plicht te kort, door een vonnis uit te spreken, 
met die bepalingen geheel in strijd; en moest dan nu, alleen 
om dat vonnis te eerbiedigen, alle billijkheid en rechtvaardigheid 
met voeten worden getreden ? — De dood was de straf voor 
den soldaat die van het slagveld vluchtte; en de bevelhebber 
die hetzelfde, neen, die veel erger deed; die een gewichtigen 
post, aan zijn zorg toevertrouwd, zonder slag of stoot aan den 
vijand inruimde; die daardoor een geheel vijandelijk leger redde 
van een wissen ondergang ; deze zou minder straf ontvangen ! . . . 
Dat mocht niet, dat zou een schreeuwende onbillijkheid zijn, dat 
zou den slechtsten indruk maken op leger en volk. Daarom ver- 
nietigde Willem III die vonnissen; daarom stelde hij de dood- 
straf voor de uitgesprokene straf in de plaats; — en zeker, er 
behoorde een ijzeren wilskracht toe om zóó te handelen, bij een 
jong vorst, in weerwil en in strijd met het gevoelen van zooveel 
bevelhebbers van jaren en van ondervinding. Maar de jonge 
Stadhouder wilde allen doen zien, hoe onverbiddelijk hij was 
jegens elke lafheid, jegens ieder plichtverzuim ; hij toonde door 
dit voorbeeld, dat geen rang, hoe hoog, den schuldige zou 
beveiligen voor de welverdiende straf. Hij handelde als een 
Romeinsch veldheer uit den bloeitijd der Romeinsche Republiek. 
En dat voorbeeld, aan Pain-et-Vin gesteld, was noodig; want 
hier, bij dien inval van Luxembourg, ontmoet men bij de Hol- 
landsche bevelhebbers noch geestkracht, noch dapperheid. Het 
bevel tot ontruiming van de schansen van de Nieuwerbrug wordt 
oogenblikkelijk uitgevoerd; — zeker, het was een stellig 
bevel; de militaire ondergeschiktheid verplicht om zóó te han- 
delen; — maar juist hier zou het prijzenswaard zijn geweest, 
wanneer die ondergeschiktheid was ter zijde gesteld, 't Is waar, 
in den regel is dit een misdaad; en hij, die dit bij uitzon- 
dering doet, laadt een zware verantwoordelijkheid op zich ; — 
maar een officier, vooral een hoofdofficier moet doorzicht ge- 
noeg hebben om te weten wanneer hij die verantwoordelijkheid 



Digitized by 



Google 



BODEGRAVEN EN ZWAMMERDAM. 2I3 

mag op zich nemen; hij moet karakter genoeg hebben om dat 
te durven doen. Aan dat doorzicht, aan dat karakter ontbrak 
het den beiden bevelhebbers, die zich zoo haastten om Pain-et- 
Vin's last tot ontruiming der schansen van de Nieuwerbrug op te 
volgen. 

Men heeft gezegd dat die schansen slecht te verdedigen waren, 
omdat zij in de keel alleen door een Frieschen ruiter waren ge- 
sloten; — uit de plans die wij daarvan hebben gezien, blijkt 
integendeel, dat het geheel geslotene schansen waren; maar 
zelfs indien zij alleen door een Frieschen ruiter in de keel ge- 
sloten waren, dan nog was de verdediging zeer goed te voeren 
tegen een vijand die geen geschut bij zich had, die alleen over 
een smallen dijk kon voortrukken, en dien men ten hoogste 
slechts een paar dagen behoefde tegen te houden om hem van 
gebrek de wapenen uit de handen te doen vallen. In allen ge- 
valle is de ontruiming onverantwoordelijk. 

Ook het gedrag van Königsmarck verdient ten strengste ver- 
oordeeld te worden ; hij is hier een laf, of onbekwaam bevel- 
hebber geweest; en het is minder te verwonderen, dat Pain-et- 
Vin toen het hoofd voor de voeten is gelegd, dan dat Königs- 
marck toen zijn hoofd op zijne schouders heeft behouden; want 
waarlijk, Königsmarck is even schuldig geweest als Pain-et-Vin; 
en het is in Willem III minder te veroordeelen dat hij den 
eenen heeft doen straffen, dan dat hij den anderen ongestraft 
heeft gelaten. Königsmarck vond het volgende jaar den dood bij 
het beleg van Bonn ; hij was, zegt men, sedert die gebeurtenissen 
van Bodegraven en Zwammerdam, altijd gedrukt door het besef 
van zijn plichtverzuim. Was men in die dagen het leven moede, 
dan stelde men zich meer bloot aan het oorlogsgevaar; de zelf- 
moord had toen een minder afzichtelijken vorm; het spleen 
leidde tot heldenmoed. 

Luxembourg — zeggen onze schrijvers — die met zijn paard 
door het ijs was gezakt, was juist bezig zich te Zwammerdam 
bij het vuur te drogen, en vol zorg en onrust over de wijze 
waarop hij weer Woerden en Utrecht zou kunnen bereiken, — 
toen hij tot zijn groote vreugde het bericht ontving dat de 
schansen bij de Nieuwerbrug ontruimd waren. Oogenblikkelijk geeft 
'hij bevel om die schansen in bezit te nemen; en nadat de 
Fransche legermacht den 29sten December nog te Bodegraven 
was gebleven, keerde zij den 3osten naar Woerden en Utrecht 
terug, op den geheelen tocht slechts een vijftig man verloren 
hebbende. De schansen aan de Nieuwerbrug werden door den vijand 
• niet bezet gehouden, maar geslecht; Willem III deed ze dadelijk 
weer herstellen. 



Digitized by 



Google ^ 



214 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

Zoo eindigde die ondememing, die Holland ten val had kun- 
nen brengen, en die nu geene andere uitkomsten opleverde dan 
de barbaarsche verwoesting van Bodegraven en Zwammerdam; 
de namen van die twee bloeiende dorpen zijn in onze geschied- 
boeken opgeteekend als zinnebeelden van de Fransche wreedheid, 
zooals die van Naarden en Oudewater het Spaansche geweld 
herinneren. Meer dan zeshonderd huizen werden in Bodegraven 
en Zwammerdam door de vlammen verteerd; en de soldaat, 
door geen krijgstucht bedwongen en vreemd aan alle mensche- 
l^kheid, gaf zich hier over aan wreedheden en gruwelen, die 
zelfs door de Fransche schrijvers niet geloochend worden. Men 
kent de aanspraak van Luxembourg aan zijne troepen bij hunnen 
opmarsch uit Utrecht, — zooals onze schrijvers die den Fran- 
schen veldheer in den mond leggen; — gerust kan men de 
juistheid van die aanspraak verwerpen; zoo iets kan een leger- 
hoofd niet zeggen ; — maar, indien Luxembourg het had gezegd, 
dan zou hij zich niet hebben kunnen beklagen, dat zijne sol- 
daten zijne aansporing tot rooven, moorden en branden slecht 
hadden opgevolgd. 

Wat in Rousset's werk voorkomt over die onderneming van 
Luxembourg is in hooge mate onjuist. De Fransche schrijver 
doet het voorkomen, alsof wij toen te Zwammerdam een groote 
nederlaag hebben geleden ; terwijl in werkelijkheid daar bijna niet 
is gevochten; onze eenige nederlaag is toen geweest de schande; 
om Sheridan's bekende woorden te gebruiken: >het Hollandsche 
bloed heeft toen niet gestroomd, maar de Hollandsche eer is 
door alle poriën weggevloeid." — Ziehier wat in de Histoire de 
Louvois (r deel, blz. 409) wordt gezegd: 

>De vijand, dien men gehoopt had te verrassen vóór het aan- 
breken van den dag, was op zijn hoede; het was midden op 
den dag, toen men hem bereikte; maar de troepen, vol geest- 
drift, vermeesterden toen in een oogenblik zijne stelling ; het was 
waarlijk >de Fransche furie"; te Zwammerdam zwom men door 
de kanalen, die den schansen tot grachten dienden; de borst- 
wering werd beklommen, het kanon buiten werking gesteld, en 
vijf Hollandsche regimenten vernietigd; wat daarvan overbleef 
vond den dood in het water of in de vlammen van het bran- 
dende dorp. Toen men wat verder voorttrok, tot Bodegraven, 
vond men niemand meer; niets dan verlaten geschut, munitiën 
en verspreide wapens. 

Toch was Luxembourg uitermate bekommerd : aan de Nieuwer- 
brug was een belangrijke schans, die achter hem den eenigen weg 
afsloot die hem overbleef om op Woerden terug te trekken. De 
schans moest genomen worden of men was verloren; toen men 
daarheen trok, hadden de twee regimenten die daar in bezetting 



Digitized by 



Google 



BODEGRAVEN EN ZWAMMERDAM. 21 S 

lagen, vol schrik ijlings de schans ontruimd. Zelfs Luxembourg 
was daarover uitermate verwonderd : > het was werkelijk een zeer 
sterk punt," schreef hij aan Louvois, »en het verwondert mij dat 
Königsmarck, bekwaam genoeg om zulk een sterk punt uit te 
kiezen, niet bekwaam genoeg is geweest om zich daar te ver- 
dedigen." 

Borstweringen beklommen, geschut buiten werking gesteld, 
vijf regimenten Hollanders gedood, — dat alles zijn fabeltjes, 
van dat alles is niets gebeurd. Dat alles komt voor in de brie- 
ven van Luxembourg aan Louvois; maar het bewijst alweer, 
dat ook offïcieele stukken niet altijd de waarheid eerbiedigen. 

Krijgsgevangenen hebben de Franschen bij die gelegenheid weinig 
gemaakt; en ziehier hoe Rousset dit verklaart (i* deel, blz. 410). 

> Luxembourg behoorde tot de waaghalzen; zijne stoutheid was 
gelukt. Den isten Januari kwam hij te Utrecht terug, met niet 
meer verlies dan een honderd man, die gesneuveld waren, ver- 
dronken of gewond. >De Stoupe," zoo schreef hij aan Louvois, 
izal u de bijzonderheden mededeelen van den tocht dien wij 
hebben gemaakt ; had het weer het toegelaten, dan had die wan- 
deling langer geduurd en zouden wij zeker niet zijn terugge- 
keerd zonder Den Haag te hebben verbrand." Hij had ver- 
brand alles wat hij maar had kunnen bereiken: ongeveer 2000 
huizen en, in de vaart van Zwammerdam, 32 groote schepen, 
met koopmansgoederen bevracht; als zegeteekenen bracht hij 
3 vaandels mede en 20 kanonnen. Het aantal krijgsgevangenen 
was niet groot, daar de soldaten, verbitterd door vermoeienis 
en teleurstelling, geen mededoogen kenden..." 

Rousset deelt verder, uit de briefwisseling van Luxembourg en 
Louvois, eenige staaltjes mede van den spottenden toon, waarop 
die heeren gewagen van de gruwelen van Bodegraven en Zwam- 
merdam, en laat daarop volgen (i* deel, blz. 411 — 412): 

>Als de hoofden en veldheeren in het treurspel van den oorlog 
slof vinden tot zoodanigen spot en geestigheid, welke mensche- 
lijkheid kan men dan verwachten van de soldaten ? — Niet slechts 
dat zij hunne gewapende vijanden meêdoogenloos doodden, maar 
ook jegens het weerlooze volk pleegden zij de ergste wreedheden. 
Die buitensporigheden waren het behoud van den Prins van Oranje, 
ook een man zonder mededoogen {eet autre impitoyable). Toen hij in 
Den Haag terugkwam, vond hij het volk dol van schrik en van 
woede; het uitte verwenschingen tegen de Franschen, tegen het 
leger, tegen hem. Hij haastte zich, allereerst een offer te bren- 
gen aan de volkswoede; twee kolonels en vele der officieren, 
die de schans aan de Nieuwerbrug hadden verlaten, werden opge- 
hangen ; daarna deed hij alle feiten, betrekking hebbende op de 
jammeren van Bodegraven en Zwammerdam, opzamelen, in druk 



Digitized by 



Google 



2l6 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN, 

uitgeven en met de meeste overdrijving toelichten. Bijzonderheden, 
die wreedheden vermelden en dierlijke lusten, zijn der menigte 
aangenaam; hij gaf haar die tot verzadigens toe; de pen en de 
teekenstift wedijverden in het schetsen van de stuitendste too- 
neelen, een afzichtelijk mengsel van moorden en ongebondenheden. 
Holland, Europa werden met die schotschriften overstroomd; 
daardoor werd al de woede zijns volks en al de verontwaardiging 
van het menschelijk geweten tegen Frankrijk opgewekt. Op die 
wijze wist hij het onweer af te leiden, dat zich, ten gevolge van 
onvervuld gebleven beloften en van zijne gedurige tegenspoeden, 
boven zijn hoofd had samengepakt." 

Dit is onjuist en onbillijk ten aanzien van Willem III. 

Wij vallen juist niet over de uitdrukking, dat Willem III was 
»een man zonder mededoogen"; — wat dit punt betreft, ver- 
schillen wij niet zooveel in denkwijze met den Franschen schrij- 
ver : ook wij zijn van meening, dat menschelijkheid juist niet de 
heerschende karaktertrek was bij Willem UI. Maar ongegrond 
is het, den Stadhouder ten laste te leggen, dat hij de gruwelen van 
Bodegraven en Zwammerdam op de ergste wijze heeft overdreven^ 
om door die voorstelling den haat van het HoUandscbe volk en 
de verontwaardiging van het menschelijk geweten tegen Frank- 
rijk op te wekken: zulk een overdreven voorstelling was daartoe 
niet noodig; wat er gebeurd was, was daartoe reeds voldoende. 

Het ophangen van twee kolonels en van een aantal officieren 
van de bezetting van de Nieuwerbrug, komt neer op het onthoofden 
van Pain-et-Vin. 



De laatste dagen van het jaar 1672 kenmerkten zich in de 
oostelijke gewesten der Republiek, door een belangrijk voordeel. 

Na het mislukte beleg van Groningen, had zich dddr de krijgs- 
kans gewend ten voordeele van de Hollanders, en waren dezen 
van verdedigers aanvallers geworden. Groot waren de voordeden 
wel niet, die zij behaalden ; maar toch waren die voordeelen dien- 
stig om moed en zelfvertrouwen op te wekken, en spoedig een 
zedelijk overwicht op den vijand te verkrijgen. Zoo had er den 
29steii September op de Steenwijksche heide een gevecht plaats 
tusschen eene Friesche afdeeling onder Ripperda en een paar 
duizend Munsterschen, waarbij wél Ripperda in 's vijands handen 
viel, maar toch de overwinning aan de zijde der Friezen schijnt 
gebleven te zijn. Daarentegen mislukte een aanslag, den 27sten 
November ten tweeden male tegen Zwartsluis ondernomen ; maar 
denkelijk is er groote overdrijving in de Fransche opgave, die 
zegt, dat van de zeshonderd aanvallers er niet meer dan een 
honderdtal zich redden. In Groningen deden de Munsterschen 
in het laatst van October eene poging tot ontzet van de Bel- 



Digitized by 



Google 



COEVORDEN. 21 7 

lingwolderschans, die, nauw ingesloten^ groot gebrek had aan 
levensmiddelen; eene afdeeling van 14 k 1500 Munsterschen trok 
daartoe op van de Langakkerschans, maar werd den 2 5 sten Oc- 
tober bij Stoxterhorn door eene veel minder sterke Hoilandsche 
macht, onder den overste Wijiers, geheel verslagen; dit had ten 
gevolge dat den 2 7 sten October de Belling wolderschans zich over- 
gaf, waarbij de bezetting — een 300 man sterk — vrijen aftocht 
naar Coevorden bedong. De Langakkerschans werd daarop inge- 
sloten. De Dijlerschans was in het begin van November door 
de Groningers bezet; maar werd drie of vier dagen later door 
de Munsterschen hernomen. 

Het invallen van den winter deed hier, volgens den gewonen 
gang van zaken toentertijd, de krijgsverrichtingen staken en de 
troepen in de verschillende steden uitrusten van de verduurde 
vermoeienissen. De winter was echter toen ook de geschiktste 
tijd voor verrassingen en overvallingen, voor de handelingen van 
den kleinen oorlog; vooral waren die handelingen aanwendbaar 
in een land als het onze, waar men daardoor belangrijke voor- 
deelen kon behalen. Onze vestingen toch, welke groote sterkte 
zij ook gewoonlijk bezitten, waren en zijn meest alle, door het 
gemis van bekleedingsmuren, in het winterjaargetijde zeer bloot- 
gesteld aan verrassende aanvallen; geen wonder dus, dat een 
ondernemend vijand bij het invallen van vorst de kans van 
eene overvalling waagde, om zich daardoor in het bezit te stel- 
len van eene vesting, wier vermeestering door andere middelen 
hem in de hoogste mate moeielijk, soms onmogelijk was; in een 
tijd toen de oorlog bijna uitsluitend een vestingoorlog was, 
was zulk eene vermeestering van te meer belang ; en de pogingen 
tot die overvallingen komen dan ook veelvuldig voor in onze 
krijgsgeschiedenis. 

Eene dergelijke overvalHng wilde Rabenhaupt nu, op het einde 
van December, tegen de vesting Coevorden beproeven. Dat die 
handeling belangrijke gevolgen kon hebben, behoeft nauwelijks 
te worden aangeduid: elke vesting was toentertijd belangrijk; 
Coevorden was het steunpunt van de vijandelijke macht, die daar 
een groot gedeelte van het geschut uit de genomene Overijselsche 
steden had bijeengebracht, en die van daar uit de geheele omlig- 
gende landstreek brandschatte en plunderde ; en de vermeestering 
van die vesting, toen vermaard door hare sterkte, zou natuurlijk 
grooten indruk maken en een gevoeligen knak geven aan den 
wapenroem des Munsterschen bisschops. 

Dat die handeling kon gelukken, hiervan was Rabenhaupt 
overtuigd, doordien hij nauwkeurig bekend was met den toestand 
en de inrichting van Coevorden. Meindert van Thijnen, volgens 
sommige opgaven vroeger koster in die plaats, en tegelijk een 



Digitized by 



Google 



2l8 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

goed ingenieur — twee betrekkingen, wier vereeniging ons tegen- 
woordig vreemd zou voorkomen — had aan den bevelhebber 
van Groningen eene nauwkeurige schets gegeven van de vesting- 
werken van Coevorden en van de omliggende landstreek; en 
die bevelhsbber had daardoor de overtuiging, dat bij winterdag, 
wanneer moerassen en grachten waren dichtgevroren, de ver- 
rassing van die vesting zeer veel kans had van te zullen ge- 
lukken. 

Toen Rabenhaupt door Van Thijnen alles had doen gereed 
maken wat moest dienen voor de beoogde verrassing, oordeelde 
hij gebruik te moeten maken van de vorst, en de onderneming te 
kunnen wagen. Den 26sten December, 's namiddags om 3 uur, wor- 
den de poorten van Groningen gesloten; en daar men het ijs in 
de stadsgrachten heeft doen openbijten, belet men zóó, indien de 
vijand verstandhouding in de stad mocht hebben, dat hem ken- 
nis wordt gegeven van de gemaakte toebereidselen. Men neemt 
36 vrijwilligers van elke compagnie der bezetting en gelast hen, 
zich den volgenden ochtend om 10 uur marschvaardig te hou- 
den, en voor drie dagen levensmiddelen mede te voeren; 5 com- 
pagnieën ruiterij der bezetting zullen den tocht medemaken; 
mét de infanterie wordt dit begroot op een kleine duizend man; 
bovendien krijgen 3 compagnieën dragonders, die bij De Leek 
staan, naar de zijde van Friesland, last om zich op marsch bij 
die macht aan te sluiten. Bevelhebber is de luitenant-kolonel 
Eijbergen; terwijl over het voetvolk het bevel krijgt de overste 
Wijiers en over de ruiterij de majoor Sickinghe. Een aantal van 
de voornaamste burgers van Groningen voegt zich, als vrijwilli- 
gers, bij de geregelde krijgsmacht. 

Den geheelen nacht van den 26sten December hield men zich 
bezig met het opladen van de biesbruggen, ijssporen, koevoeten 
en andere gereedschappen op de daartoe bestemde wagens; met 
het begeleiden van die wagens waren belast eenige artilleristen^ 
of, zooals men ze toen noemde, konstapels en busschieters. In 
de naïeve verhalen van onze schrijvers wordt vooral niet ver- 
geten, dat een inwoner van Groningen den tocht medemaakte 
met een wagen waarop zich een okshoofd brandewijn bevond, 
die, geregeld aan de troepen uitgedeeld, niet weinig diende om 
hen gedurende den marsch te verkwikken. Men moet dit niet 
glimlachend of schouderophalend als iets geheel onbeduidends 
beschouwen ; het is integendeel eene hoofdzaak, de troepen opge- 
wekt te houden; de middelen hiertoe moeten zich wijzigen naar 
den bijzonderen geest der troepen; en wie bekend is met den 
geest van ónze soldaten, weet dat een middel als het hier ver- 
melde, niet zonder goede uitwerking blijft. 

In den namiddag van den 2 7sten December verlaat men Gro- 
ningen. Den eersten dag gaat de marsch tot Gieten; den 28sten 



Digitized by 



Google 



COEVORDEN. 219 

tot Odoorn; den sQsten tot Erme, twee k drie uur ten noord- 
oosten van Coevorden; met opzet had men de raarschen klein 
gemaakt om de troepen niet veel te vermoeien. De ruiterij, die 
den 27steii mét het voetvolk te Gieten had vernacht, was den 
volgenden dag het overige der legermacht vooruitgegaan en had 
den 28stca December Dalem bereikt, een klein uur ten noorden 
van Coevorden; hier plaatste zij zich zoodanig dat zij de ver- 
schillende toegangen tot de vesting bezet hield, om daardoor te 
beletten dat de vijand kennis ontving van den opmarsch van 
Eijbergen. Overloopers hadden er dien vijand echter reeds van 
onderricht: een ritmeester Wolf, vroeger bij de Munstersche rui- 
terij in dienst, maar, gevangen genomen zijnde, tot de Groningers 
overgegaan, had bij den opmarsch uit Groningen de ruiterij van 
Sickinghe in stilte verlaten en, denkende dat men een aanslag 
beoogde op de Langakkerschans, was hij spporslags daarheen 
gereden en had de bezetting van die sterkte gewaarschuwd ; ook 
waren drie dragonders bij den opmarsch van De Leek tot den 
vijand overgeloopen en hadden de bezetting van Coevorden 
reeds vroegtijdig onderricht van de nadering der Hollanders. 
Evenwel deed die waarschuwing niet d^t kwaad, dat men had 
kunnen verwachten: de bezetting van Coevorden, ieder oogen- 
blik en spoedig een aanval duchtende, die door den langzamen 
opmarsch der Hollanders slechts later plaats had, bleef den 
28sten en 29sten December dag en nacht, bijna onafgebroken 
onder de wapens; en was daardoor zoo afgemat, dat toen de 
aanval werkelijk werd gedaan, men moeite had om de verdedi- 
gers op de wallen te doen komen. 

Laat ons in het voorbijgaan opmerken, dat dit overgaan van 
een officier van den dienst van de eene mogendheid in den dienst 
van een andere mogendheid, dit overloopen tot den vijand, — 
dat ons door de schrijvers van dien tijd als iets zeer gewoons 
wordt vermeld — meer dan de uitvoerigste verhandeling aan- 
toont, van welk gering zedelijk gehalte de officieren van dien 
tijd over het algemeen waren. 

Den 29sten, 's namiddags, doet Eijbergen kruit en lood en 
ijssporen uitdeelen aan zijne troepen ; hij spreekt hen toe, maant 
hen aan tot dapperheid en maakt hen bekend met de wijze 
waarop de aanval zal plaats hebben. Op drie verschillende pun- 
ten moet die aanval geschieden : Eijbergen zelf zal met 300 man 
aanvallen op het bastion Gelderland, waar zich het Kasteel be- 
vindt; Wijiers, met een even sterke macht, op het daarnaast 
liggende bastion Holland; Sickinghe, ook met 300 man, op het 
bastion Overijssel. Bij elke dier aanvalskolonnen zal een voor- 
troep gevormd worden, met bijlen en pieken gewapend en voor- 
zien van koevoeten, hamers, handgranaten enz.; geheel voorop 
zullen zijn de manschappen die de in vakken verdeelde bies- 



Digitized by 



Google 



2 20 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

bruggen dragen; dddr zal zich ook bevinden Van Thijnen bij 
de kolonne van Eijbergen, andere geleiders bij de twee andere 
kolonnen. Als woord wordt gegeven Holland; als veldgeschreeuw 
God met ons; en als herkenningsteeken is voorgeschreven om 
een bosje stroo aan den hoed vast te maken. Tien uur 's avonds 
is het uur, bepaald voor den afmarsch van Erme. 

In de grootste orde en stilte vangt die afmarsch aan ; om één 
uur is men te Dalem; om drie uur zijn de kolonnen van Eij- 
bergen en Wijiers bij de buitenwerken der vesting ; Sickinghe, die 
een langeren weg moest afleggen, over den Holvert, komt iets 
later bij het punt waar hij moet aanvallen. De onversaagde Van 
Thijnen is voorop en, in weerwil van het aanroepen der Mun- 
stersche schildwachten, nadert hij de voorgracht en de palissa- 
deering van den bedekten weg; hij herkent het punt dat hij als 
het geschiktste beschouwt voor de bestorming en waarschuwt den 
voortroep om daarheen te snellen. Dit geschiedt; de voortroep 
gaat de dichtgevrorene voorgracht over, bereikt de palissadeering 
van den bedekten weg, springt daarover heen of hakt die met 
bijlen omver, in weerwil van het musketvuur dat de vijand nu, 
van den hoofdwal, op de aanvallers opent. Door de openingen 
in de palissadeering gaan nu de beide kolonnen van Éijbergen 
en van Wijiers; Van Thijnen wijst aan den laatste den weg 
naar het bastion Holland, waarop hij moet aanvallen, en geleidt 
daarna de troepen van Éijbergen naar het bastion Gelderland. 
Sickinghe is kort daarop ook gekomen bij het bastion Overijssel; 
een gedeelte van zijne ruiters neemt, afgestegen, vrijwillig deel 
aan den aanval. De verdediger komt in verwarring onder de 
wapens, maakt zich op den hoofdwal bereid tot tegenweer, opent 
musketvuur op de kolonnen van Éijbergen en van Wijiers en 
brengt door een kanonschot eenig verlies toe aan de kolonne 
van Sickinghe bij haren opmarsch. 

De bestormers snellen intusschen vol geestdrift voort. Een ge- 
deelte van de gracht, dat open was gehouden, wordt overge- 
trokken door middel van de biesbruggen ; en daar sommige van 
die bruggen te zwak zijn om de overtrekkende troepen te 
dragen, gaan eenige der bestormers in het water of op het ijs 
staan, om de bruggen vast te houden. Nu geldt het den hoofdwal, 
die door de vorst glad is en moeielijk te beklimmen en waar- 
achter de verdediger met vuur- en blanke wapens den vijand 
afwacht. Een doornheg aan den voet van den hoofdwal, zooals 
men die meer vindt bij onze vestingen, is eene hindernis die 
nog een geruimen tijd ophoudt, alvorens men met bijlen eene 
genoegzame opening in die heg heeft gemaakt. Men wil dat een 
der Hollandsche officieren, door een krijgslist veel heeft bijge- 
bracht tot het gelukken van de bestorming; hij zou namelijk een 
tamboer over de doornheg hebben gelicht en hem hebben 



Digitized by 



Google 



COEVORDEN. 221 

overgehaald, onder belofte van een rijkelijke belooning, om in 
stilte ergens den wal te beklimmen en in het binnenste van de 
stad den Prinsenmarsch te slaan; begunstigd door den zwaren 
mist, die volgens sommige opgaven belette om de lengte van een 
piek vooruit te zien, zou die tamboer onbemerkt in de stad zijn 
doorgedrongen en dd^r, door het slaan van den Prinsenmarsch^ 
verwarring en vrees onder de verdedigers hebben doen ontstaan^ 
en den wederstand doen ophouden. — De zaak is mogelijk; zij 
is ten minste niet zoo onwaarschijnlijk als de geschiedenis met 
Bonaparte's trompetters bij Arcole. 

Hoe het zij, de Hollanders, aan alle zijden den wal beklim- 
mende, hebben weldra vasten voet daarop gekregen. DéAr heeft 
nog een korte worsteling plaats; Mooij, de Munstersche bevel- 
hebber, sneuvelt met de sabel in de vuist, door dien roemvollen 
dood geheel uitwisschende wat mogelijk de verrassing van zijne 
vesting krenkends had voor zijn eer; zijn dood doet zijnen sol- 
daten den moed verliezen ; zij gaan terug en Eijbergen maakt zich 
meester van het Kasteel. Sickinghe heeft bij het bastion Overijssel 
meer wederstand ontmoet; den wal beklimmende heeft hij met 
eigen hand een kanonnier des vijands gedood, op het oogenblik 
dat deze een stuk geschut wil afschieten ; dapper strijdt de vijand 
nog op den wal tegen de bestormers, totdat Eijbergen, met 
40 man daarheen snellende, de verdedigers in den rug aanvalt 
en daardoor in verwarring doet wijken. Te gelijk is de Friesche 
poort door de Hollanders bemachtigd en geopend voor de rui- 
terij; deze rent nu door de straten en doet weldra den weder- 
stand des vijands, die naar het marktplein is teruggetrokken, 
geheel ophouden. Van de vijandelijke bezetting, die bij de 8oa 
man telde, redden zich een paar honderd door de vlucht naar 
het Bentheimsche; een 150 waren gesneuveld; een groote 400 
werden krijgsgevangen gemaakt. De aanvaller had zijn zege ge- 
kocht met het sneuvelen van 55 der zijnen. 

In de tachtig vuurmonden, een groot aantal andere wapens, 
een aanmerkelijke voorraad munitie, een aanzienlijke buit, vielen 
door dit wapenfeit in handen van de overwinnaars. Het zij her- 
haald: men moet dit wapenfeit niet beoordeelen naar de begin- 
selen der hedendaagsche oorlogsvoering; zeker, in ónze dagen 
zou het vernielen van eene vijandelijke afdeeling van eenige 
honderd man, het nemen van eene vesting als Coevorden altijd 
beschouwd worden als een voordeel, maar toch slechts als een 
voordeel van ondergeschikt belang. In de zeventiende eeuw was 
het geheel anders: toen was het een uitstekend voordeel; een 
voordeel, zooals een sterk leger, in den loop van een geheelen 
veldtocht nauwelijks behaalde; een voordeel dat diepen indruk 
maakte, de vijandelijke wapenkracht schokte, en hem, die het 
verwierf, met lauwerkransen sierde. 



Digitized by 



Google 



222 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

Het gelukken dier verrassing van Coevorden moet worden toe- 
geschreven aan de samenwerking van verschillende omstandig- 
heden; aan de gesteldheid dier vesting, die, evenals vele onzer 
vestingen, bij winterdag aan overvallingen was blootgesteld; aan 
den mist, die de bedekte nadering van de troepen toeliet; aan 
de afgematheid van de bezetting, die reeds sedert twee dagen 
tegen een aanval had gewaakt; maar vooral moet de goede 
uitslag worden toegeschreven aan de kracht en den nadruk waar- 
mede de aanval plaats had. Eere aan de dappere overwinnaars; 
en wanneer die overwinnaars, dadelijk na de behaalde zege, in 
hun vromen eenvoud erkennen »dat dit niet anders was dan 
Gods hand*', dan moet dit den nazaat niet verhinderen, lof toe 
te zwaaien aan de onversaagde strijders, die in Gods hand het 
werktuig waren om tot eene zoo schitterende uitkomst te geraken. 



De krijgsverrichtingen van 1672 zijn hiermede ten einde ge- 
loopen ; het is goed, vluchtig een oordeelkundigen blik te werpen 
op de handelingen in het laatste gedeelte van dat jaar. 

De tocht van Willem III, in November 1672 naar de Zuide- 
lijke Nederlanden, is over het algemeen als eene handeling van 
groote stoutheid bewonderd, ten minste wat het ontwerp aan- 
gaat. Men behoeft niet, om die bewondering te verklaren, zijn 
toevlucht te nemen tot de Romeinsche geschiedenis, zooals een 
onzer schrijvers — Valckenier — doet, en in die handeling van 
den jongen Stadhouder de wedergade te zien van Scipio's besluit 
om in Spanje de Karthagers te beoorlogen, op het oogenblik 
dat riannibal voor de poorten van Rome stond; men kan, door 
die handeling op zich zelve te beschouwen, beter grond vinden 
om haar te roemen, dan door het maken van eene vergelijking 
met de oude geschiedenis ; — vergelijkingen, waarvan zoo dikwijls 
misbruik wordt gemaakt en die zoo dikwijls geheel mank gaan. 

Willem III kon zich in het najaar van 1672 zonder gevaar 
van Holland verwijderen ; dat gewest was genoeg verzekerd door 
de inundatie-linie en door de achtergebleven krijgsmacht; en 
indien Luxembourg's inval het in gevaar heeft gebracht, dan 
moet men dit niet wijten aan het ongenoegzame van de ver- 
dedigingsmiddelen, maar wel aan de zwakheid en onbekwaam- 
heid van de bevelhebbers. Willem III deed goed, zich van Hol- 
land te verwijderen, want dddr was, door een rechtstreekschen 
aanval op Luxembourg, weinig voordeel te behalen; ging alles 
gunstig, dan zou die wijze van aanvallen den vijand nog gerui- 
men tijd, nog jaren lang doen standhouden op het grondgebied 
der Republiek, omdat men dan gewest voor gewest, stad voor 
stad, zou moeten heroveren. Daarentegen, door in de Spaansche 



Digitized by VjOOQIC 



STRATEGISCHE OPMERKINGEN. 223 

Nederlanden, door naar den Rijnkant vooruit te rukken, kon 
men beslissende \iitkomsten verkrijgen: de Duitsche legers kon- 
den den Rijnstroom overtrekken, de Stadhouder kon zich met 
die legers vereenigen, hij kon eene overwinning op de Franschen 
behalen; — dat alles was niet alleen mogelijk, maar zelfs waar- 
schijnlijk; — en eene overwinning tusschen Maas en Rijn, bijna 
aan de grenzen van Frankrijk behaald, zou oogenblikkelijk aan 
den oorlog eene geheel andere wending hebben gegeven, zou 
Luxembourg hebben gedwongen tot eene overijlde ontruiming van 
de Noordelijke Nederlanden en zou dus in één oogenblik doen 
verwerven wat men anders door jaren strijds moest verkrijgen. 
Zelfs toen de Duitsche legers niet opdaagden, kon de vermees- 
tering van Charleroi dezelfde uitkomst teweegbrengen. 

Dat men die uitkomst niet verwierf, dat Charleroi gered werd 
door de invallende winterkoude, dit bewijst niets; want men moet 
bij de beoordeeling van eene handeling niet alleen letten op de 
gevolgen die zij heeft, maar ook op de gevolgen die zij kon en 
waarschijnlijk moest hebben; het eerste hangt af van het geluk, 
het tweede bewijst de bekwaamheid. En wanneer men volgens 
dien maatstaf oordeelt, dan zal men Willem III den hoogsten lof 
moeten toezwaaien wegens dat besluit om den oorlog over te 
brengen naar de Spaansche Nederlanden ; men zal moeten erken- 
nen dat het een stout, beleidvol besluit was; dat daardoor de 
vijand ééuAr werd aangevallen waar men de grootste uitkomsten 
kon verwerven, d^r waar men hem doodelijke slagen kon toe- 
brengen; dat dit besluit alleen genoegzaam is om de juistheid 
der strategische inzichten van Willem III te bewijzen, om hem 
als veldheer boven zijne tijdgenooten te verheffen. Dat overbrengen 
van den oorlog in de Zuidelijke Nederlanden was werkelijk een 
Napoleontische handeling; en hoe grooten indruk het teweeg- 
bracht op de tijdgenooten van den Stadhouder, kan men daaruit 
opmaken, dat zelfs de trotsche Lodewijk XIV, in een brief den 
sisten December aan Luxembourg geschreven, het beleg van 
Charleroi noemt „une action si hardie^ 

Maar is dit besluit des Stadhouders om den oorlog aanvallen- 
derwijze te voeren algemeen bewonderd, de wijze waarop dit 
besluit werd uitgevoerd heeft minder goedkeuring verworven. 
Beaurain vooral gispt de handelingen van het Hollandsche leger- 
hoofd. Sprekende van de inneming van Binche en Valkenburg 
door Willem III, zegt hij: >ces faibles conquêtes furent Ie seul 
fruit de son expédition. Le pro jet en avait été con^u avec har- 
diesse, il ne füt pas poussé avec assez de vivacité et de vigueur. 
Les moyens n'avaient pas été assez préparé, ou ne furent pas 
fournis ^ temps par les Espagnols. La cour de France en eüt 
néanmoins de Tinquiétude, on vit tout ce que le Prince d'Orange 
pouvait oser, et les HoUandais entreprendre sous ses ordres." 



Digitized by 



Google 



224 KRÏJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

{Campagne de 1674 ^'^ Flandre, Introduction). En in zijne Campagne 
de Turenne komt zelfs de uitdrukking voor: *>la diversion du 
Prince d'Orange, en faveur des alliés, avait été si mal conduite*^ enz. 

Wij kunnen ons niet vereenigen met dit oordeel van den 
Franschen schrijver, en zijn integendeel van gevoelen, dat de 
Stadhouder niet anders kon doen dan hij heeft gedaan, en dat 
de wijze van uitvoering zijner aanvallende beweging op het einde 
van 1672, meer lof dan blaam verdient. — Eene korte opsom- 
ming van de gebeurtenissen zal dit duidelijk maken. 

Den 8sten November begint de opmarsch van Roozendaal; reeds 
den iien is het Hollandsche legerhoofd te Maastricht. Die op- 
marsch is met eene snelheid verricht, die hier te meer lof ver- 
dient, omdat het daardoor mogelijk was, voordeden te be- 
halen op de macht waarmede Duras op den linkeroever van de 
Maas stond ; — dit heeft e ver wel niet plaats, doordat de Fransche 
bevelhebber, met spoed de macht des Stadhouders ontwijkende, 
achter de Maas en de Roer terug gaat. Men heeft toen aan de 
Hollandsche zijde toch reeds de voordeelen verkregen, dat men 
Maastricht gedeblokkeerd en eene legermacht in Limburg ver- 
toond heeft, op een tijdstip, dat de vijand nog aan de grenzen 
staat van het eigenlijke Holland; — maar tot die voordeelen 
moet men zich vooreerst bepalen. Duras heeft den strijd ontweken, 
en zoolang men nog niet versterkt is door de Spanjaarden, heeft 
men te geringe macht om iets anders te ondernemen; want 
Turenne heeft bij Andernach reeds een overgang over den Rijn, 
en is gereed de zwakke krijgsmacht van den Stadhouder te ver- 
pletteren, waagt deze het vooruit te rukken. 

Den i5en November komt eindelijk de verwachte versterking 
der Spanjaarden. Is Beaurain van meening, dat Willem III toen 
naar den Rijn had moeten voortrukken en daar Turenne slag 
leveren ? — Wij gelooven dat die handeling gewaagd en gevaarlijk 
zou zijn geweest; het Fransche legerhoofd stond toen reeds in 
zijne stelling te Witlich, den weg afsluitende van Willem III naar 
de Duitsche legers; die legers stonden bovendien nog altijd op 
den rechteroever van den Rijn, en op de vereeniging met die 
legers was niet in het minst staat te maken; Turenne was toen 
reeds in verband met de legermacht van Condé; en wanneer 
dus Willem III vooruitrukte, liep hij gevaar van aangevallen te 
worden door de groote overmacht der beide Fransche leger- 
hoofden; en een nederlaag kon dan de bedenkelij kste gevolgen 
hebben, door de aanwezigheid der macht van Duras in den rug 
van het leger des Stadhouders. De voorzichtigheid schreef dus 
gebiedend voor, niet verder voort te rukken tusschen Maas 
en Rijn; er viel niets anders te doen dan bij de Maas te blijven, 
en dddr, door kleine aanvallende bewegingen, door het bedreigen 
van vestingen Duras en Turenne uit te lokken om ter hulp te 



Digitized by 



Google 



STRATEGISCHE OPMERKINGEN. 22$ 

komen; voordeel te behalen, door aan den eerste slag te leve- 
ren, of door het verwijderen van den tweede van den Rijn den 
overtocht van dien stroom voor de Duitsche legers gemakkelijk 
te maken, en zóó de vereeniging met die legers voor te bereiden. 

Met dat inzicht bedreigt men Tongeren, maar zonder uitwer- 
king: Turenne en Duras blijven onbeweeglijk, op de sterkte dier 
vesting vertrouwende. Men verlaat toen Tongeren weer, welks 
ernstige belegering geen voordeel kon aanbrengen; men wil 
Duras opzoeken en slag leveren; maar de sterk gezwollen Roer 
belet dit, en de Fransche bevelhebber voegt zich, zonder ge- 
vecht te leveren, bij Turenne; — men verkreeg door dien af- 
tocht evenwel het voordeel, dat daardoor — hoezeer kortston- 
dig — de gemeenschap van Luxembourg met Frankrijk zoo goed 
als afgebroken was. — Men bepaalt zich toen tot de vermees- 
tering van Valkenburg. 

Weldra blijkt het, dat men dit jaar volstrekt niet heeft te 
rekenen op de hulp van de Duitsche legers, en Willem III gaat 
nu over tot het beleg van Charleroi; eene onderneming die, 
ware zij gelukt, Frankrijk een gevoeligen slag zou hebben toege- 
bracht en denkelijk de ontruiming van Holland veroorzaakt. 
Maar die onderneming gelukt niet; Montal's goede verdediging, 
de bijeen trekking van Fransche legers tot ontzet en vooral de 
invallende vorst, die de werkzaamheden van den belegeraar ver- 
hindert en het geschut belet aan te komen, doen het beleg op- 
breken; en de legermacht des Stadhouders, den veldtocht ein- 
digende, keert naar Holland terug. 

Wanneer men zoo de gebeurtenissen met aandacht overziet, dan 
vraagt men zich af, wat Beaurain rechtigt tot zijne veroordeelende 
uitspraak over de operatiën van Willem III bij dit gedeelte van 
den veldtocht Zegt men van iemand dat hij niet goed heeft ge- 
handeld, dan vordert de billijkheid dat men tevens zegge, hoe 
hij had moeten handelen; en wanneer wij hier, bij de krijgsver- 
richtingen van het Hollandsche legerhoofd, ons die vraag stellen, 
dan zien wij niet in, hoe die op voldoende wijze kan worden 
beantwoord. Wij voor ons zien niet in, wat de Stadhouder anders 
had kunnen doen dan hij gedaan heeft; en hoezeer zijne onder- 
neming mislukt is, kan men dit volstrekt niet wijten aan de wijze 
van uitvoering die niet anders kon zijn, noch aan het ontwerp 
zelf, dat stout en meesterlijk was. 

Wanneer wij overgaan tot de beschouwing van Luxembourg's 
handelingen bij dit gedeelte van den veldtocht, dan moeten wij 
het gevoelen uiten, dat zij zich hier meer door stoutheid dan 
door bekwaamheid kenmerken. Partij te trekken van de gunstige 
kansen, die de winterkoude, de afwezigheid van Willem III en 
de zwakheid van sommige van diens onderbevelhebbers aan- 

wiLLEM III. — I. 15 



Digitized by 



Google 



2 20 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

boden tot het doen van een inval in Holland, dit was zeker iets 
goeds, en het besluit tot dien inval verdient in Luxembourg ge- 
prezen te worden; want, mocht het Fransche legerhoofd zich al 
niet meester maken van Amsterdam, hij zou toch eenige der Zuid- 
Hollandsche steden kunnen bemachtigen, en door de bemachti- 
ging van die steden, door de verwoesting van de landstreek, 
denkelijk de Republiek dwingen tot vrede en onderwerping. Het 
besluit tot den inval in Holland was dus goed; — maar dat 
besluit door te zetten op een oogenblik dat de uitvoering zoo 
goed als onmogelijk werd; den tocht naar Holland te beginnen op 
het oogenblik dat de dooi reeds aanvangt, met het vooruitzicht 
van spoedig niet verder te kunnen voortrukken en van niet te 
kunnen terugkeeren; een geheel leger zoo bloot te stellen aan 
een bijna wissen ondergang; — dit is, in ons oog, geen stout- 
heid meer, maar roekeloosheid; dit toont weinig beleid; dit is 
in een legerhoofd eene onverantwoordelijke handelwijze, die, 
zonder het verlaten van de Nieuwerbrug door de Hollanders, 
hare welverdiende straf niet zou hebben ontgaan. In de dagen 
van het Schrikbewind heeft menig Fransch legerhoofd het leven 
door de gerechtsbijl verloren, die niet het honderdste deel mis- 
dreven had, van wat men hier, met grond, Luxembourg kan ten 
laste leggen. 

Die inval van Luxembourg toont ook aan, hoe weinig gegrond 
de meening is, dat in den winter, door een strenge vorst, de 
sterke verdedigingsmiddelen van ons land geheel te niet gaan. 
Integendeel: wij zien dat in den winter van 1672, in weerwil 
van de vorst, door krachtige inspanning hier en daar vaarten en 
weteringen waren opengehouden, in verband waarmede een hand- 
vol gewapende boeren bij Nieuwkoop en het geschut van een 
uitlegger in de Mije er in slagen, de Fransche macht te doen 
afdeinzen, en het doordringen van die macht te Zwammerdam 
alleen aan het zwakke der verdediging is toe te schrijven. Zelfs 
in het hart van den winter kan dus de verdediging van onze 
onderwaterzettingen met goed gevolg plaats hebben; vooral ook 
omdat de vijand het niet licht zal wagen, over het dichtgevrorene 
water te trekken, terwijl door het omslaan van het weder — iets 
dat men niet voorzien kan en dat ieder oogenblik kan gebeuren — 
de o vergetrokken macht van eiken terugtochts-weg is afgesneden 
en dus denkelijk geheel verloren gaat. Dat Luxembourg dit lot 
ontging, waaraan heeft dit gelegen? — Aan het wangedrag van 
één bevelhebber. 

Juist diezelfde gebeurtenis, met vele andere in onze krijgsge- 
schiedenis, bewijst welk een gewichtige taak zelfs een officier van 
minder hoogen rang soms heeft te vervullen bij de oorlogen 
in óns land. Van Königsmarck hing hier het behoud van het 
vaderland af, en zijn zwak gedrag had Holland bijna doen ver- 



Digitized by 



Google 



STRATEGISCHE OPMERKINGEN. 227 

loren gaan; Pain-et-Vin*s plichtverzuim was de redding van 
Luxembourg's leger: zonder dat had een maarschalk van Frank- 
rijk, met eenige duizenden soldaten, de wapenen moeten neder- 
leggen. Ieder generaal, ieder kolonel kan eene soortgelijke taak 
te vervullen hebben als Königsmarck; en zelfs behoeft men geen 
hoofdofficier te zijn om bevelhebber te worden van een even 
belangrijken post als dien aan de Nieuwerbrug ; ieder onzer offi- 
cieren kan zoodoende in een toestand komen, waarin hij geheel 
op zichzelf staat, geheel naar eigen inzichten en ingeving moet 
handelen, en waarin van z ij n e handeling mogelijk de val of het 
behoud van het vaderland afhangt. 

Daarom ook is het een hoofd vereischte, dat de officieren van 
ons leger eene meer dan gewone bekwaamheid bezitten, en door 
hunne vroegere opleiding, door verstandige studiën en oefeningen 
juiste en ruime inzichten verkregen hebben over de verdediging 
van ons land; om, wanneer zij op zichzelve staan, wanneer zij 
zonder bepaalde bevelen of voorschriften moeten handelen, en 
van hun besluit mogelijk de uitkomst van den oorlog afhangt, 
altijd de beste partij te kiezen. Bij groote legers, — zooals bij 
voorbeeld de Fransche en Oosten rijksche legers — , is het geen 
zoo noodzakelijk vereischte, dat de officier wetenschappelijk 
gevormd zij; het is voldoende dat de bevelhebbers van legers, 
legerkorpsen en divisiën bekwame mannen zijn; voor de aan- 
voerders der kleinere onderdeelen van het leger is dit minder noodig, 
omdat zij bij de werking der groote vereenigde massa's meest- 
tijds niets anders te doen hebben dan werktuigelijk de ontvangene 
bevelen uit te voeren ; — bij een leger als het onze, dat door den 
aard der landstreek waar het moet strijden, gewoonlijk in meer 
of minder kleine deelen is gesplitst, moet ieder officier min of 
meer de bekwaamheid bezitten van een opperbevelhebber. 

De krijgsverrichtingen in de oostelijke gewesten gedurende de 
laatste maanden van 1672 leveren weinig stof op tot opmer- 
kingen. Men kan niet anders dan het beleid en de geestkracht 
prijzen, hier betoond door de Hollandsche bevelhebbers, die 
goed gebruik maakten van het voordeel, dat Groningen's dappere 
verdediging hen op den vijand had gegeven, om dien vijand 
verder afbreuk te doen; en die daartoe zoo goed partij wisten 
te trekken van het middel der overvallingen. 



Digitized by 



Google 



228 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 



HOOFDSTUK VIII. 

TOESTAND VAN DE OORLOGVOERENDE PARTIJEN BIJ HET BEGIN 

VAN 1673; KRIJGSTOERUSTINGEN; KRIJGSVERRICHTINGEN 

IN DE NOORDOOSTELIJKE PROVINCIËN EN IN HOLLAND. 

De krijgs verrichtingen, die tot in de laatste dagen van 1672 
waren voortgezet, hielden daarna eenigen tijd op; de winter gaf 
eene korte poos van rust, die door de verschillende oorlogvoe- 
rende mogendheden gebruikt werd om hunne krijgstoerustingen 
uit te breiden, ten einde in een volgenden veldtocht opnieuw met 
geduchte strijdkrachten op te treden. 

Frankrijk — en Frankrijk wil zeggen Lodewijk XIV; zijne 
bekende woorden yjTétai eest mor waren toentertijd eene waar- 
heid; — Frankrijk had nog niet afgezien van zijne poging tot 
vernietiging van de Republiek, welker macht en welker vrijheid toen 
een ergernis waren voor den alleenheerscher, die geen perken 
voor zijn gezag duldde en die er naar streefde, geheel Europa 
aan zijn wil te onderwerpen. De trots des Franschen konings, 
zoo verhoogd door de spoedige en gemakkelijke verovering van 
een deel van Holland, was diep gekrenkt geworden door den 
wederstand, dien het overige van dien Staat was blijven bieden; 
en verontwaardiging, evenzeer als verbazing, vervulde geheel 
Frankrijk, toen men den vijand, dien men reeds ten onder ge- 
bracht waande, zich met kracht zag verheffen, en zijn leger 
Frankrijk *s grenzen zag bedreigen. Die trotschheid moest beteu- 
geld, die hoon gestraft worden. De Fransche natie, toenmaals 
koningsgezind tot in het gebeente, kon er zich geen denkbeeld 
van maken, dat een klein volk, zonder koning, zonder adel, een 
volk dat men minachtte als alleen bestaande uit een hoop koop- 
lieden en burgers, den kamp durfde volhouden tegen den groo- 
ten monarch, voor wien zich de hoofden der oudste geslachten 
van de Christenheid in het stof bogen, en die, door al den luister 
van macht en roem omgeven, tot nu toe niets dan overwinningen 
had gekend. Zoo iets was ongehoord, zoo iets mocht niet voort- 
duren; en wanneer de krijgshaftige geest van het Fransche volk 
het eiken oorlog met blijdschap deed tegemoet gaan, zoo was 
toch de oorlog tegen Holland der natie bijzonder welgevallig. 

Hier en daar mochten soms de zware lasten, welke die oor- 
log noodzakelijk oplegde, gemor, weerspannigheid, openlijken 
opstand doen ontstaan; maar dit was alleen het geval bij het 
laagste gedeelte der natie, bij de boeren, bij den geringen bur- 
gerstand, bij dat gedeelte dat toen even weinig werd geteld als 
het plebs te Rome, als de lijfeigenen der Middeleeuwen; wat toen 



Digitized by 



Google 



TOESTAND OORLOGVOERENDE PARTIJEN, BEGIN 1673, 229 

het eigenlijke volk uitmaakte : de adel, de hoogere geestelijkheid, 
het leger, de rechterlijke macht, de parlementen, de staatsamb- 
tenaren, de hovelingen, — dat alles wat zich in den zonneschijn 
der hofgunst koesterde en alleen aan Lodewijk XIV aanzien en 
luister ontleende, dat alles gevoelde ook diep den hoon dien de 
monarch leed door den strijd tegen zulk een vijand, en brandde 
van verlangen om door schitterende overwinningen dien hoon 
uit te wisschen. 

Bij de schrijvers van dien tijd kan men de duidelijkste blijken 
vinden van dien geest van haat en vijandschap tegen de Repu- 
bliek der Vereenigde Nederlanden, — een haat, die niet het recht 
had om nog langer minachting te blijven, toen men had onder- 
vonden, welk eene sterkte die vijand bezat dien men aanvan- 
kelijk zoo versmaadde ; men kan ten duidelijkste uit de geschriften 
van dien tijd ontwaren, — neem slechts de brieven van Madame 
de Sévfgné — hoe de Fransche koning geheel in overeenstemming 
handelde met den geest zijns volks, toen hij den oorlog tegen Hol- 
land bleef voortzetten. Zoo vindt men zelfs bij La Fontaine — die 
anders te eenvoudig was om vleier te zijn, en die in zijne mees- 
terlijke fabels den grooten der aarde dikwijls ernstig de waarheid 
durfde zeggen — eene fabel ide zon en de kikvorschen", 
waarin klaarblijkelijk de Fransche koning door den dichter wordt 
voorgesteld onder het beeld van de zon, terwijl met de kikvor- 
schen niets anders bedoeld wordt dan de landgenooten van De 
Witt en De Rujrter. Men moet daarom den grooten fabeldichter 
niet beschuldigen van blinde partijdigheid; men moet zoo iets 
vergeven aan den tijd waarin hij leefde; maar het doet juist den 
geest van dien tijd kennen; het doet zien, dat Lodewijk bij het 
voortzetten van den oorlog, kon rekenen op den bijstand der 
openbare meening, toenmaals zeker minder krachtig dan in onze 
dagen, maar toch reeds eene macht die men niet straffeloos kon 
veronachtzamen. 

Bij Louvois ging de haat jegens Holland toen nog gepaard 
met verregaande minachting, zich vaak uitende in hoonende en 
verguizende woorden. In Rousset's werk (i' deeh blz. 445) vindt 
men daarvan voorbeelden, bij gelegenheid dat die schrijver ge- 
wag maakt van een vredes-congres dat in het begin van 1674 te 
Keulen bijeenkwam, maar niets tot stand heeft gebracht: 

> Waren de Hollanders mannen," zeide hij (Louvois), » dan zou- 
den zij al lang vrede hebben gesloten; maar het z^'n ezels {des 
bétes\ die zich laten leiden door menschen die alleen op hun 
eigen belang bedacht zijn; en daarom is het beter zich voor 
te bereiden ten oorlog, dan te verflauwen in de hoop van 
vrede." Nog beleedigender toon bezigt hij, waar hij aan Luxem- 
bonrg en d'Ëstrades gelast, om aan de HoUandsche gevolmach- 
tigden, bij hun doortocht, de eerbewijzmgen te geven die htm 



Digitized by 



Google 



230 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

toekomen : 1 de Koning heeft mij gelast u te melden," 200 schreef 
hij hun, >dat, in weerwil van de verachting die men voor dat 
volk moet koesteren, men hen toch moet behandelen als ge> 
zanten." 

Toen Hindostan in 1857 opstond, hebben de Engelschen met 
niet meer haat en verachting kunnen gewagen van de volge- 
lingen van Nena Sahih^ dan Louvois van de Hollanders van 
1672. Wij hebben dus wel eenig recht, om zijn naam te ver- 
foeien. 

Engeland, dat ook den oorlog bleef voortzetten, deed dit 
voornamelijk door het aandrijven van Karel II, een onzedelijk 
en schandelijk vorst, die den troon onteerde; een vorst die, alle 
gevoel van waardigheid en plicht afschuddende, een lijdelijk 
werktuig was geworden in de hand van den Franschen koning, 
door wien hij betaald en bezoldigd werd. Karel was, tot nu toe, 
meester van zijn Parlement; kuiperijen, omkoopingen, bedrog, 
openbaar geweld hadden tot op dien tijd het bestaan eener 
volksvertegenwoordiging in Engeland tot een fabel gemaakt; en 
bij die leden, wier onafhankelijkheid men vreesde, hadden de 
staatsdienaren des Konings den ouden haat en vijandschap tegen 
Holland opgewekt, — die mededingster in handel en zeevaart, 
met wie men in Indië reeds zoo dikwijls in vijandige aanraking 
was gekomen, en tegen wier vloten men zoo herhaaldelijk en 
met zoo weinig vrucht gestreden had om de heerschappij over 
de zeeën. Daardoor was het aan Karels ministers gelukt, de ver- 
tegenwoordigers des volks te doen bewilligen in het voortzetten 
van den oorlog; de muren van het Parlement weergalmden weer 
van de heftigste taal tegen Holland; het iKarthago moet ver- 
delgd worden" werd op dit land toegepast; en om dat doem- 
vonnis ten uitvoer te brengen, besloot men eene meer dan ge- 
wone uitbreiding te geven aan de krijgstoerustingen. 

Maar, handelde de regeering zoo, de meerderheid van het 
Engelsche volk hechtte hare goedkeuring niet aan die hande- 
lingen. Er bestond, ja, naijver en vijandschap tegen Holland; 
maar het gezond verstand der menigte deed haar inzien, dat de 
ondergang van Holland ook voor Groot-Brittanje verderfelijk kon 
worden; de natie was in haren trots gekrenkt door zoo aan den 
leiband te moeten loopen van de Fransche staatkunde ; zij herin- 
nerde zich hoe, onder Cromwell's krachtig bestuur, Engeland 
een geheel andere rol had gespeeld op het staatstooneel ; dat 
bestuur had republikeinsche indrukken bij de menigte achterge- 
laten, en zij zag daarom noode, dat men nu streed tegen een 
republiek en in het belang van een alleenheerscher ; bovenal 
was het Engelsche volk door godsdienstige begrippen de zaak 
toegedaan van de Nederlanden, — dien zetel en toevlucht van 



Digitized by 



Google 



TOESTAND OORLOGVOERENDE PARTIJEN, BEGIN 1673. 23 1 

het Protestantisme, toen bedreigd door een vorst, die zich voor- 
deed als een krachtig voorstander van Rome's kerkleer; — dit 
alles maakte, dat de oorlog tegen Holland in Groot-Brittanje 
verre van populair was, dat de meerderheid des volks dien af- 
keurde en veroordeelde, en dat weldra de openbare meening 
zich zoo krachtig begon te uiten, dat Karel II daardoor ge- 
dwongen werd vrede te sluiten. 

Maar in 1673 woedde het oorlogsvuur nog met onverminderde 
hevigheid; en in dat jaar spande de Britsche vorst nog zijne 
uiterste krachten in, om onze Republiek ten val te brengen. 

Keulen en Munster bleven ook den oorlog tegen de Neder- 
landen voortzetten. Die twee kleine Duitsche Staten waren nog 
altijd aan de zijde van Frankrijk en geheel onder den invloed 
van dat Rijk. Hei weinig beduidende van de voordeelen, door 
de Brandenburgsche en Keizerlijke legers in 1672 verkregen, en 
de krachtige aanvallende houding, door Turenne tegen die legers 
aangenomen, hadden Frankrijk het bondgenootschap met de 
bisschoppen van Munster en Keulen doen behouden; — toch 
was de macht van die beide vorsten aanmerkelijk verminderd 
door de tegenspoeden van het vorige jaar, vooral door het mis- 
lukte beleg van Groningen. 

Ziedaar de oorlogvoerende mogendheden, die in 1673 de 
eene partij uitmaakten. Hiertegenover had men nu, aan de 
andere zijde: de Republiek der Vereenigde Nederlanden, Spanje 
en het Keizerrijk. 

De Republiek zag nog altijd de vijandelijke legers meester 
van een groot gedeelte van haar grondgebied; maar toch was 
zij in geheel anderen toestand dan in 1672: zoo zwak, zoo weer- 
loos als zij, te lande, toen was, zulke geduchte verdedigingsmid- 
delen kon zij nu tegenover de Fransche of Engelsche legers stellen. 
Hare krijgsmacht was goed geworden, sterk, talrijk, had door 
wervingen en door verbonden met verschillende Duitsche Staten 
eene groote uitbreiding gekregen; hare vestingen, hare verdedi- 
gingslijnen waren in den meest weerbaren toestand; de vloot, 
door De Ruyler aangevoerd, kon Frankrijk's en Engeland's ver- 
eenigde vloten het hoofd bieden; zelfvertrouwen, moed en geest- 
drift waren teruggekeerd, toen men Willem III met zoo krachtige 
hand het roer van het staatsvaartuig zag besturen; — in één 
woord: de kansen van den oorlog tegen de verbondene vorsten 
waren voor onze voorvaderen in 1673 oneindig gunstiger dan 
het jaar te voren. 

Spanje was voor de Nederlanden, evenals het jaar te voren, 
een zwakke maar volijverige bondgenoot, waarvan de hulp en 



Digitized by 



Google 



232 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

bijstand door ónze schrijvers mogelijk niet genoeg zijn erkend. 
De monarchie, zoo krachtig ten tijde van KLarel V en Filips II, 
was reeds lang ondermijnd en had plaats gemaakt voor een afge- 
Icefden, uitgeputten en zwakken Staat, vol misbruiken en ver- 
keerdheden, zonder eenheid van bestuur, zonder krachtigen volks- 
geest, en waar men — zooals altijd in tijden van verval — de 
hulpmiddelen des lands aan duizend overtolligheden besteedde, 
en de krijgstucht en sterkte der legers te niet liet gaan. Maar, hoe 
zwak de Spaansche monarchie ook was, de Zuidelijke Nederlanden 
waren voor onzen Staat toch altijd een voormuur, die de Fransche 
wapenmacht belette om met haar volle geweld op ons neer te 
komen; Monterey wist met bekwaamheid en met zelfopoffering 
de legermacht van Willem III te versterken door zijne Spaansche 
krijgsbenden, die, zeker, niet meer de soldaten waren van Alva 
en Parma, maar waarbij toch somtijds de herinnering aan den 
aiouden wapenroem, enkele opflikkeringen van heldengeest deed 
ontwaren. — Den i9cn October 1673 volgde er eindelijk eene 
oorlogsverklaring van Frankrijk aan Spanje; de wettelijke erken- 
ning van een toestand die reeds lang had bestaan. 

Duitschland was toen, wat het nog in onze dagen is geweest, 
de draak met honderd hoofden : eenheid en krachtdadigheid van 
handeling moest men daar niet zoeken: te meer niet, omdat de 
bekwame staatslieden waarover Lodewijk XIV kon beschikken 
— en waaraan hij, mogelijk evenzeer als aan zijn groote leger- 
hoofden, het overwicht had te danken dat hij in Europa uit- 
oefende — , door allerlei middelen, door kuiperijen en omkoopingen, 
verschillende Duitsche vorsten tot Frankrijk's belangen hadden 
weten over te halen, en zelfs aanhangers te winnen onder de ver- 
trouwdste raadslieden van den Keizer. Daaraan was dan ook toe 
te schrijven het geheel onbeduidende aandeel door het Keizerlijke 
leger aan den veldtocht van 1672 genomen; — onder de leiding 
van een uitstekend veldheer is in 1673 ^^* aandeel verreweg ge- 
wichtiger geweest 

De Duitsche vorst, die in 1672 het eerst optrad als bondge- 
noot van de Republiek, was ook de eerste die weer de wapenen 
nederlegde: den locn April 1673 werd de vrede gesloten tus- 
schen Frankrijk en den keurvorst van Brandenburg. Grootendeels 
had Frankrijk dit voordeel te danken aan de stoute handelingen 
van Turenne, die, na eerst in het najaar van 167a de Duitsche 
legers te hebben belet den Rijn te naderen, zelf, in Maart 
1673, naar de Wezer was vooruitgerukt en de vijandelijke legers 
had doen teruggaan, het Brandenburgsche naar de zijde van 
Halberstadt, het Keizerlijke naar Frankenland. De Keurvorst, 
ziende dat hij, wel verre van Holland te bevrijden en op den 
linker Rijnoever Frankrijk te beoorlogen, zelf, in zijn eigen Staten, 



Digitized by 



Google 



KRUGSTOERUSTINGEN. 233 

bedreigd werd, haastte zich den oorlog te eindigen, die hem 
noch roem, noch voordeel aanbracht. 

Die uitkomst was ten hoogste roemrijk voor Turenne: had 
hij de voorschriften van het Fransche hof opgevolgd, was hij ter 
verdediging van den Rijn op den linkeroever teruggegaan, dan 
had dit mogelijk den overtocht van dien stroom en 's vijands 
inval in Frankrijk toch niet verhinderd, en zeker was daardoor 
de bisschop van Munster gedwongen geworden de zijde van 
Frankrijk te verlaten. Turenne kiest de veel stoutere partij om 
op den rechteroever van den Rijn te blijven; die stroom en de 
Fransche grenzen worden daardoor even goed beschermd; Mun- 
ster wordt voor het bondgenootschap met Frankrijk behouden, de 
Fransche wapenen tot aan de Wezer uitgebreid en daardoor één 
van de vijanden van Lodewijk XIV gedwongen vrede te sluiten. 
Als veldheer ontwikkelde Turenne bekwaamheden, die zijner 
tegenstanders verre overtreffende. 



Door de wederzijdsche partijen werden gedurende den winter 
de krijgstoerustingen met kracht voortgezet Engeland zou, be- 
halve met zijne sterke zeemacht^ ook met een leger deelnemen 
aan den oorlog; dit leger, bij de 20000 man sterk, was in de 
zuidoostelijke havens en nabij den Theems vereenigd, gereed om 
ingescheept en op het een of ander punt der HoUandsche of 
Zeeuwsche kust aan wal te worden gezet, wanneer, door het ver- 
slaan van De Ruyter's vloot, de Noordzee in de macht der 
Britten zoude zijn. Bovendien zou eene afdeeling van 8000 En- 
gelschen, onder Monmouth, een basterdzoon des Konings, naar 
Frankrijk overgaan, om zich daar te voegen bij de legers van 
Lodewijk XIV. 

De Fransche legers werden door alle mogelijke middelen versterkt 
en voltallig gemaakt; en juist die middelen toonen aan, hoe 
moeielijk het toen was, zelfs voor de grootste monarchie, om 
spoedig eene groote uitbreiding aan hare strijdkrachten te geven ; 
en hoe die moeielijkheid, meer dan iets anders, de oorlogen van 
die dagen onbeslissend en slepend moest maken. 

Men wilde 30 nieuwe regimenten ruiterij en 50 nieuwe regi- 
menten voetvolk oprichten. Men opende wervingen op alle punten, 
men gaf bijzondere voorrechten aan hen die in den krijgsdienst 
traden, men beloofde zelfs straffeloosheid aan de terugkeerende 
overloopers. Van Sardinië nam men een 4000 man afgedankte 
troepen over, van Genua 2000, van Engeland een 8000 man, 
van de Zwitsersche kantons een groot aantal; en zoo bracht 
men de legermacht op eene sterkte, die, volgens de waarschijnlijk 
niet overdreven opgave van een onzer schrijvers (Valckenier), 
140000 man voetvolk en 40000 ruiters uitmaakte; —is dit zoo, 



Digitized by 



Google 



234 KRIJGS- EN GESCHMDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

dan waren de in den vorigen veldtocht geleden verliezen reeds 
meer dan hersteld. 

Drie legers wilde men samenstellen uit die krijgsmacht: het 
eerste, volgens De Quincy een 40 000 man sterk, zou, onder per- 
soonlijke aanvoering van koning Lodewijk, in Vlaanderen en 
Braband werkzaam zijn; het tweede, de krijgsmacht in Hollands 
vroeger door Luxembourg aangevoerd, kwam nu onder het bevel 
van Condé; het derde, onder Turenne, moest aan den boven- 
Rijn werkzaam wezen. — Bovendien had de bisschop van Mun- 
ster, ondersteund door eenige Keulsche troepen en door 45 com- 
pagnieën Fransche ruiterij, in Overijsel weer eene afdeeling van 
bij de 8000 man bijeengebracht. 

Bij de oorlogstoerustingen van Frankrijk worden ook de maat- 
regelen vermeld, die het nam betreffende de in Holland ver- 
overde vestingen. Een aantal dier vestingen, die men als onnoodig 
of te onbeduidend beschouwde, werden ontruimd, ontwapend, zoo- 
veel mogelijk geslecht; — zoo deed men met Doesburg, Wijk- 
bij-Duurstede, Crèvecoeur, de Voornerschans, Engelen, Orsoy, 
Burik, Emmerik, het Huis te Gennip, Ravestein en Deutekom. 
Bij andere plaatsen daarentegen, zooals te Arnhem, Nijmegen, 
Naarden en Utrecht, werden de vestingwerken verbeterd en uit- 
gebreid. 

Niettegenstaande deze meerdere samentrekking van de Fransche 
strijdkrachten in Holland, waren die strijdkrachten daar nog veel 
te veel versnipperd door het groot aantal sterke steden dat zi) 
bezet moesten houden; en Condé klaagt in zijne brieven, »dat 
hij, om 14 zwakke bataljons te vereenigen^ verscheiden plaatsen 
bijna onbezet moet laten.'* Denkelijk werd die klacht geuit vóór 
Juni, kort vóór de inneming van Maastricht, toen de veld- 
tocht reeds eenigen tijd had geduurd en de Fransche macht in 
Holland nog niet was vergroot door de later van het leger van 
Lodewijk XIV daarheen gezonden versterkingen. Die bijzonder- 
heid wordt hier aangehaald, omdat zij een juist inzicht kan geven 
in de oorlogvoering van die tijden: de grootste en machtigste 
monarchie van Europa heeft alle inspanning noodig, om een 
krijgsmacht van nog geen tweemaal honderd duizend man op 
de been te brengen ; en van die krijgsmacht wordt zooveel weg- 
genomen door de vestingen, dat didr waar men den werkzaam- 
sten en geduchtsten vijand heeft te bestrijden, het soms moeite 
kost om een leger van 12 a 15000 man te vereenigen. 

Wat bij Rousset voorkomt over de Fransche legers van 1673, 
komt tamelijk wel overeen met de hier vermelde opgaven. In de 
Histoire de Louvois (i' deel, blz. 427 — 430) leest men onder andere 
het volgende: 

iNog was de veldtocht van 1672 niet geëindigd toen Louvois 



Digitized by 



Google 



KRIJGSTOERUSTINGEN. 235 

reeds zijne beschikkingen nam, en, om het zoo eens uit te druk- 
ken, zijn oorlogsbegrooting opmaakte voor den volgenden veld- 
tocht. Hij rekende er op, tegen het voorjaar beschikbaar te 
hebben 96 000 man voetvolk en 28 000 ruiters. Na daarvan afge- 
nomen te hebben 8000 man voor Roussillon, 1000 voor de be- 
zetting van Pignerol en 7000 voor Lotharingen, bleef hem nog 
eene macht van 108000 man over, te verdeelen over Holland, 
Duitschland en de Spaansche Nederlanden . . ." 

...>De Koning had pas zijn traktaat vernieuwd met den keur- 
vorst van Keulen en een ander gesloten met den keurvorst van 
Beieren; ook was men bezig met onderhandelingen over een 
derde traktaat met den hertog van Hannover. Dit kon ongeveer 
een 30000 man hulptroepen opleveren, maar waarop men niet 
veel mocht rekenen..." 

Over de verdeeling van die 108000 man Fransche troepen 
worden Turenne en Condé geraadpleegd, die het daarover niet 
geheel eens zijn; eindelijk wordt het volgende bepaald: 

...»Men wilde 30000 man aan den Rijn hebben, 30000 op de 
grenzen van Vlaanderen en 48000 in Holland; van de laatste 
moesten 25000 man het leger te velde uitmaken, en was het 
overige bestemd om sterke bezettingen te geven voor de steden 
aan de Maas, den IJsel en den Waal. De steden aan de Zuider- 
zee moesten meerendeels worden ontruimd en ontmanteld." 

Dit laatste is minder juist. Het waren niet i steden aan de Zui- 
derzee" die toen door de Franschen werden ontruimd; maar wel 
andere plaatsen die men als onnoodig of te onbeduidend be- 
schouwde. 

Voor het overige geven die cijfers bij Rousset wel stof tot 
eenige aanmerkingen. Het is zeer duidelijk, dat er behalve die 
»8ooo man voor Roussillon, 1000 voor de bezetting van Pigne- 
rol en 7000 voor Lotharingen", toch ook nog troepen moeten 
geweest zijn voor het bezetten van Frankrijk's vestingen; zoodat 
daar er 108000 man te velde werd gebracht, de geheele sterkte 
van Frankrijk's leger in 1673 ™cer moet zijn geweest dan 
» 96 000 man voetvolk en 28000 ruiters." Rousset doet hier, 
zooals de Franschen nogal dikwijls doen, als het cijfers betreft: 
hij geeft zijne cijfers d'une maniere large^ waarbij men niet streng 
moet letten op juistheid en nauwkeurigheid. Er is dus grond 
voor, de opgave van onze schrijvers als waar aan te nemen, 
dat de geheele sterkte van Frankrijk's legermacht in 1673 heeft 
bedragen 140000 man voetvolk en 40000 ruiters. 

Het op de been brengen en onderhouden van eene voor dien 
tijd zoo sterke legermacht bracht noodwendig geldelijke bezwaren 
mede; het maakte nieuwe belastingen noodig, die herhaaldelijk 
onlusten en oproeren deden ontstaan. Toch was het niet Frankrijk 



Digitized by 



Google 



236 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

alleen, dat den oorlog betaalde: die werd ook voor een deel be- 
taald met de afpersingen die de Franschen in Holland deden. Om 
een denkbeeld te geven, hoe toen in de door den vijand beiette 
gewesten van de Republiek werd gehandeld, ontleenen wij aan- 
halingen, niet aan ónze schrijvers — die men van overdrijving 
kan verdenken — maar aan den Franschman Rousset, wiens 
onpartijdigheid, over het geheel, hoogen lof verdient. In het 
eerste deel van zijn werk (blz. 435) komt het volgende voor: 

» Nooit en nergens ter wereld, in welken tijd en onder welke 
regeering het ook zij, heeft de geest van fiskaliteit meer over- 
maat van list en van stoutheid ten toon gespreid. De intendant 
Robert is waarlijk een toonbeeld, en Luxembourg kan hem niet 
genoeg bewonderen: > Robert," schrijft hij, • is rusteloos bezig 
Xfnit Ie diahle d> quatre); bij zijn verbeurdverklaringen verkoopt 
hij voor groote sommen slechte meubelen, waarvoor ik geen 
stuiver zou willen geven ; ik geloof zelfs dat hij van de Staten 
geld zal weten te halen, wat mij even rooeielijk voorkomt als 
olie te slaan uit een muur." — Er bestaan eenige staaltjes van 
die verwonderlijke bekwaamheid. Ontleenen wij die aan de Hol- 
landsche schotschriften? — in geenen deele; wij ontleenen die 
aan de briefwisseling van Robert zelf; en wij geven de verzeke- 
ring, dat dezelfde feiten zich nog minder hatelijk en stuitend 
voordoen in het hartstochtelijke verhaal van het verontwaardigde 
schotschrift dan in het eenvoudig verslag van hem die ze pleegt." 

Daarop laat Rousset eene uitvoerige opgave volgen van bijzon- 
derheden over die geldafpersingen van Robert, en voegt daarbij 
(blz. 411): 

>Hoe is, het mogelijk dat Louvois niet eenig mededoogen ge- 
voelde voor dat ongelukkige Holland, waar zulk een massa 
menschen was gestorven en waar millioenen stuks vee door het 
water werden aangespoeld." — Het is Luxembourg die zóó den 
toestand afschildert; — maar Luxembourg vindt daarin alleen 
aanleiding tot spotternij... en Louvois antwoordde hem op ge- 
lijken toon... Louvois, Luxembourg en Robert waren voor 
elkander geschapen" (blz. 442). 

Fransche officieren — onder anderen Stouppa — zijn veront- 
waardigd over wat in Holland gebeurt; zij brengen daarover 
klachten in tot aan het hof van Lodewijk XIV, tot in Parijs. 
Potsierlijk is Luxembourg's verontwaardiging daarover (Rousset 
i« deel, blz. 443—444): 

»Er zijn groote canailles in ons midden," riep Luxembourg. 
Vergis u niet: Luxembourg doelde hiermede niet op de schurken, 
maar op hen die de schurken bestreden en die zijne eigene hande- 
lingen veroordeelden. Die canailles had men zelfs aan het hof, zelfs 
in de anti-chambre van Louvois, zelfs in de vertrekken van Lode- 
wijk XIV; de bisschop van Utrecht had ze daar gezien, bij een 



Digitized by 



Google 



KRUGSTOERUSTINGCN. 237 

reis die hij dien winter deed naar Saint-Germain. Eenige edellieden 
hadden hem een bezoek gebracht in zijn herberg y^d rimage de 
notre Damé'\ en hadden toen den jammerlijken toestand van zijne 
provincie beklaagd, en met verfoeiing gesproken van het geweld 
waaraan zij ter prooi was; een hunner was zelfs zóó ver gegaan 
in zijne veroordeeling van de handelingen der Franschen, dai de 
eenvoudige bisschop, toen hij te Utrecht terug was, op naïeve wijze 
aan Luxembourg zeide: »in Frankrijk spreekt men vrijuit, en 
iedereen zegt daar zijne meening." Louvois had gaarne die men- 
schen willen kennen: Luxembourg ook: iwat mij betreft," zeide 
hij, tik weet niet, waartoe ik niet in ^taat zou zijn, tegen zulk 
canaille." Maar de Bisschop kon of wilde geen namen noemen; 
hetzij uit voorzichtigheid, hetzij omdat hij werkelijk niet wist, 
wie die onbekende vrienden van Holland waren. Maar voor ons 
is het belangrijk om te weten en in het licht te stellen, dat er, 
zelfs toen Lodewijk*s regeering ten toppunt van luister was, aan 
het hof een soort van oppositie bestond en zekere vrijheid van 
spreken." 

Luxembourg verlaat Holland in het voorjaar van 1673; en de 
Fransche Alva wordt daar in het opperbevel vervangen door 
den Prins van Condé. Hebben wij daar veel bij gewonnen? Het 
was zeer tegen zijn zin, dat Condé opperbevelhebber werd in 
Holland; daar waren geen groote veldslagen te leveren; en 
bovendien, wat hij in Holland zag, bedroefde hem, — zooals 
men bij Rousset leest (i* deel, blz. 448): 

»Maar wat hem vooral bedroefde, dat was de jammerlijke toe- 
stand des lands. Condé, die ongetwijfeld te midden van een 
veldslag, in zijn vuur en drift, een menschenleven niet hoog 
schatte, was, buiten den strijd, zeer menschelijk gezind. Hij 
voerde een geheel andere taal tegen Louvois, dan die van 
den intendant Robert of van den hertog De Luxembourg. »Ik 
kan niet nalaten u te melden," — zoo schreef hij hem — dat ik 
hier de gezindheid van het volk geheel anders heb gevonden 
dan ten vorigen jare; het is tot wanhoop gebracht door de 
ondragelijke lasten die men het dagelijks oplegt. Het komt mij 
voor dat het voordeel dat dit geeft boven hetgene men door zacht- 
heid zou verkregen hebben, zeer luttel is, volstrekt niet waard 
de woedende haat die men daardoor opwekt. Ik weet niet of 
het wel in 's Konings belang is, op dien voet voort te gaan." 

Maar Louvois gelast hem op dien voet voort te gaan: 

(Blz. 449). iDe Koning" -^ antwoordde hij — > weet zeer goed, 
dat toen hij, door herhaalde bevelen, den heer Robert aanschreef 
om de Hollanders belastingen op te leggen, zij daardoor niet 
vroolijk zouden worden gestemd of dat dit bij hen den wensch 
zou doen oprijzen, om onder 's Konings heerschappij te blijven ; 



Digitized by 



Google 



238 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

maar Zijne Majesteit oordeelt^ dat het geld meer waarde heeft 
dan hunne goedgezindheid, en dat het bovendien zeer nuttig is<, 
om in Holland het misnoegen op te wekken van al die men- 
schen die hunne bezittingen kwijt raken. Daarom verlangt Zijne 
Majesteit, dat er op dezelfde wijze voortgegaan worde als men 
tot nu toe heeft gedaan; en zij verzoekt Uwe Hoogheid, om 
tegen hen, die vertoogen dienaangaande bij u komen inbrengen, 
even ruw en onverbiddelijk te zijn, als gij dit weinig zoudt 
wezen, volgdet gij maar uw aangeboren aard. Zijne Majesteit 
acht het dienstig, dat gij voortgaat met te doen afbranden, zoo- 
veel gij maar kunt; opdat de Hollanders geen verzachting hoe- 
genaamd ondervinden. Al deed Uwe Hoogheid in dezen veldtocht 
niets anders dan de Hollanders te noodzaken om hunne dijken 
doorgestoken te houden en het zeewater over hun land te laten 
loopen, dan zou dit reeds een groot voordeel zijn, daar het dan 
geen twee maanden zal duren of zij zullen onfeilbaar gedwongen 
zijn vrede te sluiten, op de voorwaarden die wij zullen willen." 

Cynieker taal is wel moeielijk te bedenken; maar Condé onder- 
werpt zich daaraan. 

Na zulke stellige en wreede bevelen te hebben ontvangen, ging 
Condé, om zijn geweten gerust te stellen, nog over tot een laatst 
protest; maar voegde er dan op droeven toon bij: » omdat gij 
het zoo wilt, zal ik dan toch maar een stalen voorhoofd toonen, 
en zoo onmeêdoogend zijn als het maar kan.*' (Brieven van den 
5en en van den 8sten Mei 1673). 

Overgaande tot de vermelding van de strijdkrachten der andere 
partij, zal hier in hoofdzaak alleen gewaagd worden van wat be- 
trekking heeft op onze verdedigingsmiddelen te lande; voor de 
sterkte en samenstelling der vloot kan verwezen worden naar 
Brandt's: Leven van De Ruyter. Van de legers onzer bond- 
genooten behoeft alleen te worden gezegd : dat Spanje de steden 
en vestingen der Zuidelijke Nederlanden bezet hield, en som- 
wijlen eene legerafdeeling van een 15000 man, of daaromstreeks, 
daaruit nam en deed aansluiten bij de Hollandsche krijgsmacht; 
en dat het Keizerlijke leger, dat in Duitschland tegenover Turenne 
stond, eene afwisselende sterkte had, die 25000 tot 35000 man 
bedroeg. 

Gedurende den winter waren bij de Republiek de wervingen 
voor het leger onafgebroken voortgezet, voornamelijk in Duitsch- 
land. Men had het besluit genomen om, buitenslands, 6 nieuwe 
regimenten infanterie aan te werven, ieder van 12 of, volgens 
andere opgaven, van 14 compagnieën, elke compagnie van 89 
man. Die nieuwe korpsen moesten vóór half April in Holland 
zijn. Bovendien werden er nog 4 andere regimenten binnenslands 



Digitized by 



Google 



KRIJGSTOERUSTINGKN. 239 

opgericht en de reeds bestaande zooveel mogelijk voltallig ge- 
maakt; — in Juni 1673 werd een nieuw regiment opgericht van 
de overgeloopen Fransche soldaten. Wanneer alles voltallig was 
en alle nieuwe regimenten waren aangekomen, dan zou — vol- 
gens Valckenier — , de landmacht van de Republiek sterk zijn: 
76000 man infanterie, 13942 ruiters en 2000 dragonders. 

Dat die landmacht in 1673 ^^^^ ^^ sterkte heeft bereikt, is 
echter zeer onwaarschijnlijk, daar uit alles blijkt, dat de wer- 
vingen niet die uitbreiding verkregen hebben, welke men daaraan 
wilde geven. De monsteringen, die van tijd tot tijd plaats had- 
den, leverden telkens de bewijzen op van bedrog en misleiding 
ten opzichte der ware sterkte der regimenten, van eene oneer- 
lijkheid die wij heden ten dage moeielijk kunnen begrijpen 
en die ons een ongunstig denkbeeld geeft van de toenmalige 
officieren. Het schandelijke misbruik, van meer soldaten op te 
geven dan er werkelijk aanwezig zijn en de daarvoor door de 
regeering betaalde gelden zichzelf toe te eigenen, schijnt toen 
zóó algemeen en zóó diep ingeworteld te zijn geweest, dat men 
het ieder oogenblik noodig achtte, bepalingen daartegen te 
maken; dat men zelfs soms met het kwaad in onderhandeling 
trad: onder andere werd bij plakkaat van den 2 7 sten Augustus 
1673 vastgesteld, dat elke compagnie infanterie, die voor 89 man 
werd goedgedaan, 70 man moest sterk zijn, en elke compagnie 
ruiterij, die voor 80 paarden werd goedgedaan, er 57 moest 
hebben. Gedurig vindt men bij onze schrijvers van dien tijd 
bijzonderheden over die zoogenaamde mortepaaien of passevolan- 
ten: menschen die men, voor eenig geld, bij eene monstering als 
soldaten deed optreden, om het ontbrekende getal aan te vullen. 
De ontdekking van zulk een bedrog had wel is waar zware 
straffen ten gevolge; maar juist dat het zoo dikwijls ontdekt 
werd, bewijst dat het zeer algemeen werd gepleegd. Zij, die zich 
bij eene monstering valschelijk als soldaten voordeden, werden, 
was dit bedrog ontdekt, tot straf gedurende eenige jaren tot den 
krijgsdienst gedwongen; soms werden geheele regimenten weer 
ontbonden, omdat men ontdekte dat de wezenlijke sterkte verre 
beneden de voorgeschrevene was gebleven; officieren, bevelheb- 
bers van compagnieën, kolonels van regimenten werden om 
zulk een ontrouw gestraft met cassatie, met gevangenis, geld- 
boete, soms met den dood door beulshanden; zoo werd, onder 
andere in 1673 een kolonel, een Brabandsch edelman, wegens 
veelvuldige ontrouw in de administratie met het zwaard gestraft. 

Om die redenen kan men dus als waarschijnlijk aannemen, 
dat het Hollandsche leger in 1673 op lange na niet die sterkte 
heeft verkregen, die het volgens Valckenier moest verkrijgen. 
Maar men moet daarbij in aanmerking nemen, dat, buiten dit 



Digitized by 



Google 



240 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

leger, ook nog de schutterijen en de geheele weerbare bevol- 
king konden worden aangewend tot verdediging des lands. De 
schutterijen van de meest bedreigde steden bleven daar; die 
der overige plaatsen begaven zich naar de uiterste liniën. Zoo 
leest raen dat in Februari 1673 uit Den Haag 3 compagnieën 
burgers, ieder van 150 man, uit Delft 4 compagnieën, ieder van 
120 man, evenzoo schutterijen uit Rotterdam, Dordt, Leiden^ 
Haarlem en andere plaatsen naar de HoUandsche waterlinie trok- 
ken; dat de schutterijen uit Noord-Holland in bezetting kwamen 
te Amsterdam, en schutterij uit laatstgenoemde stad zich te Mui- 
den en te Weesp plaatste. Evenzoo vmdt men vermeld, dat toen 
Holland gedurende den winter van 1672 — 1673 met een inval 
van Luxembourg werd bedreigd, overal de vierde man onder 
de wapens was geroepen ; zulk een algemeene volkswapening vindt 
men ook aangewend door Rabenhaupt in Groningen; die volks- 
wapening, die in Groningen de tiende man was, diende dan 
hoofdzakelijk om de bezetting der versterkte punten te vermeer- 
deren; en ieder man ontving daarvoor tdes weeks drie Hol- 
landsche guldens." 

Gelijktijdig met de uitbreiding van het leger, had raen er ook 
voor gezorgd, verbetering en uitbreiding te geven aan de ver- 
sterkingen en verdedigingslijnen, waardoor men kon hopen het 
verder doordringen van den vijand te beletten. 

Naar Friesland en Groningen werd, op het einde van April 
1673, als opperbevelhebber gezonden graaf Maurits van Nassau; 
om daardoor meer eenheid te brengen in de krijgsverrichtingen, 
daar tusschen Aylva en Rabenhaupt — de beide bevelhebbers 
in Friesland en Groningen — niet de beste overeenstemming 
schijnt te hebben bestaan. De nieuwe opperbevelhebber nam 
dadelijk de geschiktste maatregelen, om een inval te wederstaan 
van de Munsterschen, die naar men vreesde weldra versterkt zou- 
den worden door Turenne's leger. Het pas vermeesterde Coevorden 
was door Rabenhaupt reeds voorzien van de noodige bezetting^ 
en van eenige maanden leeftocht ; het had dus weinig te duchten 
van eene insluiting door den vijand. Evenzoo werd de Bourtange 
verzekerd, het hooge land bij Helpen afgegraven om de verde- 
diging van Groningen niet hinderlijk te zijn, en het geheele ge- 
west van dien naam, door het stellen van de onderwaterzettingen^ 
gewaarborgd tegen eiken vijandelijken inval. 

De krijgsmacht in Friesland werd versterkt door de komst van 
het regiment van Bamphield en van een aantal compagnieën 
ruiterij. Te Heerenveen werd een groote schans opgeworpen en 
de verschillende toegangen tot Friesland zooveel mogelijk door 
versterkingen afgesloten. Die verschanste linie begon aan de Zui- 
derzee, aan de Kuinder; hier had men, door het afdammen van 



Digitized by 



Google 



KRIJGSTOERUSTINGEN. 24 1 

het riviertje de Linde, een onderwaterzetting gemaakt. De linie 
liep van de Kuinder over Slijkenburg, het Oude Veer en het 
Oude Verlaat naar de Blesbrug, altijd de Linde volgende. Van 
de Blesbrug ging zij in noordelijke richting naar het riviertje de 
Kuinder, naar de verschanste Schooterbrug ; de ruimte tusschen 
de Linde en de Kuinder werd nog afgesloten door eene schans 
te Borkaf of Beekhof. Van de Schooterbrug liep de linie, over 
de Bunsterschans, op Gorredijk, en van daar verder over de 
schansen bij Breeberg en den Zwartendijk, waar zij tegen de 
Groningsche linie aansloot. 

Dus was, zooals dit bij ónze schrijvers voorkomt, de richting 
van de versterkte linie, die in 1673 Friesland dekte; volgens de 
opgaven van die schrijvers waren de hier opgenoemde punten 
van die linie alle behoorlijk voorzien en volkomen versterkt. 
Maar, in hoever die verschillende punten onderling goed waren 
verbonden; in hoever zij, door onderwaterzetiingen, tegen om- 
trekkingen waren beveiligd ; in hoever, onder anderen, het hooge 
terrein aan weerszijden van de schans bij Breeberg goed voor 
verdediging vatbaar was; dit wordt niet gezegd, daaromtrent 
laten die schrijvers ons onkundig. Het is dus moeielijk om met 
juistheid te oordeelen over de meerdere of mindere sterkte van 
die Friesche linie. 

Evenals bij de noordoostelijke gewesten, werd ook onvermoeid 
gearbeid aan het versterken van de Hollandsche grenzen. Niet 
alleen de verschillende plaatsen aan die grenzen gelegen, maar 
zelfs de binnensteden werden zooveel mogelijk in staat van ver- 
dediging gebracht; zoo leest men onder andere dat 's Graven- 
hage gedurende dezen winter met eene palissadeering werd om- 
geven, waartoe men de boomen van de Koekamp gebruikte; 
soortgelijke voorzorgen nam men ook bij andere binnensteden. 
De Hollandsche waterlinie verkreeg dag aan dag grooter sterkte; 
Muiden en Weesp werden tot sterke vestingen gemaakt, de 
posten langs de Vecht gedurig meer bevestigd, te Nieuwersluis 
in Mei 1673 ^^^ schans opgeworpen, de forten bij de Nieuwerbrug 
hersteld, en door het bevestigen van Alphen en van den post aan 
de Goudsche Sluis, dit gedeelte der linie zóó sterk gemaakt, dat 
men daar — volgens de uitdrukking van een onzer schrijvers — 
>met een paar duizend man een leger van honderd duizend zou 
kunnen afwijzen." Gorkum, Schoonhoven, Gouda en Oudewater, 
werden evenzoo van nieuwe verdedigingsmiddelen voorzien. In 
de maand April deed de veldmaarschalk Wirtz een inspectie- 
reis langs de geheele Hollandsche linie en vond haar toen in 
den besten en geduchtsten toestand. 

Toen de volgende maand ook Nieuwersluis bezet en ver- 
schanst werd, bestond de waterlinie uit de volgende punten: 

WILLEM III. — I. 16 

Digitized by VjOOQIC 



242 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

Muiden, Weesp, de Uitermeersche Sluis, de Hinderdam, Kronen- 
burg, Nieuwersluis ; hier verliet de linie den Vechtstroom en 
wendde zich over Wilnis, den Uithoorn en het Woerdensche Ver- 
laat naar den Rijn, naar de Nieuwerbrug; de andere posten 
waren ; Oudewater, Gouda, Schoonhoven, Nieuwpoort en Gorkum ; 
door Loevestein had men een vast punt in de Bommelerwaard; 
door Woudrichem was men in verband met Noord- Braband. — 
De Hollandsche linie kon, zoodra de winter had opgehouden, 
beschouwd worden als onaanvalbaar. 

De zeeplaatsen waren evenzoo met den meesten ijver in staat 
van verdediging gebracht, om eene mogelijke landing van den 
vijand te kunnen weerstaan; vooral had men die voorzorgen ge- 
nomen voor de provincie Zeeland, waarvan het zuidelijk gedeelte 
— Staats-Vlaanderen — ook blootstond aan de invallen van 
de Fransche legermacht. De verschillende versterkte punten, die 
zich toen in zoo grooten getale bevonden op die smalle strook 
gronds ten zuiden van de Wester-Schelde, waren genoegzaam 
bezet, voorzien van krijgsvoorraad en levensmiddelen en daar- 
door moeielijk aan te vallen. In April 1673, toen het gevaar 
van eene landing van het Engelsche leger in Zeeland meer 
dreigend werd, zond men Wirtz met 6 regimenten infanterie en 
kavalerie daarheen; die bevelhebber trok later, in Staats-Vlaan- 
deren, eene macht bijeen van een 8000 man, waarbij zich een 
duizend man Spaansche troepen aansloten. 

Van Noord-Braband was het grootste gedeelte in het bezit 
van de Republiek gebleven; eigenlijk had de vijand daar geen 
andere vesting dan het sterke Grave; daar — zooals vroeger is 
gezegd — Ravestein, Crèvecoeur en Engelen wijselijk door de 
Franschen werden ontruimd. De verschillende vestingen, door het 
Hollandsche leger bezet, waren niet meer in den verwaarloosden 
toestand, waarin zij bij het uitbreken van den oorlog verkeerden ; 
integendeel, zij waren nu in staat om langen tijd het hoofd te 
bieden aan sterke vijandelijke legers. Er wordt gewaagd van 
onderwaterzettingen in de nabijheid van *s Hertogenbosch ; maar 
voor het overige blijkt niet, dat toen die inundatiën werden 
aangewend, die in latere dagen de Noord-Brabandsche water- 
linie zijn genoemd. Altijd de gemeenschap open houdende met 
Holland en Zeeland, was het gedeelte van Noord-Braband dat 
de Republiek in bezit had, van zeer hoog belang, omdat het 
gemakkelijk was te verdedigen en omdat Willem III déër het 
Hollandsche leger kon bijeentrekken, als hij aan vallen derwijze 
wilde doordringen in de Spaansche Nederlanden. — Maastricht 
en Venlo waren nog altijd in het bezit van de Republiek en 
genoegzaam bezet en voorzien; maar door den toestand van de 



Digitized by 



Google 



KRUGSVERRICHTINGEN IN DE N.0. PROVINCIËN. 243 

oorlogvoerende partijen zoo goed als geheel afgesneden en over- 
gelaten aan eigen krachten. 

Ziedaar den toestand, waarin zich de verdedigingsmiddelen van 
Holland bevonden bij den aanvang van het jaar 1673; die toe- 
stand was van dien aard, dat men met grond kon hopen, een 
goede verdediging te zullen voeren. Daartoe wilde Willem III 
zich dan ook bepalen, — ten minste in de eerste maanden van 
het jaar; hij wilde eerst afwachten wat de vijand zou onder- 
nemen, waarheen die legermacht zou trekken die Lodewijk XIV 
aan de noordelijke grenzen van Frankrijk verzamelde, wat er 
zou worden van de door den vijand beoogde landing in Hol- 
land of Zeeland. Eerst wanneer het gevaar van die landing was 
afgewend, eerst wanneer men bekend was met hetgeen het leger 
van den Franschen Koning wilde ondernemen, eerst ddn wilde 
de Stadhouder tot den aanval overgaan; — tot op dien tijd zou 
hij den oorlog verdedigend blijven voeren. 



Het Fransche leger in Holland had den Munsterschen bisschop 
als hulp bij zijne operatiën; maar de tegenspoeden, door dien 
vorst het vorige jaar ondervonden, hadden zijne macht zoozeer 
geknakt, dat Luxembourg en Condé geen krachtdadigen steun 
van zijne zijde ondervonden. De krijgsverrichtingen in de noord- 
oostelijke gewesten van ons land waren dan ook niet van be- 
langrijken aard. 

Coevorden, op het einde van 1672 door de Hollanders ver- 
oaeesterd, was dadelijk van eene bezetting voorzien, sterk ge- 
noeg om elke poging te verijdelen, die de Munsterschen waar- 
schijnlijk zouden beproeven om de verlorene vesting te her- 
nemen. Er hadden verschillende kleine gevechten plaats in de 
omstreken van Coevorden; deels ontstaande door de aanslagen 
van de Munsterschen op de daarheen uit Groningen gezonden 
konvooien; deels door de wederzijdsche strooperijen en aanvallen 
op verschillende kleine versterkte posten; — zoo werd, in de 
maand Mei, het huis te Gramsbergen, tusschen Coevorden en 
Hardenberg, door de Bisschoppelijke troepen vermeesterd. De 
inneming van dien, door slechts 36 man bezetten post was op 
zich zelve een gebeurtenis zonder eenig belang; maar de Mun- 
stersche bisschop trok daarvan partij, om de herneming van 
Coevorden te beproeven. Die vesting te belegeren of te doen uit- 
hongeren, meende hij, zou moeielijk gaan; maar hij wilde haar 
door watersnood tot de overgave dwingen: hij wilde de Vecht 
afdammen en door het wassende water Coevorden met een wis- 
sen ondergang bedreigen, wanneer het zich niet wilde overgeven. 
Met dat inzicht werd, tusschen Gramsbergen en het dorp Ane, 



Digitized by 



Google 



244 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

een dam door de Vecht aangelegd, die gedurig verlengd, ver- 
breed en verhoogd, eindelijk eene lengte verkreeg van bij de 
2 mijlen, eene breedte van 15 ^ 18 el en eene hoogte van 4 a 

5 el. Die dam werd door een aantal schansen verzekerd, goed 
bezet en met een 60 stukken geschut bewapend. 

Weldra bracht het afgedamde water, vermeerderd door zware 
regens, de vesting Coevorden in groote ongelegenheid. Het water, 
steeds hooger wordende, kwam gedurende den zomer tot in de 
straten der stad, zoodat men den in de magazijnen aanwezigen 
voorraad op de zolders moest bergen. Eijbergen, de bevelhebber 
der vesting, dien treurigen toestand van zaken aan Rabenhaupt 
meldende, verzocht te meer om hulp, omdat er bericht was 
ingekomen, dat de Munstersche bisschop een groot aantal schui- 
ten had vereenigd, — 400, zegt eene der opgavcfn; maar het 
getal is wat te groot om waarschijnlijk te zijn: vierhonderd 
schuiten in Drente! — om daarmede een aanval op Coevorden 
te beproeven. 

Gedurende dien tijd hadden er, aan de zijde van Friesland, 
onbeduidende bewegingen en gevechten plaats. Hautain, een der 
onderbevelhebbers van den Munsterschen bisschop, kwam meer 
dan éénmaal de posten van de Friezen — vooral naar de zijde 
van de Blesbrug — verontrusten; wat dan aanleiding gaf tot 
schermutselingen. Den 2en Juli bad er, nabij Staphorst, een vrij 
ernstig kavalerie-gevecht plaats. Graaf Maurits, al de ruiterij van 
Friesland vereenigd hebbende, — hoeveel dit was, wordt niet 
gezegd — voegde daarbij 8 compagnieën ruiters uit Groningen, 

6 compagnieën dragonders van den overste Brant, 400 muske- 
tiers en 4 veldstukken van 12 %* en marcheerde met die ver- 
eenigde macht — de musketiers werden op wagens vervoerd — 
op Staphorst; hier ontmoette hij den Munsterschen generaal Post, 
aan het hoofd van 3 regimenten ruiterij en i regiment dragon- 
ders; de Munsterschen werden geslagen en verloren nagenoeg 
honderd man, terwijl hun aanvoerder, zwaar gewond, in handen 
van de overwinnaars viel. 

Bij dit gevecht, — waaraan behalve graaf Maurits verschil- 
lende bevelhebbers, Aylva, Obdam, Van Haren, Mompouillan, 
Brant en anderen, persoonlijk deelnamen — merkt men op, dat 
de ruiterij, alvorens tot de charge over te gaan, weer eerst ge- 
bruik maakte van hare vuurwapens; eene handelwijze die, hoe 
strijdig ook met den geest der kavalerie-takliek, toch in die 
dagen algemeen aangenomen was en zelfs bij enkele kavalerie- 
gevechten van ónze eeuw nog is voorgekomen; — infanterie en 
artillerie der Hollanders kwamen niet in werking en schijnen dus 
enkel als reserve voor de ruiterij te hebben moeten dienen. Voor 
het overige leverde dit gevecht bij Staphorst geen andere uit- 



Digitized by 



Google 



KRIJGSVERRICHTINGEN IN DE N.O. PROVINCIËN. 245 

komsten op^ dan dat daardoor een einde werd gemaakt aan 
'svijands kleine aanvallen op de posten die Friesland dekten. 

Dit voordeel bij Staphorst werd, kort daarop, door een grooter 
nadeel opgewogen. Den 2osteri Juli deed graaf Maurits nogmaals 
een poging om zich meester te maken van Zwartsluis ; maar ook 
ditmaal mislukte de aanslag, doordien Munstersche en Fransche 
troepen spoedig, van de zijde van Zwolle, Hasselt en Steenwijk, 
de bedreigde stad te hulp kwamen. Het schijnt dat het voor- 
nemen tot dien aanslag bekend was geworden aan den vijand, 
deze eene sterke macht had vereenigd om dien te verijdelen, en 
de Friezen niet genoegzaam bekend waren met de verdedigings- 
middelen van Zwartsluis, die veel sterker waren dan men zich 
voorstelde. Het regiment van den overste Grim, dat den Has- 
seltschen dijk had bezet en verschanst, bezweek daar voor de 
woedende en herhaalde aanvallen der vijandelijke troepen, waar- 
onder voornamelijk Chamilly's regiment wordt genoemd; de 
dijk verschansing, niet van geschut voorzien, werd eindelijk door 
den vijand vermeesterd, en Grim viel, dapper strijdende, in han- 
den der overwinnaars; deze drongen toen door tot Zwartsluis en 
dwongen daardoor graaf Maurits eene onderneming op te geven, 
die hem, naar het schijnt, een aanzienlijk verlies veroorzaakte. 

In Groningen was Rabenhaupt, in de maand Juni, overgegaan 
tot de belegering van de Langakkerschans, langen tijd alleen 
ingesloten; den loen Juni vereenigde hij voor die sterkte de 
geheele ruiterij en een groot gedeelte der infanterie uit Groningen, 
met eenige kanonnen en 4 mortieren. De Boonerschans werd 
het eerst door hem bemachtigd, met gering verlies. Herhaalde 
pogingen van den vijand om de Langakkerschans te hulp te 
komen, werden door Rabenhaupt verijdeld; zoo werd den sQsten 
Juni eene afdeeling van 3 a 4000 Munsterschen, die, onder Nagel, 
tot ontzet oprukte, door den HoUandschen bevelhebber terug- 
geslagen met een verlies van eenige honderd man. Den 22stcn 
Juli werd eindelijk de schans door de Groningers bestormd en 
genomen, waarbij een groote vierhonderd man der bezetting 
krijgsgevangen werden gemaakt. 

De benarde toestand waarin Coevorden was gebracht, maakte 
het intusschen dringend noodzakelijk, die vesting te hulp te 
komen ; en de Stadhouder schreef uit Holland aan zijne onder- 
bevelhebbers in Friesland en Groningen, dat men daartoe alle 
mogelijke krachten moest inspannen. In het hoofdkwartier van 
graaf Maurits, te Heerenveen, werd een krijgsraad belegd, waar- 
aan, behalve de graaf, deelnamen Aylva, Rabenhaupt, de kolonel 
Van Haren en Scheltingu, een Friesch afgevaardigde van den 



Digitized by 



Google 



246 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

Raad van State. In die vergadering werd besloten, dat de door 
de Munsterschen bezette dam in de Vecht moest worden ver- 
meesterd en doorgestoken: en dat, tot dit einde, Rabenhaupt 
met al zijn infanterie en kavalerie en met 20 stukken geschut, 
over Assen naar Dalem zoude marcheeren ; en graaf Maurits, ook 
met al zijne beschikbare macht, gelijktijdig over de Ommer- 
schans in dezelfde richting moest trekken; de ruiterij van den 
graaf zou echter achterblijven bij het huis te Ruinen, deels om 
de kolonne in den rug te dekken tegen aanvallen van de zijde 
der vijandelijke bezetting van Steenwijk, deels ook omdat de 
moerassige weg langs de Ommerschans niet te gebruiken was 
voor ruiterij. Tegelijkertijd zou Eijbergen van Coevorden uit met 
een 14 of 15 van geschut voorziene vaartuigen aanvallen op den 
dam bij Gramsbergen. 

Maar die poging tot ontzet van Coevorden kwam niet tot uit- 
voering, dewijl zij onnoodig werd. Een sterke oostenwind, gerui- 
men tijd aanhoudende, had het opgezette water tegen den dam 
aangedreven en dien eindelijk, den isten October, op drie 
plaatsen doen doorbreken. Die doorbreking had zoo onverwachts 
plaats, dat, naar men beweert, eenige honderden Munstersche 
soldaten door de golven werden verzwolgen. Ook de verschan- 
singen in de nabijheid van den dam werden daardoor gedeeltelijk 
vernield; en het naar de beneden-Vecht wegstroomende water 
bevrijdde Coevorden nu van alle gevaar. Nog eenige dagen 
bleven de Munsterschen daar stand houden, den schijn aan- 
nemende alsof zij de breuken in den dam weer wilden dichten 
en de verschansingen herstellen ; spoedig echter zag men in, dat 
die arbeid te zwaar was en te weinig hoop aanbood op goed 
gevolg. De onderneming tegen Coevorden werd toen opgegeven; 
de Republiek bleef in het bezit van die vesting, die — zooals 
reeds meermalen is opgemerkt — toen als zeer gewichtig werd 
beschouwd: >Coevorden*' — zoo schrijft Valckenier in zijn ge- 
tabberden stijl — >is een poort van het landschap Drenthe; een 
sleutel van Groningen en deszelfs Ommelanden; eene deur van 
geheel Vriesland, en eenigermate een pas naar Overijssel." — Het 
ontbrak den schrijver zeker aan middelen om die beeldspraak 
voort te zetten, anders zou hij denkelijk ook wel gezegd heb- 
ben wat Coevorden was voor de andere gewesten der Republiek. 

Na dat ontzet van Coevorden poogde de Munstersche bisschop, 
op het einde van October, nog een inval in Friesland te doen; 
dit mislukte echter. Hiermede eindigen de krijgsverrichtingen in 
de noordoostelijke gewesten van ons land; om den draad van 
het verhaal niet af te breken zijn die krijgsverrichtingen hier 
doorloopend vermeld, voor het geheele jaar 1673; thans volgt een 
korte opgave van wat er, in de eerste helft van dat jaar, bij het 
eigenlijke Holland bijzonders is voorgevallen. 



Digitized by 



Google 



KRIJGSVERRICHTINGEN IN HOLLAND. 247 

Het is onnoodig hier te vermelden, al die kleine krijgsver- 
richtingen over dit tijdvak, waarmee de werken van onze oudere 
schrijvers zijn opgevuld; en waarbij zij, — denkelijk wel met 
overdrijving — de voordeelen vermelden, door de Hollandsche 
troepen op hunne vijanden behaald. Opmerking verdient, dat 
die partijgangers-oorlog gedurende den winter van 1672 — 1673 
soms op schaatsen werd gevoerd, zoodat de oefening in het 
schaatsenrijden wel degelijk van nut kan zijn voor den Holland- 
schen soldaat. De lang aanhoudende vorst bracht Willem III 
op het denkbeeld, op zijn beurt daarvan partij te trekken en 
over de vastgevrorene inundatiën den .vijand te Utrecht op te 
zoeken en aan te vallen; in Februari werden met dat doel te 
Alphen 18 regimenten infanterie, nagenoeg een 12000 man, be- 
nevens ruiterij en geschut, vereenigd; de invallende dooi maakte 
echter dat deze onderneming niet tot uilvoering kwam. 

Het oprukken van nieuwe Fransche troepen naar Holland ; de 
komst van Condé, die den istep Mei Utfecht bereikte, en daar 
van Luxembourg het opperbevel overnam ; de zekere tijding dat 
Lodewijk XIV zijn hof te Saint-Germain had verlaten, om zich 
aan het hoofd te stellen van het sterke leger, dat aan Frankrijk's 
noordelijke grenzen bijeentrok; — dit alles bedreigde Holland 
met een nieuwen en geduchten aanval des vijands, en maakte 
het daarom tot plicht, zich vooreerst uitsluitend tot de ver- 
dediging te bepalen. Vooral was dit ook daarom zaak, omdat 
de groote toerustingen ter zee van Frankrijk en Engeland ons 
met een landing bedreigden, die, zooals de stand van zaken toen 
was, de gevaarlijkste gevolgen kon hebben voor de Republiek. 

Veel, zoo niet alles, hing dus in dezen tijd af van De Ruy- 
ter's vloot; en, om Neerland's vlotelingen tot buitengewone dap- 
perheid aan te sporen, sprak de Stadhouder hen aan, op een 
wijze die zoozeer zijn heldenziel kenmerkt, dat het goed is 
die aanspraak hier op te nemen ; zij is vervat in een brief aan 
den admiraal De Ruyter. Ziehier dien brief, in zijn geheel, met 
al die dwaze basterdwoorden die toen onze taal ontsierden; in 
weerwil daarvan, moet men de krachtige welsprekendheid be- 
wonderen, die in dien brief doorstraalt; er zijn uitdrukkingen in, 
die Napoleon, die Nelson niet beter zouden hebben gekozen; 
woorden, die niemand koel laten: 

• Edele, Gestrenge, Vrome, Lieve, Bijzondere! 
Wij hadden gewenscht dat de zaken van het Land ons hadden 
gelaten de faculteit, om ons naar 's Lands vloot te vervoegen, en 
het vergenoegen te hebben, daar bij een te zien zoo veel eerlijke 
Patriotten, die cordatelijk de hand aan het werk slaan, om het 
Vaderland tegen vijandelijk geweld te helpen dekken. De aan- 
zienlijke zeemagt, welke ten dien einde bij een werd gebragt, is 



Digitized by 



Google 



248 KRIJGS- EN OeSCHlEOKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

een van de noodige en considerabele middelen, die tot behou- 
denis van den Staat aangewend werden, en is diensvolgens te 
hopen, dat die aanmerking nieuwe vigueur zal geven aan de 
courage van diegenen, die de eer hebben van dat ze aan haar 
werd toevertrouwd. De oogen en de harten van alle ingezetenen 
van het Land, ja van de gansche Christenwereld, zijn daar heen 
.gewend, en observeren met groote reflexie, hetgeen met dezelve, 
voorzigtelijk en kloekmoediglijk, of anders, zal worden onder- 
nomen en uitgevoerd. En ware het over zulks van de uiterste 
infamie, dat iemand aan zijnen pligt zou ontbreken, op zoo door- 
luchtig een tooneel; wij verwachten zulks niet, maar integendeel, 
dat door het vooriigtig en kloek beleid van UE. en van die- 
genen die bij hem zijn, in deze gevaarlijke conjuncture, een 
nieuwen luister aan de eer, bij onze natie ter zee bevothten, 
onder Gods zegen, zal worden toegebragt, en dat zij oorzaak 
zullen hebben om haar te verblijden, en wij mét haar van ge- 
zegende instrumenten te zijn geweest tot het bewerken van een 
goede uitkomst in onze goede zaak. 

Wij zullen betrachten dat diegene die haar loffelijk zullen 
hebben gekweten dankelijk zullen beloond en gevorderd worden, 
en dat geene extraordinaire goede actiën blijven zonder extraordi- 
naire vergelding. UE. gelieve alle die onder de vlagge zijn, van de 
meeste tot de minste, des te verzekeren, en te gelijk een ieder 
in te scherpen, dat geen hoop van ongestraft heid overig zal zijn 
aan diegene die buiten verwachting haar aan eenige wande- 
voiren zouden mogen schuldig maken; wezende de serieuse in- 
tentie van de Heeren Staten, en de mijne, dat tegen de zoo- 
danigen de verdiende straffe, volgens de rigueur van den 
Artikelbrief, en andere orders van het Land, zonder eenige de 
minste conniventie, exactelijk en promptelijk zal worden geëxe- 
cuteerd. Zoo dat aan diegene die zich lafhartig, en anders als 
een braaf soldaat en zeeman, voor den vijand zal dragen, niets 
zoo gevaarlijk zal zijn als de havenen van den Staat, daar hij 
niet zal kunnen ontgaan, noch de straffe hand van de Justitie, 
noch de vloek en de haat van zijn medeburgers, die op hem zal 
vallen en blijven. Wij belooven ons dat niemand en zal willen 
vallen in zoodanig een verderf, maar dat een ieder met loffelijken 
ijver en gemoed in deze importante tijden zich extraordinaris 
zal evertuëren, en dat God uit den Hemel hetzelve zal zegenen, 
ten beste van het Vaderland, en tot onsterfelijke eere aan die- 
genen die hetzelve trouwhartiglijk gediend zullen hebben. Ik 
bidde God, UE. en alle die bij hem zijn, te houden in Zijn 
heilige protectie. 

UE. Goedw. vriend, 

G. Prince d'Orange. 

In 's Gravenhage, den 22 Mei 1673." 



Digitized by VjOOQIC 



KRIJGSVERRICHTINGEN IN HOLLAND. 249 

Zeker, in dien brief staan enkele, ons vreemd voorkomende 
woorden of uitdrukkingen; maar niemand mag daarbij blijven 
stilstaan of de krachtige kern miskennen, omdat het omhulsel 
misschien minder behaaglijk is. Neen, ieder die het hart op de 
rechte plaats heeft, zal erkennen, dat dit de taal is van een held, 
van een groot man; dat die taal tot groote daden moet aan- 
sporen, helden moet kweeken. Wanneer de Stadhouder aan de 
wapenbroeders van De Ruyter toeroept, >dat de oogen en de har- 
ten van alle ingezetenen van het land, ja van de gansche Chris- 
tenwereld, naar *s lands vloot gewend zijn," moet dit dan niet 
evenveel indruk hebben gemaakt, als toen Napoleon zeide: >Sol- 
dats, du haut des Pyramides quarante siècles vous contemplent"? 
Toen Nelson, bij Trafalgar, zijnen vlotelingen toesprak: «Engeland 
verwacht dat ieder zijn plicht zal doen," herhaalde hij bijna 
de woorden des Stadhouders: >en ware het over zulks van de 
uiterste iofamie, dat iemand aan zijn pligt zou ontbreken, op 
zoo doorluchtig een tooneel"; — en geen Romeinsch veldheer 
heeft ooit op straffer, indrukwekkender toon gesproken, dan 
Willem III, toen hij den lafaard 's lands havens als de gevaar- 
lijkste wijkplaatsen voorstelde, >daar hij niet zal kunnen ontgaan, 
noch de straffe hand van de justitie, noch de vloek en haat van 
zijne medeburgers, die op hem zal vallen en blijven." 

Het is bekend, hoe onze waterleeuwen aan die taal van den 
Stadhouder hebben beantwoord, en met welk een onbezweken 
dapperheid zij de kusten van Holland bleven beschermen. De 
Noordzee was dit jaar weer driemaal getuige van een zeeslag: 
den yen Juni, den i4en Juni en den 21 sten Augustus; tot drie- 
maal toe kwam de vlag der Republiek weer in zegepraal terug 
uit dien strijd; tot driemaal deed De Ruyter de vereenigde 
Koningsvloten voor de HoUandsche zeemacht vluchten en ver- 
stuiven. 

De komst van Condé te Utrecht, en het bijeentrekken van 
Fransche troepen te 's Graveland en in de nabijheid van Muiden, 
schenen het voornemen des vijands aan te kondigen^ om iets te 
ondernemen tegen de HoUandsche waterlinie. Oranje, die linie 
zooveel mogelijk willende waarborgen tegen eiken aanval, besloot 
om haar nog sterker te maken, ook bij Nieuwersluis post te 
vatten. Daartoe liet hij bij Weesp een aantal uitleggers en andere 
vaartuigen bijeen brengen; en den i3en Mei, daar in persoon 
aangekomen, deed hij op den avond van dien dag den kolonel 
Stokhem met een 1600 man infanterie en een duizendtal boeren 
naar Nieuwersluis trekken; in den ochtend van den i4en kwam 
dit detachement daar aan, en vond daar een kleine Fransche 
afdeeling, die echter dadelijk aftrok. De Hollanders begonnen 
zich oogenblikkelijk te verschansen, en hadden in een paar 



Digitized by 



Google 



250 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

dagen tijds den post in een zeer goeden staat van verdediging 
gebracht; die arbeid geschiedde onder bescherming van het 
kanonvuur der uitleggers, en onder kleine gevechten die de be- 
dekkende infanterie aan den vijand leverde; bij een dier ge- 
vechten sneuvelde de kapitein Tout Ie Monde, een Hollandsch 
officier, die zich door zijn onverschrokken moed in dezen oorlog 
een naam had gemaakt. — Condé en Luxembourg kwamen met 
een 4000 man te Breukelen, maar vonden de schans te Nieu- 
wersluis reeds te ver gevorderd om die te durven aanvallen; zij 
bepaalden zich toen tot het versterken van Breukelen. 

De ongeduldige, vurige geest van Condé liet hem niet toe 
werkeloos te blijven; en hij besloot eene poging te beproe- 
ven om de HoUandsche waterlinie te doorbreken. Veel beleid 
aan de zijde des Franschen veld heers kan men hierbij echter 
niet opmerken; en het eenige waarmede men zijne handelingen 
kan verschoonen, is, dat er eigenlijk niets beters of eigenlijk niets 
goeds kon ondernomen worden tegen den geduchten slagboom 
die Holland beschutte. 

Eerst werd door de Franschen beproefd, het water dat aan 
de oostzijde van de Vecht op het land stond en dat hun de 
nadering tot Muiden bemoeilijkte, af te leiden en in de Zui- 
derzee te doen afloopen; tot dat einde werd de zeedijk door- 
stoken en daar eene sluis in gelegd om het zeewater te keeren 
bij hoog water, en bij laag water de inundatie van de Vecht te 
laten afloopen ; tevens damde men bij Utrecht de Vecht af, als- 
ook de verschillende trekvaarten, die water naar de beneden- 
Vecht konden aanvoeren. Spoedig echter kwamen de Fransche 
bevelhebbers tot de overtuiging, dat dit door hen aangewende 
middel zeer weinig hielp, daar, terwijl zij het water in de Zui- 
derzee lieten afloopen, de Hollanders door de Uitermeersche 
sluis het zeewater weer binnen lieten ; — het was het omgekeerde 
van het vat der Danaïden. 

Toen men het ijdele had ingezien van dit aanvalsmiddel, ging 
men over tot een soort van belegering van Muiden; een soort 
van belegering, — want het bleef bij het maken van eenige 
loopgraven en het aanleggen van eenige batterijen; daar men al 
spoedig weer de ondoenlijkheid inzag, om een vesting aan te 
vallen, die men volstrekt niet kon insluiten, die men slechts over 
een smallen dijk kon naderen, en waar men onophoudelijk bloot- 
gesteld zou zijn aan het frontvuur uit de vesting, en aan het 
flank vuur uit de met geschut voorziene vaartuigen op de Zuider- 
zee en op de onderwaterzettingen. 

De Muiderberg, een hoogte aan de Zuiderzee tusschen Naar- 
den en Muiden, werd in het begin van Juni door Condé met 
een aanzienlijke macht bezet en dadelijk verschanst. Van hier 



Digitized by 



Google 



KRIJGS VERRICHTING EN IN HOLLAND. 25 1 

gingen de Franschen in loopgraven vooruit tot bij de Hakke- 
laarsbrug^ waar zij aan een soort van parallel en aan batterijen 
arbeidden. Die arbeid werd bijzonder vertraagd, eensdeels door 
het vuur eener groote contrebatterij, door de Hollanders opge- 
worpen aan de andere zijde van de Hakkelaarsbrug ; anderdeels 
door het geschut van een aantal uitleggers, op de Zuiderzee -en 
het Naarder-Meertje geplaatst. De kanonnade werd van weers- 
zijden eenige dagen voortgezet, maar tot groot nadeel van de 
Franschen, wier aanvalswerken gedurig vernield, wier geschut 
gedurig tot zwijgen werd gebracht. Dit was toe te schrijven, èn 
aan de groote overmacht van de Hollandsche artillerie, èn aan 
hare voordeelige, den vijand omringende stellingen, èn ook 
daaraan dat aan de Hollandsche zijde zware kalibers in werking 
kwamen, en Condé niets dan veldgeschut had. De Fransche be- 
velhebbers staakten dan ook spoedig eene onderneming, die zij 
verstandiger gedaan hadden, niet te beginnen. De Muiderberg 
werd in het begin van Juli door Condé ontruimd. 

Rousset is onbeduidend en onvolledig over die krijgs ver rich- 
tingen in Holland, in de eerste helft van 1673; ^an die onder- 
neming op Muiden gewaagt hij met geen enkel woord; wat hij 
over die krijgsverrichtingen zegt, bepaalt zich tot het volgende 
{Histoire de Louvois^ V deel, blz. 450 — 451): 

• Wendde hij" (Condé) >zijn blik naar 's vijands zijde, dan gaf 
hem dit even weinig bevrediging. De onderwaterzettingen had- 
den eene verbazende hoogte bereikt, zij waren hooger dan in 
1672; alle posten waren goed versterkt, goed bezet, ondersteund 
door gewapende vaartuigen en kanonneerbooten. Aanvallen durf- 
den de Hollanders toen niet; maar hun verdedigingsvermogen 
was ontzagwekkend. Verveling maakte zich meester van de 
Fransche troepen, die ook in sterkte afnamen door slechte voe- 
ding; er was gebrek aan vleesch; de soldaten, die niet in be- 
zetting lagen in de steden, waren in letterlijken zin op water en 
brood : velen deserteerden. Dat belet niet dat als de gelegenheid 
zich opdeed — ongelukkig te weinig — zij vaardig waren om 
hunne mismoedigheid te verzetten ten koste van den vijand. 

£r hadden enkele stoute en schitterende wapenfeiten plaats; 
dit onder andere: een Hollandsch oorlogsfregat dat in de Zui- 
derzee kruiste, zond, om versch water te halen, een sloep naar 
de kust af; eenige ruiters reden toen stoutmoedig in zee, door- 
stonden het vuur van hare twee kanonnen, ver meesterden de sloep 
en staken haar in brand, onder het vuur van het fregat en van 
andere sloepen, die vruchteloos bijstand poogden te bieden..." 

Dit komt voor in een brief van Condé aan Louvois, van den 
i6en Juni 1673. Wat is hiervan waar? — het doet denken aan 
dat fabeltje, van het nemen van onze oorlogsschepen door Fransche 
huzaren in 1795. ^Ü ^^^^ schrijvers komt niets voor van dit 



Digitized by 



Google 



252 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

wapenfeit van Condé's ruiters in 1673; het waarschijnlijkste is 
wel, dat, wanneer er al iets van waar is, het toch niet zóó is 
voorgevallen als bij Rousset is vermeld. 



HOOFDSTUK IX. 

BELEG VAN MAASTRICHT; ONTBINDING VAN HET LEGER 
VAN LODEWIJK XIV. 

Terwijl dus Holland's sterke grenzen elke poging van den 
aanvaller verijdelden, was gelijktijdig een groote grensvesting van 
de Republiek door den Franschen koning aangevallen; en niets 
bewijst meer dan dit beleg van Maastricht de veel hoogere 
waarde van de natuurlijke verdedigingsmiddelen van ons land 
boven de vestingen die alleen aan de kunst hare sterkte ont- 
leenen: terwijl de eerste, niet een korte poos maar voortdurend, 
een vijandelijk leger tegenhouden, bezwijken de laatste, hoe 
dapper ook verdedigd, na weinige weken tegenover de hulpmid- 
delen welke de belegeringskunst den aanvaller oplevert. 

Alvorens dat beleg van Maastricht te behandelen, moet met 
een enkel woord worden gewaagd van Turenne's handelingen in 
de eerste helft van het jaar 1673. 

Die veldheer had, — zooals reeds gezegd is — naar de Wezer 
vooruitrukkende, door zijne stoute handelingen den keurvorst 
van Brandenburg genoopt vrede te sluiten met Frankrijk. Tu- 
renne was daarop, in de laatste dagen van April, naar den 
Rijn teruggekeerd. Op het einde van Mei zond de Fransche 
veldheer eene afdeeling van 4000 man voetvolk en 3000 ruiters 
naar de zijde van Maastricht, om mede te werken tot de inslui- 
ting en het beleg van die vesting ; met het overige van zijn leger 
— 12000 man infanterie en 4000 ruiters — nam Turenne, in 
Juni, stelling bij de Lahn; eene gierbrug te Bonn maakte de 
gemeenschap uit tusschen zijn leger en dat van Lodewijk XIV 
voor Maastricht. Toen in het begin van Juli, na de inneming 
van Maastricht, de door Turenne afgezondene afdeeling zich 
weer bij hem had gevoegd, drong die veldheer weer dieper in 
Duitschland door, en noodzaakte het Keizerlijke leger Fran- 
kenland te ontruimen en op Bohemen terug te gaan ; hier echter 
kreeg dit leger versterkingen, en een aanvoerder die in bekwaam- 
heid Turenne eenigszins nabijkwam. — Hoe daardoor de Kei- 
zerlijken op hunne beurt aanvallend te werk gingen, zal later 
worden gezegd; hier volsta het om kortelijk aan te duiden wat 



Digitized by 



Google 



BELEG VAN MAASTRICHT. 253 

de verrichtingen zijn geweest van Turenne's legermacht tot op 
het einde van Augustus 1673. 

Den isten Mei 1673 had de Fransche Koning zijne hofplaats 
Saint Gerinain verlaten, en zich gesteld aan het hoofd van het 
40000 man sterke leger; 's Konings broeder, de hertog van 
Orleans, voerde onder hem het bevel. Dit leger trok, evenals 
vroeger, de Spaansche Nederlanden binnen, zonder dat er toen 
reeds eene oorlogsverklaring had plaats gehad tusschen Frankrijk 
en Spanje. Maar de toestand van oorlog bestond reeds lang tus- 
schen die beide Rijken; Frankrijk ontzag de onzijdigheid van 
het Spaansche grondgebied niet in het minst; en Spanje onder- 
steunde onze Republiek op eene openlijke wijze. 

De marsch ging eerst langs de Lijs. Den 15611 Mei was het 
leger te Kortrijk ; van daar trok men verder in noordelijke rich- 
ting, en den 24sten was de hoofdmacht tusschen Deinze en Gent. 
Er werden bruggen geslagen over de breede vaart tusschen Gent 
en Brugge, en den 26sten Mei ging Orleans daarover, met eene 
macht, die volgens sommige opgaven 9 k 10 000 man, volgens 
andere slechts 4000 man sterk was, en trok daarmede naar Staats- 
Vlaanderen, op Sas van Gent. 

Naar de opgaven van onze schrijvers had die beweging ten 
doel het vermeesteren van Sas van Gent, waarbinnen de Fran- 
schen meenden verstandhouding te hebben; toen echter die toe- 
leg mislukte, trok Orleans den aSsten Mei weer achter de Gent- 
sche vaart terug. Het geheele Fransche leger brak den volgenden 
dag op, ging de Lijs en de Schelde over en marcheerde over Aalst 
op Brussel; den 2eQ Juni was het nabij laatstgenoemde stad. 
Lodewijk XIV nam den schijn aan, alsof hij die hoofdstad der 
Spaansche Nederlanden wilde belegeren, en bleef een paar dagen 
in hare nabijheid vertoeven; de Fransche schrijvers zeggen, dat 
die bedreiging en de vroegere beweging naar Staats- Vlaanderen 
geen ander doel hadden dan den vijand te misleiden, en het 
voornemen om Maastricht te belegeren te verbergen. 

Spoedig werd de tocht naar die stad ondernomen; reeds den 
6en Juni werd de insluiting begonnen, door eene afdeeling onder 
Lorges op den linkeroever der Maas, en door eene andere af- 
deeling onder Montal op den rechteroever dier rivier ; — andere 
opgaven zeggen, dat de door Turenne afgezondene troepen — 
4000 man infanterie en 3000 ruiters — de insluiting van Maas- 
tricht op den rechter Maasoever hebben verricht. Die insluiting 
werd, na kleine schermutselingen met de bezetting, geheel vol- 
tooid; en den loen Juni verscheen Lodewijk XIV met de hoofd- 
macht van het Fransche leger voor de muren van Maastricht; 
en die stad, die Parma zoo dapper weerstand had geboden, welker 



Digitized by 



Google 



254 KRÜGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

vermeestering alléén voldoende zou zijn om den naam van Fre- 
derik Hendrik onvergetelijk te maken^ zag nu weer de vijande- 
lijke wapenmacht zich heinde en ver over de haar omgevende 
vlakten uitbreiden, en stond weer bloot aan aanvallen, geduchter 
dan ooit, daar in de rijen van het Fransche leger zich de man 
bevond, die de kunst om vestingen te vermeesteren reuzenschredcn 
heeft doen maken. 

De vesting, waartegen Vauban de hulpmiddelen zijner weten- 
schap zou aanwenden, was in 1673 niet van zoo grooten omvang 
als zij het tot in onze dagen is geweest: de forten Sint Pieter 
en Koning Willem, en de fronten tusschen de Bossche en Brus- 
selsche poorten bestonden toen niet. Toch kon Maastricht toen 
als een belangrijke en sterke vesting worden beschouwd. Zij be- 
stond, evenals later, uit twee onderscheidene deelen : de voorstad 
Wijck op den rechter- en de stad op den linkeroever van de 
Maas; beide deelen verbonden door een hechte steenen brug. 
Wijck had een hoofdwal met drie bastions, natte grachten, eenige 
voorliggende lunetten en een bedekten weg; naar de stadszijde 
liep er langs de rivier een muur, en de Maasbrug was afgesloten 
door een poort De stad zelve had — volgens De Quincy — een 
sterken hoofdwal met een goeden muur, geflankeerd door eenige 
bastions en door een aantal torens. Als buitenwerken had men 
vijf hoornwerken — het plan van Maastricht vertoont er zes — 
alle van binnenverschansingen voorzien; en verscheiden afzon- 
derlijke bastions en ravelijnen, alle bekleed; en het geheel om- 
geven door een uitmuntenden bedekten weg. — Valckenier geeft 
een minder gunstige beschrijving van den toestand der vesting; 
de stad was — volgens hem — omringd met een slechten muur 
van anderhalf voet dikte, zonder torens of forteressen (?); 
zij had evenwel zeer sterke buitenwerken, verscheidene ravelijnen, 
halve manen en hoornwerken; maar alle grachten van die wer- 
ken waren droog; en de Sint Pietersberg was meer nadeelig dan 
voordeelig. 

Hierop valt aan te merken, dat dit » zonder torens" van den 
hoofdwal onjuist is, daar de hoofdwal ronde, uitspringende ge- 
deelten had; en dat, wat de droge grachten betreft, dit waar 
was voor het meerendeel der werken; maar de hoofdwal op 
sommige gedeelten, — bij de Bossche poort, en van de Tongersche 
poort tot nabij de Lieve Vrouwepoort — een natte gracht voor 
zich had; op het overige gedeelte, waar de gracht droog was, 
had deze een zeer groote diepte. Voor het overige erkent ook 
Beaurain, »dat de vestingwerken van Maastricht in geen goeden 
toestand waren." — Het voorname gebrek echter, dat, toen 
evenals later, Maastricht als vesting aankleefde, was hare ligging, 
die den vijand toeliet, haar zonder veel moeite geheel in te slui- 
ten, en die geen natuurlijke sterkte aan de vestingwerken bijzette. 



Digitized by 



Google 



BELEG VAN MAASTRICHT. 255 

Valckenier heeft daarover opmerkingen, die bewijzen dat men 
in z ij n tijd — in dien tijd van vestingen en liniën — soms reeds 
gezonde denkbeelden daarover had; hij zegt: »ook lag deze 
plaats te wijd van de andere frontieren en vestingen af, om haar 
in zoo korten tijd te kunnen secondeeren; bovendien was de 
stad Maastricht voor den Vereenigden Staat een zeer kostelijk 
paard, dat jaarlijks eene bijna ongeloofelijke somme gelds van onder- 
houd kwam te kosten... Daar waren veel menschen in Neder- 
land, welke geloofden het onmogelijk zou zijn, dat de koning 
van Frankrijk deze stad onder zijn geweld zou kunnen brengen, 
wijl hen dezelve uitermate sterk, ja geheel onwinbaar scheen; 
maar zij bedachten niet, dat eene plaats, hoe vast en sterk die 
ook mag zijn, wel kan gedwongen worden, wanneer men dezelve 
zoodanig kan besluiten, dat er niets in noch uit mag, noch 
ook geene hulp, om dezelve van de belegering te bevrijden, voor- 
handen zij." 

De bezetting van Maastricht had niet meer de sterkte die men 
haar bij het begin van den oorlog tegen Frankrijk had gegeven ; 
maar was toch talrijk genoeg om een goede verdediging te ver- 
richten. De Quincy en Beaurain schatten die bezetting op een 
6000 man; de eerste zegt dat zij uit 5000 man voetvolk en 
1000 ruiters bestond, niet medegerekend een groot aantal bur- 
gers, die zich gewapend hadden. Wat dat laatste aangaat, is 
denkelijk de opgave van den Franschen schrijver onjuist; onze 
schrijvers gewagen er ook wel van, dat de Maastrichtsche bur- 
gerij het stadhuis bezette en aan de veslingwerken arbeidde; 
maar aan de eigenlijke verdediging schijnt zij geen deel te heb- 
ben genomen; — de bevolking toonde dan ook niet den geest 
om eene verdediging te voeren als vroeger die legen Parma. 
Volgens onze schrijvers was de bezetting een duizend man min- 
der dan de Fransche schrijvers opgeven; Sylvius zegt, dat die 
bezetting 4000 man infanterie en 8 a 900 ruiters bedroeg; vrij 
uitvoerig geeft hij de samenstelling van die bezetting op: aan 
Hollandsche troepen 8 regimenten infanterie en 13 — volgens 
andere opgaven 12 — compagnieën ruiterij; i regiment Ita- 
lianen, dat 300 man telde ; en 2 zeer goede regimenten Spaansche 
ruiterij. Maar, wat ons bij het verhaal van een heden daagsch 
beleg vreemd zou voorkomen, men vindt geen opgave omtrent 
de sterkte der artillerie, het wapen dat eigenlijk de ziel van 
eene vesting-verdediging is: noch het aantal kanonniers, noch 
het aantal stukken geschut wordt vermeld; alleen eene enkele 
opgave hier en daar kan daarover eenig licht geven. Zoo wordt 
er gezegd: »dat op den 26sten Juni de elf stukken nabij de 
Tongersche poort, hevig door den vijand beschoten werden; 
dat daardoor twee konstapels sneuvelden, dat er toen nog 
maar dertien konstapels overbleven" (denkelijk niet in de ge- 



Digitized by 



Google 



256 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

heele vesting^ maar alleen op dat punt) >en dat men daarom 
genoodzaakt was^ soldaten te gebruiken voor de bediening van 
het geschut." Op een andere plaats vindt men: tdat er bij de 
overgave nog een 60 stukken geschut in de magazijnen aan- 
wezig waren; ook was daar nog eenen aanzienlijken voorraad 
aan krijgsbehocften en levensmiddelen ; zoodat" — wordt er uit- 
drukkelijk bijgevoegd — >de stad niet overging uit gebrek daar- 
aan, maar alleen door louter geweld." Alleen zegt eene andere 
opgave, dat men in het laatsie tijdperk van het beleg gebrek 
aan lonten begon te krijgen. 

Uit die opgaven kan men besluiten, dat Maastricht in 1675 
een genoegzame bewapening had ; grooter ten minste dan tijdens 
het beleg door Frederik Hendrik, toen die bewapening uit slechts 
45 stukken geschut bestond; — het is waar, sedert dien tijd was 
het gebruik van de artillerie zeer toegenomen. 

Vestingwerken, bezetting, bewapening en uitrusting van Maas- 
tricht waren dus. zooveel men uit de verschillende opgaven kan 
opmaken, ten minste in een voldoenden toestand; — maar hoe 
was het met den bevelhebber, die dat alles voor de verdediging 
moet aanwenden, en die de ziel van die verdediging moet zijn? 

Het oordeel over dien bevelhebber — Fariaux, een officier die 
eenige maanden te voren van Spaanschen in Hollandschen krijgs- 
dienst was overgegaan, — is zeer uileenloopend geweest. Toen 
Willem III hem tot bevelhebber van Maastricht aanstelde, had 
Pariaux een zeer goeden militairen naam, en was hij bekend als 
een dapper en bekwaam aanvoerder; zijne handelingen bij het 
beleg van Maastricht worden door onze oudere schrijvers hoog 
geroemd ; — maar latere beoordeelaars hebben er minder gunstig 
over gedacht, en, de persoonlijke dapperheid van Fariaux erken- 
nende, hebben zij evenwel zijn weinig beleid en zijne geringe 
vasthoudendheid doen opmerken. Vooral het oordeel van de 
Fransche schrijvers is weinig gunstig voor den bevelhebber van 
Maastricht; zij beschuldigen hem van door zijne inhaligheid en 
door zijn drukkende handelingen een kwaden geest te hebben 
gebracht onder de bezetting, en nog meer onder de burgerij; 
>le gouverneur," zegt Beaurain, »s'était fait haïr, soit par des 
vexations, sait par la dureté de son caractère"; en de onbekende 
schrijver van de ^^Guerre de Hollande*^ zegt, dat de uitvallen ge- 
durende het beleg van Maastricht met weinig kracht werden g:e- 
daan, omdat Fariaux uit overdreven zuinigheid naliet de uit- 
vallende troepen met geld te beloonen. De opgaven van ónze 
schrijvers zijn hiermede lijnrecht in strijd; zij stellen Fariaux 
voor, gedurig gelden uitdeelende aan die troepen der bezetting, 
die meer dan gewone vermoeienissen of gevaren doorstonden. 
Wat nu is hier waarheid? — Het is moeielijk dit te zeggen; 
maar toch zal uit het verhaal van het beleg blijken, dat Fariaux, 



Digitized by 



Google 



BELEG VAN MAASTRICHT. 257 

hoezeer veel persoonlijken moed betoonende, evenwel een te 
hoogen en te onverdienden roem schijnt te hebben genoten; en 
dat het verkeerd zou zijn hem voor te stellen als een voorbeeld 
hoe de bevelhebber van eene vesting moet zijn. 
Nu volgt het verhaal van het beleg. 

Den loen Juni voor de muren van Maastricht verschenen, vond 
het Fransche leger daar reeds het begin eener dubbele ver- 
schanste linie, waarvan het eene deel tegen de vesting moest 
dienen, het andere tegen den vijand die tot ontzet mocht komen 
opdagen; die liniën, den 8sten Juni aangevangen, waren den 
i4en geheel voltooid, en omgaven èn Maastricht, èn Wijck; 
7000 boeren hadden aan die liniën gearbeid, waarvan de bin- 
nenste of contrevallatie-linie gemiddeld een klein half uur gaans 
van de vesting was verwijderd. Twee bruggen, boven en beneden 
de stad, maakten de gemeenschap uit tusschen de beide oevers. 
Gedurende den arbeid aan de liniën bracht men in het Fransche 
legerkamp levensmiddelen en fourage bijeen; het artillerie-park 
en alle benoodigdheden voor een beleg kwamen aan; hoe sterk 
die artillerie was, is onzeker; maar in de 9 batterijen, die ge- 
durende het beleg op den linkeroever van de Maas tegen de 
vesting werden aangewend, kwamen 63 vuurmonden, en daarvan 
kunnen, ten minste, een vijftig stukken gelijktijdig zijn werk- 
zaam geweest. Als front van aanval nam men ddt gedeelte, dat 
tusschen den linkeroever van het riviertje de Jeker en de Brus- 
selsche poort is begrepen, — bijna hetzelfde gedeelte waar Parma 
binnendrong en Frederik Hendrik aanviel; Orleans zou, op den 
anderen oever van de Maas, een schijnaanval doen op Wijck; 
en batterijen op den Sint Pietersberg door hun vuur den waren 
aanval ondersteunen. 

Fariaux, die in het begin van April het bevel over Maastricht 
op zich had genomen, had dadelijk de werken der stad zooveel 
mogelijk in staat van verdediging laten brengen en om verster- 
king van de bezetting gevraagd; die versterking bestond echter 
alleen uit het Italiaansche regiment, dat — zooals gezegd is — 
maar een 300 man sterk was en uit een regiment Spaansche 
ruiterij, dat op een 250 paarden wordt begroot; het eerste kwam 
op het einde van Mei te Maastricht, het laatste in de eerste 
dagen van Juni. Onderricht van den opmarsch des vijands, wiens 
voorste troepen reeds voor de vesting verschenen, riep de be- 
velhebber den 7en Juni een krijgsraad bijeen, waarin hij zijn 
voornemen te kennen gaf de vesting krachtdadig te verdedigen, 
ieder aanmaande om hem daarbij te ondersteunen, en aan elk 
zijn taak toewees bij die verdediging; er werd kwijtschelding 
gegeven van alle straffen voor geringe wanbedrijven, maar daaren- 
tegen de doodstraf vastgesteld voor ieder die zich zou schuldig 

WILLEM m. — I. 17 

Digitized by VjOOQIC 



258 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

maken aan ongehoorzaamheid of lafheid. Denkelijk was dit 
laatste maar een herhaling of herinnering van wat de bestaande 
bepalingen daarover voorschreven; eene herhaling, die, de samen- 
stelling van de bezetting in aanmerking genomen, niet over- 
bodig kon heeten, — zooais dit dan ook blijkt uit enkele bijzon- 
derheden, door onze schrijvers opgeteekend. Zoo vermelden zij 
onder andere dat bij de komst van het Fransche leger-een 
officier der bezetting, Franschman van geboorte, maar reeds 
zes en dertig jaar in dienst van de Republiek, tot den vijand 
overliep; en dat twee vaandrigs door den krijgsraad ter dood 
werden veroordeeld, omdat zij gedurende het beleg hunne pos- 
ten op het aangevallen gedeelte van de vesting verlaten hadden; — 
wegens den jeugdigen leeftijd der schuldigen werd die straf echter 
niet uitgevoerd, maar daarin veranderd, dat zij van hun rang 
werden ontzet en gedurende den ganschen tijd van het bele^ 
moesten blijven op het aangevallen gedeelte, nabij de Tongersche 
poort; een hunner vond daar den dood door 'svijands vuur. 

Fariaux deed, naast andere maatregelen van verdediging, eene 
afdeeling samenstellen van 300 grenadiers, getrokken uit de 
regimenten infanterie; men weet dat de grenadiers toen werkelijk 
manschappen waren, wier bestemming was handgranaten te wer- 
pen ; die van Fariaux werden daarin geoefend en ontvingen ieder 
twee rijksdaalders belooning. — Ook werd de Maas afgesloten 
door een ketting, en een vaartuig met een 25 musketiers als wacht 
daarbij geplaatst. — Om de berenning en insluiting te vertragen, 
werden gedurig kleine uitvallen gedaan, vooral door de ruiterij. 
Men deed eene poging om den vijand in een hinderlaag te 
doen vallen, door een 300 man infanterie bedekt nabij de ves- 
ting te plaatsen, en de eigen ruiterij eerst uit te zenden en dan 
terug te doen gaan, ten einde de ruiterij des vijands te lokken 
naar de plaats waar die infanterie stond. Men slaagde hierin 
echter niet. — Gedurig kwamen er nog verschillende officieren 
de stad binnen, en er schijnt eene voortdurende gemeenschap 
te hebben bestaan tusschen den bevelhebber en Monterey en 
Willem III; hoe die briefwisseling plaats had, wordt echter niet 
gemeld. — Patrouilles en verkenningen werden telkens uitge- 
zonden om bij den vijand de toebereidselen tot den aanval waar 
te nemen, en bericht te geven van het openen der loopgraven. 

Het is moeielijk te begrijpen, dat over een zoo eenvoudig feit 
als het openen der loopgraven bij het beleg van Maastricht, nog 
verschil is in de tijdsbepaling tusschen onze schrijvers en de 
Fransche; terwijl de laatste duidelijk en bepaald zeggen, dat de 
loopgraven geopend werden in den nacht van 17 — 18 Juni, ver- 
zekeren daarentegen de meeste van onze schrijvers, dat dit vier 
dagen vroeger plaats had, in den nacht van 13 — 14 Juni; dat 



Digitized by 



Google 



BELEG VAN MAASTRICHT. 259 

de aanvallers daartoe partij trokken van twee holle wegen tegen- 
over de Brusselsche en de Tongersche poorten; dat het bijeen- 
brengen van fascinen de verdedigers daarop opmerkzaam had 
gemaakt ; en dat eene afdeeling van een twintig ruiters met mus- 
ketschoten teruggedreven werd door de troepen, die, op den 
grond liggende, tot bedekking dienden van de arbeiders. Enkele 
van onze schrijvers — De Hollandsche Mercurius en 
Het ontroerde Nederland — zeggen, dat de opening der 
Fransche loopgraven den 17 en Juni plaats had; zij voegen er 
echter bij, dat reeds in den ochtend van den iSen drie Fransche 
batterijen het vuur op de stad openden; — de bouw van die 
batterijen moet dan toch vroeger zijn aangevangen dan in den 
nacht van 17 — 18 Juni. 

Als het waarschijnlijkste kan men aannemen, dat de loopgraven 
werkelijk in den nacht van 13 — 14 Juni werden geopend; maar 
dat eerst in den nacht van 17 — 18 Juni de batterijen voltooid 
en bewapend werden; en dat de Fransche schrijvers eerst van 
dat tijdstip af de belegerings-werkzaamheden rekenen, om daar- 
door de eer der inneming van de vesting te verhoogen. 

Op welken afstand van de vesting de eerste parallel werd 
geopend, vindt men niet juist vermeld; maar wanneer men bij 
diezelfde schrijvers, volgens welke het openen der loopgraven 
plaats had in den nacht van 17 — 18 Juni, vermeld vindt, dat 
den iQca Juni de Fransche loopgraven tot op 600 pas afstands 
genaderd waren van de palissadeering van den bedekten weg, 
dan kan men daaruit besluiten, dat de eerste parallel denkelijk 
den gewonen afstand van een 600 el van de vesting zal gehad 
hebben. 

Uit die eerste parallel ging men in twee loopgraven vooruit: 
de eene gericht op de werken onmiddellijk voor de Tongersche 
poort; de andere op een hoornwerk, tusschen die poort en de 
Brusselsche. Bij elke dier nadernissen kwam iederen dag eene 
wacht van 3 bataljons infanterie, ondersteund door 8 eskadrons 
ruiterij, achterwaarts geplaatst. Drie batterijen kwamen dadelijk 
in werking: twee daarvan waren op den linkeroever van de 
Jeker, en moesten rechtstreeks dienen tegen het aangevallen 
front; de eene was met 6, de andere met 12 stukken bewapend, 
en beide batterijen waren achter de eerste parallel. De derde 
batterij, met 9 stukken bewapend, was op den Sint Pietersberg, 
nagenoeg ter plaatse waar in later tijd het fort Sint Pieter is 
gekomen; zij diende om de aangevallen fronten van ter zijde 
met haar vuur te bestoken, en de uitvallen te bemoeilijken. Alle 
stukken waren van zwaar kaliber, 24- en 36-ponders. 

Den I Sen Juni om 3 uur 's ochtends begonnen, werd het vuur 
der Fransche batterijen voortgezet tot 's avonds 9 uur; en in 
dien tijd — zeggen ónze schrijvers — zijn meer dan 2500, vol- 



Digitized by 



Google 



26o KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

gens anderen zelfs 3400, schoten gedaan. Dit hevige vuur bracht 
schade toe aan een gedeelte van de borstweringen der vesting, 
doodde en kwetste een aantal manschappen, en bracht zooveel 
schrik en verwoesting teweeg, dat de verdediger zich met niets 
anders bezig hield dan met het beantwoorden van dit vuur en 
het herstellen der schade aan die werken, — zonder den voort- 
gang aan den arbeid der loopgraven in het minst te vertragen. 
Den volgenden dag werd door de belegerden gearbeid aan eene 
batterij voor 4 stukken, aan de linkerzijde — wanneer men front 
naar buiten maakte — van de Tongersche poort ; die batterij — 
zegt Sylvius — deed aan de Fransche batterijen veel nadeel, en 
leed zelve weinig of niets, behalve op het einde van het beleg, 
toen van een der daar geplaatste 48-ponders de affuit werd 
stuk geschoten. 

Die laatste bijzonderheid wordt hier aangehaald om te doen 
zien hoe onjuist het is, wanneer De Quincy zegt, dat f vier 
dagen na het in werking komen van de Fransche batterijen, al 
het geschut der vesting, op één stuk na, gedemonteerd was." — 
Over het geheel is De Quincy een schrijver, op wiens nauwkeu- 
righeid en waarheid men weinig staat kan maken. 

Gelijktijdig met dien arbeid aan de batterij bij de Tongersche 
poort werd er tusschen die poort en de Brusselsche gearbeid 
aan het hoornwerk en het daarvoor liggend ravelijn; bij beide 
werd de borstwering verbreed. De ruiterij liet men dienst doen 
als infanterie; omdat — wordt gezegd — het doen van uitvallen 
toch niet goed meer ging, daar de uitgangen der stad, bij de 
Tongersche en Brusselsche poorten, onder het vuur stonden van 
de vijandelijke batterijen. — Kon men dan de andere poorten, 
de Bossche poort onder andere, niet uittrekken en zoo *s vijands 
loopgraven van ter zijde aanvallen? 

Aan de Fransche zijde werd den igen begonnen aan twee 
nieuwe batterijen: de eene, voor 11 stukken, was op de helling 
van den Sint Pietersberg, voorwaarts van de daar reeds aan- 
wezige, en moest door haar vuur de werken voor de Tongersche 
poort van ter zijde bestrijken, en alle uitvallen uit die poort be- 
letten; de andere, voor 5 stukken, was voorwaarts van de eerste 
parallel, naar de zijde van de Brusselsche poort. — De arbeid 
aan de loopgraven ging snel vooruit; de Koning, gedurig in 
persoon daar aanwezig, spoorde zijne soldaten tot voortvarend- 
heid aan. 

Den 2osten werd aan weerszijden het artillerievuur voortgezet 
en aan batterijen gearbeid ; de palissadeering van den bedekten 
weg werd zeer beschadigd, maar spoedig weer hersteld door 
de belegerden, daartoe aangemoedigd door gelduitdeelingen , 
zegt Sylvius. Er werd beraadslaagd over het doen van een uit- 
val; maar die werd ongeraden geoordeeld, omdat, wegens de 



Digitized by 



Google 



BELEG VAN MAASTRICHT. 26 1 

Sterke artillerie van den aanvaller en wegens de groote macht 
welke hij in de parallel kon vereenigen, zulk een uitval weinig 
voordeel kon opleveren. Aan de Fransche zijde was men nu de 
vesting reeds genoeg nabij gekomen om verliezen te lijden door 
het musketvuur der Hollanders. 

Den 2isten ging alles denzelfden gang. Elf stukken van den 
verdediger stonden toen bij de Tongersche poort in batterij en 
deden den aanvaller veel nadeel; van andere batterijen des ver- 
dedigers wordt niet gesproken. Om zijne troepen aan te moe- 
digen deed de bevelhebber alle dagen bijzondere uitdeelingen 
doen van brood, kaas, bier en brandewijn. — Aan de Fransche 
zijde werd toen een zesde batterij opgeworpen van ii stukken, 
tegenover het hoornwerk tusschen de Tongersche en Brusselsche 
poorten. 

De krachtige en beleidvolle wijze waarop de aanval werd be- 
gonnen en voortgezet, had den belegeraar reeds den 2 2 sten met 
zijne loopgraven het glacis doen bereiken. Hier echter staakte 
hij voor het oogenblik den arbeid aan die loopgraven, om, door 
mijnputten en mijngangen, te onderzoeken of de verdediger ook 
een onderaardschen oorlog zou kunnen aanvangen. Het geschut- 
vuur werd intusschen onafgebroken voortgezet, evenals de arbeid 
aan de nieuwe batterijen. 

Bij de belegerden werd weer het voorstel tot een uitval ge- 
opperd, en beschikkingen daartoe genomen, maar later daar 
weer van afgezien, omdat men de loopgraven van den vijand te 
sterk bezet oordeelde. Men wilde toen partij trekken van het 
mijnenstelsel dat Maastricht aan die zijde had; en door een 
mijngang voort te zetten tot op 16 a 17 ellen van eene der 
Fransche batterijen, wilde men daar eene mijn aanleggen om 
die batterij te vernielen ; — maar hiertoe had men den tijd niet. 
Ten einde zich te vrijwaren voor de werking van de mijnen des 
verdedigers, besloot de aanvaller den bedekten weg niet voet 
voor voet, maar stormenderhand te vermeesteren. Tot die af- 
wijking van zijn gewone stelselmatige wijze van aanvallen werd 
Vauban gebracht door de voordeelen welke aan die afwijking 
waren verbonden: daardoor won men tijd, en belette men den 
belegerde gebruik te maken van zijne mijnen, wier aanwending 
niet alleen het beleg gerekt, maar mogelijk den aanvaller nog 
grooter verliezen berokkend zou hebben dan de bestorming van 
den bedekten weg kon veroorzaken. Hier was het verstandig de 
regels op zijde te stellen en iets te wagen. 

De nacht van den 24sten Juni was bepaald voor die bestor- 
ming van den bedekten weg. Op twee punten zou zij onder- 
nomen worden : links, tegen een ravelijn, nog vóór den bedekten 
weg liggende, en vlak achter zich het hoornwerk hebbende, ge- 



Digitized by 



Google 



202 KRIJGS- EN GKSCHIEDKUNDIGlC BESCHOUWINGEN. 

legen tusschen de Tongersche en Brusselsche poorten; rechts, 
op den bedekten weg vóór de werken die vlak voor de Ton- 
gersche poort waren. De linker kolonne zou aangevoerd worden 
door Montal, de rechter kolonne door Monmouth, den basterd- 
zoon van koning Karel II; elke dier kolonnen zou bestaan uit 
eene compagnie Mousquetatres — de keur van het Fransche 
leger — een 300 grenadiers en 4 bataljons andere infanterie ; — 
een menigte fascinen en schanskorven zouden worden medege- 
nomen, de eerste om de gracht vóór het ravelijn te dempen, de 
tweede om dadelijk een logement te maken in den bedekten 
weg. Te gelijk zou Orleans op den anderen oever van de Maas 
een schijnaanval op Wijck doen verrichten, om daardoor de 
krachten van den verdediger te verdeelen. Tien uur was het 
oogenblik, bestemd voor de bestorming; een algemeen salvo van 
de batterij op den Sint Pietersberg zou het sein daartoe geven. 

De belegerden waren niet geheel onkundig van dien toeleg, 
hoezeer zij niet wisten wanneer zij zouden worden aangevallen; 
krijgsgevangenen hadden verteld, dat in het Fransche leger het 
gerucht liep van een aanstaanden storm, en van den wil des 
Franschen konings om reeds den volgenden dag in Maastricht 
de mis te hooren. Fariaux had dus alle maatregelen genomen 
om den vijand af te wachten, en de waarschijnlijke aanvalspunten 
sterk doen bezetten. De kolonel Carry stond met 200 man van 
zijn regiment in den bedekten weg voor de Tongersche poort; 
terwijl een ander Hollandsch regiment, dat van Hofwegen, aan- 
gevoerd door den overste Commersteijn, in naastbijzijnde werken 
als soutien gereed stond. Het ravelijn voor het hoornwerk was 
bezet door het Italiaansche regiment onder Don Mario d'Orilla, 
en het hoornwerk door het grootste gedeelte van het regiment 
van Fariaux, aangevoerd door den overste Sanderland; in naast- 
bijliggende werken waren 200 man van elke der beide Hollandsche 
infanterie-regimenten Prins Maurits en Beaumont geplaatst, be- 
nevens een gedeelte van de Spaansche ruiterij van het regiment 
van Salms, hier als voetvolk optredende; het andere Spaansche 
ruiter-regiment, onder Moerbeek, was, met de Hollandsche rui- 
terij van Wel, nabij de Tongersche poort geplaatst. In Wijck, 
slechts zwak bezet, voerde de overste Pfaffenrode het bevel. 
Fariaux zelf, benevens de tweede bevelhebber (commandeur) Van 
Weede, waren op het front van aanval. 

Den geheelen dag van den 24sten Juni doet zich het Fransche 
geschut onafgebroken hooren; het beschadigt de wallen en ver- 
nielt een goed gedeelte der palissadeering van den bedekten weg; 
te vergeefs trachten de belegerden dit te herstellen. Toen de 
avond is gevallen houdt, zooals gewoonlijk, het vuur der batterijen 
op; maar om tien uur doet zich eensklaps het kanon van den 
Sint Pietersberg hooren; en op dit sein springen twee Fransche 



Digitized by 



Google 



BELEG VAN MAASTRICHT. 263 

kolonnen over de borstwering der loopgraven, en snellen met 
onstuimigheid naar de vesting. Zeer verschillend is de uitkomst 
van dien aanval, door de Fransche troepen met eene buitenge- 
wone dapperheid verricht, bezield als zij waren door de hoop 
om zich roemvol te onderscheiden onder het oog van hun Koning. 

Aan de linkerzijde geleidde de dappere Montal het regiment 
van den Dauphin, voorafgegaan door de Mousquetaires en gre- 
nadiers, en gevolgd door andere bataljons, legen het ravelijn dat 
hij moest bestormen ; hij zelf, Beringhen, de bevelhebber van dat 
regiment, en de bloem van den Franschen adel streden hier, en 
wedijverden om het eerst de vijandelijke wallen te beklimmen. 
De grenadiers wierpen voortdurend handgranaten in het aange- 
vallen werk, met fascinen werd de gracht spoedig voor een ge- 
deelte gevuld, en weldra stormden de Fransche soldaten over 
den aldus verkregen dam tegen het werk op. Hier echter von- 
den zij een vijand, hunner waardig. d'Orilla sloeg met zijne 
Italianen den aanval dapper af, en bracht door musketvuur en 
het werpen van handgranaten den vijand geduchte verliezen toe. 
De strijd was hier hevig, en werd met afwisselende kansen ge- 
voerd. Sanderland kwam met het regiment van Fariaux den Ita- 
lianen te hulp, en bood den vijand het hoofd ; spoedig werd die 
bevelhebber gewond. Ook d*Orilla was buiten gevecht gesteld, 
en de verdedigers begonnen reeds te wankelen onder den woe- 
denden aanval, toen de twee afdeelingen der regimenten van 
Prins Mauriis en van Beaumont ter hulp toesnelden en den 
vijand op zijn beurt deden teruggaan. Ook de Prins van Salms 
nam met zijne afgestegen ruiters deel aan den strijd en betoonde 
daarbij een moed die door onze schrijvers hoogelijk wordt ge- 
prezen. Eindelijk worden de Franschen geheel teruggeworpen; 
de driemaal gedane aanval was driemaal afgeslagen; geen voet 
gronds had Montal vermeesterd, en een aantal zijner soldaten 
vonden den dood in dien strijd. — De Vos, een Hollandsch 
officier, ging, nog gedurende het gevecht, met eenige manschap- 
pen in de droge gracht en vernielde den fascinendam, door den 
vijand daar gemaakt. 

Bij den anderen aanval waren de FranscTien gelukkiger. Mon- 
mouth bestuurde daar den aanval, en stelde zich in persoon aan 
de gevaren van den strijd bloot, met eene onversaagdheid die 
zijn benijders daardoor willen verklaren, dat hij een kogelvrij 
harnas had aangedaan; — zoozeer schijnt men dus toen reeds 
afkeerig te zijn geweest van de zware wapenrustingen, dat men, 
wat vroeger onder bedreiging met strenge straffen was voorge- 
schreven, thans als een soort van oneer beschouwde. De Mous- 
quetaires, door d'Artagnan aangevoerd — een naam waarop 
Alexandre Dumas zijne verdichtselen heeft gebouwd, maar die 
in werkelijkheid de naam is geweest van een uitstekend oorlogs- 



Digitized by 



Google 



204 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

man — storten zich op den bedekten weg, en Carry's regiment 
is niet in staat dien onstiiimigen aanval te keeren; die bevelhebber 
sneuvelt, en met hem een aantal der zijnen; het overige wijkt. 
Commersteijn rukt toen op met het regiment van Hofwegen, en 
houdt den vijand een langen tijd tegen ; maar voor en na vallen 
een menigte officieren ; en toen Commersteijn zelf door een mus- 
ketschot wordt gedood, houden de Hollanders niet langer stand, 
maar wijken, en laten den vijand zich ongehinderd ingraven in 
den bedekten weg. Niet tevreden met dit voordeel, valt d'Artagnan 
nu met zijn Mousquetaires een vooruitspringend ravelijn aan, 
nabij de Jeker; ook dat ravelijn wordt genomen. Fariaux wil het 
laten hernemen door de ruiterij, zoo Hollandsche van Wel als 
Spaansche van Moer beek, die, afgestegen, in de nabijheid stond 
van de Tongersche poort; deze valt den vijand in het ravelijn 
aan, en er heeft daar een hardnekkig gevecht plaats met de 
blanke wapenen; dit eindigt in het voordeel van de Franschen; 
de Hollanders moeten de wijk nemen naar de naastliggende 
werken, en de vijand verschanst zich in het veroverde ravelijn. 

De schijnaanval dien de hertog van Orleans door Lorges op 
Wijck deed verrichten, was bijna in een wezenlijken aanval ver- 
keerd ten gevolge van de weinige maatregelen die hier ter ver- 
dediging waren genomen. Daar hier namelijk aan de Fransche 
zijde volstrekt geen aanvalswerken waren gemaakt, meende de 
verdediger hier niets te vreezen te hebben. De vijand drong dan 
ook bij verrassing in den bedekten weg, maar werd daar na een 
scherp gevecht met eenig verlies weer uitgeworpen. Pfaffenrode, 
de Hollandsche aanvoerder, sneuvelde hier. 

Tot in den vroegen ochtend van den 255100 Juni hield de 
bloedige strijd aan ; toen staakte men het vuur, aan weerszijden ; 
en Lodewijk XIV, die tot dat oogenblik van den Sint Pielers- 
berg de storm had gadegeslagen, achtte nu de overwinning 
beslist, en verliet zijn standplaats om zich in zijn vorstelijke 
legertent ter ruste te begeven. Fariaux evenwel was op middelen 
bedacht om het verlorene te herwinnen, ten minste den vijand 
daaruit te verdrijven^ hij beraamde, op zijn beurt, een aanval 
op het door de Franschen vermeesterde ravelijn; deed het regi- 
ment van Hofwegen, dat veel had geleden en waarvan de meeste 
officieren gevallen waren, aflossen door dat van Prins Maurits; 
en het regiment van Kirkpatrick oprukken om als reserve te 
dienen. Tevens liet hij de mineurs arbeiden aan twee mijnen 
onder het ravelijn dat men wiide aanvallen. 

Om elf uur 's ochtends, toen alles gereed is, doet men de twee 
mijnen springen; een gedeelte van het ravelijn wordt door de 
uitbarsting vernield, en dadelijk valt het regiment van Prins 
Maurits met den blanken degen op den vijand; eenige grena- 
diers ondersteunen dien aanval. Een groot aantal Franschen 



Digitized by 



Google 



BELEG VAN MAASTRICHT. 265 

waren als bezetting in het ravelijn, en dezen, met d*Artagnan aan 
hun hoofd, verdedigen zich manmoedig en houden het gevecht 
twee uur vol; eindelijk bezwijken zij, en de koene aanvoerder 
sneuvelt hier met bijna al zijn soldaten. De Hollanders zijn 
weer in het bezit van het verwoeste ravelijn; — maar een voor- 
naam doel van den storm was door de Franschen bereikt, want 
zij bleven hier meester van den nu bekroonden bedekten weg. De 
Quincy beweert, dat, bij een hernieuwden aanval, Monmouth zich 
nogmaals meester maakte van het ravelijn; eenige van onze 
schrijvers spreken dit stellig tegen; andere echter erkennen het 
eenigszins door te zeggen, tdat de belegerden, na een uur weer 
in het bezit te zijn geweest van het verlorene ravelijn, op de 
nadering van een sterke vijandelijke macht het weer verlieten, 
en terugtrokken in dat gedeelte van den bedekten weg dat bij 
de Jeker is." 

Zoodanig was het beloop van dat gevecht in den nacht van 
den 24sten en in den ochtend van den 2 5 sten Juni, waarbij, naar 
de eenparige getuigenis van de schrijvers welke dit beleg behan- 
delen, beide partijen een uitstekenden moed betoonden, en aan- 
gevoerd werden door opperhoofden, die door hun voorbeeld 
elke zwakheid on verschoon baar zouden hebben gemaakt. Evenals 
Montal en Monmouth bij de Franschen, zoo nam ook Fariaux 
persoonlijk deel aan het gevecht; en een aantal Hollandsche 
bevelhebbers vonden den dood in dien glorievollen strijd. De 
aanvallers waren slechts gedeeltelijk geslaagd in hun toeleg: de 
bekroning van den bedekten weg naar de zijde van de Ton- 
gersche poort was goed verricht; maar de aanval op het rave- 
lijn vóór het hoornwerk was geheel en al mislukt. Wat de ver- 
liezen betreft, die der Franschen bij dezen storm worden door 
onze schrijvers begroot op meer dan 2000 man; er is mogelijk 
overdrijving in die begrooting; maar zeker is het, dat de ge- 
deeltelijke bekroning van den bedekten weg den aanvaller toch 
op een duren prijs kwam te staan. Ook aan onze zijde moeten 
de verliezen aanmerkelijk zijn geweest, te oordeelen naar die 
enkele bijzonderheid door onze schrijvers vermeld, dat alleen bij 
die poging om het verlorene ravelijn bij de Jeker te hernemen, 
het regiment van Prins Maurits over de honderd man aan doo- 
den verloor. — Als een bijzonderheid wordt vermeld, dat vier 
majoors of kapiteins, die, door het buiten gevecht stellen van 
hoogere officieren, bij dezen storm aan het hoofd van regimenten 
stonden en met onderscheiding de wapens voerden, alle vier uit 
Tiel afkomstig waren ; ook toenmaals leverde dus de geboortestad 
van Chassé helden op. 

Oogenblikkelijk na het eindigen van het gevecht begonnen de 
batterijen van den aanvaller opnieuw het vuur. Fariaux deed, 
van zijn zijde, arbeiden aan eene binnenverschansing achter den 



Digitized by 



Google 



206 KRIJGS- EM GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

hoofdwal, van de Brusselsche poort tot nagenoeg halfweg de 
Tongersche poort, — het punt waar zich toenmaals de Sint- 
Servaas-poort bevond. Die arbeid ging echter traag voort, daar 
de burgers die men daartoe gebruikte, hun arbeid telkens 
staakten uit vrees voor de uitwerking van de vijandelijke batte- 
rijen ; ook begon zich reeds duidelijk een geest van onwil bij de 
burgerij te openbaren, zoodat de bevelhebber het noodig oor- 
deelde, ter verzekering der orde, de uileinden van de Maasbrug 
te bezetten, en sterke patrouilles ruiterij door de stad te laten gaan. 
Volgens enkele van onze schrijvers moet Fariaux in den nacht 
van den 25sten nogmaals een mijn hebben aangewend tegen het 
verlorene ravelijn, en daardoor de laatste overblijfselen van dat 
werk met de daar aanwezige Franschen in de lucht hebben 
doen springen; in hoever dit al dan niet waar is, is nioeielijk 
te zeggen; — maar zooveel is zeker, dat de aanvaller zich niet 
verder rechts uitbreidde naar de zijde van de Jeker, maar de 
bekroning van den bedekten weg verder links vervolgde, naar 
den kant van het hoornwerk en van het daarvoor liggend rave- 
lijn. Eene zevende batterij, voor 9 stukken, werd door de Fran- 
schen aangelegd in de bekroning van den bedekten weg; die 
batterij moest bresschieten in den hoofdwal bij de Tongersche 
poort en in het daarvoor gelegen ravelijn. Door de achterlig- 
gende batterijen waren reeds op andere punten van den hoofd- 
wal, met name in de nabijheid van de Sint-Servaas-poort, aan- 
merkelijke bressen geschoten; ook het hoornwerk was op ver- 
schillende punten open, en andere werken zeer beschadigd. 

Nadat eene poging van de vijandelijke loopgravenwacht, om 
zich in den nacht van den 27sten meester te maken van het ravelijn 
voor het hoornwerk, was verijdeld, werd die poging den 28stcn met 
meer geluk hervat. Die storm werd aangekondigd door een paar 
kanonschoten, 's avonds om 10 uur gelost; eene mijn, onder den 
saillant van het ravelijn aangelegd, sprong; en dadelijk had nu 
de aanval plaats, aan de rechterzijde door Fourilles met het 
regiment van Picardie en eenige andere troepen, aan de linker- 
zijde door Lorges met twee Fransche bataljons en twee bataljons 
Zwitsersche garde. De Franschen houwen de palissadeering omver 
en beklimmen den wal; de Italianen die in het ravelijn zijn, 
ontzet door het springen van de mijn, zijn niet in staat aan 
*s vijands overmacht weerstand te bieden, en wijken ijlings naar 
het hoornwerk ; dit gaat, zooals uit den aard der zaak voortvloeit, 
in groote wanorde; en de Franschen, de terugtrekkenden op den 
voet volgende, dringen te gelijk met hen de bressen van het 
hoornwerk binnen. Het regiment van Fariaux was daar als be- 
zetting; maar vriend en vijand te gelijk het werk ziende binnen- 
dringen, werd het daardoor zoodanig in wanorde en vrees ge- 



Digitized by 



Google 



BELEG VAN MAASTRICHT. 267 

bracht, dat een gedeelte ijlings, over borstwering en gracht 
heen, de vlucht nam naar de stad; het overige gedeelte^ in ver- 
warring, hield eenigen tijd een ongelijkep strijd vol, maar werd 
eindelijk door de Franschen gedood of gevangen genomen. Groot 
waren hier de verliezen der Nederlanders; onder anderen sneu- 
velde toen de dappere Sanderland, drie dagen te voren reeds 
gewond, bij de bestorming van den bedekten weg. £ene kleine 
afdeeling Hollanders was teruggetrokken in de binnenverschansing 
van het hoornwerk, en bleef zich hier handhaven tot den vol- 
genden ochtend; toen, hevig bestookt door de handgranaten die 
de vijand in menigte in die kleine verschansing wierp, trokken 
de verdedigers door de droge gracht naar den hoofdwal terug, 
en kwamen door een ingang bij de Brusselsche poort weer bin- 
nen de stad. Lodewijk XIV, onderricht dat de aanval van zijne 
troepen met geluk bekroond werd, zond dien troepen aan- 
merkelijke versterkingen; zij zetten nu hunne voordeden voort, 
en vermeesterden den geheelen bedekten weg en de verschillende 
buitenwerken tusschen de Brusselsche en Tongersche poorten, op 
het ravelijn na, vóór laatstgenoemde poort gelegen. De bezetting, 
door schrik geslagen, betoonde op lange na niet die geestkracht, 
die zij vier dagen vroeger had aan den dag gelegd: Fariaux, 
Salms en andere bevelhebbers moesten, met de piek in de hand, 
de vluchtelingen tegenhouden en op den hoofdwal herzamelen. 

De laatste oogenblikken der verdediging waren gekomen; de 
vijand stond nu voor den hoofdwal ; en den sQsteo deed zich de 
donder van het Fransche geschut onafgebroken hooren, en wer- 
den de bressen vergroot bij de Sint-Servaas-poort reeds aanwezig. 
De batterij van 9 stukken tegen de Tongersche poort was reeds 
genoegzaam voltooid, en zou binnen kort haar vuur kunnen 
openen; de Franschen arbeidden bij het ravelijn voor die poort 
aan eene afdaling in de gracht, later aan een grachtsovergang, 
en eindelijk aan een mijn in den saillant van het ravelijn. Dat er 
nabij de Tongersche poort binnen kort bres zou geschoten wor- 
den, is zeker; dat die bres geschoten is, en, zooals Valckenier 
zegt, een breedte had van 10 roeden, schijnt niet juist; — zooals 
in het algemeen het dichterlijke verhaal van de belegering van 
Maastricht, door dien schrijver gegeven, vol overdrijving en onjuist- 
heid is. Fariaux nam, zoo goed en zoo kwaad als hij kon, alle 
maatregelen ter verdediging: hij deed door de nog bruikbare 
artillerie *s vijands vuur beantwoorden, liet onophoudelijk hand- 
granaten werpen, en patrouilles rondgaan in de droge grachten, 
ter ontdekking van 's vijands pogingen tot het maken van grachts- 
overgangen of tot het ondermijnen van den hoofdwal; tevens liet 
hij een aantal kruittonnen nabij de bressen brengen, om bij 
een storm tegen den vijand te kunnen dienen. Achter die bres- 
sen had men nog een binnenverschansing; maar die had men 



Digitized by 



Google 



268 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

niet achter den hoofdwal bij deTongersche poort, waar het te voor- 
zien was, dat weldra het vijandelijke geschut ook bres zou schieten. 
Oudtijds, bij de belegeringen in de Nederlanden, rekende men 
dat de verdediging eerst dln krachtdadig begon, wanneer de 
vijand genaderd was tot den hoofdwal; de burgers van Haarlenu 
van Alkmaar, ook eertijds die van Maastricht, en van zooveel 
andere steden, hielden daar de geduchte Spaansche legerbenden 
tegen, en beantwoordden toen reeds ten volle aan Carnot's stel- 
regel : dat bij de ' bres de ware verdediging van eene vesting 
moet beginnen. Zooveel geestkracht werd vroeger bij dit gedeelte 
van het oorlogvoeren door ons betoond, zóó streng waren de 
beginselen omtrent den plicht van den bevelhebber eener vesting, 
dat in 1586 de bevelhebber van Grave door beulshanden het 
leven verloor, omdat hij te vroeg zijn vesting had overgegeven; 
toch was er toen reeds bres in den hoofdwal, en was er reeds 
een storm afgeslagen. Maar die heldentijd was in 1673 voorbij; 
en Fariaux, hoe uitstekend hij zich tot nu toe ook gedragen 
had, was niet de man om, als een Ripperda, tot aan zijn laatste 
krachten de in puin liggende wallen aan den vijand te betwisten ; 
hij oordeelde reeds lang genoeg de verdediging te hebben vol- 
gehouden tegen een zoo sterk leger; hij meende reeds roem 
genoeg te hebben verworven door den kamp tegen den Fran- 
schen koning; hij was nu bedacht op middelen om, door eene 
voordeelige capitulatie, zijne troepen te behouden voor het land. 
Het denkbeeld van eene verdediging tot het laatste oogenblik 
schijnt bij Fariaux niet te hebben bestaan. 

Om billijk te zijn moet hier worden bijgevoegd, dat de uit- 
voering van zulk een denkbeeld ook te kampen zou hebben 
gehad met den onwil en de openlijke wederstreving van de 
Maastrichtsche burgerij. 

Het was niet meer die burgerij, die, nog geen eeuw geleden, 
met zoo onsterfelijke dapperheid hare wallen maanden lang be- 
twistte aan het Spaansche leger; de helden die dit deden hadden 
bijna allen den dood gevonden, en de bevolking was toen nage- 
noeg uitgemoord geworden. Eene andere burgerij had haar ver- 
vangen, die op lange na niet de volksdeugd der vroegere had, 
van geen opofferingen voor de algemeene zaak wilde hooren, 
en mogelijk in stilte verheugd was dat de Fransche wapenmacht 
haar zoude afscheuren van eene Republiek, waar zij weinig of 
geen deel had aan de staatsrechten, en in hare godsdienstige 
gezindheid gekrenkt werd. Verre dus, dat de burgerij deel zou 
nemen aan het bestrijden van den vijand, was zij integendeel 
onwillig tot het verrichten van dien arbeid die de verdediging 
moest verlengen; en toen de aanvalswerken des vijands reeds 
tot den hoofdwal waren genaderd en zijn geschut wijde bressen 



Digitized by 



Google 



BELEG VAN MAASTRICHT. 269 

in dien wal had geopend, barstte die burgerij bijna tot een vol- 
slagen opstand uit. Met een wezenlijken of voorgewenden schrik, 
herinnerde men zich den jaardag van den agsten Juni, den dag 
toen Parraa's leger als een alles overweldigende stroom de ves- 
ting binnendrong, en de moord door de straten der stad voort- 
holde. Men riep dat men zich niet moest blootstellen aan eene 
herhaling van dien dag van jammer en toorn; dat het onverant- 
woordelijk was, eene weerlooze burgerij door de krijgsbenden 
van Lodewijk XIV te doen slachten, die, stormenderhand de 
stad binnendringende, even weinig mededoogen zouden kennen 
als vroeger de Spanjaarden: dat het dus plicht was, met den 
vijand in vergelijk te treden en de stad over te geven, daar toch 
geen ontzet was te wachten, en de verdediging onmogelijk nog 
lang kon worden gerekt. 

Fariaux poogde in den beginne de burgerij tot betere gedach- 
ten te brengen, en haar aan te moedigen tot het voortzetten 
van de verdediging; maar de herhaalde bezendingen van de 
stedelijke regeering en van de geestelijkheid, de dringende ver- 
loogen door die lichamen ingebracht, de volksoploopen die al 
meer en meer ernstig en dreigend werden, het buiten gevecht 
stellen van een aantal bevelhebbers en andere officieren, de 
meening van den krijgsraad die tegen de voortzetting van de 
verdediging was, — dit alles deed den opperbevelhebber be- 
zwijken en toegeven. Den 3osten Juni werd het sein der over- 
wonnenen, de Chamade^ op den hoofdwal geslagen; men trad in 
onderhandeling met den vijand; en den isten Juli werd eene 
capitulatie gesloten, waarbij de overgave der vesting werd be- 
dongen tegen vrijen aftocht der bezetting met wapens en krijgs- 
eer. — Den 2 en Juli defileerde de bezetting voorbij Lodewijk XIV 
en bereikte den 6en 's Hertogenbosch. 

Zoodanig was dat beleg van Maastricht, voor zoover men dit 
kan opmaken uit de onvolledige, onduidelijke en tegenstrijdige 
berichten der verschillende schrijvers. Wij waarborgen niet, dat 
het verhaal dat wij daaruit hebben samengesteld, in alle bijzon- 
derheden waar is; maar wij geven het als het meest waar- 
schijnlijke. Aan nauwkeurigheid en waarheid heeft de krijgs- 
geschiedenis sedert de 17e eeuw zeker zeer veel gewonnen; want 
stellig zal men bij de schrijvers over een hedendaagsch wapen- 
feit nooit zulke tegenspraak vinden als bij de schrijvers over 
het beleg van Maastricht. Dat men de eene of andere verrich- 
ting, het een of ander wapenfeit bij de eene partij wel eens 
geheel anders ziet voorgesteld dan bij de andere en het belang 
daarvan ziet vergrooten of verkleinen, naar gelang van den land- 
aard des schrijvers, — dit zal men ook in de 19e eeuw nog 
aantreffen; maar toch niet in die mate als vroeger. De eene 



Digitized by 



Google 



270 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

schrijver over het beleg van Maastricht spreekt van een aantal 
mijnen, waarvan de andere zwijgt; van bressen, die denkelijk niet 
bestaan hebben; zelfs omtrent de datums bestaat verschil: de 
eene schrijver stelt de inneming van het hoornwerk op den 
aysien^ de andere op den aSsten Juni; volgens den een zijn 
de loopgraven geopend in den nacht van den i3cn, volgens 
anderen in den nacht van den i7en; volgens onze schrijvers 
heeft het beleg geduurd 17 dagen, volgens de Fransche slechts 
ï3i volgens Voltaire zelfs slechts 8; — 't is waar, de laatste 
heeft als geschiedschrijver bij het vermelden van feiten eene 
lichtzinnige oppervlakkigheid, die den lezer telkens de eigen 
woorden des schrijvers in het geheugen roept : „e/ cependant, eest 
ainsi quon écrit Vhhtoire^'* 

Ook de opgaven van de verliezen zijn, zooals gewoonlijk, uit- 
eenloopende. Bij de monstering, den 6en Juli te 's Hertogenbosch 
over de uitgetrokkene bezetting gehouden, bleek het dat die toen 
nog de volgende sterkte had: de 8 Hollandsche regimenten 
infanterie 2230 man; het Italiaansche regiment 225; de 12 com- 
pagnieën Hollandsche kavalerie — vroeger werd van 13 com- 
pagnieën gesproken — 412 ruiters; de 2 Spaansche regimenten 
van Salms en Moerbeek 350 ruiters; alles en alles 2455 ii^f2.n- 
teristen en 762 ruiters. Men kan dus daaruit besluiten, dat het 
verlies, in het beleg geleden, niet boven de 16 è. 1700 man 
was, aan dooden en gewonden; de gevangenen waren, aan weers- 
zijden, ontslagen. — Onder de gewonde officieren wordt Coehoorn 
vermeld, toen kapitein der infanterie. 

De verliezen der Franschen worden, volgens hunne eigene op- 
gaven, op een groote 2000 man geschat; maar onze schrijvers 
stellen die veel hooger, en begrooten ze op 6, op 8, zelfs op 
10 000 man. De schrijver van de Guerre de Hollande zegt, dat 
het Fransche leger bij het beleg van Maastricht een 3000 man 
verloor. 

Wat bij Rousset voorkomt over dit beleg van Maastricht ver- 
dient hier kortelijk vermeld te worden, omdat het dit wapenfeit 
voorstelt uit het gezichtspunt van den belegeraar. Het beleg van 
Maastricht in 1673 was de eerste der groote belegeringen door 
Lodewijk XIV in persoon bestuurd; vandaar dat de meeste 
Fransche schrijvers dat beleg met zooveel ophef en met zooveel 
welgevallen behandelen; de voorstelling die Rousset van het 
beleg geeft, is duidelijk, goed beredeneerd en vrij onpartijdig. 

{Hhtoire de Louvois^ i® deel, blz. 452). >De Koning wilde wer- 
kelijk al den roem van den veldtocht voor zich behouden. Het 
jaar te voren had hij Maastricht verwaarloosd, om sneller door 
te dringen tot in het hart van Holland; daar dit jaar Holland 



Digitized by 



Google 



BELEG VAN MAASTRICHT. 27 1 

hardnekkig zijn grond onder water liet, liever dan dien over te 
geven, was Maastricht het eenige kwetsbare punt, waar de toorn 
van Lodewijk XIV het nog kon treffen. Meer uit hoogmoed dan 
uit voorzorg, bracht Lodewijk XIV alles bijeen wat ter over- 
winning kon leiden; een mislukte onderneming zou nog meer 
kwaad hebben gedaan aan zijn roem dan aan zijn belangen; 
alleen met wiskundige zekerheid wilde hij toeslaan. Daar de 
32000 man, die hij zich voorbehouden had bij de verdeeling 
van de strijdkrachten, hem niet genoegzaam voorkwamen tot 
afwering van elke kwade kans bij een zoo groote onderneming, 
had hij besloten, een deel van Turenne's leger aan het beleg te 
doen deelnemen. Turenne werd dus evenzeer opgeofferd als 
Condé ; maar hij had minder reden tot klagen, daar hij nog geen 
vijand had te bestrijden. Indien 's Keizers troepen al tegen hem 
zouden oprukken, scheen het toch dat zij nog niet gereed waren 
om hunne kwartieren te verlaten; de traagheid van die troepen 
was spreekwoordelijk geworden bij alles wat krijgsman was. Niet 
alleen dat Turenne geen zwarigheid maakte om zich te berooven 
van een deel zijner legermacht, maar hij achtte de inneming van 
Maastricht zelfs van zoo hoog gewicht voor 's Konings belangen, 
dat hij Louvois voorstelde om eene grootere macht af te zen- 
den dan deze hem vroeg." 

Den 6en Juni wordt Maastricht ingesloten op den linkeroever 
van de Maas; den yen op den rechteroever. Door schijnbewe- 
gingen heeft het Fransche leger de Spanjaarden misleid, die niet 
vermoedden dat het Maastricht zou gelden (Rousset, blz. 458): 

...>Wat graaf Monterey aangaat, hij was volkomen misleid 
geworden; geen enkel Spanjaard had er aan gedacht, zich bin- 
nen de vesting Maastricht te werpen. Toch was de bezetting, 
hoezeer aan eigen krachten overgelaten, in geenen deele ont- 
moedigd; zij bestond uit 6 k 7000 man goede troepen, aange- 
voerd door een zeer verdienstelijk officier, een Franschman van 
afkomst: zijn naam was Fariaux." — Niet geheel juist. 

Den loen Juni komt Lodewijk XIV voor Maastricht; er wor- 
den kampen gemaakt; circonvallatie- en contrevallatie-liniën ; 
schipbruggen over de Maas, boven en beneden de stad: 

(Blz. 458)...» Binnen de liniën hadden de Fransche troepen 
eene werkelijke sterkte van 26000 man voetvolk en 19000 ruiters; 
het artillerie-park bestond uit 58 vuurmonden ; in de magazijnen 
van het kamp had men leeftocht en munitie voor zes weken." 

Men maakt een begin met drie aanvallen : tegen Wijck, tegen 
de Brusselsche poort, en tegen de Tongersche poort; »van die 
drie aanvallen was alleen de laatste een ernstige aanval" (blz. 
459). De loopgraven worden geopend, nabij de Jeker, in den 
nacht van 17 op 18 Juni; — ook Rousset*s opgave is hier in 
strijd met die van ónze schrijvers: 



Digitized by 



Google 



272 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

(Blz. 459—468) . . . iDen volgenden dag ving het vuur van weers- 
zijden, met ongewone hevigheid aan; in 30 uren tijds deden de 
Fransche batterijen, met 26 vuurmonden bewapend, niet minder dan 
5000 schoten; een dier batterijen, op den Sint Pietersberg, tusschen 
de Jeker en de Maas, deed vooral eece groote uitwerking omdat 
zij eenige werken der vesting van ter zijde nam (/) re^'ers)] het 
geschut der vesiing, aanvankelijk zeer goed bediend en gericht, 
werd dan ook spoedig gedemonteerd, of tot zwijgen gebracht. 

Toch verbaasde die uitwerking van het geschut de verdedigers 
van Maastricht nog minder dan de wijze waarop de aanvals- 
werken werden geleid; zelfs bij de belegeraars wekte dit ver- 
bazing op, en bewondering. Gewoonlijk gingen de loopgraven 
vooruit met smalle gangen, op zichzelve staande, of ten minste 
zonder geregelde gemeenschap. Vauban was op het denkbeeld 
gekomen om de loopgraven breeder te maken, ze te verbinden 
door parallellen, en deze van uitgebreide wapenplaatsen te 
voorzien, waar de loopgravenwacht zich bij een uitval van den 
vijand ongehinderd kon ontwikkelen. De parallellen waren, zeide 
men, voor het eerst door de Turken gebruikt bij de belegering 
van Candia; misschien was Vauban er mee bekend geworden 
door een jong ingenieur, Paul genaamd, die bij de Venetiaansche 
krijgsmacht had gediend;" (in eene noot wordt gezegd: ^die 
jonge ingenieur, van wien men veel verwachting had, sneuvelde 
juist bij dit beleg van Maastricht"), i zooveel is zeker, dat hij" 
(Vauban) idit nieuwe aan valsmiddel dadelijk tot een hoogen 
trap van volmaaktheid bracht. De wijze waarop de loopgraven 
werden geleid" — zoo heeft Lodewijk XIV gezegd — t belette 
den belegerden iets te ondernemen; want het was zoo goed als 
in slagorde dat men de vesting naderde, met groote parallellen, 
breed en ruim, zoodat men, met behulp van de banketten die 
daarin waren, met een zeer groot front den vijand kon te ge- 
moet gaan. De Gouverneur en de officieren die in Maastricht 
waren, hadden nog nooit iets dergelijks gezien; hoewel Fariaux 
reeds in vijf of zes belegerde steden was geweest, maar waar de 
aanvaller alleen vooruitging met loopgraven, zóó eng, dat het 
bij den minsten uitval onmogelijk was daar stand te houden. De 
vijand, verbaasd ons op die wijze en met zoo sterke macht te 
zien naderen, besloot niets te ondernemen, zoolang wij op zoo 
omzichtige wijze bleven vooruitgaan." — Na die getuigenis van 
Lodewijk XIV nu de getuigenis van een subaltern officier: 
>in de eerste dagen hebben die loopgraven ons weinig gekost; 
bij dit beleg, en bij vele andere, heeft Vauban door zijne kunde 
veel menschenlevens behouden. Wie in de loopgraven gaat, gaat 
ter slachtbank, — zeide men eertijds; thans richt hij ze zóó in, 
dat men tehuis nauwelijks veiliger is." {Mémoires inédit% du Comie 
d^Aligny; — hij was toen subaltern officier bij de Mousqueiaires). 



Digitized by 



Google 



BELEG VAN MAASTRICHT. 273 

»Het leven van den soldaat te sparen; te voorkomen dat het 
altijd kostbare menschenbloed noodeloos werd vergoten; dit is, 
inderdaad, altijd het voorname streven geweest van Vauban, zijn 
eer, zijn roem. Niets evenaarde dan ook zijn misnoegen jegens 
hen die roekeloos en onnoodig het leven waagden, tik weet 
niet," zeide hij, >met wat naam ik het moet bestempelen, praal- 
zucht, ijdelheid, of luiheid, die neiging die wij hebben om ons 
ten ontijde door den vijand te laten zien, en om, zonder nood- 
zakelijkheid, ons bloot te geven buiten de loopgraven ; maar ddt 
weet ik, dat die luiheid of die ijdelheid — noem het zooals gij 
wilt — ons gedurende dit beleg meer dan honderd man heeft 
gekost, die gesneuveld zijn of gewond, geheel ten ontijde en 
zonder nut. Dat is een erfzonde die de Franschen nooit zullen 
afleggen, tenzij dat God almachtig het geheele ras van aard ver- 
andert." — Lodewijk XIV zelf, was niet geheel en al vrij van 
dit gebrek" 

9 Naar gelang men de vesting meer nabij kwam, werd de nade- 
ring met meer nadruk betwist door den verdediger; Louvois was 
verplicht de waarde te erkennen van eene verdediging, idie 
men," — zeide hij — » van de Hollanders niet had kunnen ver- 
wachten." De loopgraven hadden intusschen den teen van het 
glacis bereikt. In den nacht van 24 op 25 Juni snelden drie 
stormkolonnen gelijktijdig uit de drie hoofden van aanval voor- 
uit. Bij den aanval naar de zijde van de Tongersche poort 
vermeesterden en behielden de bestormers den bedekten weg en 
het ravelijn vóór het hoornwerk; vruchteloos waren het vreese- 
lijke musket- en granaatvuur van de belegerden, de mijnen die 
zij deden springen, en de tegenaanval door Fariaux in persoon 
bestuurd. Bij de twee andere aanvallen, die alleen hadden 
moeten dienen om de eerste te begunstigen, moest men zich 
tevreden stellen met het verwoesten van de werken, die men 
eenige uren in bezit had gehad; ongelukkig had, bij den linker 
aanval^ naar de zijde van de Brusselsche poort, Montal, 
door zijn drift vervoerd, zijne bevelen overschreden en nutteloos 
veel volk opgeofferd. Over het geheel had men een belangrijk 
voordeel behaald; maar, hoe duur gekocht! d'Artagnan, de ver- 
maarde aanvoerder der Mousquetaires, was gesneuveld; 120 offi- 
cieren, 80 mousquetaires en 700 soldaten waren gedood of ge- 
wond. Zeker is het echter, dat dit gevecht, dat zoo duur betaald 
was, het einde van het beleg toch zeer verhaastte. In den nacht 
van 27 op 28 Juni werd het hoornwerk genomen, met veel minder 
inspanning en verlies ; men groef zich daar in ; in den nacht van 
29 op 30 werd eene bresbatterij opgeworpen^ en in het laatste 
ravelijn vóór de Tongersche poort een mijnkamer gemaakt. Den 
3osten, met het aanbreken van den dag, hadden alle batterijen 

WILLEM IIL — I. 18 



Digitized by 



Google 



274 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

haar vuur geopend, toen de belegerden vroegen om te onderhan- 
delen. Spoedig werd men het eens over de voorwaarden der 
overgave. Den 2en Juli trok de bezetting uit naar 's Hertogen- 
bosch; zij had meer dan 2000 man verloren. Dank zij Vauban, 
waren de verliezen van het Fransche leger minder, in weerwil 
van den bloedigen strijd van den assten; zij bedroegen niet meer 
dan 15 of 1600 man." 

Het kan misschien bewezen worden, dat Amerika ontdekt is, 
nog vóór Colurabus; toch is en blijft Columbus de ware ont- 
dekker. Zoo is het ook met Vauban en de parallellen: al heb- 
ben de Turken voor Candia gebruik gemaakt van parallellen; 
al merkt men ook bij nog vroegere belegeringen aanvalswerken 
op, die zeer veel hebben van eene aanwending der parallellen, 
toch is en blijft Vauban de uitvinder; want hij is de eerste ge- 
weest, die ze voortdurend en naar vaste stelregels heeft gebruikt. 
Dat dit, wat de groote belegeringen betreft, het eerst voor Maas- 
tricht is gebeurd, doet Rousset met recht uitkomen ; — over het 
geheel is zijn verhaal van dat beleg goed. 

Het is een oude opmerking, dat men bij de Fransche schrijvers 
niet te veel moet bouwen op nauwkeurigheid van de cijfers ; het 
is, alsof zij die nauwkeurigheid als iets van ondergeschikt belang 
beschouwen; de toeleg om den lezer opzettelijk te misleiden be- 
staat bij hen niet; want meestal geven zij zelve de middelen aan 
de hand om het onjuiste in hunne opgaven aan te wijzen. 
Rousset geeft hiervan weer het bewijs. Het verlies van de Fran- 
schen bij den storm van den 24sten op den 25sten Juni begroot 
hij, aan dooden en gewonden, op »i2o officieren, 80 Mousque- 
taires en 700 soldaten"; dus dat maakt, goed geteld, te zamen 
900 gesneuvelden en gewonden. Maar in een noot voegt hij er 
bij: het Regiment du Rot had het meest geleden: 53 officieren 
gedood of gewond, 200 soldaten gesneuveld, 330 gewond; dan 
volgt het Regiment du Dauphin: 40 officieren en 300 soldaten aan 
dooden en gewonden." — Telt men dit alles op, dan komt men 
tot een cijfer van 923 man aan dooden en gewonden. Dus, alleen 
die twee regimenten zouden reeds meer verloren hebben dan het 
geheele leger, waarvan het verlies op 900 man wordt gesteld ! — 
Dat zijn dus cijfers die maar onnadenkend zijn neergeschreven. 



Toen Maastricht ingenomen was, vreesde Willem III dat het 
nu de eene of andere Noord-Brabandsche vesting zou gelden, 
Den Bosch of Breda. Om die vestingen te beschermen had de 
Stadhouder, omstreeks half Juli, bij Greertruidenberg eene macht 
vereenigd van een 18000 man; hij had de toezegging van de 
zijde der Spanjaarden, dat dezen met een 15000 man zijn leger 
zouden versterken ; — op die 15 000 Spanjaarden viel echter niet 



Digitized by 



Google 



ONTBINDING VAN HET LEGER VAN LODEWUK XIV. 275 

veel te rekenen, daar de Spaansche bewindhebbers van die dagen 
milder waren met hunne beloften dan met htmne daden: het 
was geen kwade trouw van hunne zijde, maar onmacht, die zij 
poogden te verbergen onder grootspraak. Een oogenblik scheen 
het, alsof het werkelijk Noord-Braband zou gelden; want den 
i5en Juli verliet Condé, met een deel zijner macht, Utrecht; 
trok eerst op Arnhem, en nam daarna stelling tusschen Grave 
en Den Bosch: hier, versterkt door eenige troepen van het leger 
bij Maastricht, had Condé een 12 a 14000 man bijeen, en maakte 
hij verschillende toebereidselen die het voornemen schenen aan 
te duiden om Den Bosch te belegeren. 

Van dat beleg kwam echter niets. Lodewijk XIV oordeelde 
genoeg gedaan te hebben met het nemen van Maastricht; daar 
werd eene bezetting geplaatst van een 6000 man voetvolk en 
een 1200 ruiters, onder d'Estrades; het overige van het Fransche 
leger ging uiteen: de afdeeling, ontnomen aan Turenne's leger, 
keerde derwaarts terug; eene andere afdeeling, onder Rochefort, 
trok naar den Moezel, naar Trier; Condé ging met een 8000 
man naar Vlaanderen, waar hij het opperbevel verkreeg. In 
Holland werd Luxembourg weer opperbevelhebber. — Zoo loste 
zich die onweerswolk op, die Holland had bedreigd. 

Toentertijd begonnen er vredesonderhandelingen te Keulen ; 
zij hebben tot niets geleid, en daarom zullen wij er ons niet bij 
ophouden. Wij bepalen ons met in het algemeen te zeggen, dat 
Frankrijk daarbij den afstand eischte van Maastricht, van Staats- 
Braband en van Nijmegen. De zuidelijke grens 'van het grond- 
gebied der Republiek zou dus dan zijn uitgemaakt door den 
Waal en de Maas. 

• Misschien," zegt Rousset (i* deel, blz. 473—474), «zouden 
de Hollanders het jaar te voren op die voorwaarden vrede heb- 
ben gesloten; maar de toestand was geheel veranderd. Holland 
verkreeg met den dag bondgenooten, terwijl Frankrijk geïsoleerd 
begon te worden ; de overwinningen, door De Ruyter en Tromp 
behaald op de vereenigde vloten van Frankrijk en Engeland, 
verzekerden niet alleen hun land aan de zeezijde, maar gaven 
het zelfs een krachtig overwicht ter zee. Het was dus wel Lou- 
vois* eigen schuld, als hij niet begreep idat de Hollanders zoo 
door den duivel bezeten waren, van geen vrede te willen." 

Openlijk werd nu bijstand toegezegd aan Holland, — toege- 
zegd , dit moet niet altijd vereenzelvigd worden met gegeven — : 
...iDen 3o5ten Augustus" (i 673) > werden in Den Haag drie offen- 
sieve verbonden gesloten tusschen de Staten- Generaal, den Kei- 
zer, den koning van Spanje en den hertog van Lotharingen. Het 
was de aanvang der coalitiën tegen Frankrijk..." (Hhtoire de 
Louvois^ I* deel, blz. 474). 



Digitized by 



Google 



276 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

•Hoe!" — roept Rousset verder uit (blz. 477 — 478) — ihoe! 
De diplomatie en de wapenmacht waren volkomen geslaagd bij 
zooveel ondernemingen; zooveel steden waten veroverd, om 
zoo te zeggen in het voorbijgaan; èn toch had men daardoor 
ten vorigen jare geen vrede kunnen krijgen! Hoe! was dit jaar 
alles niet ten einde gebracht, nu de keurvorst van Brandenburg 
de wapenen had neergelegd, nu Maastricht was ingenomen! 
Hoe! dat kleine Holland, waarvan de eene helft was veroverd 
en de andere helft onder water stond, dat bood nog weerstand; 
en niet alleen dat het nog weerstand bood, maar het hitste zelfs 
een groot deel van Europa tegen Frankrijk op! En toch was 
het zoo; de oorlog met Holland was geëindigd; de oorlog met 
Europa begon." 

Die opmerking van den Franschen schrijver is van eene tref- 
fende waarheid ; wie met wijsgeerigen blik de geschiedenis gade- 
slaat, zal in de gebeurtenissen van 1672 en van de volgende 
jaren weer een opmerkelijk bewijs vinden hoe het kwaad zich 
zelf straft, en hoe de vernedering vaak volgt op den hoogmoed. 
Tegen alle recht in, begint Lodewijk XIV in 1672 den oorlog 
tegen ons; hij overwint, spoedig en volkomen; de Republiek 
ligt machteloos aan zijne voeten, zij smeekt om vrede, zelfs 
onder harde, onder drukkende voorwaarden;. — vergeefs: de 
trotsche overwinnaar, door zijn krijgsgeluk bedwelmd, luistert 
naar niets en heeft slechts spot en hoon ten antwoord; — het 
is, alsof men den Ilias leest, waar Homerus »de nederige beden 
(de smeekgebeden, dochters van Jupiter)" afschildert, »die, met 
gerimpeld gela*at en met kreupelen tred den hoon volgen, om 
zijn vergrijp te boeten." — Maar die onverbiddelijkheid van den 
overwinnaar strekt hem ten verderve; onze voorouders putten 
moed uit hun wanhoop; zij gorden zich krachtig aan tot den 
kamp tegen Frankrijk; met eiken dag winnen zij in sterkte en 
zelfvertrouwen; weldra is het Frankrijk, dat, den krijg moede, 
naar vrede streeft ; weldra is het de Republiek, is het Willem UI, 
die van geen vrede willen weten; en de dag van vergelding zal 
aanbreken, waarop de Fransche koning te vergeefs zijn trots zal 
buigen voor dat Nederland, dat hij eenmaal zoo versmaadde. Er 
is waarheid in de verzen van Helmers: 



41 



ȣen Fransche Sultan zendt zijn benden, 
met ketenen naar Holland neer. 
Één polsslag nog, — wij zijn niet meer! 
Wie zal die rampen van ons wenden? — 
Hoe! wanhoopt gij? — God kent uw wee; 
de Sultan die in de arm der weelde, 
reeds Neêrland's grond als buit verdeelde, 
smeekt ras aan Nederland om vree." 



Digitized by 



Google 



ONTBINDING VAN HET LEGER VAN LODEWlJK XIV. 277 

Tegenwoordig wordt de grootheid van Willem III als staats- 
man en regent door niemand betwijfeld, die niet geheel en al 
vreemd is aan de studie der geschiedenis. In 1673 oordeelde 
Louvois er nog anders over ; later is hij van meening veranderd. 

Pas opgetreden als hoofd van de Republiek ontwikkelt de 
Stadhouder, reeds toen, die groote staatkundige bekwaamheid, 
die hem spoedig de ziel maakte van het aan Frankrijk vijandige 
Europa; reeds toen poogde hij alom onderhandelingen aan te 
knoopen, ten einde zich bondgenooten aan te werven in den 
kamp tegen Lodewijk XIV; en de zomer van 1673 bewees reeds 
hoe schitterend hij daarin was geslaagd. Maar natuurlijk was het, 
dat Willem III bij die handelingen de miskenning ondervond, 
die het genie bij zijn eerste optreden altijd ondervindt: alleen 
na verloop van tijd wordt het naar waarde gehuldigd. Zie onder 
andere in Rousset's werk (i* deel, blz. 432 — 433), op welk een 
spottenden en minachtenden toon Louvois gewaagt van die eerste 
staatkundige handelingen van den grooten Stadhouder: 

... 1 Elders betrapt Louvois den Prins van Oranje, terwijl deze 
bezig is Europa opnieuw te verdeelen, ten koste van Frankrijk, 
van Zweden, van Holland zelf. Aan den hertog van Lotharingen 
heeft Willem beloofd zijn hertogdom terug te geven; aan de 
Spanjaarden de vestingen in Staats-Vlaanderen en in Staats- Br aband, 
het doen vervallen van het traktaat van Aken, en het terug- 
keeren tot het traktaat der Pyreneën ; aan den koning van Dene- 
marken de teruggave van de gewesten hem door de Zweden 
ontnomen; aan den keizer Brisach^ Philipsburg, den geheelen 
Elzas, benevens het palatinaat van Sandomir, en dat van Krakau 
en van Lublin — reeds, een eeuw vooruit, eene verdeeling van 
Polen! — 't is waar, in ruil zouden de Polen Zweedsch-Pom- 
meren erlangen. Louvois spot met die plannen: fde Prins van 
Oranje" — schrijft hij aan Stoppa — 1 heeft ongetwijfeld hooren 
zeggen, dat Alexander op die wijze over koninkrijken beschikte ; 
en hoewel hij noch de dapperheid, noch het verstand, noch de 
legers van Alexander heeft, meent hij toch de Alexander van 
deze eeuw te zullen zijn, als hij hem maar navolgt in die lan- 
denverdeeling, hoe hersenschimmig die ook moge zijn. Had ik 
tijd genoeg om de geschiedenis te lezen van Don Quichotte, ik 
zou een zeer juiste vergelijking kunnen maken tusschen dezen 
en den man waarvan ik spreek..." 

De dag zal komen waarop men op een anderen toon van 
Willem III zal spreken. 

In het voorbijgaan merken wij aan, dat Rousset hier verkeerd 
doet, met, op grond van losse, door niets gestaafde ontwerpen, 
den naam van den Stadhouder in verband te brengen met die 
latere gruweldaad, de verdeeling van Polen. Dat Willem III 
overal bondgenooten zocht voor de Republiek, en daarbij mis- 



Digitized by 



Google 



278 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

schien niet zuinig is geweest met beloften en toezeggingen, dat 
was zeer verklaarbaar, zeer natuurlijk; het was voor hem eene 
hoofdzaak om het grondgebied van de Republiek zoo spoedig 
mogelijk vrij te maken van de vijandelijke wapenmacht, die daar 
op de ergste wijze huishield en zwaren druk, onlijdelijk wee 
over het land verspreidde. 



HOOFDSTUK X. 

naarden; WINTERVELDTOCHT VAN 1673*, ONTRUIMING 
VAN HOLLAND. 

Toen de Ruyter's overwinningen de vrees voor eene landing 
in Holland hadden doen verdwijnen, en Lodcwijk XIV na de 
inneming van Maastricht zijn leger had verdeeld en tot onbe- 
duidende verrichtingen aangewend, achtte Willem III het oogen- 
blik gekomen om, op zijn beurt, tot den aanval over te gaan, 
en, evenals het jaar te voren, den oorlog over te brengen naar 
de Spaansche Nederlanden, of naar den kant van den Rijn, om 
daardoor den vijand te dwingen het grondgebied der Republiek 
te ontruimen. Er was nu meer hoop dat die aanvallende bewe- 
ging voordeel zou aanbrengen, daar een bondgenootschap, den 
isten Juli te 's Gravenhage met Spanje en den Keizer gesloten 
en den 3osten Augustus bekrachtigd, de hulp van die bondge- 
nooten bepaaldelijk had toegezegd; Monte Cuculi, het bekwame 
legerhoofd van den Keizer, misnoegd over de jammerlijke ope- 
ratiën van het voorgaande jaar, had dan ook het opperbevel 
alleen willen behouden onder deze voorwaarde, dat hij eene 
volkomen vrijheid van handelen zou hebben, en niet belemmerd 
zou worden door de voorschriften van 's Keizers ministers. 

Intusschen zou er nog eenige tijd verloopen, alvorens het 
Keizerlijke leger aan den Rijn zou kunnen verschijnen. Turenne, 
in Juni eerst stelling hebbende genomen nabij de Lahn en een 
gedeelte zijner macht hebbende afgezonden om deel te nemen 
aan het beleg van Maastricht, was, toen die afgezondene afdee- 
ling terugkwam, Duitschland verder binnengedrongen, en stond 
op het einde van Augustus nabij den Main. Het Keizerlijke 
leger trok toen bijeen aan de westzijde van Bohemen, te Egra; 
dat leger, aanvankelijk 15000 man voetvolk en 10 000 ruiters 
sterk, klom later, volgens Beaurain, tot eene geheele sterkte van 
35000 man; de Nieuwe Mercurius zegt, dat het den 22sien 
Augustus te Egra sterk was 20000 man voetvolk, 12000 ruiters 



Digitized by 



Google 



NAARDEN. 279 

en 1000 dragonders. De macht van Turenne op dat oogenblik 
kan op een 20 a 25000 man worden geschat. De overmacht 
was dus aan de zijde van den Keizerlijken veldheer; wanneer 
deze van die overmacht wist gebruik te maken, zou hij den 
oorlog naar den Rijn kunnen overbrengen. Daar het Keizerlijke 
leger zich echter eerst in het begin van September in beweging 
stelde^ was daarvan nog geen spoedige medewerking in de 
Nederlanden te verwachten ; daarom besloot Willem UI dien tijd, 
dien men op dit hulpleger moest wachten, zich te nutte te 
maken om in Holland zelf den vijand afbreuk te doen. 

De Stadhouder koos hiertoe de belegering van Naarden. De 
verovering van die vesting was belangrijk, omdat door die ver- 
overing Ara sterdam meer werd beveiligd, en eene latere aanval- 
lende beweging naar de zijde van Utrecht werd voorbereid; die 
verovering was mogelijk in korten tijd te verkrijgen en met 
weinig verlies, — zooals de beschrijving van den toestand dier 
vesting zal doen zien. 

Naarden was toentertijd omgeven met een gebastionneerden 
zeshoekigen hoofdwal, met daarvoor liggende natte gracht, be- 
dekten weg, glacis, en enkele buitenwerken (ravelijnen). Door hare 
ligging heeft die vesting natuurlijke sterkte, wanneer de ver- 
dediger tevens meester is van de Zuiderzee, waarvan zij slechts 
een 800 pas is verwijderd, en waarmede zij gemeenschap had 
door eene vaart; maar in 1673 misten de Franschen dit voor- 
deel. Voor het overige ligt de stad in eene open landstreek, die 
de werkzaamheden van den aanvaller niet in het minst belem- 
mert. De hoofdwal en de ravelijnen waren aarden werken, zon- 
der bekleedingsmuren ; de bedekte weg was gepalissadeerd, en 
aan den voet van den hoofdwal bevond zich een doornheg. De 
gracht werd gezegd op verschillende punten doorwaadbaar te 
zijn; en bovendien had men enkele dammen daar doorheen, 
van 6 ^ 8 el breedte, om de gemeenschap van den hoofdwal 
met den bedekten weg uit te maken ; die dammen waren echter 
afgesloten met palissaden. De buitenwerken waren klein, evenzoo 
de bastions van den hoofdwal; en van binnenverschansingen 
wordt geen gewag gemaakt. 

Naarden was dus, op zich zelve, eene kleine vesting, van geen 
bijzondere sterkte. Zij was echter voorzien van eene talrijke be- 
zetting, die, behalve uit 180 ruiters, bestond uit 800 Zwitsers en uit 
de regimenten van Turenne, Normandië, Navarre en Lamothe; 
In het geheel maakte dit een kleine 3000 man uit; de bloem 
van het Fransche leger, — zeggen ónze schrijvers; hoezeer — 
zooals men zal zien, — dat oordeel niet wordt bevestigd door 
de verdediging van Naarden. De bevelhebber was Dupas, «offi- 
cier de réputation'\ zegt Beaurain, srecommandé au ministre 



Digitized by 



Google 



28o KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

par M. De Turennc"; — ook op dat gunstig oordeel heeft de 
verdediging van Naarden het zegel niet gedrukt. De bewapening 
van Naarden was zwak : volgens ééne opgave had men er maar 
19 stukken, waaronder verscheidene onbruikbaar, en geen enkel 
van zwaar kaliber; Dupas zelf spreekt van slechts 13 of 14 stuk- 
ken, en daarvan nog drie onbruikbaar. — Wat evenwel voor de 
verdediging van Naarden eene gunstige kans opleverde, was de 
weinige moeilijkheid om met een leger op te rukken tot ontzet 
van die vesting: het omliggende terrein is bijna overal geschikt 
voor bewegingen van groote troepenkorpsen; het is niet als bij 
andere steden van ons land, zooals onder andere bij Woerden, 
waar het leger dat tot ontzet oprukt slechts enkele wegen kan 
volgen, die de belegeraar zorgvuldig kan bezetten en verschansen. 

De toestand van Naarden, denkelijk aan de Hollandsche zijde 
niet onbekend, gaf hoop op de vermeestering van die vesting; 
de gemakkelijkheid voor een leger om tot ontzet op te dagen, 
dwong den Stadhouder, den aanval op die vesting zooveel mogelijk 
te verhaasten, en tijd te winnen door de tegenpartij te misleiden 
aangaande het voornemen tot dien aanval. Die misleiding ge- 
schiedde door het bedreigen van andere vijandelijke vestingen. 
Terwijl de troepen, die in Zeeland geweest waren om de ver- 
wachte landing des vijands te keeren, weer bij het leger terug- 
kwamen; terwijl 8000 gewapende burgers uit de Hollandsche 
steden werden opgeroepen om de Hollandsche waterlinie te be- 
zetten, en daardoor een gedeelte der daar aanwezige krijgsmacht 
beschikbaar te maken; terwijl het leger den 29sten Augustus uit 
Noord-Braband naar Holland opbrak; trok eene afdeeling van 
1500 ruiters tot nabij Grave voort, als om die vesting te beren- 
nen; en een aantal gewapende vaartuigen verschenen op den 
Waal voor Bommel, en deden een schijnaanval op die stad. 
Luxembourg, daardoor misleid en vreezende voor Grave of Bom- 
mel, verliet Utrecht en plaatste zich te Tiel; zijne daar aanwezige 
macht wordt begroot op een 5 k 6000 man. 

Van het Hollandsche leger werden 7 regimenten infanterie 
ingescheept, en gingen over water door Holland naar Amsterdam ; 
te Muiden werden zij weer ontscheept. De hoofdmacht van het 
leger trok van Raamsdonk op Werkendam, ging de bruggen 
over te Hardinxveld en te Schoonhoven, marcheerde op Alphen, 
op Ouderkerk en werd in schuiten de Vecht overgezet naar 
'sGraveland; eene aldaar bij de Vecht staande Fransche afdee- 
ling van een paar honderd man werd spoedig teruggedreven op 
Naarden. Fariaux komt den 6cn September met de ruiterij voor 
Naarden, berent die vesting, en neemt eenige wagens met levens- 
middelen die van Utrecht derwaarts waren gezonden. In den 
loop van den dag komt het geheele leger aan ; en terwijl Waldeck 



Digitized by 



Google 



NAARDEN. 28 I 

met een gedeelte stelling neemt bij Loosdrecht, Ankeveen en 
Hilversum, slaat zich de hoofdmacht meer in de onmiddellijke 
nabijheid der vesting neder; het hoofdkwartier van Willem III 
komt te Bussum. De geheele sterkte van het leger des Stadhou- 
ders was een 25 000 man ; daarvan maakten de Spaansche regi- 
menten, onder Don Francesco d'Aguerto, een 6000 man uit. 

Hoewel sommige van onze schrijvers van het maken eener 
circonvallati e-linie spreken, zoo is het toch waarschijnlijk, 
dat dit op zijn hoogst zal hebben bestaan in het verschansen 
van de kwartieren en van enkele posten; maar dat men zich 
hier niet een doorloopende aaneengeschakelde linie moet voor- 
stellen: daartoe was de ruimte die men moest verschansen te 
uitgestrekt, de tijd dien men daaraan kon besteden te kort. 

De aanvalswerkzaamheden tegen de vesting werden zonder 
eenig verwijl begonnen en op het krachtdadigste voortgezet. Het 
oostelijk gedeelte van Naarden was het front van aanval. In den 
nacht van den 8sten op den gen September werden daar de 
loopgraven geopend, 5 verder dan een musketschot van de ves- 
ting af," zegt een der berichtgevers, — blijkbaar de dracht van 
een musketschot voor eene vaste en bekende grootheid aan- 
nemende. Dat openen van de loopgraven werd volstrekt niet 
verhinderd door de belegerden, die het zelfs eerst ontdekten toen 
de dag reeds was aangebroken. 

In twee loopgraven naderde men de vesting; rechts werden 
zij aangelegd door de Spanjaarden, links door de Hollandsche 
troepen; die beide nadernissen waren, zegt eene opgave, ver- 
zekerd door wapenplaatsen, of verschansingen, evenwijdig 
aan de stad; — zoodat men hier moet denken aan de aan- 
wending van parallellen. Het openen der loopgraven was 
voorafgegaan door het aanleggen van batterijen aan verschillende 
zijden der vesting^ zoowel bij het front van aanval als aan den 
zeekant, en naar de zijde van de Muidensche vaart. Het aantal 
dier batterijen wordt verschillend opgegeven ; maar zooveel schijnt 
zeker, dat er tegen het front van aanval drie waren. Eéne op- 
gave zegt, dat de belegeraars 40 vuurmonden in werking brach- 
ten: 18- 24- en 36 ponders, benevens mortieren; dat geschut 
was over zee, van Amsterdam aangevoerd en begon reeds den 
Ssten het vuur te openen; volgens sommige opgaven werd door 
twee batterijen dit vuur zelfs reeds op den yen begonnen. 

Pe artillerie van den belegeraar had natuurlijk spoedig de 
overhand op die des belegerden, die, volgens opgave van Dupas 
zelf, op ieder bastion maar een paar vuurmonden had. Weldra 
werd het Fransche geschut grootendeels tot zwijgen gebracht; 
en dat der Nederlanders richtte nu groote verwoestingen aan in 
de werken der stad, schoot poorten en palissadeeringen omver. 



Digitized by 



Google 



282 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

vernielde den doornheg op de berm^ en maakte bressen in den 
hoofdwal, — zegt De Quincy. Moet men dat alles maar voor 
goede munt aannemen? — dat men een poort kleinschiet, en 
eenige palissaden — daarom nog geen g e h e e 1 e palissadeering — 
dat is te begrijpen; maar minder goed is het te begrijpen, hoe 
men een doornheg vernielt, die toch altijd eenigszins gedekt is 
door het voorliggende glacis; of hoe men bressen maakt in 
een aarden wal zonder bekleedingsmuur : al maakt een kanons- 
kogel eene opening in de doornheg, dit is daarom nog niet 
hare vernieling; en al kantelt eenige aarde der borstwering af^ 
dit is daarom nog geen bres. 

Maar zooveel schijnt ten minste zeker, dat het overmachtige 
geschutvuur der Nederlanders hunne aanvalswerken geheel en al 
bevrijdde van 's vijands vuur, en dat die werken dan ook zeer 
spoedig voortgingen: in den nacht van 10 — 11 September was 
men reeds genaderd tot op een 150 pas van den bedekten weg. 
Ook door uitvallen werd de voortgang van den aanvaller zeer 
weinig vertraagd ; er hadden 's nachts enkele uitvallen plaats, 
maar van weinig of geen beduidenis. Bij een dier uitvallen, in 
den nacht van 9—10 September gedaan, werd door de belege- 
raars een ritmeester gevangen genomen, »die vroeger met het 
geld van den Staat tot den vijand was overgeloopen." 

De hoop der verdedigers van Naarden was nu geheel en al 
gevestigd op een nabijzijnd ontzet. Men seinde met lichten, op 
den stadstoren, naar Utrecht ; en hoezeer, naar de gewoonte van 
die tijden, de aanvaller zijn geschutvuur ook richtte op den 
toren en hooge gebouwen van Naarden, en — volgens Valcke- 
nier's verzekering — tot driemaal toe die lichtseinen wegschoot^ 
zoo kon het gevaar, waarin de vesting verkeerde, te Utrecht 
niet lang onbekend blijven. Maar, iets anders dan het gevaar 
te kennen, was het dit af te wenden. 

Luxemboyrg was nu te Utrecht teruggekomen, en had nabij 
die stad, te Zeist, eene macht vereenigd van een 10000 man, 
later nog versterkt door 4 regimenten ruiterij, die vroeger bij 
het leger des Munsterschen bisschops waren geweest; een onzer 
schrijvers — Van den Bosch — begroot de geheele legermacht 
des Franschen veldheers op 13 a 14000 man. Maar met die 
macht rekende Luxembourg zich nog niet sterk genoeg om het 
leger des Stadhouders aan te vallen; hij bepaalde er zich toe, 
afdeelingen ruiterij vooruit te zenden in de richting van Naar- 
den, om de bondgenooten afbreuk te doen, en te trachten in 
gemeenschap te komen met de vesting. Den 9"! September had, 
voorbij Eemnes, een gevecht plaats tusschen eene dier afdee- 
lingen, een duizend paarden sterk, onder Gassion, en een drie* 
honderd ruiters van het leger van Willem III; de Hollanders 



Digitized by 



Google 



NAARDEN. 285 

ondervonden daarbij eenig verlies, en een dapper kavalerie- 
officier, de ritmeester Heemskerk, sneuvelde in dat gevecht, — 
een dood, dien beroemden naam waardig. — Denkelijk wachtte 
Luxembourg nog versterking, alvorens ten aanval op te rukken 
tegen het HoUandsche leger; maar voordat hij die poging tot 
ontzet beproefde, was de vesting reeds gevallen. 

De flauwe wederstand dien men ondervond, en de waarschijn- 
lijkheid dat binnen weinige dagen een Fransch leger zou opdagen 
tot hulp van Naarden, deden den belegeraar besluiten, den ge- 
regelden gang van een beleg te verlaten, en onverwijld over te 
gaan tot eene bestorming van den bedekten weg. Voornamelijk 
schijnt men daartoe te hebben besloten op aandrijven van den 
Spaanschen bevelhebber d'Agüerto, een man van veel stoutheid^ 
en met wiens inzichten Willem III zich dan ook dadelijk ver- 
eenigde. 

De nacht van den ii — i2en September is voor dien storm be- 
paald; men zal het ravelijn aanvallen vóór de Huizerpoort, te 
gelijk met den bedekten weg vóór de bastions aan weerszijden 
van die poort. Aan de Spaansche zijde zal de storm verricht 
worden door het regiment van den markies van Warignies ; aan 
de HoUandsche zijde door het regiment mariniers van Palm, 
ondersteund door de helft van het regiment van Wee. Ver- 
scheiden hoofdofficieren zullen, als vrijwilligers, dien storm mede- 
maken; men vindt daaronder genoemd Wijnbergen, den vroe- 
geren bevelhebber van Rees. 

Elf uur 's avonds is het uur, bepaald voor den storm. Aan 
de eene zijde snellen de Spanjaarden van Warignies, aan de 
andere zijde de zeesoldaten van Palm, naar den bedekten weg 
van het front van aanval, waar 600 man der bezetting gereed 
staan om hen te ontvangen. £en hevig musket vuur doet vele 
der aanvallers sneuvelen; maar onversaagd blijven de anderen 
voortgaan, bereiken den bedekten weg, houwen de palissadeering 
omver, en storten zich nu, met den degen in de vuist, op den 
vijand. De aanvallers betoonen hier een buitengewone dapper- 
heid, vooral de HoUandsche zeesoldaten, wier koene aanvoerder. 
Palm, hoezeer gewond en twee zijner zonen naast zich ziende 
vallen, toch, onbezweken, het gevecht blijft volhouden. De moed 
der verdedigers beantwoordt niet aan dien der aanvallers; Dupas 
zelf is niet tegenwoordig op de plaats van het gevecht; hij was 
op een ander gedeelte der vesting; en toen hij eindelijk daar- 
heen ging waar de strijd woedde, waren bedekte weg en ravelijn 
reeds verloren, en zag hij zijne soldaten in overijling vluchten 
en hunne wajpens wegwerpen. Noch de stem des bevelhebbers, 
noch het onverpoosde gelui der alarmklok waren in staat de 
Fransche soldaten dddr te vereenigen, waar zij moesten zijn; en 



Digitized by 



Google 



284 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

met moeite slaagde men er in meester te blijven van den hoofd- 
wal, daar reeds enkele soldaten van Willem III, de vluchtelingen 
op den voet volgende, tot in de stad waren doorgedrongen. In 
dezen strijd, die drie uren duurde, waren, volgens onze schrij- 
vers, de verliezen van den belegerde grooter dan die van den 
belegeraar. 

Toen de dag aanbrak ontdekte men uit de vesting, dat de 
belegeraar zich reeds geheel had ingegraven bij den bedekten 
weg. Een wapenstilstand, door de Franschen gevraagd, werd 
geweigerd, en integendeel alle toebereidselen gemaakt om den 
hoofdwal te bestormen. De batterijen hielden onverpoosd met 
haar vuur aan om dien hoofdwal te vernielen of beklimbaar te 
maken; fascinen werden bijeengebracht; aan den grachtsover- 
gang begonnen; en, op des Stadhouders bevel, een algemeen 
gebed gedaan om 's hemels zegen af te sraeeken over de Hol- 
landsche wapenen. Dit alles maakte zulk een indruk op de ge- 
heel ontmoedigde bezetting, dat zij aan geen wederstand meer 
dacht, maar, ongewapend op den wal verschijnende, riep, dat 
men in onderhandeling wilde treden. Spoedig was de onderhan- 
deling afgeloopen. Een krijgsraad, door Dupas bijeengeroepen, 
was eenparig van gevoelen, dat men de vesting moest overgeven ; 
reeds op den middag van den iscq September werden de voor- 
waarden van die overgave vastgesteld, en den volgenden och- 
tend werd Naarden door de Nederlanders in bezit genomen; 
de bezetting, nog 2700 man tellende, verkreeg een vrijen aftocht 
naar Utrecht. Het geheele verlies van het leger van Willem III 
bij dit zesdaagsche beleg wordt geschat op een 100 dooden en 
een 200 gewonden. 

Dat beleg van Naarden is eene handeling geweest, die zich, 
van de zijde des aanvallers, heeft gekenmerkt door groote stout- 
heid in het ontwerpen, en krachtdadigheid in het uitvoeren. 
Vroeger is reeds gezegd, dat de open landstreek rondom Naar- 
den zeer in het nadeel was van den belegeraar, in zoover, dat 
zij weinig hulpmiddelen opleverde tegen een vijandelijk leger dat 
het ontzet der vesting wilde ondernemen. Zich binnen verschanste 
liniën te plaatsen, daartoe zou het waarschijnlijk aan tijd ont- 
breken; en wanneer Luxembourg met een legermacht oprukte, 
dan bleef er niets anders over dan met een gedeelte des legers 
het beleg voort te zetten en met het andere gedeelte den vijand 
het hoofd te bieden en slag te leveren. Maar zulk een handeling 
mocht al aanvankelijk, bij de sterkte van het Hollandsche leger, 
zonder gevaar zijn; het was wel te voorzien, dat wanneer het 
beleg eenigen tijd duurde, het Fransche legerhoofd zooveel ver- 
sterkingen aan zich zou trekken, dat het dan voor de macht 



Digitized by 



Google 



NAARDEN. 285 

des Stadhouders niet langer raadzaam zou zijn hem af te wach- 
ten en slag te leveren. Het was dus noodzakelijk het beleg van 
Naarden ten einde te brengen, vóórdat Luxembourg eene macht 
zou kunnen vereenigen, groot genoeg om het ontzet te beproe- 
ven; — in het voorbijgaan zij opgemerkt, dat wanneer Luxem- 
bourg een 13 k 14000 man daarvoor nog niet voldoende 
rekende, dit wel een bewijs is, dat hij volstrekt niet meer deelde 
in die geringschatting welke de Fransche bevelhebbers bij het 
begin van dezen oorlog voor de Hollandsche troepen koesterden, 
en dat de strijd, het jaar te voren bij Woerden geleverd, hem 
de waarde dier troepen had leeren kennen. 

Het beleg van Naarden moest dus door alle mogelijke mid- 
delen bespoedigd en verhaast worden; en dit heeft dan ook 
plaats gehad. De weinig wetenschappelijke opgaven welke onze 
schrijvers over dit beleg meêdeelen, laten niet toe met juistheid 
te beoordeelen, of alle handelingen van den aanvaller goed en 
doeltreffend zijn geweest; maar toch kan men het er voor hou- 
den, dat die handelingen over het geheel allen lof verdienen en 
de vesting op een beleidvolle, krachtdadige wijze werd aange- 
tast. Men vindt melding gemaakt van wapenplaatsen en paral- 
lellen; men merkt eene goede aanwending op van de artillerie; 
noen bespoedigt de werkzaamheden, door de loopgraven zeer 
nabij de vesting te openen, welker slechte bewapening dit weinig 
gevaarlijk maakte; men verkort den tijd van het beleg, door 
den bedekten weg te bestormen, wat, bij de zwakheid die de 
bezetting betoonde, ook een zeer goede handeling was; en door 
de geweldige wijze waarop men de vesting aangrijpt, doet men 
den ontmoedigden verdediger de wapens uit de handen vallen. 
Men belegerde Naarden, niet zooals men zou doen, als het vol- 
strekt niet aankwam op verlies van tijd; maar men belegerde 
het, zooals men moet doen, wanneer men daartoe slechts over 
een beperkt aantal dagen heeft te beschikken, en wanneer het 
dus goed is, den tijdduur te verkorten, zelfs met opoffering van 
troepen ; — hier echter was, door de zwakheid der verdediging, 
die opoffering niet bijzonder groot. 

Er is veel overeenkomst tusschen het beleg van Naarden in 
1673, ^° ^^^ ^^^ Ciudad-Rodrigo, in 181 2, toen Wellington die 
vesting aantastte en innam. Bij beide belegeringen was men aan 
een beperkten tijd gebonden, dewijl men bij een langeren duur 
des belegs zeker kon zijn van vijandelijke legers tot ontzet te 
zien opdagen; bij beide belegeringen moest men dus afwijken 
van den regelmatigen gang die de wetenschap voorschrijft, om, 
door krachtsaanwending, door opoffering van troepen, spoediger 
tot het beoogde doel te geraken: beide belegeringen werden 
met een goede uitkomst bekroond, en de aangevallene vesting 
genomen vóórdat een hulpleger haar kon redden. Maar in het 



Digitized by 



Google 



286 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

voordeel van den Oranjevorst moet men opmerken, dat, volgens 
de krijgs voering van den tijd waarin hij leefde, de inneming van 
Naarden een belang had, dat die van Ciudad-Rodrigo miste, 
«n dat de inneming der eerste vesting voorbereid werd door 
betere maatregelen, door een krachtiger aanwending van de artil- 
lerie, dan men bij de belegering van de Spaansche vesting opmerkt. 

De verdediging van Naarden is hierboven zwak genoemd ; een 
beteren naam verdient zij niet. Het is bekend dat de Fransche 
bevelhebber van die stad de gansche gestrengheid zijns Konings 
moest ondervinden, en te Utrecht eene schavotstraf onderging 
«n tot levenslange gevangenis werd veroordeeld, later echter, 
in 1674, kwam daarin de verandering, dat hem vergund werd, 
als vrijwilliger in de vesting Grave de wapenen te voeren; bij 
het beleg van die vesting vond de ongelukkige den dood. De 
Hollandsche schrijvers zijn over het algemeen van oordeel ge- 
weest, dat men dat harde vonnis over Dupas geveld, als onver- 
diend en onbillijk moet beschouwen; zij wijten het aan vijand- 
schap van de zijde van Luxembourg, aan hofkuiperijen, zelfis 
aan vrouwenhaat; — denkelijk is de zachte en menschelijke 
wijze, waarop Dupas zich als bevelhebber van Naarden heeft 
gedragen, niet zonder invloed geweest op dit gunstig oordeel 
van onze schrijvers te zijnen opzichte. Maar ook Voltaire keurt 
het vonnis, over Dupas geveld, geheel af; het was — zegt hij — 
>une ignominie inutile pour les officiers francais, qui sont assez 
sensibles k la gloire pour qu* on ne les gouverne point par la 
crainte de la honte." Hij noemt hem >un tres brave officier"; 
wijt de schuld zijner veroordeeling aan Louvois; en zegt, na 
het sneuvelen van Dupas vermeld te hebben: >son courage et 
sa mort durent laisser des regrets au marquis de Louvois, qui 
Tavait fait punir si durement. La puissance souveraine peut mal- 
traiter un brave homme, m?iis non pas Ie déshonorer." 

Iedereen zal die laatste woorden van den Franschen schrijver 
beamen; en zeker zal niemand, die weet, hoe dwaling, partij- 
zucht, of vijandschap van grooten en machtigen der aarde soms 
gerechtigheid de plaats doen afstaan aan willekeur, zeggen, dat 
hij die door een onteerend vonnis is getroffen, daarom altijd 
€en man is zonder eer; — integendeel, meer dan éénmaal heeft 
het nageslacht zulk een vonnis vernietigd, hem dien het trof in 
zijne eer hersteld, en de schande en eerloosheid doen neder- 
vallen op de onwaardige rechters. Wij twijfelen echter, of zoo 
iets ten opzichte van Dupas gegrond is; wij willen het gaarne 
gelooven dat hij, vroeger en later, een braaf krijgsman is ge- 
weest, maar wij kunnen niet zeggen, dat hij zich bij Naarden 
als zoodanig heeft betoond; wij meenen, mét Voltaire, dat ont- 
eerende straffen onnoodig zijn om officieren aan hun plicht te 
houden, en bij een vergrijp, als dat aan Dupas ten laste gelegd, 



Digitized by 



Google 



NAARDEN. 287 

ZOU de doodstraf verreweg de voorkeur verdienen; maar wij 
zijn tevens van meening dat Dupas als bevelhebber van Naar- 
den volstrekt niet gedaan heeft wat zijn plicht was, en dat zijn 
gedrag aldaar niet ongestraft mocht blijven. 

Naarden was geen sterke vesting, de werken waren misschien 
niet in den besten toestand, de bewapening gering, — maar de 
bezetting telde toch 3000 man, eene aanzienlijke sterkte voor 
zulk een kleine vesting. Met zulk eene bezetting kon, en moest, 
men meer gedaan hebben. Men doet zoo goed als niets ; 's vijands 
overtocht van de Vecht wordt niet in 't minst belemmerd ; men 
doet niets om het openen der loopgraven te beletten, om den 
voortgang der aanvalswerken te vertragen; de enkele uitvallen 
die men verricht, zijn geheel onbeduidend; geen moed, geen 
geestdrift weet de bevelhebber bij zijne troepen op te wekken; 
de zwakheid dier troepen doet den storm op den bedekten weg 
gelukken; en de enkele bedreiging van eene bestorming van 
den hoofdwal beslist de overgave der vesting. Dat kan men geen 
goede verdediging noemen, geen plichtsbetrachting des bevel- 
hebbers; en wanneer die bevelhebber zich daarop beroept, dat 
er toch geen ontzet kwam en dat eene capitulatie ten minste 
de bezetting zou redden, dan zijn dit niets dan nietige uitvluch- 
ten: het beleg had nog slechts zes dagen geduurd; men moest 
de verdediging voortzetten om Luxembourg tijd te geven een 
leger tot ontzet te vereenigen; en op het behoud der bezetting 
kwam het hier minder aan dan op het behoud der vesting en 
vooral op het behoud der wapeneer. Dupas beroept zich op het 
eenparige gevoelen van den door hem vergaderden krijgsraad, 
die voor de overgave stemde ; maar ook dit verontschuldigt hem 
niet; en toen hij tegen dien krijgsraad zeide: > mijne heeren, 
dewijl dit uw gevoelen is, zoo moet het ook het mijne wezen", 
toonde hij, door die woorden, dat hij geen begrip had van de 
verplichting en de verantwoordelijkheid die op den bevelhebber 
eener vesting rusten; de bevelhebber eener vesting beslist, alléén, 
wat er gedaan moet worden, en geen stemming van een krijgs- 
raad mag hij aanvoeren tot verschooning van een laffe daad. 

Wat ook opmerking verdient, dat is de sterkte der Naardensche 
bezetting, omdat men daaruit ziet welk een aanmerkelijk gedeelte 
van de Fransche legermacht in Holland toenmaals buiten wer- 
king werd gesteld door de vestingen. Mogelijk zal Naarden, als 
onmiddellijk nabij den vijand gelegen, beter zijn voorzien ge- 
weest dan andere steden; maar toch denkelijk niet beter dan 
Woerden, Utrecht en Grave, — plaatsen die evenzeer blootge- 
steld waren aan de aanvallen van de zijde der Hollanders; en 
wanneer men dan ziet, dat door een vesting van zoo kleinen 
omvang alleen reeds een 3000 man onnut worden gemaakt, dan 
kan men zich een denkbeeld vormen van het geheele bedrag 



Digitized by 



Google 



288 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

der legermacht, die versnipperd was in het groot aantal sterke 
steden, door het Fransche leger in Holland bezet. 

Uit Rousset (i« deel, blz. 481 — 482) kan men opmaken, hoe 
die gebeurtenis van Naarden de hoofden van het Fransche 
krijgswezen schokte; en met welk een diepe verontwaardiging 
zij de smadelijke nederlaag vernamen, aan de Fransche wapenen 
toegebracht door een tot nu toe geminachten vijand: 

• Maar plotseling wordt men als door een bliksemstraal ge- 
troffen, op het hooren van een verbazingwekkend nieuws. De 
gouverneur Dupas, tot dien tijd een goed en dapper officier, 
had alle beradenheid verloren, toen hij daar alléén stond, zonder 
hulp, aan het uiteinde van Holland, en aangevallen werd te zee 
en te land; hij had zich den i2en September overgegeven, na 
een beleg van slechts vier dagen, terwijl de verdedigingswerken 
nog weinig hadden geleden, terwijl hij nog eene bezetting had 
van 2200 man, en nog voor een maand leeftocht en munitie. 
Luxembourg was verbijsterd en woedend: »de vijand," zeide hij, 
• heeft te Naarden eene bezetting gevonden, even laf als hij zelf; 
en dat Dupas zich heeft overgegeven op de wijze zooals hij dit 
heeft goedgevonden, dat is iets zonder voorbeeld. Hij heeft 
zijne vesting overgegeven op zijn Hollandsch {è la Hollandaise) ; 
iets wat ik nooit zou hebben geloofd." Louvois, van zijn kant, 
was zoo vast overtuigd dat Dupas zijn plicht zou doen, dat hij 
reeds bedacht was op diens belooning voor zijne goede verdedi- 
ging; men verbeelde zich dus zijn toorn, op de tijding van »de 
eerlooze overgave van Naarden". De prins van Condé was even- 
zeer verontwaardigd: »die handeling," zeide hij, »is zoo te ver- 
oordeelen, en maakt zulk een verderfelijk voorbeeld uit, dat zij 
een zeer strenge straf verdient." 

Het scheelde weinig, of Lodewijk XIV had zelf, en op het 
eigen oogenblik, het doodvonnis uitgesproken over Dupas, >om 
een voorbeeld te stellen," zeide Louvois, »dat andere bevelheb- 
bers van vestingen tot waarschuwing kan dienen, en om den 
vreemdeling te leeren, dat als de Franschen lafheden begaan, 
die lafheden bij hen niet ongestraft blijven." Toch werden de 
vormen der rechtspleging in acht genomen..." 

Dat verlies van Naarden brengt de Fransche bewindhebbers 
op het denkbeeld, dat zij in Holland te veel vestingen hebben; 
dat het beter is dat aantal te verminderen: dan kunnen de 
overblijvende beter worden verdedigd ; en dan kan men Willem III 
beletten, zulk eene onderneming als die tegen Naarden te her- 
halen. Maar Louvois wil dat de Hollandsche steden die men zal 
verlaten, zooveel mogelijk worden verwoest of verbrand; de 
tegenspoed verdubbelt de woede van den geweldenaar (Rousset, 
I' deel, blz. 4S4 — 485): 



Digitized by 



Google 



WINTERVELDTOCHT VAN 1673. 289 

1 » Hadden wij eenige steden minder," zeide Luxembourg 
(15 September), »dan hadden wij meer troepen om de andere 
te bezetten.'* Louvois machtigde hem om, dadelijk en zonder 
nader bericht, de steden te doen ontmantelen die hem daartoe 
het meest geschikt zouden voorkomen; omdat het noodig was^ 
het kostte wat het wilde, den Prins van Oranje te beletten 
nieuwe voordeelen te behalen; — en niet alleen moest men de 
op te geven steden ontmantelen, maar men moest ze zelfs geheel 
afbranden, opdat de vijand daar noch verweermiddel, noch 
onderkomen vinde (20 September). De Intendant Robert, de 
uitvoerder der wreede bevelen," — V executeur des hautes oeuvres; 
strikt genomen: »de beul" — , had voorschriften die wreed en 
nog meer bepaald waren: ontmantelen, afbranden en de inwo- 
ners tot den bedelstaf brengen. Louvois schreef hem, den lóen 
October: »ik ben overtuigd dat het niet zoo gemakkelijk is, om 
de troepen te doen onderhouden door de steden die men wil 
ontruimen; dat dit veel geschreeuw zal geven, dat de inwoners 
misschien zullen wegloopen; maar het is beter dat alle Hol- 
landsche steden teniet gaan, het is beter dat de inwoners weg- 
loopen, dan dat 's Konings soldaten deserteeren. Men moet zich 
niet laten afschrikken; en als men den eenen dag een twintig 
huizen heeft omvergehaald, dan moet men den volgenden dag 
er evenveel omverhalen, — onvermoeid. Toch is het goed, dat 
gij begint met op de huizen der afwezigen eene belasting te 
leggen, van zooveel daags; en, wordt die niet betaald, dat gij 
dan begint met die huizen af te breken; het houtwerk en de 
dakpannen moeten de soldaten hebben, opdat den eigenaar niets 
overblijve." 

Rousset laat daarop deze opmerking volgen: 

•Die daden van geweld zijn niet te rechtvaardigen; zelfs kan 
men ze niet verontschuldigen als uiterst middel om den tegen- 
stand der Hollanders te doen ophouden. Het is niets anders dan 
de jammerlijke wraak van teleurgestelden trots." 



Spoedig echter zouden die geweldenarijen der Franschen in 
Holland ophouden; want kort na de inneming van Naarden 
hervatte Willem III zijne onderneming van den winter van 1672, 
en ditmaal met beter gevolg. De meesterlijke strategische hande- 
ling van den Stadhouder werd ditmaal bekroond met Holland's 
bevrijding. 

Verschillende omstandigheden, vooral het nog niet nabij ge- 
noeg zijn van het Keizerlijke leger, deden na Naarden's val nog 
eenige weken verloopen, alvorens Willem III zijne aanvallende 
beweging naar de zijde van Duitschland begon; een gedeelte 
zijner macht zou hem hierbij vergezellen: 6000 ruiters, J500 

WILLEM III. — T. 19 

Digitized by VjOOQIC 



290 KRIJGS- EN (JESCHIKDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

dragonders en slechts 2500 man voetvolk; bij die 10 000 man 
zou Spanje een legerkorps van 15000 man voegen, zoodat de 
Stadhouder in het geheel aan het hoofd eener macht van 25 000 
man zou staan. Intusschen zou Waldeck, met 6 regimenten rui- 
terij en het grootste gedeelte der infanterie, Holland tegen de 
aanslagen van Luxembourg beschermen, en dien Franschen aan- 
voerder beletten troepen af te zenden naar den Rijn, of naar de 
Spaansche Nederlanden. 

Condé had toentertijd in het land van Aalst eene macht ver- 
eenigd van 5000 man ruiterij en 7000 man voetvolk, kort daarop 
nog versterkt door een tiental eskadrons (1200 paarden), door 
Lodewijk XIV uit Lotharingen afgezonden; de Fransche veld- 
heer begon zich al meer en meer vijandig te gedragen tegen de 
Spaansche regeeringspersonen, die zoowel in Maastricht als voor 
Naarden de Nederlanders hadden ondersteund; de oorlog was 
nog niet verklaard, maar reeds deed Condé Vlaanderen brand- 
schatten. Ook van de afpersingen en plunderingen door de 
Fransche troepen in Holland geven onze schrijvers hoog op; — 
zij voegen er echter bij, dat ook de eigen troepen, en vooral de 
Spanjaarden die voor Naarden waren geweest, zich bij het heen 
en weer marcheeren schuldig maakten aan erge buitensporigheden 
jegens den landzaat Schiller's gezegde: >es ist der Krieg ein 
roh gewaltsam Handwerk", is altijd eene waarheid, maar was het 
toen vooral. 

Den 29sten September begaf de Stadhouder zich naar het 
leger te Rozendaal. Na eene samenkomst, den 4en October, te 
Putten met Monterey en na dien Spaanschen landvoogd later te 
Antwerpen te hebben bezocht en daar met uitstekende eerbe- 
wijzingen te zijn ontvangen, ~ was men eindelijk tot overeen- 
stemming gekomen omtrent de wijze waarop de Spaansche en 
de Hollandsche legermacht zich zouden vereenigen ; er werd be- 
paald, dat de eerste zou bestaan uit 4000 ruiters en 1 1 000 man 
voetvolk, waarvan 8000 zouden zijn samengesteld uit Spaansche, 
Italiaansche of Waalsche regimenten, en 3000 uit Duitsche. 
Willem III zou het opperbevel hebben over die vereenigde 
macht. 

Den i2en en 13611 October begint de opmarsch van het Hol- 
landsche leger van Rozendaal, Woensdrecht en Ossendrecht; het 
trekt in de richting van Herenthals en Lier, waar het zich, den 
i6en, met de Spaansche troepen vereenigt; toen marcheert de 
vereenigde macht over de heide bij Mol en Balen, door het 
Kempenland heen, naar de Maas. Over die rivier had men, 
eerst nabij Roermond, een brug laten slaan; maar toen deze 
door de Franschen werd bedreigd en zelfs aangevallen, oor- 
deelde men het meer raadzaam eene andere brug te laten slaan. 



Digitized by 



Google 



WINTERVELDTOCHT VAN 1673. 29I 

onder het geschut van Venlo 5 in die vesting was ook een groote 
voorraad levensmiddelen verzameld. 

Laat ons hier weer opmerken, dat die omslachtigheid om te 
voorzien in de voeding der legers, en die noodzakelijkheid om 
zich bij rivieren van overgangspunten te verzekeren, in dien tijd 
het gewicht verklaren van vestingen, tot dekking dier overgangs- 
middelen en dier magazijnen van leeftocht. In ónze dagen heeft 
een door de Nederlanden trekkend leger geen magazijnen noo- 
dig om zich te voeden; en het pontonwezen is bij de heden- 
daagsche legers zoozeer verbeterd en uitgebreid, dat men spoe- 
dig, waar men wil, eene rivier kan overtrekken, zonder daartoe, 
lang te voren, eene brug te hebben laten slaan. 

Naar Venlo ging toen de tocht. Den 21 sten kwam het leger 
in de nabijheid van die vesting, ging den volgenden dag de 
Maas over, bleef den 23sten nabij Kaldenkirchen, op korten 
afstand van Venlo, en trok den 24sten op Dalem, eene plaats 
ruim 4 uren gaans verwijderd van Gulik en van Nuys, en met die 
beide steden nagenoeg een gelijkzijdigen driehoek uitmakende. 
Den 25sien werd de marsch voortgezet tot Gaster, op Guliksch 
grondgebied; de Spaansche troepen kwamen dien dag te Bed- 
burg, een plaatsje nabij Gaster, en evenals dit aan de Erfft. Den 
aósten schijnt men rustdag te hebben gehouden. Den 2 7 sten werd 
de marsch voortgezet tot Brouweler, een kleine twee uur van 
Keulen; men bedreigde de bisschopsstad, maar viel haar niet 
aan, daar het allereerst zaak was te streven naar eene vereeni- 
ging met het Keizerlijke leger. De marsch werd dan ook, na 
eenige dagen, in zuidelijke richting voortgezet; het kasteel van 
Brühl was bezet door een 80 man Fransche troepen ; den 3osten 
kwam men nabij dit kasteel, maar men hield zich natuurlijk bij 
die onbeduidende sterkte niet op en zette den tocht verder voort 
op Bonn. 

In die geheel vreemde landstreek wilde de Stadhouder elk 
begin van volkswapening van 's vijands zijde krachtig tegengaan. 
Toen hij dus vernam dat zich in het stadje Rheinbach, een uur 
of drie ten westen van Bonn, eenige Keulschc troepen en een 
aantal gewapende burgers en boeren hadden vereenigd en twee 
HollaQdsche officieren daar waren gedood, zond hij Valkenburg, 
«en zijner onderbevelhebbers, derwaarts met 2 regimenten voet- 
volk en 2 regimenten dragonders. Den 2en November kwam die 
macht voor Rheinbach, en eischte de niet zeer sterke plaats op; 
maar de Keulenaars, opgewonden door een vorigen burgemeester 
van Rheinbach, een man van jaren, die zich hier aan het hoofd 
der beweging had gesteld, weigerden hardnekkig zich te onder- 
werpen. De stad werd toen bestormd, genomen, en al wat 
wapens droeg gedood; het opperhoofd der verdedigers werd, 



Digitized by 



Google 



292 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

met de stadssleutels om den hals en een degen in de hand, aan 
een boom opgehangen. 

Wil men zulk eene handeling onraenschelijk noemen, — wij 
willen daarover niet twisten; maar wij zijn van oordeel dat bij 
het begin van een volksopstand dergelijke strenge, of als men 
wil wreede maatregelen, het best dienst doen om dien opstand 
te onderdrukken, en dat zij eenigszins gerechtvaardigd worden, 
zoowel door de rampen welke men daardoor voorkomt, als door 
het ongeregelde, het onwettige, dat er meesttijds is gelegen in 
elke volkswapening bij haar begin. — Maar heeft een volk dan 
niet het recht om de wapenen op te vatten tot verdediging van 
zijn geboortegrond? — Zeer zeker heeft het dit; en niemand 
die meer achting heeft dan wij voor de volken die dit hebben 
durven doen. Ook zullen wij nooit met strengheid oordeelen 
over de uitspattingen en buitensporigheden, die meestal onaf- 
scheidelijk zijn van zulk eene ongeregelde volkswapening ; het is 
ons altijd eene onbillijkheid voorgekomen, om van zulk eene 
volkswapening de tucht en orde te vorderen van een geregeld 
leger. Maar, noemen wij het voor ieder volk een recht om de 
wapenen te zijner verdediging op te vatten, zelfs zonder de op- 
roeping van zijne regeerders, — aan den anderen kant zijn wij 
van gevoelen, dat de bevelhebber eener geregelde legermacht 
het recht heeft, die vijandige volkswapening, bij haar begin, door 
strenge maatregelen tegen te gaan. Zelfverdediging geeft hem 
dat recht; want in dat uitbreken van een volksopstand is voor 
het geregelde leger altijd iets verrassends gelegen, iets verrader- 
lijks, iets zeer gevaarlijks: de vreedzame stad waar het leger 
zich bevond, is eensklaps herschapen in eene vijandelijke vesting; 
en de burgerij, die men ontzag als ongewapend en als onzijdig, 
verandert eensklaps in een vijandelijk heir, dat het geregelde 
leger aan alle zijden omgeeft, en plotseling en geheel onver- 
wachts met woede daarop aanvalt: — het valt niet te ontkennen, 
dat zulk een strijd, waarbij men niet weet wien men al of niet 
voor vijand moet houden, te ongelijk is voor het geregelde 
leger; en dat dus de bevelhebber van dat leger, tot zijn eigen 
verdediging, het recht heeft om de uitbarsting van zulk een volks- 
opstand door gewelddadige middelen tegen te gaan. 

Zóó is het door goede legerhoofden te allen tijde begrepen; 
en men kan hier Willem III dus niet laken wegens eene hande- 
ling, die, onder anderen, ook Napoleon aanwendde, bij zijn 
eersten veldtocht in Italië, om den opstand van Lombardije te 
beteugelen; zoo iets is een harde noodzakelijkheid waartoe de 
aanvoerder van een geregeld leger bij het begin van een volks- 
opstand gedwongen is. Wij zeggen herhaaldelijk: bij het be- 
gin van een volksopstand; — want zoodra de opstand zich 
eenmaal gevestigd en uitgebreid heeft, en overgegaan is in een 



Digitized by 



Google 



WINTERVELDTOCHT VAN 1673. 293 

geregelden strijd tusschen twee partijen of legers, duidelijk ken- 
baar en onderscheiden door kleeding en vaandels, dan hebben 
ook de gewone regels van den oorlog weer volle kracht, die ver- 
bieden om weerlooze gevangenen te mishandelen en van het 
leven te berooven. 

Bij die bestorming van Rheinbach wordt de dapperheid ge- 
prezen van Valkenburg, die, hoezeer gekwetst, voortging den 
storm te besturen; na de inneming der stad werd hij tot bevel- 
hebber daarvan benoemd. Wij vinden bij onze schrijvers ook 
vermeld, dat drie Amsterdammers van goeden huize. De Graaf, 
Reynst en Heermans, die met een 24 paarden zich als vrijwil- 
ligers hadden gevoegd bij het leger van Willem III, zich bij die 
bestorming van Rheinbach door hun moed hebben onderscheiden. 
Wij halen die bijzonderheid aan, omdat zij, met vele andere, 
het bewijs geeft, hoe krijgsmansgeest en vaderlandsliefde toen bij 
alle standen aanwezig waren, en het verkeerd is zich voor te 
stellen, dat de burgerstand toen zoo vreemd was aan oorlogs- 
zaken als in latere dagen. 

De tocht van Willem III naar de Maas en den kant van den 
Rijn had natuurlijk de aandacht en bezorgdheid verwekt van 
de Fransche bevelhebbers in de Nederlanden. Condé, die den 
iQen October met een 14000 man nabij Oudenaarden stond, 
schijnt van de Fransche regeering bevel te hebben ontvangen 
daar te blijven, ten einde door het bedreigen van de Span- 
jaarden den Stadhouder in de Nederlanden te doen blijven; 
»afin" — komt in een brief voor, van den 21 sten October van 
Louvois aan Luxembourg — »afin de contenir les Espagnols et 
d'obliger Ie Prince d^Orange a crotter inutilement ses bottes dans 
les Pays-Bas." Toen Condé echter zag, dat zijne stelling bij 
Oudenaarden de Spanjaarden niet verhinderde om een sterk ge- 
deelte van hunne macht bij Willem III te doen aansluiten, en 
dat de Stadhouder voornemens scheen om » zijne laarzen vuil te 
maken", niet in de Nederlanden maar in Duitschland, hield de 
Fransche veldheer slechts zooveel troepen in de Nederlanden 
als strikt noodig was, en zond hij d'Humières met het overige 
— een 9000 man — Willem III achterna. Die Fransche bevel- 
hebber, zijn marsch over Mons nemende, was den 31 sten Octo- 
ber te Maastricht, ging daar den isten November de Maas over, 
en kwam den 3en te Gulik. 

Luxembourg van zijne zijde had, op het vernemen van den 
opmarsch des Stadhouders, een gedeelte zijner macht vereenigd, 
ten zuiden van Nijmegen, op de heide bij Mook; dit was echter 
slechts een 8000 man, dewijl men maatregelen van voorzorg 
moest nemen tegen de krijgsmacht die, onder Waldeck, in Hol- 
land was achtergebleven; — zoo vindt men onder andere bij 



Digitized by 



Google 



294 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

een onzer schrijvers, dat op dit tijdstip van den veldtocht in 
Amersfoort eene bezetting was van 3000 man, in Utrecht eene 
van 7000 man. Met zijn kleine macHt waagde Luxembourg het 
niet, de bondgenooten na te trekken en zich daardoor bloot te 
stellen aan een ongelijken strijd: hij zond twee sterke verken- 
nings-detachementen uit, het eene van 200, het andere van 350 
ruiters, om berichten in te winnen aangaande het leger des 
Stadhouders; die ruiterij geraakte slaags met de ruiterij van 
Willem III, en werd met groot verlies teruggeworpen. Luxem- 
bourg nam toen stelling in de onmiddellijke nabijheid van 
Nijmegen. 

De veldtocht van 1673 ï" Duitschland tusschen Turenne en 
Monte Cuculi is door verschillende krijgskundigen uitvoerig en 
kritisch behandeld; wij zullen er ons hier maar kort mede 
bezighouden; eensdeels, omdat die veldtocht niet rechtstreeks 
tot ons onderwerp behoort ; en anderdeels omdat, welken eerbied 
men ook moet hebben voor de groote bekwaamheden der beide 
genoemde legerhoofden, het ons toch onmogelijk is veel belang 
te stellen in de kunstige — wij zouden haast zeggen gekun- 
stelde — wijze van oorlogen, toen door hen aangewend; eene 
wijze van oorlogvoeren die toen het onderwerp van de studie 
en de bewondering was van alle deskundigen, maar die voor de 
hedendaagsche oorlogen niets belangrijks oplevert. De oorlogen 
in óns land kunnen, door de bijzondere gesteldheid van den 
grond, in de 19e eeuw nog eenigszins gelijken op wat zij waren 
in de 17e; maar wij stellen de vraag: of, wanneer in onze dagen 
twee vijandelijke legers in Midden -Duitschland tegenover elkander 
staan, zij ooit den oorlog zullen voeren op eene wijze als Turenne 
en Monte Cuculi dit in 1673 deden? of zij zich een paar maan- 
den lang zullen bezighouden met niets anders dan onbeduidende 
verrichtingen, met heen- en weder-marschen, met het bedreigen 
van magazijnplaatsen , met het bezetten van rivierovergangen, 
met het verontrusten van fourageeringen ? — Immers neen; die 
legers zullen elkander te gemoet gaan, elkander opzoeken, elkan- 
der slag leveren, — en daarmede uit; in vele opzichten is de 
krijgskunst eenvoudiger, en dus beter, geworden. 

Turenne had van zijne regeering tot voorschrift gekregen, om 
vooral den boven-Rijn te beschermen tegen de Keizerlijke legers. 
De maarschalk had daarom voorgesteld, om die legers op te 
zoeken tot aan de Boheemsche grenzen, en, door ze dddr bezig 
te houden, ze te beletten naar Frankrijk voort te rukken. Dit 
echter strookte niet met de inzichten van Louvois, die ten ant- 
woord gaf: >dat in dat voortrukken naar Bohemen wél voor- 
deelen waren gelegen, maar dat, wanneer men lette op den 
grooten marsch die Turenne*s leger dan moest doen, het beter 



Digitized by 



Google 



WINTER VELDTOCHT VAN 1673. 295 

was zich te bepalen tot het beletten van den vijand om ver door 
te dringen aan gene zijde van Neurenberg." 

Ingevolge dit voorschrift had Turenne zich, den 360 Septem- 
ber, bij Aschaflfenburg op den linkeroever van den Main ge- 
plaatst, de stad en hare brug bezet houdende. Den zelfden dag 
kwam het Keizerlijke leger, dat in drie colonnen van Bohemen 
was opgerukt, in de nabijheid van Neurenberg. Turenne rukte 
toen, langs den linkeroever van den Main, het vijandelijke leger 
te gemoet, dat, zoo beweerd wordt, schijnbewegingen maakte 
om het Fransche leger van die rivier te verwijderen. Den laen 
September stonden beide legers tusschen Winsheim en Rothen- 
burg tegenover elkander, en scheen er een veldslag te zullen 
plaats hebben, door Turenne gewenscht; van Monte Cuculi was 
dit echter slechts een schijnvertooning: na zijn tegenstander in 
front te hebben beziggehouden, deed hij een flankmarsch om 
diens linkervleugel heen, en bereikte zoo den Main, nabij Och- 
senfurt. Turenne volgde hem toen in die richting, nam stelling 
in de nabijheid van zijn tegenstander, en er verliepen weer 
eenige dagen met niets anders dan het verhinderen van foura- 
geeringen. 

Maar de bisschop van Wurzburg verklaart zich voor de Kei- 
zerlijken, ontvangt Keizerlijke bezetting in zijne hoofdstad en 
Monte Cuculi maakt nu gebruik van de daar aanwezige brug 
over den Main om, in den rug van Turenne's leger, afdeelingen 
uit te zenden die op den linkeroever van de rivier de Fransche 
magazijnplaatsen aanvallen. De Keizerlijke veldheer ging in de 
eerste dagen van October op den rechteroever van den Main 
over, en trok om den Spessart heen naar de zijde van Hanau 
en Frankfort; hij kwam dus nader bij het hoofddoel zijner be- 
wegingen, daarin bestaande, dat hij zijne tegenpartij beducht 
maakte voor een inval in Lotharingen of den Elzas, maar intus- 
schen naar den beneden-Rijn trok, en zich daar met Willem III 
vereenigde. Turenne stond toen op den linkeroever van den 
Main, van nabij AschafFenburg tot bij Rothenburg, een afstand 
van omstreeks 18 uren gaans, de kronkelingen van de rivier 
medegerekend. 

Monte Cuculi zette den marsch voort naar den mond van den 
Main, en deed den i4en October eene brug over die rivier slaan, 
iets beneden Frankfort. Die brug werd door een sterk bruggen- 
hoofd verzekerd, en eene afdeeling van eenige duizend man 
ging aldaar op den linkeroever der rivier over, denkelijk met 
inzicht om Turenne te bedreigen met het verlies van zijne ge- 
meenschap met den Rijn en met Frankrijk. Die veldheer, den 
Elzas willende beschermen, verliet dan ook, den aosten, zijne 
stellingen aan den Main, trok in zuidelijke richting naar de 
Neckar, ging den 24sien bij Ladenburg achter die rivier terug. 



Digitized by 



Google 



296 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

en den apsten October bij de vesting Philipsburg op den linker- 
oever van den Rijn over. Vreezende dat de Keizerlijken, op den 
linker Rijnoever doordringende, Trier zouden willen hernemen, 
besloot Turenne den Moezel meer nabij te komen; in noorde- 
lijke richting voortrukkende. was hij den yen November nabij 
Creuznach aan de Nahe. 

Monte Cuculi had zich den 21 sten October te Wiesbaden ge- 
legerd, en begon aan een brug te arbeiden over den Rijn, be- 
neden Mainz; men deed dit bij een eiland dat den stroom in 
twee armen verdeelt, en men zette al dadelijk, met een gierbrug, 
een 4000 man voetvolk, 1500 paarden en 6 stukken geschut op 
den linkeroever over. Dit alles was evenwel maar een vertoo- 
ning om den vijand beducht te maken voor Mainz, of voor 
Trier; het wezenlijke overgangspunt van den Rijn was Coblenz, 
waar de bisschop van Trier, de zaak der Keizerlijken toegedaan, 
een ongehinderden overtocht toeliet, en waar men dichter bij 
het leger van Willem III zou zijn. 

Den 28sien en 29steii October verlaat het Keizerlijke leger den 
Main, en marcheert over Langenschwalbach naar de Lahn; de 
afdeeling die bij Mainz reeds op den linkeroever des Rijns was 
overgegaan, keert op den rechteroever terug; de brug wordt 
opgebroken, en de vaartuigen waaruit die brug was samenge- 
steld, zakken de rivier af naar Coblenz. Op die vaartuigen was 
een gedeelte der infanterie ingescheept; dit gedeelte kwam bij 
Weissenthurm aan land, trok langs den linkeroever van den Rijn 
voort, en vereenigde zich den 3en November, tusschen Bonn en 
Andernach, met het leger van Willem III; het andere gedeelte 
der infanterie, de artillerie begeleidende, zakte met vaartuigen 
de rivier verder af, tot op een half uur boven Bonn. De hoofd- 
macht van voetvolk en ruiterij ging te Coblenz den Rijn over, 
en marcheerde voor een gedeelte in de richting van Bonn dat 
men wilde belegeren; voor een gedeelte bleef het aan den lin- 
keroever van den Moezel, om Turenne in het oog te houden. 
Een afdeeling van 3000 Keizerlijke ruiters, en de vroegere be- 
zetting van Wurzburg — 2 regimenten voetvolk en 2 regimenten 
ruiterij — rukten op langs den rechteroever van den Rijn, om 
aan die zijde de insluiting van Bonn te verrichten. 

Het besluit der bondgenooten om Bonn te belegeren, was in 
alle opzichten goed ie keuren; zoowel om de gegronde hoop 
die men had van die vesting te doen vallen, als om de gewich- 
tige gevolgen welke hare inneming moest na zich sleepen. Uit 
de plaatsing en de sterkte der wederzijdsche legers blijkt dui- 
delijk, dat de vijand weinig kans had om Bonn te ontzetten ; de 
vermeestering van die vesting zou aan de bondgenooten een 



Digitized by 



Google 



WINTERVELDTOCHT VAN 1673. 297 

vast punt aan den Rijn verschaffen, de verbinding van de Kei- 
zerlijke legers met de Hollandsche en Spaansche krijgsmacht 
voortdurend verzekeren, den Keulschen bisschop dwingen de 
partij van Frankrijk te verlaten, de gemeenschap der Fransche 
krijgsmacht in Holland met haar eigen land bedreigen, en daar- 
door denkelijk die krijgsmacht dwingen de Noordelijke Neder- 
landen te ontruimen. 

Bonn, in die dagen het gewone verblijf van den Keulschen 
bisschop maar bij de nadering van de vijandelijke legers door 
dien vorst verlaten, was toen, zooals bijna iedere stad, met ves- 
tingwerken omgeven. Natuurlijke sterkte had de stad alleen in 
zoover, dat hare ligging aan den Rijnstroom het onmiddellijk 
aan die rivier gelegen stadsgedeelte tegen een aanval beschermde; 
voor het overige liet de omliggende landstreek overal den aanval 
toe, en kon men alleen aan de zuidzijde eene onbeduidende 
inundatie stellen. De stad werd toen beschermd door een vrij 
regelmatig gebastionneerden hoofd wal van negen fronten, met 
ravelijnen vóór de courtinen; de grachten waren droog; aan de 
rivierzijde was de stad afgesloten door een muur; — het brug- 
genhoofd op den rechteroever van den Rijn, dat Coehoorn bij 
het beleg van 1703 door zulk een geweldig geschutvuur deed 
bezwijken, bestond in 1673 nog niet. 

Volgens Beaurain waren de vestingwerken van Bonn in een 
slechten toestand, de magazijnen slecht voorzien, en telde de 
bezetting slechts i aoo man Fransche troepen, en 5 k 600 Keulsche. 
Andere opgaven, zwijgende over den toestand der vestingwerken, 
stellen de sterkte der bezetting iets hooger, een 2000 man, enkele 
opgaven 2200: verder zijn zij geheel in strijd met Beaurain ten 
opzichte der uitrusting en bewapening; zoo zegt De Quincy zelfs, 
dat zich in Bonn 80 stukken geschut, en munitie en levensmid- 
delen in overvloed bevonden. De bevelhebber van Bonn was de 
in Keulschen dienst zijnde generaal Landsberg; maar het eigen- 
lijke gezag werd uitgeoefend door den Franschman Reveillon, 
die zich, toen de vijand Bonn naderde, met twee Fransche regi- 
menten binnen die vesting had geworpen. 

De sterkte van de macht des aanvallers wordt begroot, door 
De Quincy op 45000, door Beaurain op 50000 man; dit komt 
vrijwel overeen met de opgaven van onze schrijvers, die haar 
op 48000 man stellen. Hoe sterk het observatie-corps was, aan 
den Moezel achtergelaten, is onzeker; maar men zal niet ver 
van de waarheid zijn, wanneer men de geheele legermacht der 
bondgenooten, hier aan den Rijn, op een 60000 man begroot; 
want wij hebben gezien dat Willem III met een 25000 man was 
opgerukt, en bij een onzer schrijvers vindt men de macht, die 



Digitized by 



Google 



298 KRIJGS- EM GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

Monie Cuculi toen had, op 37000 man begroot. — Beaurain 
zegt, dat de bezetting van Bonn tegen eene zoo sterke leger- 
macht te zwak was voor eene goede verdediging; wij antwoorden 
daarop: dat de uitkomst van een beleg meesttijds minder af- 
hangt van de getalsterkte dan wel van de sterkte der artillerie; 
en dat Bonn, met 80 stukken bewapend, in ddt opzicht niet 
zwak kon worden genoemd. 

Den 4en November trekt de Spaansche bevelhebber d'Assentar 
met een gedeelte der ruiterij van Willem III naar Bonn, en be- 
rent die vesting. Den volgenden dag komt de hoofdmacht der 
bondgenooten daar aan en voltooit de insluiting; Willem III 
neemt zijn hoofdkwartier te Rheindorf aan de noordzijde der 
stad, d'Assentar ie Kessenich, Monte Cuculi op den Godesberg; 
de troepen op den rechteroever van den Rijn stonden onder het 
bevel van den generaal Sporck. Beneden Bonn, buiten het be- 
reik van het vuur der vesting, wordt eene gierbrug gemaakt, om 
de troepen op de beide oevers in gemeenschap met elkander te 
houden. De aanvalswerkzaamhedcn werden oogenblikkelijk be- 
gonnen; en aan twee zijden, ten noorden door Willem III, ten 
zuiden door de Keizerlijken, twee nadernissen, beide nabij den 
Rijn, tegen de stad gemaakt; sommige opgaven spreken van 
eene derde nadernis; maar het schijnt dat men daaronder alleen 
batterijen moet verstaan die, tusschen de beide aanvallen in, het 
vuur openden op de vestingwerken, en — naar het Tartaarsche 
gebruik dier tijden — ook op het Bisschoppelijk paleis en op 
de hooge gebouwen van Bonn. Bijzonderheden omtrent de wijze 
van aanval, en omtrent den afstand waarop het begin der loop- 
graven verwijderd was van de vesting, hebben wij niet kunnen 
vinden; zelfs geene aanduiding over de sterkte van de artillerie 
des belegeraars, die denkelijk door Monte Cuculi uit Wurzburg 
is medegevoerd. 

Hoop op ontzet was er voor Bonn weinig of niet. Wij hebben 
de sterkte van de legermacht der bondgenooten medegedeeld, 
aan de Fransche zijde stonden veel minder strijdkrachten daar- 
tegenover, en nog wel verdeeld en op groote afstanden : Luxem- 
bourg's kleine legermacht was nabij Nijmegen ; Turenne kwam 
den 7en November pas te Creuznach, en kon gemakkelijk wor- 
den opgehouden bij den Moezel; d*Humières was den 360 No- 
vember te Gulik, maar had slechts een (,000 man bij zich, groo- 
lendeels ruiterij. Laatstgenoemde bevelhebber besloot echter eene 
poging te doen, om versterking aan troepen binnen Bonn te 
brengen. Hij rukte den 5en November vooruit tot Lechenich, 
een uur of vier van Bonn verwijderd, en zond van daar ver- 
schillende kleine ruiterafdeelingen uit, met last om al het moge- 
lijke aan te wenden ten einde de macht der bondgenooten te 
doorbreken en tot de stad door te dringen. 



Digitized by VjOOQIC 



WINTERVELDTOCHT VAN 1673. 299 

Saint Silvestre, de bevelhebber van eene dier afdeelingen, komt 
niet een honderdtal dragonders 's nachts in een bosch nabij de 
legerplaats der Keizerlijken^ blijft zich in dat bosch bedekt op- 
houden^ en neemt de veiligheidsmaatregelen bij den vijand waar. 
's Ochtends tusschen 7 en 8 uur, toen — zeggen sommige van 
onze schrijvers — de veldvvachten reeds afgelost waren en men 
het woord niet meer vraagde, gaat de Fransche bevelhebber het 
Keizerlijke leger door, zijn detachement uitgevende voor Lotha- 
ringsche troepen, en bereikt eene der poorten van Bonn. Andere 
afdeelingen, die bij de legerkampen van Willem III en van de 
Spanjaarden hetzelfde beproefden, waren minder gelukkig, en 
werden niet alleen teruggeslagen, maar grootendeels gedood of 
gevangen genomen; en d'Humières, vernemende dat een sterk 
gedeelte van de ruiterij der bondgenooten zich in beweging 
stelde om hem op te zoeken, rekende zich te Lechenich niet 
langer veilig, maar trok terug in noordelijke richting, op Nuys. — 
Omtrent den dag waarop die poging van d'Humières' ruiterij om 
binnen Bonn te komen werd beproefd, zijn de opgaven ver- 
schillend: sommige van onze schrijvers stellen die op den 8sten^ 
Beaurain op den 6en November. 

Het beleg van Bonn ging toen ongehinderd voort, en schijnt 
den aanvallers geen bijzondere moeilijkheden te hebben opge- 
leverd. Wél zeggen onze schrijvers, dat uit de vesti»g een sterk 
geschutvuur op de loopgraven werd geopend; maar zij voegen 
er tevens bij, dat dit vuur weinig verlies teweegbracht. De 
Quincy beweert, dat de bouw van de batterijen des belegeraars 
weinig hinder ondervond van de vesting, daar deze haar vuur 
op de batterijen alleen opende, toen die reeds geheel voltooid 
waren. Den 8sten kwamen de batterijen des belegeraars reeds in 
werking; haar vuur richtte, volgens onze schrijvers, groote ver- 
woestingen aan in de vijandelijke werken en in de stad ; Beaurain 
zegt echter »dat de bommen, door de bondgenooten in de stad 
geworpen, weinig uitwerking deden"; en hij erkent alleen »dat 
twee 24-ponders, bij de nadernissen der Hollanders, den be- 
legerden veel nadeel deden." Kleine uitvallen werden er van de 
Fransche zijde gedaan, maar zonder dat dit iets uitwerkte; voor 
het doen van belangrijke uitvallen was de sterkte der bezetting 
te gering. De belegerden deden in den nacht van 6 — 7 Novem- 
ber twee bakens wegnemen, die bij de Keizerlijken de richting 
der loopgraven moesten aanduiden; daardoor kwamen die loop- 
graven in een moerassig terrein terecht,, of hun verlengde kwam 
uit op de vestingwerken, wat den aanvallers eenig verlies ver- 
oorzaakte. Een soortgelijke krijgslist vindt men terug bij Philip- 
pon's verdediging van Badajoz tegen de Engelschen, in 181 2; 
zoo iets schijnt dus goed aan te wenden te zijn ; en hoezeer het 
geen groote uitkomsten oplevert, is het toch altijd aan te raden, 



Digitized by 



Google 



300 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

omdat de aanvaller daardoor verlies kan ondervinden, zoo aan 
manschappen als aan tijd. 

Niettegenstaande het geschutvuur der vesting waren de loop- 
graven der Hollanders intusschen krachtdadig voortgezet, en 
reeds aan den grachtsboord genaderd van het ravelijn voor de 
Keulsche poort ; dat ravelijn, waarin het geschut des belegeraars 
bres had gemaakt, werd op den avond van den ii en November 
door de troepen des Stadhouders bestormd en na een scherp 
gevecht en aanmerkelijke verliezen des aanvallers genomen. 
Beaurain draagt die bestorming van het ravelijn op eene andere 
wijze voor: hij zegt, dat zij plaats had in den nacht van 9 — 10 
November; dat de aanval der Hollanders tot tweemaal toe werd 
afgeslagen; en dat, toen hij, ten derden male gedaan, gelukte, 
Reveillon een aantal gevulde bommen, in de borstwering van 
het ravelijn gegraven, deed ontsteken, wat een zoodanige ver- 
warring en schrik teweegbracht bij de troepen des Stadhouders, 
dat zij het ravelijn verlieten, en de Fransche bevelhebber er weer 
bezit van nam. Geen der andere schrijvers spreekt echter van 
dien storm op den 9 — loen November; maar allen zeggen, dat 
in den nacht van den iien het ravelijn werd bestormd en genomen. 

Dadelijk na dit behaalde voordeel deed men, terwijl de artil- 
lerie onafgebroken haar vuur op de vesting onderhield, mijnen 
aanleggen onder den hoofdwal, aan eene grachtsafdaling begin- 
nen, en door de ruiterij een aantal fascinen maken om voor den 
storm te dienen. Bij de nadernis der Keizerlijken was men ook 
tot aan den buitengrachtsboord genaderd, en maakte men zich 
gereed tot de bestorming. Reveillon wilde dien storm afwachten, 
en deed arbeiden aan binnenverschansingen om de bressen af 
te sluiten die in den hoofdwal begonnen te ontstaan; maar de 
Keulsche officieren wilden de verdediging niet langer voortzetten 
en werden ondersteund door de oproerige gezindheid der bur- 
gerij, die zich zelfs schuldig maakte aan mishandeling van den 
Franschen bevelhebber. Men trad dus, den laen, in onderhan- 
deling met Willem III; den 13611 werd de vesting overgegeven, 
en trok de bezetting af naar Nuys. 

De verliezen der beide partijen bij dit beleg moeten nagenoeg 
gelijk gestaan, en 4 è. 500 man bij ieder bedragen hebben; vol- 
gens onze schrijvers ten minste telde de bezetting toen zij uit- 
trok nog een 1500 man, en verloren de bondgenooten bij dit 
beleg een 400 man; Beaurain doet dit laatste getal tot 2000 
klimmen, en zegt daarentegen dat de bezetting weinig verliezen 
leed. In dit beleg sneuvelde Königsmarck, door dien eervollen 
dood de herdenking uitwisschende aan de zwakheid die hij het 
jaar te voren had betoond, toen hij, bij Luxembourg's inval in 



Digitized by 



Google 



WINÏERVELDTOCHT VAN 1673. 30I 

Holland, de stelling bij Bodegraven zoo overijld verliet. — Voor 
het overige zijn de handelingen der beide partijen bij dit acht- 
daagsch beleg van Bonn niet duidelijk en uitvoerig genoeg ver- 
meld om daarover een juist oordeel te kunnen vellen; zooveel 
schijnt te blijken, dat het Fransche gedeelte der bezetting zich 
krachtdadig heeft verdedigd, maar zoo spoedig heeft moeten 
zwichten^ door de weinige medewerking die het ondervond van 
de zijde der Keulsche troepen, door den oproerigen geest van de 
burgerij, en ook door de voortvarendheid en nadruk waarmede 
de aanvaller te werk ging. 

Het jaargetijde was te ver gevorderd om den veldtocht nog 
langer voort te zetten. Nog werden het kasteel van Brühl, Leche- 
nich en Kerpen in het Keulensche, en het stadje Duren in het 
Guliksche aangevallen door de troepen van den Stadhouder, en 
zonder veel moeite vermeesterd; die krijgsverrichtingen waren 
echter onbeduidend, al is het dat onze schrijvers het doen uit- 
komen, dat Guébriant — een der veldheeren van den dertig- 
jarigen oorlog — in 1642 Lechenich zes weken lang te vergeefs 
had belegerd. Van den i5en tot den 23sten November had 
de inneming van die verschillende sterkten plaats. Toen ging 
het leger der bondgenooten uiteen: de Keizerlijken betrokken 
kantonnementen bij Bonn en op den rechteroever van den Rijn; 
Willem III keerde met de Hollanders en Spanjaarden naar de 
*Maas terug, naar Roermond en Venlo. Turenne betrok nog in 
November, na eerst vooruitgerukt te zijn tot aan den Moezel, 
winterkwartieren in Lotharingen en in den Elzas; d'Humières 
trok naar Holland, en voegde zich bij de macht van Luxembourg. 

Het lag in den aard van de zaak, dat de vermeestering van 
Bonn en de voordeelen door de bondgenooten behaald op het 
Keulsche grondgebied, al dadelijk groote en gewichtige gevolgen 
moesten hebben voor de Republiek. De vermeestering van het 
grootste gedeelte zijner Staten maakte het den bisschop van 
Keulen onmogelijk langer aan Frankrijks zijde te blijven; en 
toen die vorst den oorlog niet wilde voortzetten, was dit ook 
een ondoenlijke zaak geworden voor den Munsterschen bisschop; 
en de vredesverdragen door de Republiek met die beide geeste- 
lijke vorsten, hoewel eerst in het voorjaar van 1674 gesloten — 
22 April en II Mei 1674 — moeten evenwel beschouwd worden 
als rechtstreeksche gevolgen van de voordeelen, in November 
1673 aan den Rijn behaald. Het is uit de geschiedenis bekend, 
dat die verdragen niet de minste verkleining ten gevolge hadden 
van die Republiek, welker ondergang het doel van den oorlog 
was geweest. 

Een ander, nog gewichtiger gevolg van de operatiën aan den 



Digitized by 



Google 



302 KRIJÜS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

Rijn was de ontruiming van Holland door de legers van Lode- 
wijk XIV. Die legers hadden, tot op dien tijd, de gemeen- 
schap met Frankrijk onderhouden, hetzij door middel van de 
vestingen welke zij in de Spaansche Nederlanden in bezit had- 
den, hetzij door de Staten van den Keulschen bisschop. Maar 
toen die Staten grootendeels in bezit waren genomen door de 
krijgsmacht der bondgenooten ; toen de latere vereeniging der 
Duitsche legers met die van Willem III zoo goed als verzekerd 
was, en men gemakkelijk kon voorzien dat die legers het vol- 
gende jaar hunne aanvallende operatiën zouden voortzetten — , 
toen was het voor de Fransche krijgsmacht niet langer mogelijk 
in Holland te blijven, want een langer verblijf zou die krijgs- 
macht geheel hebben doen insluiten en van Frankrijk afsnijden. 
De overgave van Bonn was voor de Franschen het sein om tot 
ontruiming van het grondgebied der Republiek over te gaan. 

In November aangevangen, wordt die ontruiming in December 
voortgezet. De Fransche troepen verlaten achtereenvolgens de 
Utrechtsche en Geldersche steden, ook Crèvecoeur, Kampen en 
Hattem; terwijl tegelijkertijd de Munsterschen Meppel en Steen- 
wijk verlaten. De wijze waarop die ontruiming plaats had, het 
slechten der vesting werken van een gedeelte der steden die men 
verliet, de afpersingen waaraan de Fransche bevelhebbers zich 
jegens de burgerijen schuldig maakten, en het medevoeren van 
gijzelaars, — dit alles zijn maatregelen die hier niet uitvoerig' 
worden vermeld, omdat zij weinig militair belang hebben. Ge- 
noeg zij het, te zeggen, dat Lodewijk XIV van al zijne in Hol- 
land gemaakte veroveringen niets anders wilde behouden dan 
Grave en Maastricht, waarvan de bezettingen aanmerkelijk wer- 
den versterkt; al het andere werd ontruimd, en achtereenvolgens 
in bezit genomen door de troepen van Waldeck. Luxembourg, 
zijne macht' bij Maastricht samengetrokken hebbende, gaat daar- 
mede den iQcn December op marsch om naar Frankrijk terug 
te keeren; hij had bij zich loooo man infanterie en 6000 rui- 
ters, en begeleidde een konvooi van niet minder dan 3000 wagens. 
De Fransche veldheer rukte langs den rechteroever van de Maas 
voort, voornemens door de Ardennen op Mezières te trekken, 
en zóó Frankrijk te bereiken. 

Maar de Stadhouder, altijd onvermoeid en op geen jaargetijde 
lettende (toujours infatigable et comptant la saison pour rien; woor- 
den van Beaurain), wilde den vijand niet zoo ongehinderd met 
den buit uit de HoUandsche steden naar Frankrijk laten aftrek- 
ken. Op de eerste tijding dat Luxembourg zijne macht bij 
Maastricht verzamelde om verder de Nederlanden te ontruimen, 
rukte eene HoUandsche legerafdeeling, onder Waldeck, van de 



Digitized by 



Google 



ONTRUIMING VAN HOLLAND. 303 

Langstraat in Noord-Braband op, en kwam den 7011 December 
te Herenthals. Hier vereenigd met Spaansche troepen, ruiterij 
en voetvolk, maakte dit alles en alles een leger uit van 25 è 
30000 man. Willem III stelde zich aan het hoofd daarvan, en 
rukte naar de Maas, welke rivier hij den 28sten December bij 
Hoey overging. Van daar trok het verbondene leger naar Marche 
en Famine, en bereikte de Ourthe, juist op het oogenblik dat 
het Fransche leger op den rechteroever van die rivier verscheen. 
Luxembourg oordeelde met reden dat, belemmerd als hij was 
door den grooten wagentrein, het voor hem geheel en al onge- 
raden was een gevecht te leveren tegen den overmachtigen 
vijand; en keerde, terwijl hij de bruggen over de Ourthe ver- 
nielde om alle vervolging te voorkomen, met zijn konvooi in 
allerijl naar Maastricht terug. 

Willem III liet toen een gedeelte zijner macht, Spaansche rui- 
terij onder den Prins de Vaudemont, op den rechter Maasoever 
achter; de hoofdmacht keerde terug op den linkeroever, en nam 
den schijn aan alsof zij uiteen wilde gaan, de Spaansche troepen 
naar hunne garnizoenen, de Hollandsche naar hun land. Luxem- 
bourg gaat toen nogmaals van Maastricht op marsch om Frank- 
rijk te bereiken, maar ditmaal langs den linkeroever van de 
Maas, den steenweg op Charleroi volgende. De Stadhouder, 
onderricht van die nieuwe poging des Franschen veldheers, her- 
zamelt ijlings zijne troepen en gaat zijn vijand tegemoet; maar 
deze ontwijkt weer den strijd, en trekt terug tot onder het kanon 
van Maastricht. 

Willem III zag toen in, dat het ondoenlijk was, zijn tegen- 
stander tot een veldslag te dwingen; en het vergevorderde jaar- 
getijde, de vermoeienissen door zijne troepen verduurd, en de 
tijding van het bijeentrekken eener Fransche legermacht aan de 
Sambre, maakten het onraadzaam den vijand den weg naar 
Frankrijk langer te willen afsluiten. De Stadhouder brak dan 
ook op, en deed zijn leger uiteengaan en de winterkwartieren 
betrekken. Luxembourg ging toen, ten derden male, van Maas- 
tricht op marsch; en om hem te ondersteunen rukten 4000 man 
Fransche ruiterij, onder Schomberg, van Charleroi tot Tongeren 
vooruit. Den iien Januari 1674 had de vereeniging plaats van 
de beide Fransche bevelhebbers; beiden rukten toen op Char- 
leroi, en deden hunne troepen winterkwartieren betrekken in de 
landstreek tusschen de Maas en de Sambre. 

Die macht door Luxembourg naar Frankrijk geleid, maakte 
slechts een gedeelte uit van de krijgsmacht die Lodewijk XIV 
in Holland had gelaten ; het overige, samengesteld uit de bezet- 
tingen van de het laatst ontruimde Hollandsche steden, trok 
eerst in het voorjaar van 1674 — begin van Mei — te Maastricht 
bijeen, om van daar verder Frankrijk te bereiken. Dit tweede 



Digitized by 



Google 



304' KRIJGS- EN GESCHIEDfCUNDTGE BESCHOUWINGEN. 

leger, onder den maarschalk De Bellefonds, telde een 22000 
man; bijgevolg, wanneer men hierbij voegt, de sterkte van het 
leger door Luxembourg reeds naar Frankrijk geleid, en die der 
bezettingen in Grave en Maastricht achtergelaten, dan kan men 
aannemen dat, op het oogenblik der overgave van Bonn, het 
grondgebied der Republiek nog bezet was door een 50000 man 
Fransche troepen. 



De veldtocht van 1673 ^^ bepaald nadeelig voor Frankrijk; 
het had daarbij bijna geen voordeelen behaald, maar integendeel 
verloren wat het door den veldtocht van het vorige jaar, door 
wat de vleiers van Lodewijk XIV tde verovering van Holland'* 
noemden, had gewonnen; en het verlies van Bonn, de verschij- 
ning van het Keizerlijke leger op den linkeroever van den Rijn, 
de geheele ontruiming van het grondgebied der Republiek, waren 
wederwaardigheden, die indruk maakten zelfs op de heldenziel 
van een Turenne. Wij willen kortelijk vermelden aan welke oor- 
zaken de uitkomst van dezen veldtocht kan geweten worden. 

Als een eerste en als de voornaamste oorzaak noemen wij de 
betrekkelijke sterkte der oorlogvoerende partijen, zoo geheel ver- 
schillend van wat zij het vorige jaar was geweest Wij noemen 
die oorzaak de voornaamste; niet dat wij van meening zijn, 
dat de overmacht in strijdkrachten altijd de beslissing moet 
aangeven, en dat de overwinning altijd is aan de zijde van de 
sterkste bataljons ; integendeel, wij zijn wel degelijk van gevoelen, 
dat de bekwaamheid van den legeraanvoerder van zeer grooten 
invloed is op den gang der krijgsverrichtingen ; — maar, hoe 
groot ook, die invloed heeft evenwel zijne perken; er kan eene 
verhouding der strijdkrachten bestaan, die het den grootsten 
veldheer onmogelijk maakt eene goede uitkomst te verkrijgen : 
al het genie van Napoleon en al de onbekwaamheid van zijne 
tegenstanders vermochten in 18 14 niet, bij de groote onevenredig- 
heid der strijdkrachten, den val van Frankrijk te beletten. Even- 
zoo was de nietigheid der middelen waarover Willem III in 1672 
kon beschikken, de oorzaak dat hij de Fransche legers niet kon 
beletten tot in het hart van Holland door te dringen, en dat hij 
niet in staat was het verlorene te herwinnen; — en dat dit in 
1673 wél gelukte, moet daaraan worden toegeschreven, dat de 
Stadhouder toen in een geheel anderen toestand was dan in het 
jaar te voren. 

Vergelijk de sterkte der wederzijdsche partijen in de beide 
jaren, en die verschillende toestand zal duidelijk blijken. 

Frankrijk en zijne bondgenooten hadden in 1673 niet meer 
strijdkrachten dan in 1672; men kan zelfs gerustelijk zeggen 
minder, wanneer men let op de verliezen door de Munsterschen 



Digitized by 



Google 



ONTRUIMING VAN HOLLAND. 305 

en Keulenaars, voor Groningen, geleden. Maar bij de tegenpartij 
was het geheel anders: in 1672 treden als bondgenooten der 
Republiek op de keurvorst van Brandenburg en de Keizer; 
maar die bondgenooten doen zoo goed als niets; zij komen laat 
in werking, zij houden slechts een klein gedeelte van de Fransche 
krijgsmacht bezig: zij kunnen eigenlijk niet medegeteld worden. 
De geheele last des oorlogs, in 1672, komt neer op Spanje en 
op de Republiek; het eerste, zwak en uitgeput, en nog in naam 
in vrede met Frankrijk, neemt slechts zijdelings deel aan den 
krijg; de Republiek... wij hebben gezien hoe ellendig het ge- 
steld was met hare strijdmiddelen te lande. Aan die zwakheid 
der oorlogvoerende Staten moeten de nadeelen worden toege- 
schreven van 1672. Maar in 1673 is het geheel anders: wél is 
de hulp van Spanje dezelfde als vroeger ; wél heeft de keurvorst 
van Brandenburg zich onttrokken aan het bondgenootschap met 
onzen Staat, en vrede gesloten met Frankrijk; maar de Keizer 
neemt nu een werkzaam deel aan den oorlog, en is ons tot een 
sterken steun; en de strijdkrachten der Republiek zelve hebben 
eene zoodanige uitbreiding en verbetering ondergaan, dat zij 
zelfs niet de minste vergelijking toelaten met wat zij waren in 
1672, bij het begin des oorlogs. Aan die sterkte der bondge- 
nooten moeten de voordeelen van 1673 voornamelijk worden 
toegeschreven. 

Een tweede oorzaak vinden wij in de bekwaamheid van de 
legerhoofden der bondgenooten, Monte Cuculi en Willem III; 
, de grijsaard die reeds de ondervinding van een lange veldheers- 
loopbaan tot zijn dienst had, de jongeling die dadelijk bij zijn 
eerste optreden den stoutsten heldengeest had doen blijken; 
beiden betoonen zich hier groote en bekwame legerhoofden. 

Wij zouden in herhalingen vervallen wanneer wij hier weer in 
het breede wilden aantoonen hoeveel goeds, groots, beslissends 
er was in dien marsch naar den Rijn, in dat beleg van Bonn; 
hoe daardoor, het best en het zekerst, de ontruiming van Hol- 
land kon worden verkregen; hoe zulk eene handeling alléén 
reeds voldoende is om Willem III onder de groote en uitste- 
kende veldheeren te doen rangschikken, onder die mannen die 
de bekwaamheid voor hunne taak niet verkrijgen door de soms 
duur gekochte lessen der ondervinding, maar door de ingevingen 
van een stouten en helderen geest. Dat alles hebben wij reeds 
aangetoond, bij het spreken over de aanvallende bewegingen 
des Stadhouders op het einde van 1672; bewegingen die wij 
even goed, even uitmuntend achten als die welke de ontruiming 
van Holland hebben bewerkt; het is eigenlijk dezelfde hande- 
ling, maar die daarom verschillend is beoordeeld, omdat zij den 
eenen keer is gelukt, en den anderen keer niet. Daarom ver- 
wijzen wij hier naar wat gezegd is over de krijgs verrichtingen 

WILLEM iiL — I. 20 



Digitized by 



Google 



306 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

van 1672, en zullen wij er ons toe bepalen met aan te merken, 
dat Monte Cuculi hier krachtig medewerkte tot het doen ge- 
lukken van de handelingen des Stadhouders. 

Het vroegere beleg van Naarden door het HoUandsche leger- 
hoofd is ook eene handeling geweest die zich door stoutheid en 
krachtdadigheid kenmerkte; terwijl de latere pogingen des Stad- 
houders om Luxembourg den aftocht naar Frankrijk te beletten, 
niet slechts de onvermoeide werkzaamheid van eerstgenoemden 
veldheer bewezen, doch ook lichtelijk aanleiding konden geven 
tot het behalen van voordeelen op de minder sterke Fransche 
macht, en op zijn minst genomen er toe moesten strekken den 
bondgenooten een zedelijk overwicht te geven op hunne vijanden. 

Als een derde oorzaak noemen wij de weinige bekwaamheid 
waarmede de krijgsverrichtingen van 1673 aan de Fransche zijde 
bestuurd werden. 

Het zal wonderspreukig luiden, van weinige bekwaamheid 
te gewagen, daar waar een Turenne en een Condé aan het hoofd 
staan, aanvoerders wier welverdiende roem het kritische onder- 
zoek der latere eeuwen heeft doorstaan. Ook zouden wij aarzelen 
dit oordeel uit te spreken, wanneer het z u 1 k e n mannen betrof; 
maar niet hun geldt ons afkeurend gevoelen; zij waren niet vrij 
in hunne handelingen; alleen op hem die hunne handelingen 
bestuurde, komt de verantwoordelijkheid neder van de krijgs- 
rampen die Frankrijk in 1673 ondervond. 

Lodewijk XIV, hoezeer zich soms vertoonende aan het hoofd 
zijner legers, had evenwel volstrekt niet de bekwaamheden die 
een legerhoofd moet hebben. Het geluk had in dit gemis voor- 
zien door hem een Turenne, een Condé te geven, — om niet 
te gewagen van zooveel anderen, die, bij de menigvuldige oor- 
logen door den Franschen monarch gevoerd, zich als bekwame 
veldheeren hebben doen kennen. Maar, ongelukkig voor dien 
monarch, stelde hij geen genoegzaam vertrouwen in die veld- 
heeren, liet hun geen vrijheid van handeling, en belemmerde 
hen door voorschriften en bevelen van allerlei aard, waardoor 
hunne beste ontwerpen dikwijls onuitgevoerd bleven. Ontstond 
dit uit bezorgdheid voor zijn gezag, uit vrees dat de steeds toe- 
nemende roem zijner legerhoofden zijn eigen roem zou over- 
schaduwen, uit de herinnering aan de rol die sommigen hunner 
gespeeld hadden in de onrustige tijden der Fronde? — Wij laten 
dit daar; maar zooveel is zeker, dat Oostenrijksche Icgerhoofden 
niet nauwer gebonden waren aan de voorschriften van den 
Weenenschen hof krijgsraad dan de veldheeren van Lode- 
wijk XIV aan de bevelen van dien Koning. Er is zoo weinig 
overdrijving in die bewering, dat men gerustelijk kan zeggen, 
dat Prins Eugenius van Savoye als veldheer veel vrijer te werk 
kon gaan dan Turenne, 



Digitized by 



Google 



ONTRUIMING VAN HOLLAND, 307 

Louvois was in Frankrijk de man die alle oorlogszaken regelde, 
die daarin het onbepaaldste vertrouwen zijns Konings bezat, en 
die, evenals een groote eeuw later Carnot, in zijn schrijfkamer 
bepaalde hoe Frankrijk's legers zich moesten bewegen, moesten 
handelen en strijden om den oorlog tot een goed einde te 
brengen. Maar wanneer wij die beide oorlogsministers naast 
elkander plaatsen, dan willen wij daarom hunne wecking nog 
niet gelijkstellen ; daarin bestond groot verschil. De oekwaam- 
beden en verdiensten van Carnot, — heeft een latere beoordee- 
laar, Clausewitz, gezegd — , zijn te hoog geprezen. Wij willen 
dit niet tegenspreken; maar wij zijn nochtans van oordeel, dat 
het bewind van Carnot als oorlogsminister in 1793 — 1794 zeer 
goede vruchten heeft gedragen, en noodzakelijk was om eenige 
eenheid te brengen in het toenmalige Fransche krijgswezen, zoo 
pas in het leven geroepen, uit zoo vreemde bestanddeelen be- 
staande, en waarbij zooveel legerhoofden waren, voor welke 
hunne betrekking vreemd was, en die wel degelijk de leiding en 
het bestuur van een verstandig hoofd behoefden. Maar met het 
bestuur van Louvois als minister van oorlog was het geheel 
anders: toen had Frankrijk goed geregelde legers, en had het 
bekwame, ervarene veldheeren; veldheeren, die men gerustelijk 
op zichzelve kon laten handelen; en die, beproefd door tal van 
oorlogen en met eigen oogen ziende hoe het op het krijgstooneel 
gesteld was, veel beter in staat waren om te beoordeelen wat 
zij moesten doen, dan de minister die, te Parijs zijnde, minder 
goed bekend was met den stand van zaken, en niet die onder- 
vinding had welke de maarschalken van Lodewijk bezaten. Dat 
men die maarschalken bond aan de bevelen en voorschriften 
des Ministers, was dus geheel verkeerd. 

Onbillijk zou het zijn, zich dien Minister voor te stellen als 
een man zonder kunde of bekwaamheid ; het tegendeel was waar, 
dit hebben wij reeds vroeger aangetoond. De geschiedenis heeft 
Louvois met een zwarte kool geteekend, om zijn koele hard- 
vochtigheid, om zijne onverbiddelijke wreedheid; de verwoesting 
van de Paltz heeft zijn naam overdekt met een welverdiende 
schande; iedereen heeft het recht, hem daarom te veroordeelen 
en te verachten; — het valt niet te ontkennen, dat hij voor 
Lodewijk XIV een dienaar was vol ijver, vol bekwaamheid. Maar 
het vertrouwen dat hij zelf in die bekwaamheid stelde, verleidde 
hem tot de dwaasheid van alles zelf te willen besturen, — ook 
die legerhoofden, die zoozeer getoond hadden voor hunne taak 
geheel berekend te zijn. 

Ziedaar een misslag waarin een minister dikwijls vervalt, zelfs 
met de bekwaamheden van een Louvois: hij meent dat hij, 
alleen, alles kan regelen; hij vergeet, dat dit slecht gaat; dat 
het integendeel zijne zaak is, bekwame mannen te kiezen, aan 



Digitized by 



Google 



308 KRUGS- EN GKSCHIEDICUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

wie hij een deel zijner werkzaamheden kan opdragen, en die hij 
vrijelijk en ongehinderd moet laten werken^ zoolang hij ziet dat 
op deze wijze alles goed gaat; hij wil eenheid, hij overschat de 
waarde daarvan, hij verkrijgt die eenheid ten koste van andere 
goede beginselen ; hij wil alles tot in de minste kleinigheden door 
vaste bepalingen regelen; en hij ziet niet in, dat hij daardoor 
alles gebi^ekkig zal laten. Is zulk eene handeling soms te wach- 
ten van een bekwaam staatsman als Louvois, nog meer is zij te 
vreezen van die mannen met beperkte geestvermogens, die te 
dikwijls, tot ongeluk van een volk, aan het hoofd der regeering 
komen; en die, in hun dwaas en bekrompen pedantisme, ieders 
verstand naar de maat van het hunne meten, en daardoor zelfs 
de geringste en onbeduidendste handelingen willen binden aan 
bepaalde voorschriften en regels. Zulke ministers zijn een ware 
plaag voor een land en voor een leger. 

Op Louvois, die de voornaamste strategische handelingen van 
1673 voorschreef en bestuurde, komt dus de schuld neer van 
de slechte uitkomsten welke die handelingen opleverden. De 
Fransche legers werden door hem slecht geplaatst, slecht in wer- 
king gebracht. Wilde men de veroveringen in Holland behou- 
den, dan was het zaak allereerst meester te worden van de 
Spaansche Nederlanden ; of ten minste in de landstreek lusschen 
Maas, Rijn en Moezel eene legermacht te plaatsen, genoegzaam 
sterk om daarmede de Keizerlijke legers in bedwang te houden. 

Het eerste had men kunnen doen roet behulp van die sterke 
macht, waarmede Lodewijk XIV, in Mei 1673, de Nederlanden 
binnenrukte. Wij hebben reeds vroeger aangetoond, dat die macht 
had moeten aangewend worden tot de verovering van de Spaansche 
Nederlanden ; dat de belegering van Maastricht wel op zich zelve 
geen verkeerde handeling was, maar dat het verkeerd was zich 
tot die belegering te bepalen ; dat men de verschillende Spaansche 
vestingen tusschen Maas en Schelde had moeten bemachtigen; 
dat men daardoor de gemeenschap van het leger in Holland 
met Frankrijk zou verzekerd hebben; en dat men dan de krijgs- 
verrichtingen op het grondgebied der Republiek kon voortzetten 
zoo lang men dit verkoos, zonder het minste gevaar te loopen 
van afgesneden te worden. 

Toen men die onderwerping der Spaansche Nederlanden ver- 
zuimde, had men ten minste maatregelen moeten nemen om 
den Keizerlijken legers te verhinderen zich te vereenigen met de 
krijgsmacht van Willem III. Men kon daartoe Turenne's voorstel 
opvolgen, en het leger van dien veldheer den vijand doen op- 
zoeken in Bohemen, en dien vijand daardoor beletten den Rijn 
te naderen. Oordeelde men die handeling te stout, dan kon men 
Turenne voorschrijven, wanneer het hem niet langer mogelijk 
was den vijand aan den Main tegen te houden, met het Fransche 



Digitized by 



Google 



ONTRUIMING VAN HOLLAND. 309 

leger terug te trekken naar den beneden-Rijn. altijd blijvende 
tusschen de legers van Monte Cuculi en van Willem III, en 
daardoor de vereeniging belettende van die beide legers der 
bondgenooten. Op den linkeroever van den Rijn, of geplaatst in 
een dubbel bruggenhoofd nabij Keulen, zou Turenne, in gemeen- 
schap met Maastricht en met Luxembourg in Holland, zeer goed, 
evenals het jaar te voren, den overtocht van den Rijn door de 
Keizerlijken en de vereeniging van hun leger met dat van Wil- 
lem III hebben kunnen beletten. Holland had dan niet ontruimd 
behoeven te worden, en in den veldtocht zou het voordeel aan 
Frankrijk's zijde zijn gebleven. 

Maar Louvois was beducht dat het Keizerlijke leger zich naar 
den boven-Rijn wilde wenden, en in den Elzas en Lotharingen 
vallen ; daarom bleef Turenne volgens zijne voorschriften op den 
linkeroever van den Main, terwijl hij zich op den rechteroever 
had moeten plaatsen; daarom trok die Fransche veldheer terug 
op Philipsburg, terwijl hij zijn terugtocht naar den beneden-Rijn 
had moeten verrichten. Die handeling, die misslag was beslissend; 
toen was het onmogelijk de vereeniging van de Keizerlijke en 
Hollandsche legers te beletten; toen was het onmogelijk om 
Bonn en de Staten van den bisschop van Keulen te hulp te 
komen; toen was het onmogelijk om in Holland langer een leger 
te laten, dat het dreigendste gevaar liep daar geheel ingesloten 
te worden. 

Ook kan men den noodlottigen invloed van een te groot 
aantal vestingen bij dit gedeelte van den veldtocht weer opmerken. 
Frankrijk had, zooals wij gezien hebben, op het grondgebied der 
Republiek eene legermacht van een 50 000 man ; toch kost het 
de grootste moeite om daarvan een 10 ^ 12000 man bijeen te 
brengen ; zoozeer was die macht verdeeld en versnipperd in steden 
en sterkten van allerlei aard. Wanneer dat niet het geval was 
geweest, wanneer men alleen eenige weinige, bijzonder belangrijke 
vestingen bezet had gehouden, en de overige ontruimd en ont- 
wapend, dan had de helft van het leger in Holland in het veld 
kunnen worden gebracht; en dan was er nog mogelijkheid ge- 
weest om de vereeniging van de beide legers der bondgenooten 
te beletten, en de Keizerlijken weer terug te werpen naar den 
rechteroever van den Rijn. Nu was dit eene onmogelijkheid; nu 
moest Holland ontruimd worden, in weerwil dat men daar zoo- 
veel vestingen en vaste punten had. 

Wat Rousset zegt over de krijgsverrichtingen van het einde 
van het jaar 1673, komt ons voor, minder juist te zijn; die 
Fransche schrijver doet het voorkomen, alsof de ontruiming van 
Holland door de legers van Lodewijk XIV minder het gevolg 
is geweest van de noodzakelijkheid, dan wel de vrucht van de 

WILLEM in. — I. 20* 



Digitized by 



Google 



3IO KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

goede strategische inzichten van Louvois. Ziehier wat voorkomt 
op blz. 500 — 502 van het eerste deel der y^Hhtoire de Louroii'*', 

» Zoodra de vredebreuk met Spanje eene besliste zaak was, en 
terwijl de Prins van Oranje zich in beweging begon te stellen 
om zich te vereenigen met graaf Monterey, had Louvois eens- 
klaps door Lodewijk XIV een belangrijk besluit doen nemen. 
»De Koning," — zoo schreef hij den aostcn October aan den 
markies De Rochefort — >moet zich heden beraden over het 
ontruimen van Utrecht ; en daar die ontruiming volstrekt noodig 
is, zoo geloof ik u in vertrouwen te mogen mededeelen, dat 
daartoe zal worden besloten, en dat dit binnen kort zal worden 
ten uilvoer gebracht." — Niet alleen zou men Utrecht ontruimen, 
maar ook alle steden aan de Zuiderzee, aan den IJsel en aan 
de Lek; men behield alleen de steden aan Waal, Maas en Rijn, 
met Arnhem als vooruitgeschoven post. Het was een mannelijk 
besluit dat gunstig pleitte voor het oordeel, gezond verstand en 
vastberadenheid van hem die daartoe aanspoorde. Turenne keurde 
het goed: Condé keurde het af; hij grondde zich daarbij hierop: 
>dat die ontruiming 'sKonings zaak in geheel Europa zou be- 
nadeelen en bederven." Condé had hier de openbare meening 
voor zich; in Frankrijk houdt men er niet van, om te wijken; 
elke achlerwaartsche beweging wordt beschouwd als een inbreuk 
op de nationale eer. Holland was de prijs van de overwinning; 
vijftien maanden had men het bezet, en het daardoor gemaakt 
tot een Fransch gewest; en toch ontruimde men het voor de 
helft ; voor wien ? voor welken overwinnaar ? welken veldslag had 
men dan verloren ? De volksmeening onderzocht niet, of de oorlog 
met den Keizer en met Spanje het niet noodzakelijk maakte om 
Frankrijk's strijdkrachten elders te doen optreden. Wél zag Condé 
die noodzakelijkheid in, die het algemeen nog niet begreep; 
maar, hoewel Louvois hem verzekerd had, dat het onmogelijk 
was om nog meer uitbreiding te geven aan Frankrijk's strijd- 
krachten, zoo maande hij den Minister toch aan, om, liever dan 
Utrecht te ontruimen, nog eenige pogingen aan te wenden om 
nieuwe troepen te lichten in Zwitserland, in Engeland, zelfs in 
Frankrijk. 

Louvois had moed genoeg om weerstand te bieden aan Condé 
en aan de openbare meening; zonder aarzelen bracht hij zijne 
populariteit ten offer aan het algemeen belang. Hij deed dit 
zonder tweestrijd; en de voorschriften die hij opmaakte voor 
den hertog De Luxembourg waren zoo duidelijk, zoo stelsel- 
matig, zoo gemakkelijk op te volgen als maar zijn kon. Het 
gunstige oogenblik was daar, — schreef hij hem — , nu de Prins 
van Oranje er liefhebberij in had om zijne laarzen vuil te maken 
in Vlaanderen," {pendant que Ie Prince d^ Orange s awmait a crotter 
ses hottes en Flandre). De vestingen ontwapenen en ontmantelen. 



Digitized by VjOÓQIC 



ONTRUIMING VAN HOLLAND. 3II 

al den krijgsvoorraad en leeftocht meenemen, een losgeld op- 
leggen aan de sleden en dorpen die men voortaan niet meer 
zou kunnen belasten, en toch alle wanorde en geweld voorkomen 
of tegengaan, »daar Zijne Majesteit die gaarne zou willen ver- 
mijden voor zoover die niet volstrekt noodig zijn," — dit alles 
was overwogen, aangeduid, uitgewerkt. In de steden die hij be- 
zet bleef houden, wilde de Koning 534 compagnieën voetvolk 
laten, dat is bij de 20000 man onder de wapens; de bezettingen 
der sleden die men ontruimde en de troepen die Luxembourg 
op marsch tot zich moest trekken om ze naar Frankrijk te 
brengen, zouden een leger uitmaken van 20000 man voetvolk 
en 10 000 paarden. 

Hoezeer het dringend noodig was om grooten spoed te maken, 
zoo vorderde zulk een gewichtige operatie toch veel tijd; Luxem- 
bourg was ternauwernood daarmede begonnen, toen de Prins 
van Oranje, die onderweg een Spaansche legermacht aan zich 
had getrokken, voor de muren van Bonn verscheen; terwijl 
daarvoor, aan de andere zijde, de Keizerlijken kwamen, die van 
Mainz naar het lagere gedeelte van den Rijn waren getrokken." 

Enkele aanmerkingen hierop. 

Vooreerst op de cijfers. Tot bezetting van de HoUandsche 
steden die men niet ontruimde, moesten 534 compagnieën voet- 
volk worden aangewend, die, onder de wapens, bij de 20000 
man uitmaakten ; — dus zou de sterkte van elke compagnie nog 
geen 40 man zijn geweest? Dit is niet waarschijnlijk. 

Luxembourg's leger, dat geheel in het begin van 1674 Char- 
leroi en Frankrijk bereikte, zou sterk zijn geweest 20000 man 
voetvolk en 10000 man ruiterij; — andere opgaven geven een 
veel mindere sterkte aan: 10 000 man voetvolk en 6000 man 
ruiterij; — en die mindere sterkte is veel meer waarschijnlijk; 
want als Luxembourg aan het hoofd had gestaan van zulk een 
sterk leger, zou hij dan, zelfs belemmerd door een wagentrcin, 
tot tweemaal toe zijn teruggegaan voor Willem III, die een min- 
der sterk leger aanvoerde? 

Het meest waarschijnlijke is — zooals reeds gezegd is — dat 
er in het najaar van 1673 nog ongeveer een 50000 man Fransche 
troepen in Holland waren; dat daarvan in Januari 1674 een 
16000 man — laat het 20000 man zijn, maar meer niet — 
door Luxembourg naar Frankrijk werden teruggebracht; dat. 
eenige maanden later De Bellefonds met een leger van 22000 
man Gelderland verliet; en dat de bezettingen die in Grave en 
Maastricht achterbleven, te zamen een 10 è. 12000 man hebben 
uitgemaakt. 

Wij geven die cijfers als de meest waarschijnlijke, als 
die waartoe men komt als men de verschillende opgaven raad- 
pleegt en onderling vergelijkt. Zelden of nooit zal men bij een 



Digitized by 



Google 



312 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

oorlog met wiskundige zekerheid de sterkte van de strij- 
dende partijen kunnen kennen; en toch dient men zich een 
eenigszins juist denkbeeld van die sterkte te maken, wil men 
vruchten plukken van de studie van de k rijgsgeschiedenis. 

Een tweede aanmerking betreft den invloed, dien het optreden 
van den Keizer en van Spanje als vijanden van Lodewijk XIV 
zou gehad hebben op de ontruiming van Holland. Die invloed 
wordt door Rousset veel te hoog geschat; of, beter gezegd, hij 
geeft hier een geheel onjuiste voorstelling van den gang van 
zaken. De Fransche schrijver doet het voorkomen, alsof eerst 
door de traktaten, die den 3osten Augustus 1673 in Den Haag 
werden gesloten lusschen den Keizer, Spanje en de Republiek, 
de Keizer en Spanje vijanden zijn geworden van Lodewijk XIV ; 
alsof, vóór dien tijd, Frankrijk volstrekt geen vijandschap of 
tegenwerking had te duchten van den Keizer of van Spanje; 
alsof in den zomer van 1673 ^^ staatkundige toestand in eens 
geheel en al was veranderd \ en alsof alleen die geheele omkee- 
ring de oorzaak is geweest van de ontruiming van Holland. 

Maar die voorstelling komt niet overeen met de werkelijkheid. 
Spanje had ons hulp verleend, van het eerste oogenblik af dat 
lodewijk XIV in 1672 de Republiek aanviel; het was onafge- 
broken daarmede blijven voortgaan; het was een half Spaansch, 
half Hollandsch leger, waarmede Willem III in 1672 Charleroi 
aanviel; Spaansche regimenten namen deel aan de verdediging 
van Maastricht; — in één woord, dat verdrag van 30 Augustus 
1673 deed niet anders dan openbaarheid geven aan een toestand 
van zaken, die reeds veel langer dan een jaar bestond, en die 
voor niemand een geheim was. Evenzoo met den Keizer: reeds 
in het najaar van 1672 verwachtte men een Keizerlijk leger in 
de Rijnprovincien te zien komen; Willem III rekende daarop, 
toen hij op het einde van 1672 naar die gewesten trok; en 
Lodewijk XIV en Louvois zijn onmogelijk daarvan onkundig 
kunnen wezen. Het kan dus niet zijn, dat de ontruiming van Hol- 
land is teweeggebracht door de traktaten, in 1673 door de 
Republiek gesloten met Spanje en met den Keizer; want die 
traktaten leerden den Franschen koning niets, wat hij niet reeds 
sedert lang wist. 

Maar de ontruiming van Holland werd teweeggebracht door 
de steeds toenemende bezorgheid van de Fransche bewindheb- 
bers, dat hunne legermacht in Holland groot gevaar liep geheel 
afgesneden te worden van Frankrijk, groot gevaar liep geheel 
verloren te gaan. De stoute onderneming van Willem III, op 
het einde van 1672, had reeds op dat gevaar opmerkzaam ge- 
maakt; toenmaals was het echter afgewend, door het niet op- 
dagen van het Keizerlijke leger, en door het niet gelukken van 
den aanval op Charleroi. Maar toen de Stadhouder in het najaar 



Digitized by 



Google 



ONTRUIMING VAN HOLLAND. 313 

van 1673 de onderneming van het vorige jaar herhaalde, begon 
men aan de Fransche zijde overtuigd te worden van de nood- 
zakelijkheid om Holland te verlaten ; de datums toonen het aan, 
dat het een het gevolg is geweest van het ander; den i2ea en 
i3en October trekt het Hollandsche leger, uit Noord-Braband, de 
Spaansche Nederlanden in; en den 2osteo October — toen men 
in Frankrijk die aanvallende beweging van den Stadhouder dus 
zeer zeker reeds heeft kunnen weten — , wordt aan den Fran- 
schen koning voorgesteld om Utrecht te verlaten en de krijgs- 
macht die in Holland is meer samen te trekken; en die samen- 
trekking is ternauwernood aangevangen, of Willem III is reeds 
meester van Bonn. 

Over dat beleg van Bonn vindt men bij Rousset maar weinig; 
«n dat weinige dient alleen om ten voordeele van de Fransche 
wapeneer te pleiten: 

(i* deel, blz. 503) ...iDe vestingwerken waren slecht, en niet 
bewapend ; de magazijnen bijna leeg. Er werd een wonderdadige 
werkzaamheid toe vereischt om de stad in weinige dagen zóó 
te versterken dat zij niet met den eersten aanloop kon worden 
genomen. Het beleg begon den 300 November; den I2en, na 
eene krachtige verdediging waarvan al de inspanning en al de 
eer toekwam aan de Fransche bezetting^ werd, door den onwil 
van de troepen van den Keurvorst, de dwarsdrijverijen van hun 
aanvoerder, en den opstand van de burgerij, Reveillon" (de 
Fransche bevelhebber) > gedwongen om eene capitulatie te slui- 
ten, die hij echter niet mede wilde onderteekenen." 

Over het einde van den veldtocht vindt men bij Rousset het 
volgende, dat slechts algemeene trekken geeft, en te wenschen 
overlaat wat de juistheid der bijzonderheden aangaat (1* deel, 
blz. 509—510). 

iNa het nemen van Bonn beraadslaagden de hoofden der 
bondgenooten over de verdere handelingen, maar konden het 
<iaarbij niet eens worden. Monte Cuculi, wien al dat ijdel getwist 
vermoeide, had plotseling die beraadslaging gestaakt en was 
naar Weenen vertrokken; zijne onderbevelhebbers hadden last 
om het leger weer naar den rechteroever van den Rijn te doen 
teruggaan. Men meende dat de Prins van Oranje, hoezeer het 
hem ook leed deed, naar Holland was teruggekeerd, toen er 
van den hertog De Luxembourg — die intusschen te Maastricht 
was gekomen, met de troepen die hij naar Frankrijk moest terug- 
brengen — brieven werden ontvangen, waarin hij meldde, dat 
hij tej^enover zich had staan, op den grooten weg van Maastricht 
naar Charleroi, den Prins van Oranje en graaf Monterey, van 
zins, naar het scheen, om hem den weg af te sluiten. Dadelijk 
na de ontvangst van die tijding schreef Louvois aan Luxembourg, 



Digitized by 



Google 



314 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

dat er bevelen waren uitgevaardigd om te Charleroi een leger 
samen te trekken van 20000 man voetvolk en 10 000 ruiters, 
dat hem binnen eenige dagen te gemoet zou gaan, aangevoerd 
door Condé en Turenne. Geen van beiden behoefde te velde 
te trekken : op het eerste bericht van het samentrekken van een 
Fransch leger bij de Sambre, hadden de Prins van Oranje en 
graaf Monterey het gevaar ingezien van tusschen twee vuren te 
komen en waren zij daarom afgetrokken, na nutteloos hun voet- 
volk te hebben vermoeid en hunne ruiterij te hebben uitgeput 
in die moeielijke slijkgronden. Half Januari 1674 kwam Luxem» 
bourg te Charleroi terug, zonder eenig ander bezwaar te hebben 
ondervonden dan dat van een vermoeienden marsch. 

Geëindigd was de veldtocht van 1673, — maar niet ten voor- 
deele van Frankrijk. De oorlogsverklaring van den Keizer en 
van Spanje; de lauwheid, ontmoediging, of zwakheid van 's Konings 
bondgenooten ; de inneming van Naarden; Monte Cuculi's be- 
wegingen; zijn vereeniging met den Prins van Oranje; de inne- 
ming van Bonn; het verbreken van de gemeenschap langs den 
Rijn ; het ontruimen van Utrecht en van zooveel andere sleden, 
en — om het zoo maar eens te noemen — het herleven van 
Holland; dit alles had den indruk van het veroveren van Maas- 
tricht geheel en al uitgewischt. In werkelijkheid — zoo zou 
een onpartijdige oordeelen — had Frankrijk slechts onbedui- 
dende verliezen geleden; integendeel, het had zelfs gewonnen, 
daar het zijne stellingen meer beperkte, en zijne strijdkrachten 
meer samentrok; — maar zedelijk was het verzwakt door den 
indruk dien de gebeurtenissen hadden gemaakt op de gemoederen, 
zoowel binnen- als buitenslands. Frankrijk's vijanden hadden te 
veel zelfvertrouwen om zoo kleine voordeden, het Fransche 
volk te veel onmst om zoo kleine tegenspoeden ; maar die over- 
maat van zelfvertrouwen aan den eenen kant, en van onrust aan 
den anderen was juist een groot kwaad." 

Met groote juistheid wordt hier door Rousset opgemerkt, dat 
in 1673 Frankrijk niet zoo groot stoffelijk nadeel had onder- 
vonden, maar dat het zedelijk sterk was achteruitgegaan; en de 
zedelijke invloed doet bijna alles af in vele omstandigheden, 
vooral in oorlogszaken. Zie hoe bij het begin van den oorlog 
van 1672 alles voor Frankrijk buigt, hoe alvermogend Lodewijk XIV 
schijnt, hoe in Europa niets tegen hem durft optreden, hoe ge- 
makkelijk zijne legers overwinnen, hoe gering zij het strijdver- 
mogen der HoUandsche troepen achten, hoe spoedig de Repu- 
bliek haren ondergang nabij is; — zie hoe die Republiek zich 
daarentegen op het einde van 1673 weer met veerkracht ver- 
heft, hoe zij zich bondgenooten weet te verwerven, hoe hare 
vloten op den oceaan zegevieren, hoe hare legers stoutmoedig 
Frankrijk's legers ten strijde uitdagen, en tot tweemaal toe Luxem- 



Digitized by 



Google 



ONTRUIMING VAN HOLLAND. 315 

bourg zijn veiligheid doen zoeken onder het kanon van Maas- 
tricht. Dat zijn uitkomsten die indruk maken, en die den groot- 
sten invloed oefenen op den verderen gang der gebeurtenissen. 

De veldtochten van 1672 en 1673 hadden ook Willem III als 
legerhoofd aan Europa doen kennen; zijne strategische hande- 
lingen die HoUand's geheele bevrijding ten gevolge hadden, zijn 
alleen reeds voldoende om hem tot een groot veldheer te stempelen. 

Maar hoe kan dat ? — hebben wij eens hooren aanmerken ; — 
hoe kan Willem III zoo, bij zijn eerste optreden, dadelijk een 
groot legerhoofd zijn; hij, zoo jong, en zonder voorafgaande 
opleiding ? Dat waait iemand toch niet zoo in eens aan, de kunst, 
de verheven kunst, om in den oorlog de bewegingen en han- 
delingen der legers goed te besturen? 

Dat waait iemand zoo in eens niet aan? — Neen, zeker niet; 
wanneer men daaronder verstaat óéX gedeelte der veldheerskunst, 
dat betrekking heeft op de kennis der bijzonderheden, op de 
technische kennis; dat vereischt veel studie, veel ondervinding, 
jaren tijds. Maar iets anders is het, wanneer het betreft het 
juiste en heldere inzicht in de groote oorlogshandelingen, en de 
vaardigheid om snel te besluiten tot datgene wat beslissende 
gevolgen moet hebben; dat deel van de veldheerskunst is min- 
der de vrucht van studie dan van aangeboren geestvermogens, 
van genie, van heldenmoed. Het kan wellicht ahijd vreemd zijn 
gebleven aan den ouden aanvoerder, die op de rijkste onder- 
vinding kan bogen ; het kan wellicht het deel zijn van het jonge 
legerhoofd, dat pas optreedt, dat nog geen ondervinding heeft, 
maar dat door het vuur van het genie wordt bezield ; voor hem 
gelden de woorden van Corneille's Cid: 

»mes pareils k deux fois ne se font pas coonattre, 

et pour leurs coups d'essai veulent des coups de mattre." 



EINDE VAN HET EERSTE DEEL. 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN 
OVER WILLEM DEN DERDE. 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



Krijgs- en Geschiedkundige 
Beschouwingen 



OVER 



WILLEM DEN DERDE. 



TWEEDE DEEL (1674-1688) 



DOOR 



W. J. KNOOP, 

in leven Luitenant-Generaal v. h. Nederl. Leger 



de jonge vorst, uit d'eelsten stam gesproten, 



zweert d'eed van Hannibal voor 't oog der oppennagt: 

„help God dat ik 's volks ketens slake ! 

'K zweer Frankryk onuitroeibre wrake; 

breek ik mijn eed, dat mij dan 't voorgeslacht verzake, 

mij uit haar krcits verstoote, en 't nakroost mij veracht, 

gelijk een vreemde slaaf, in schande voortgebragt." 

Gij weet het Lodewijk, heeft hij zijn eed betracht? 

Hrlmers. 



SCHIEDAM, 
H. A. M. ROELANTS, 

1895. 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



INHOUD VAN HET TWEEDE DEEL. 



HOOFDSTUK XI. 



Krijgsverrichtingen tegen de Munsterschen in 1674; oorlogstoe- 
rustingen en oorlogsplannen van Frankrijk en van de bond- 
genooten; verovering van Franche-Comté ; krijgsverrichtingen 
bij de Pyreneën; oorlog ter zee; krijgsverrichtingen aan den 
Boven-Rijn Bladz. i 

Oorlogvoerende partijen in 1674. 

Krijgsverrichtingen tegen de Munsterschen (Maart en April 1674). — 
Gevecht bij Nordhorn (5 April 1674). — Inneming van Nienhuis (7 April 
1674). — Hememing van Nienhuis door de Munsterschen (20 April 1674). 

Krijgstoerustingen van Frankrijk. — Krijgstoerustingen der bondge- 
nooten: Duitschland; Spanje; de Republiek; ontwerpen van verschanste 
Uoiën; verzorging van zieken en gewonden. — Oorlogsplannen: van de 
bondgenooten ; van Frankrijk. 

Verovering van Franche-Comté (Februari — ^Juni 1674). 

Krijgsverrichtingen bij de Pyreneën. 

Tocht van De Ruyter naar de Antillen (Mei— October 1674). — Tromp 
op de Fransche zeekusten (Juni— Juli 1674). — Samenzwering tegen 
Lodewijk XIV. — Rousset over de verrichtingen der Hollandsche vloot. 

Krijgsverrichtingen aan den Rijn (Juni 1674 — ^Januari 167$). — Ge- 
vecht bij Sintzheim (16 Juni 1674). — Eerste verwoesting van de Paltz 
(1674). — Slag bij Entzheim (4 October 1674). — Overvalling van de 
Duitsche kantonnementen (December 1674 — ^Januari 1675). 

HOOFDSTUK XII. 

Krijgsverrichtingen van 1674 in de Nederlanden, tot aan den 
slag van Séneffe Bladz. 25 

De Bellefonds; opmerking. — Samentrekking van Condé's leger te 
Doornik (10 Mei 1674). — Beschrijving van het oorlogstooneel. — 
Marsch van Condé van Doornik op Maastricht (12 — 23 Mei); beschou- 
wingen over dien marsch. — Beleg van Argenteau (16—17 Mei). — 
Beleg van Navagne (17^22 Mei). — Vereeniging der legers van Condé 
en De Bellefonds (23 Mei); opmerking. — Marsch van het Fransche 
leger naar Thiraéon (25 — 29 Mei). 



Digitized by 



Google 



Oorzaak van de werkeloosheid der bondgenooten. — Opmarsch van 
het HoUandsche leger (13 — 17 Mei). — Sterkte van het Hollandsche 
leger; sterkte van de Spaansche legermacht ;. sterkte vao het Duitsche 
leger. — Beperkte macht van Willem III als legerhoofd. — Monterey. — 
De Souches. — Condé. — Inzichten der bondgenooten. — Inzichten 
van Willem III. — Onwil van De Souches om zich te vereenigen met 
Willem m. — Aanvalsplan der Keizerlijken. — Verplaatsing van het 
Hollandsche leger (ii Juni). — Operatiën van De Souches op den 
rechteroever yan de Maas (16 — 27 Juni); opmerking. — Handelingen 
van het Fransche leger tot het einde van Juni. -- Rousset over Condé ; 
opmerking. — Rousset over de inzichten bij de bondgenooten. — Over 
de verstandhouding van De Launoy met Frankrijk. — Samenkomst van 
de hoofden der bondgenooten (2 Juli). — Bewegingen van het Keizer- 
lijke leger; wijze van voeding van dit leger. — Maatregelen der Fran- 
schen om Champagne te beschermen. — Bewegingen van het Fransche 
leger (28 Juni— 15 Juli). — Nieuwe onderhandelingen tusschen de 
hoofden der bondgenooten. — Marsch van het leger van Willem III 
naar de Méhaigne (16 — 24 Juli). — Marsch van Condé naar den Piéton 
(23 Juli). — Besluit van De Souches om zich te vereenigen met de 
hoofdmacht der bondgenooten ; vereen* ging der drie legers (28 Juli). — 
Sterkte van het leger der bondgenooten; weinige eensgezindheid bij de 
bondgenooten; indeeling van het Hollandsche leger. 

HOOFDSTUK Xffl. 
Slag van Séneffe (11 Augustus 1674) Bladz. 60 

Marsch van de bondgenooten op Nivelles (i — 4 Augustus). — Voorstel 
van Willem III om Condé aan te vallen; beoordeeling daarvan; sterkte 
van de stelling aan den Piéton; besluit der bondgenooten om niet aan 
te vallen. — Opmarsch naar Séneffe (9 Augustus). — Marsch op Binche 
(11 Augustus); beoordeeling van die beweging. 

Slag van Séneffe (11 Augustus 1674). — Beschikkingen van Condé. — 
Plaatsiog van de achterhoede der bondgenooten. — Gevecht bij het dorp 
Séneffe. — Stelling van Willem III te Saint-NicoIas-aux-bois. — Gevecht 
ten noorden van Saint-Nicolas-aux-bois. — Gevecht te Saint-Nicolas-aux- 
bois. — Stelling van Willem III te Fay. — Aanvalsdispositiën van 
Condé. — Gevecht bij Fay. — Afbreken van den strijd ; terugtocht van 
Condé; terugtocht der bondgenooten. — Wederzijdsche verliezen. 

Beschouwingen over den slag van Séneffe. — Wie is overwinnaar ge- 
weest? — Over de handelingen van Condé. — Over den flankmarsch 
der bondgenooten. — Oorzaken van de eerste nadeelen van de bond- 
genooten. — Beleid van Willem III in het kiezen van sterke stellingen ; 
persoonlijke dapperheid van den Stadhouder. 

Rousset over Séneffe. 

HOOFDSTUK XIV. 

Oudenaarden; einde van den veldtocht van 1674 in de Spaansche 
Nederlanden Bladz. 99 

Toestand en bewegingen van de beide legers na den slag van Séneffe 
(Augustus 1674). — Inzichten van de bondgenooten. — Insluiting en 
beleg van Oudenaarden (15 — 21 September). — Marsch van Condé naar 



Digitized by 



Google 



Oudenaarden (14—21 September). — De bondgenootcn breken het beleg 
van Oudenaarden op (21 September). — Opmerkingen. 

Einde van de krij^sverrichtingen in de Spaansche Nederlanden. — 
Pogingen van Frankrijk om vredesonderhandelingen te openen. — 
Rousset over Oudenaarden; opmerking. 

HOOFDSTUK XV. 
Beleg van Grave Bladz. 112 

Het beleg van Grave te uitsluitend uit het oogpunt der Franschen 
beschouwd. — Hel gebrekkige van de krijgsverhalen bij de oudere 
Hollandsche schrijvers. — Toestand van de vesting; bezetting; bewape- 
ning en uitrusting; beschikkingen van Chamilly voor het beleg. — 
Eerste toebereidselen tot het beleg (Juni— 'Juli 1674). — Gevecht bij 
Middelweert (15 Juli). — Pogingen tot afgraving van den dijk van 
Maas en Waal (23—25 Juli). — Komst van het Hollandsche leger voor 
Grave (27 Juli). — Gevecht bij Velp (29 Juli). — Opening van de 
loopgraven (nacht 29 — 30 Juli). — Aanval aan de zijde van Ravestein. — 
Aanval op het bruggenhoofd. — Aanval aan de zijde van Kuyck. — 
Bombardement. — Uitval van 14 — 15 Augustus. — Sterkte en samen- 
stelling van het Hollandsche leger. — Aanslag op *s Hertogenbosch ; 
opmerking. — Wegvoering van de gijzelaars uit Grave (16 Augustus). — 
Afleiding van de Raam. •-- Vermeestering van het btuggenhoofd. — 
Drijvende schans. — Uitval van 30 Augustus. — Geringe vorderingen 
van den aanval. — Toestand binnen Grave. — Geestkracht van Cha- 
milly. — Aanval van de zijde van Den Bosch (half September). — 
Aanval van de zijde van den rechteroever der Maas; voorstel van Coe- 
hoorn. — Storm van 20 September. — Uitval van 28 September. — 
Storm van 29 September. — Storm van i October. — Komst van Wil- 
lem III (9 October). — Storm van li — 12 October.— Storm van 13 — 14 
October. — Storm van 15—16 October, — Bestorming van den be- 
dekten weg (16 — 17 October); tweede storm op den bedekten weg (17 
October); vermeestering van den bedekten weg; zelfopoffering van zes 
Hollandsche officieren. — Bressen. — Uitval van 23 October. — Over- 
gave (28 October). — Verliezen der beide partijen. 

Beschouwingen over dit beleg. 

Rousset over het beleg van Grave. 

HOOFDSTUK XVI. 
1675; het hertogschap over Gelderland: Willem UI en Louvois; 
veldtocht in de Spaansche Nederlanden, en in Duitschland; dood 
van Turenne; laatste krijgsverrichtingen in 1675 . Bladz. 151 

Schaduwzijde van het Fransche krijgswezen tijdens Lodewijk XIV. 

Poging om Willem III Hertog van Gelderland te maken. 

Pogingen van de Fransche regeering om Willem III voor zich te winnen. 

Bemachtiging der citadel van Luik door de Franschen ("31 Maart 
1675). — Sterkte en samenstelling van het leger van Lodewijk XIV, — 
Beleg van Dinant (19 — 28 Mei). — Beleg van Hoey (1—6 Juni). — 
Beleg van Limburg (9 — 22 Juni). — Verdere krijgsverrichtingen in de 
Nederlanden. — Opmerkingen. 

Dood van Turenne (27 Juli 1675)^ — Nederlaag van Créqui (11 Augustus 
ï^75)- — Werkeloosheid aan den Rijn. 

Laatste krijgsverrichtingen van 1675 in de Nederlanden. — Oproeren 
in Guyenne en Bretagne in 1675. — Eindoordeel over 1675. 



Digitized by VjOOQIC 



X INHOUD. 

HOOFDSTUK XVII. 
1676; Condé en Bouchain; Maastricht; dood van De Ruyter; 
krijgsverrichtingen aan Rijn en Moezel, enz. . . Bladz. 182 

OnderhandelingeD te Nijmegen. — VaubaQ*s meening over den ves 
tingoorlog in de Nederlanden. — Verdeeling van de Fransche strijd 
krachten in 1676. — Beleg van Condé (17 — 26 April). — Opmarsch 
van het leger van Willem III. — Lodewijk XIV besluit tot het beleg 
van Bouchain. — Demonstratie van de bondgenooten tegen Kortrijk. — 
Marsch van Willem III tot ontzet van Bouchain (7—10 Mei). — Stel- 
lingen van de beide legers. — Vergeefsche aandrang van Willem III 
om den vijand aan te vallen; ook aan de Fransche zijde valt men niet 
aan. — Beleg van Bouchain (2 — 12 Mei). — Marsch van het Fransche 
leger van Bouchain op Ninove (20 — 27 Mei). — Marsch van Willem in 
van Valenciennes op Aalst (22 — 27 Mei). — Het Fransche leger te 
Quiévrain (21 Juni); Willem III nabij Brussel (19 Juni). — Begin van 
het beleg van Maastricht (Juli). — Beleg van Aire (19 Juli — i Augus* 
tus). — Bewegingen van Villa Hermosa en Waldeck, — Opmerkingen. — 
Besluit om Maastricht te hulp te komen. — Schomberg. — Slechte 
krijgstucht bij het Fransche leger. — Schomberg aan den Piéton (15 — 21 
Augustus;. — Waldeck en Villa Hermosa. — Marsch van Schomberg 
op Tongeren (22-26 Augustus). 

Beleg van Maastricht (7 Juli— 27 Augustus). — Toestand der vesting; 
bezetting. — De belegerende macht. — Verdeeling van de troepen voor 
Maastricht. — Engelsche troepen. — Komst van het belegeringsgeschut 
(17 Juli); — Opening der loopgraven (19 — 20 Juli). — Bestorming van 
het bastion Dauphin (30 Juli). — Tweede bestorming van het bastion 
Dauphin (4 Augustus). — Aanvallen op andere punten. — Geringe be- 
kwaamheid van de ingenieurs voor Maastricht. — Gang van het beleg 
(5 — II Augustus). — Stormaan vallen op een hoornwerk (11 — 26 Augus- 
tus). — Willem ni breekt het beleg van Maastricht op (27 Augustus). — 
Opmerkingen. — Willem III over het beleg van Maastricht. — Eind- 
oordeel over het beleg. 

Bewegingen van de beide legers (29 Augustus — 10 September). — 
Einde van den veldtocht. 

Dood van De Ruyter (29 April 1676). 

Krijgsverrichtingen aan den Rijn, In 1676. — Karel van Lotharingen. — 
Beleg van Philipsburg (22 Juni — 10 September). — Weifelingen en 
onzekere handelingen van Luxembourg. — Verdere krijgsverrichtingen. — 
Krijgsverrichtingen aan den Moezel in 1676. — Krijgsverrichtingen in 
Catsüonië en in Sicilië. 

HOOFDSTUK XVm. 

1677; beleg van Valenciennes, Kamerijk en Saint-Omer; veld- 
slag van Cassel; Charleroi; krijgsverrichtingen aan den Rijn^ 
en in Catalonië Bladz. 236 

Staatkundige toestand van Europa in 1677. — Volkshaat tusschen 
Frankrijk en Engeland. — Misnoegen van Vauban. — De Fransche artil- 
lerie. — Beleg van Valenciennes (i — 17 Maart). — Kamerijk en Saint- 
Omer gelijktijdig aangevallen. — Beleg van de stad Kamerijk (22 Maart — 
5 April). — Beleg van de citadel van Kamerijk (5 — 18 April). — 
Saint-Omer. 



Digitized by 



Google 



INHOUD. XI 

Bericht van de nadering van Willem III. — Versterking van bet leger 
van Monsieur. — Komst van Willem III in de Spaansche Nederlanden. — 
Biddag in de Republiek. — Marsch van Willem III van Brugge naar 
Cassel (4 — 10 April). — Slag van Cassel (11 April 1677). — Dapperheid 
van Willem III; strengheid. •- De Staten-Generaal. — Beleg van Saint- 
Omer (4 — 22 April), — Staking van de aanvallende operatiën. — Het 
Fransche leger bij Condé (Mei). — Luxembourg opperbevelhebber, — 
Slechte krijgstucht bij het Fransche leger. — Toebereidselen van Willem III. 

Krijgsverrichtingen aan de Duitsche grenzen. — Verwoestingen, door 
Lonvois bevolen. — Créqui. — Opmarsch van het Keizerlijke leger 
naar de Sarre. — Operatiën nabij Metz, tusschen Créqui en den hertog 
van Lotharingen (Juni, Juli). — Marsch van den hertog van Lotharingen 
naar de Maas (14 Juli — 2 Augustus). 

Voornemen van Willem III om Charleroi aan te vallen; ongeloof van 
Louvois dienaangaande. — Insluiting van Charleroi (6 Augustus). — 
Handelingen van Louvois. — Luxembourg te Walcourt (10 Augustus). — 
Gebrekkige wijze van aanvallen tegen Charleroi. — Stellingen der 
bondgenooten rondom Charleroi. — Marsch van Luxembourg op Ger- 
pinnes (ii Augustus). — Marsch van Willem UI naar Gerpinnes (12 
Augustus). — Opbreken van het beleg van Charleroi (14 Augustus); 
honende taal van Louvois over dat beleg van Charleroi. — Poging, van 
de Fransche zijde, tot toenadering tot Willem Hl (September). — Last 
van Louvois om het land van Waas te verwoesten (einde Augustus). — 
Willem ni neemt Binche, en bedreigt Dinant (Aug.— Sept.). — Voor- 
nemen van de Franschen om Dixmude aan te vallen, — Aanval van de 
Franschen op de Brasselsche vaart (10 September). — Beleg van Saint- 
Ghislain (i — 10 December). — Verstand van de Fransche regeering; 
onverstand van de Spaansche. — Wederrechtelijk geweld van Louvois. 

Verdere krijgsverrichtingen bij den Rijn. — Overtocht van den Rijn 
door Créqui (21 September). — Créqui terug op den linkeroever (i Octo- 
ber). — Beleg van Freiburg (9 — 17 November). 

Krijgsverrichtingen in Catalonië. — Gevecht bij Bagnols (3 Juli). 

Huwelijk van Willem III (15 November). 

HOOFDSTUK XIX. 

1678; vredesonderhandelingen; begin van den veldtocht; beleg 
van Gent en Iperen; Nijmeegsche vrede; slag van Saint-Denis; 
krijgsverrichtingen bij den Rijn Bladz. 281 

Over de Nijmeegsche vredesonderhandelingen. — Redenen voor den 
vrede. — Onwil van Spanje en van Duitsche vorsten. — De Republiek 
wil vrede. — Willem III wil oorlog. — Engelsche staatkunde, — 
Beverningh. 

Invloed van de staatkunde op de Fransche krijgsverrichtingen. — 
Teekenen van verval in het Fransche krijgswezen. — Toebereidselen 
tot het beleg van Gent — Vertrek van Lodewijk XIV naar de grenzen 
(7 Februari). — De Franschen bedreigen verschillende vestingen. — 
Toestand van Gent. — Beleg van Gent (5—12 Maart). — Beleg van 
Iperen (18—26 Maart). — Schorsing van de vijandelijkheden. — Louvois 
en Calvo; verrassing van Leeuwe (3—4 Mei). 

Beleg van Puycerda (29 April— 28 Mei). 

Lodewijk XIV weer aan het hoofd van het Fransche leger (16 Mei). — 
Beverningh in het Fransche leger (31 Mei). — Vernielingen door Lou- 



Digitized by 



Google 



vois bevolen. — Strijdige bevelen aan Laxembourg (28 Juni— 3 Juli). — 
De Nijmeegsche onderhandelingen schijnbaar afgesprongen. — Verbond 
lusschen Engeland en de Republiek (26 Juli). — Willem III naat het 
leger (26 Juli). — Voorschriften van Louvois aan Luxembourg (9 Juli — 
2 Augustus). — Vrede van Nijmegen (10 Augustus). 

Slag van Saint-Denis (14 Augustus). — Sterkte van de beide legers. — 
Luxembourg neemt stelling te Saint-Denis (12 Augustus). — Luxembourg 
ontvangt bericht van den vrede (14 Augustus). — Opmerkingen. — 
Opmarsch van Willem III van Brussel (11 — 14 Augustus). — Beschik- 
kingen tot den aanvnl op de Fransche stelling (14 Augustus) — Aanval 
op Saint-Denis. — De tweede linie van Luxembourg terug achter 
de Haisne. — Gevecht bij Saint-Denis. — Kanonvuur, — Gevecht bij 
Casteau. — Voorstel van Louvignies; opmerking. — Verder beloop 
van den strijd bij Casteau. — Opmerking. — Verliezen. — Willem III 
krijgt tijding van den vrede (15 Augustus). — Onderhandelingen; op- 
merking. — Opheffing van de blokkade van Mons; samenkomst van 
Willem III en Luxembourg; opmerking. — Wie was overwinnaar te 
Saint-Denis? — Heeft Willem III goed gedaan met slag te leveren? 

Vrede van Frankrijk met Spanje (17 September 1678). 

K rijgsverrichtingen aan den Rijn. — Vrede van Frankrijk met den 
Keizer (5 Februari 1679). 

Vrede tusschen Frankrijk en Brandenburg (29 Juni 1679). 

H(X)FDSTUK XX. 

1678 — 1688: verhouding van de Republiek tot Frankrijk; over- 
weldigingen van de zijde van Lodewijk XIV; vergeefsche 
pogingen van Willem III om de Republiek daartegen te 
wapenen Bladz. 327 

Onzekerheid van den vrede. — Gezantschappen. — Voorstel van Lou- 
vois aan de Hollandsche gezanten; opmerking. — De vriendschap van 
de Republiek met Frankrijk, niet lang van duur. — Over de eerlijkheid 
der Hollandsche regenten. — Chambres de rcunion, — Vrede of oor- 
log? — Willem III. — Amsterdam. — Spanje. — Engeland; Van Beu- 
ningen. — Waldeck. — Duitschland; de keurvorst yan Brandenburg; de 
Keizer. — Verdrag van Laxenburg (10 Juni 1682). — Inval van de 
Turken (1682— 1683). — Briefwisseling van Willem III met Waldeck 
(1680 — 1684). — Willem III als staatsman. — Opmerking. 



Digitized by 



Google 



HOOFDSTUK XL 

KRIJGSVERRICHTINGEN TEGEN DE MUNSTERSCHEN IN 1674; OOR- 
LOGSTOERUSTINGEN EN OORLOGSPLANNEN VAN FRANKRIJK 
EN VAN DE BONDGENOOTEN ; VEROVERING VAN FRANCHE- 

comté; krijgsverrichtingen bij de pyreneën; 
oorlog ter zee ; krijgsverrichtingen aan 

DEN BOVEN-RIJN. 

lAlle wereldsche zaken verwisselen geduriglijk, en daar en is 
op den ganschen aardbodem niets zoo bestendig dat de verande- 
ring kan ontworstelen, bijzonder in de oorlogsgevallen/' 

Met die wijsgeerige spreuk vangt de > Nieuwe Mercurius" het 
verhaal aan der gebeurtenissen van 1674; en waarlijk, moge die 
spreuk niet nieuw zijn, zelden zal hare waarheid beter blijken 
dan wanneer men den toestand van Holland bij het begin van 
1674, vergelijkt met wat die toestand was geweest, nog geen 
twee jaar vroeger. Toen, aangevallen door talrijke, machtige 
vijanden, zag Holland haar grondgebied overheerd, en was het 
op het punt van te verdwijnen uit de rij der onafhankelijke vol- 
keren; nu, het grondgebied weer van vijanden gezuiverd, de 
wapenmacht des vijands voor zich uit drijvende, verhief de Repu- 
bliek zich weer in haar vroegere kracht, en zag zij het getal 
harer vijanden verminderen, talrijke bondgenooten tot hare hulp 
toesnellen; in 1672 onder de drukkendste en vernederendste 
voorwaarden den vijand een vrede afgesmeekt, dien men niet 
kon verkrijgen; in 1674 dien vijand op eigen bodem aangetast, 
en de Hollandsche driekleur zegevierend wapperende op Fran- 
schen grond. O, wie een zoo snelle lotswisseling opmerkt, móet 
tot de erkentenis komen, dat een volk, evenals ieder mensch op 
zichzelf, altijd verkeerd doet, aan zijn behoud te wanhopen; en 
dat, hoe donker do nacht is waarmede het heden ons omringt, 
het toch altijd plicht is te vertrouwen op het licht dat de nabij- 

WILLKM III. — II. I 



Digitized by 



Google 



2 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

zijnde morgen zal aanbrengen, en moedig en onbezweken aan 
tegenspoed en ongeluk het hoofd te blijven bieden. 

De vredes-onderhandelingen, onder bemiddeling van Zweden 
reeds in 1673 ^^ Keulen geopend, waren dat geheele jaar slepende 
gebleven, zonder tot eenige uitkomst te leiden ; geen der oorlog- 
voerende partijen verlangde naar den vrede, ten minste niet op 
de voorwaarden die de tegenpartij voorschreef. Toen Keizerlijke 
officieren vorst Wilhelm von Fürstenberg — die geheel en al de 
belangen van Frankrijk toegedaan was — gevangennamen, was 
het sein gegeven tot het geheel afbreken van die onderhande- 
lingen, en tot het voortzetten van den oorlog, waaraan nu een 
groot deel der vorsten van Europa zou deelnemen. 

De Noordsche mogendheden kon men niet mederekenen onder 
de oorlogvoerende partijen: noch Rusland, noch Polen, noch 
Zweden, noch Denemarken zouden aan dien krijg deelnemen, — 
ten minste niet dadelijk. Wél sloot Denemarken met de Repu- 
bliek een verbond, waarbij het aannam om eene legermacht op 
de been te brengen, ten behoeve van Holland en door Holland 
te betalen; maar die verbintenis werd niet nagekomen; Dene- 
marken werd verhinderd zijne legermacht naar het buitenland 
te zenden, bevreesd als dit Rijk was voor een aanval van Zweden, 
dat den Franschen belangen was toegedaan en dat daarvoor 
later ook de wapenen opvatte; — in 1674 nam noch het eene 
noch het andere Rijk deel aan de krijgsverrichtingen. Evenmin 
deden dit Turkije, de Italiaansche vorsten en Zwitserland. Maar 
Duitschland nam in 1674 krachtig deel aan den oorlog tegen 
Lodewijk XIV; zoo krachtig ten minste als men het kon ver- 
wachten van een in zooveel staten verdeeld Rijk, waar het ge- 
brek aan eenheid zoo verlammend werkte op eiken buitenland- 
schen oorlog. De Keizer had verschillende Duitsche vorsten tot 
zijne belangen weten over te halen ; zelfs de keurvorst van Bran- 
denburg, die pas het jaar te voren, zonder gegronde redenen, 
met Frankrijk vrede had gesloten, begon nu op even ongegronde 
wijze weer den oorlog, en zond in den zomer van 1674 eene 
legermacht naar den Rijn. Spanje telde ook onder de vijanden 
van Lodewijk XIV; te vergeefs trachtte die vorst Portugal te 
bewegen, tegen eerstgenoemd rijk de wapenen op te vatten, en 
daardoor eene afleiding te geven ten behoeve van Frankrijk. 
Eindelijk, de eerste oorzaak van den oorlog, de Republiek, was 
de voornaamste kracht der vijanden van Lodewijk XIV, de ziel 
van dat bondgenootschap dat naar Frankrijk's fnuiking streefde. 

Lodewijk XIV was in 1674 geheel zonder bondgenooten. De 
Britsche koning had het gevaarlijke spel niet langer kunnen vol- 
houden, om, tegen den wil zijns volks, zich met Frankrijk te 
verbinden tot HoUand's ondergang; het Huis der Gemeenten 
was hoe langer hoe dreigender geworden, en aanklachten van 



Digitized by 



Google 



KRIJGSVERRICHriNGEN TEGEN DE MUNSTERSCHEN IN 1674. 3 

hoogverraad tegen verschillende staatsdienaaars, tegen Bucking- 
ham, Lauderdale en Arlington, waarschuwden Karel II dat het 
geduid van zijne onderdanen ten einde liep ; — de monarch gaf 
toe, en den igen Februari 1674 werd de vrede met de Republiek 
gesloten. De beide andere bondgenooten des Franschen konings, 
de bisschoppen van Munster en van Keulen, waren evenzoo ge- 
dwongen geworden, den assten April en den iien Mei, vrede te 
sluiten. 

Vóór het sluiten van dien vrede hadden er tegen de Mun- 
stersche troepen nog eenige krijgsverrichtingen plaats, waarvan 
het kort verhaal hier volgt. 

De bisschop van Munster, eene macht verzameld hebbende, 
die volgens sommige opgaven een 4000 man sterk was, meest 
ruiterij, deed die in het begin van Maart over de dichtgevroren 
moerassen trekken, en langs het klooster Ter Apel in Groninger- 
land vallen. Die woeste hoop drong door in het Oldambt en het 
Westerwold, plunderde daar, volgens het krijgsgebruik dier tijden. 
Winschoten en verschillende andere plaatsen, en keerde toen met 
den buit naar Twenthe en Munsterland terug. 

Om die ondernemingen tegen te gaan, verzamelde Rabenhaupt 
een 3000 man, zoo voetvolk als ruiterij, en trok daarmede van 
Gronmgen in zuidelijke richting naar Twenthe, terwijl hij zich 
onderweg vereenigde met een 2000 man, die van de zijde van 
Friesland opgerukt waren. Te Coevorden gekomen, trok de Hol- 
landsche veldheer daar nog het regiment van Burmania tot zich, 
rukte toen het graafschap Benthera binnen, en maakte zich daar 
meester van Nordhorn, waar hij eene bezetting plaatste van 
6 compagnieën voetvolk en 16 compagnieën ruiterij, onder den 
overste Kingma. Na nog eenige onbeduidende plaatsjes in Twenthe 
vermeesterd en bezet te hebben, rukte Rabenhaupt naar Nien- 
huis, dat toen goed versterkt was, steile hooge wallen en eene 
soort citadel had, en bezet was door 8 k 900 Munsterschen, 
rijkelijk voorzien van krijgs voorraad en levensmiddelen. 

Het Hollandsche legerhoofd maakte zich gereed om die ves- 
ting aan te vallen, toen hij, op den 450 April, bericht kreeg dat 
Nordhorn ernstig bedreigd werd door den vijand ; de Munstersche 
generaal Nagel was voor die stad gekomen, met 5 regimenten 
ruiterij, 3 compagnieën dragonders en een 300 man infanterie, 
en had de voorposten der bezetting van Nordhorn genoodzaakt 
om binnen die plaats terug te trekken. 

Rabenhaupt wil Nordhorn te hulp komen, en, een gedeelte 
van zijne macht voor Nienhuis latende, gaat hij den sen April 
op raarsch naar eerstgenoemde plaats, met 4 regimenten infan- 
terie en 7 compagnieën ruiterij. De vijandelijke ruiterij telde een 



Digitized by 



Google 



4 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

3000 paarden ; en die groote overmacht des vijands in ddt wapen, 
dat toentertijd voor het voetvolk veel meer was te vreezen dan 
in ónze dagen, deed Rabenhaupt met de grootste omzichtigheid 
voortrukken en zijne toevlucht nemen tot een bijzonder hulp- 
middel om zijne infanterie te vrijwaren voor de aanvallen van de 
vijandelijke ruiterij. Die infanterie rukte namelijk voort in eene 
soort beweegbare verschansingen, gevormd door vier wagens, 
geplaatst in een vierkant met 2S voet (bijna 9 el) lange zijden, 
en verbonden — zegt Sylvius — » door lange houten met scherpe 
pinnen," — denkelijk eene soort friesche ruiters; in elke van 
die kleine schansen konden een honderd man infanterie en twee 
kleine stukken geschut staan. In die orde rukte de infanterie 
vooruit; de ruiterij volgde haar; en daar de opmarsch bij be- 
dekt en mistig weer geschiedde, hadden de ruiters bevel om zich 
bij de nadering des vijands op de paarden neer te leggen, dus 
niet dadelijk te worden gezien, en daardoor zooveel te verras- 
sender op te treden. 

Rabenhaupt zelf was, met ontblooten degen, geheel vooraan ; 
en bij het naderen des vijands sprak hij zijne troepen eenige 
woorden toe, te kenschetsend om ze hier niet op te nemen : 
» lieve krijgslieden, ik heb geen tijd om UwEd. met eene lange 
rede aan te moedigen; een ieder betrachte zijn eer en eed; en 
zoo wie zulks niet en doet, 't zal hem kwalijk bekomen. Zó6 
zal zijn einde zijn;" — hiermede eene beweging aan hals en kin 
makende, om het hangen aan te duiden. 

Natuurlijk, dat dit niet juist de militaire welsprekendheid is, 
waar wij het meest van houden ; en dat wij oneindig meer inge- 
nomen zijn met die legerhoofden, die, om hunne soldaten tot 
dapperheid aan te sporen, gesproken hebben van eer en roem, 
van vrijheid en vaderland. Maar de welsprekendheid moet zich 
wijzigen naar het gehalte van hen tegen wie gesproken wordt; 
en denkelijk zou het beroep op die edele drijfveeren, die den 
mensch gevaar en dood doen trotseeren, weinig weerklank ge- 
vonden hebben bij de krijgsscharen van dien tijd; krijgsscharen, 
zoo vreemdsoortig samengesteld, en meer strijdende uit zucht 
naar buit en winst dan uit roemzucht en vaderlandsliefde. D^r 
moest de plichtsbetrachting voornamelijk ontspruiten uit vrees 
voor strenge en onvermijdelijke straffen ; dddr moesten dus Raben- 
haupt's korte en bondige woorden indruk maken ; vooral omdat 
men wist dat het geen ijdele woorden waren die hij bezigde, 
maar dat hij de man was om ddt te doen waarmede hij dreigde. 

Vooruitrukkende, ontmoet men weldra de Munstersche ruiterij; 
deze wil op de Nederlandsche infanterie aanvallen, maar stuit 
op de beweegbare wapenburchten. Het geschut- en geweervuur 
der Nederlanders brengt verwarring teweeg bij de vijandelijke 
ruiterij ; en nu deze wordt aangevallen door Rabenhaupt's ruiterij^ 



Digitized by VjOOQIC 



KRIJGSVERRICHTINGEN TEGEN DE MUNSTERSCHEN IN 1674. 5 

«n tegelijkertijd de ruiterij uit Nordhorn den vijand in den rug 
aangrijpt, is die vijand daar niet tegen bestand; hij wordt over- 
hoop geworpen, geheel uileengedreven en vlucht in de uiterste 
verwarring, een aantal dooden en gevangenen achterlatende. 

Zoodanig is het verhaal dat sommige van onze schrijvers — 
Sylvius en Van den Bosch — ons geven van dat gevecht bij 
Nordhorn, op den 5en April 1674; andere — Valkenier en de 
Hollandsche Mercurius — stellen dien strijd als minder gewichtig 
voor, en zeggen dat de vijand, steeds het gevecht ontwijkende 
en terugtrekkende in zuidelijke richtyig op Brandlicht, alleen bij 
de Heselerbrug, een half uur ten zuiden van Nordhorn, werd 
ingehaald door de Nederlandsche troepen, en daar een 60 man 
aan dooden en een 50 aan gevangenen verloor. — Het verlies 
der Nederlanders was zeer gering; de ritmeester Mello Jacob 
Broersma, eenige zoon van den verrader die in 1672 Deventer 
aan de Munsterschen had overgeleverd, sneuvelde in dit gevecht; 
door zijn dapper en roemvol uiteinde eenigszins den smaad uit- 
wisschende, die op zijn naam was gebracht door het snood be- 
staan zijns vaders. 

Na door die overwinning Nordhorn te hebben verzekerd tegen 
cene onderneming des vijands, keerde Rabenhaupt den 6en April 
naar Nienhuis terug, en plaatste het voetvolk te Feldhausen en 
de ruiterij te Uisen, ten noorden en ten oosten van die vesting. 
Gedurende den nacht deed hij door den kapitein Siderius de 
grachten van Nienhuis peilen, en gaf alle bevelen tot de bestor- 
ming dier stad, die in den vroegen ochtend van den 700 April 
moest plaats hebben; — de vrees dat de vijand andermaal zou 
trachten om Nienhuis te hulp te komen, en dat het wassen van 
het water het onraadzaam zou maken om langer in deze land- 
streek te blijven, deed Rabenhaupt besluiten om zich niet met 
een beleg in te laten, maar alleen door de dapperheid zijner 
troepen de vermeestering te verkrijgen van de vijandelijke ves- 
ting. Vijf regimenten voetvolk zullen, op vijf verschillende pun- 
ten, den storm verrichten: de twee Friesche regimenten van 
Swartsenburg en Burmania, aan weerszijden van de Prinsepoort; 
de drie Groningsche regimenten van Rabenhaupt, Ëijbergen en 
Gockinga, aan de Feldhauser-, Frensweger- en IJlsener-poorten; 
bovendien zullen er, op drie andere punten, schijnaanvallen plaats 
hebben. Zestien biesbruggen zullen onder de aanvallende regi- 
menten worden verdeeld, om daarmede de gracht over te trek- 
ken ; gedurende den nacht zullen die regimenten marcheeren naar 
de haar aangewezene aanvalspunten ; en met het krieken van den 
dag zullen twee kanonschoten het sein geven tot de bestorming. 

Die bestorming wordt met de beste uitkomst bekroond. Wal- 
raven, de Munstersche aanvoerder, had zijne kleine bezetting ver- 
deeld op den hoofdwal der vesting: het voetvolk voornamelijk 



Digitized by 



Google 



6 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

daar waar de Groningsche regimenten aanvielen; de afgezeten 
ruiters en dragonders tegenover de Friesche regimenten. De 
geringe sterkte der bezetting en het groot aantal aanvalspunten 
waren echter oorzaak dat nergens de wederstand zeer krachtig 
kon zijn; te meer doordat het oprukken der Hollanders, plaats 
hebbende voordat de dag nog geheel was aangebroken, daardoor 
de uitwerking van het geschut- en geweervuur der verdedigers 
zeer werd verminderd. Rabenhaupt's troepen naderden vurende de 
gracht; men weet dat dit de toen gevolgde wijze was om eene 
vijandelijke verschansing te Jjestormen; eene wijze, die, hoe slecht 
en gebrekkig ook, toch nog lang in zwang bleef; — zoo vindt 
men vermeld, dat zelfs in den Spaanschen successie -oor log, 
bij de bestorming van de verschansingen op den Schellenberg 
(1704), de Hollandsche infanterie in linie vooruitrukte tot aan den 
buitengrachtsboord der vijandelijke werken, en daar een geregeld 
pelotonsvuur volhield tegen de achter de borstwering staande 
Beierschen; eene handeling, welke zeker de uitstekende dapper- 
heid van die infanterie bewijst, maar niet pleit ten voordeele van 
de bekwaamheid der aanvoerders, welke op zulk eene wijze die 
infanterie in gevecht brachten. 

De gracht bereikt hebbende, plaatsen Rabenhaupt's soldaten 
de biesbruggen daarin, en snellen daaroverheen tegen de wallen 
op; hier wacht hen de vijand; maar na een strijd van drie 
kwartieruurs is de aanvaller overal meester van den hoofdwal, 
en wijkt de verdediger in verwarring naar het kasteel, een sterk 
gebouw, met wallen omgeven, en bewapend met twee stukken 
geschut. De overwinnaars, door de behaalde voordeelen aange- 
moedigd, snellen met onstuimigheid naar het kasteel, bestormen 
het in weerwil van 's vijands geschut vuur, en doen weldra allen 
tegenstand ophouden. Nienhuis is veroverd, een groot aantal 
Munsterschen zijn gedood, en meer dan zeshonderd hunner heb- 
ben de wapens neergelegd; slechts een 12 of 14 dooden en 
een klein aantal gewonden maakten het verlies der Neder- 
landers uit. 

Een wapenfeit als die vermeestering van Nienhuis, zou bij een 
oorlog van den nieuweren tijd als onbeduidend worden beschouwd. 
Maar men moet elke gebeurtenis beoordeelen naar den tijd waarin 
zij plaats had, en als zoodanig was die inneming van Nienhuis 
gewichtig door het behaalde voordeel, en roemvol door de dap- 
perheid die de Nederlanders daar hadden betoond. De vreugde 
over de behaalde zege was dan ook bijzonder groot; Nienhuis 
weergalmde van feestgejuich en van > victorie schieten", dat — 
naar de opgave van sommige onzer schrijvers — tot in de stad 
Groningen werd gehoord; — eene opgave die vrij fabelachtig 
luidt, let men op den afstand tusschen beide steden. 

Dat voordeel v/erd echter een paar weken later gevolgd door 



Digitized by 



Google 



OORLOGSTOERUSTINGEN EN OORLOGSPLANNEN. 7 

een nadeel, en een nederlaag der Nederlanders was de laatste 
gebeurtenis van den tegen de Munsterschen ge voerden oorlog. 

Rabenhaupt, op bevel des Stadhouders naar Groningen terug- 
gekeerd zijnde, had den kolonel Eijbergen, met 9 compagnieën 
voetvolk en 5 compagnieën ruiterij, te Nienhuis achtergelaten, 
om daar te blijven tot na de slechting der vestingwerken. Vóór- 
dat die slechting geheel was verricht, verscheen de Munstersche 
generaal Nagel, den 19611 April, met 2 regimenten voetvolk en 
36 compagnieën ruiterij, voor Nienhuis, en eischte die plaats en 
hare bezetting op. Eijbergen, hoezeer hij slechts 500 man had, 
antwoordde, dat hij zich tot den laatsten droppel bloeds wilde 
verdedigen. Den 2osien April heeft daarop de bestorming plaats; 
en na een dapperen wederstand der Hollanders, die aan een 
groot aantal Munsterschen het leven kost, wordt Nienhuis door 
den vijand overweldigd, en gaat de bezetting geheel verloren; 
wat niet gedood wordt, valt mét den bevelhebber in handen der 
overwinnaars. 

Kort daarop maakte de vrede een einde aan deze krijgsver- 
richtingen, welke vrede aan de Republiek toeliet, om de krijgs- 
macht die zij in de noordoostelijke gewesten onderhield, aan te 
wenden tegen de vesting Grave. 



Na dit verslag van de krijgsverrichtingen, die, in de eerste 
maanden van 1674, nog plaats hadden tusschen de HoUandsche 
en Munstersche troepen, zal hier met een enkel woord gewaagd 
worden van de krijgstoerustingen der oorlogvoerende partijen ; — 
voor zoover daaromtrent iets is op te maken uil de weinige, 
onvolledige en gebrekkige opgaven van de verschillende schrijvers 
over dezen oorlog. 

Frankrijk, geheel op zichzelf staande, en, door het gemis der 
Britsche vloten, niet langer verzekerd tegen eene landing op een 
gedeelte zijner uitgestrekte zeekusten, was daardoor gedwongen 
tot buitengewone inspanningen, om alle kwetsbare deelen des 
Rijks te beschermen tegen de vijandelijke wapen macht. Aan die 
inspanningen ontbrak het dan ook niet; en Lodewijk XIV toonde 
aan Europa welke uitgestrekte hulpmiddelen zijn koninkrijk op- 
leverde, en hoe eene krachtige eenhoofdige regeering daarvan 
partij kon trekken, om zich door dat Europa te doen ontzien 
en vreezen. Wel waren de lasten zwaar die op het volk drukten, 
en brachten zij, door gedurige herhaling, de verarming des Rijks, 
de ellende der groote meerderheid, de latere rampen en staat- 
kundige omkeeringen van Frankrijk voort; maar wat bekom- 
merde zich het heden om de toekomst: voor het oogenblik 
brachten die lasten aan den gebieder van Frankrijk schatten op, 
die hem in staat stelden de grootste uitbreiding te geven aan 



Digitized by 



Google 



8 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

de krijgstoerustingen. De verschillende korpsen des legers wer- 
den niet alleen aangevuld, maar zelfs versterkt; bij een onzer 
schrijvers (Valkenier) vindt men, dat elke compagnie voetvolk 
vermeerderd werd met lo man, en de 30 compagnieën Fransche 
garde ieder zelfs met 50 man. Door die vermeerderde sterkte 
— zegt die schrijver — wilde Frankrijk eene legermacht te velde 
brengen, die in het geheel 200000 man zou bedragen; de door 
Frankrijk onderhouden krijgsmacht in zijn geheelen omvang stelt 
hij op 300000 man. 

Denkelijk is er niet veel overdrijving in die opgaven. Men 
merke slechts op, dat, afgezien van de krijgsmacht die nog bezig 
was met de ontruiming van Holland, door Condé een leger in 
Vlaanderen werd bijeengetrokken ; dat Turenne een tweede leger 
aanvoerde, aan den .Rijn; dat de Koning zelf met een derde 
leger de verovering wilde ondernemen van Franche-Comté; dat 
zich in dat gewest reeds eene krijgsmacht bevond, onder Navailles ; 
dat eene andere legermacht, in Roussillon, het hoofd moest bie- 
den aan de Spanjaarden; en nog andere heirscharen de kusten 
moesten beschermen tegen eene gevreesde landing des vijands. 
Wanneer men dat alles in aanmerking neemt, dan komt men tot 
de overtuiging, dat het niet te hoog is gesteld, wanneer men de 
Fransche legermacht in 1674 in haar geheelen omvang op 300000 
man begroot; — trouwens, het is bekend, dat die legermacht 
in de latere regeeringsjaren van Lodewijk XIV nog grooter is 
geweest. 

De macht, door den Keizer en door de Duitsche vorsten tegen 
Frankrijk aangewend, was veel geringer. Het doet hier weinig of 
niets ter zake, hoeveel troepen door die vorsten in het geheel 
werden onderhouden; genoeg zij het te zeggen, dat de krijgs- 
macht die tegen Frankrijk werd aangewend, toen zij hare hoogste 
sterkte bereikt had, op niet meer dan een 80 000 man kan wor- 
den begroot. Nog moet men daarbij in aanmerking nemen, dat 
die krijgsmacht zonder het goud der Republiek nooit die sterkte 
zou hebben bereikt: zij betaalde een gedeelte der kleine 20000 
man, waarmede de keurvorst van Brandenburg in het najaar van 
1674 aan den Rijn verscheen; zij had met de vorsten van 
Brunswijk en van Luneburg verdragen gesloten, waarbij deze 
zich verbonden, op hare kosten, 16000 man op de been te 
brengen. Zonder die geldelijke ondersteuning waren de Duitsche 
legers geheel onbeduidend gebleven; en niets bewijst meer den 
krachtigen invloed welke van de eenheid eener regeering uitgaat 
dan de vergelijking van de strijdkrachten, in dien tijd te velde 
gebracht door Frankrijk en door Duitschland, — twee landen 
die toch, in grootte en bevolking, niet veel verschillen. 



Digitized by VjOOQIC 



OORLOGSTOERUSTINGEN EN OORLOGSPLANNEN. 9 

Omtrent de krijgstoerustingen van Spanje weet men, dat het 
«ene legermacht in Catalonië vereenigde om daarmede in Rous- 
sillon te vallen, en dat Monterey in de Zuidelijke Nederlanden 
de Spaansche krijgsmacht tot eene sterkte bracht, die door onze 
schrijvers begroot wordt op 36000 man voetvolk, in 20 regi- 
menten verdeeld, en 11 000 man ruiterij, 18 regimenten uit- 
makende. Van die legermacht kon echter slechts een zeer klein 
deel te velde komen; het overige was als bezettingen verdeeld 
over de vestingen der Zuidelijke Nederlanden; dat wil zeggen 
over de steden dier gewesten, daar elke stad toen eene ves- 
ting was. 

Monterey deed al het mogelijke om zijn legermacht sterker 
te maken en de bezettingen der vestingen te vermeerderen. Zoo 
vindt men vermeld, dat de Spaansche bezettingen van Venlo en 
Roermond door eenige Keizerlijke troepen werden vervangen, en 
gebruikt om de steden van Vlaanderen en Braband beter te 
voorzien ; ook bevonden zich Holiandsche hulptroepen in Brugge 
«n in andere Vlaamsche steden. In de Spaansche Nederlanden 
moesten allen, die in de laatste vijf en twintig jaar den krijgs- 
dienst hadden verlaten, zich aangeven in de naastbijzijnde stad, 
of bij de regimenten waarbij zij vroeger hadden gediend ; waren 
zij niet meer geschikt om te velde te dienen, dan moesten zij 
de bezettingen der vestingen aanvullen. De dorpen moesten een 
zeker aantal mannen leveren, ieder gewapend met een geweer 
en kruit en lood voor zes schoten; in het Kamerijksche werden 
alle mannen van 15 tot 55 jaar tot den krijgsdienst opgeroepen; 
Henegouwen moest eene soort militie leveren, 4000 der meest 
weerbare mannen, die men van vuurwapenen en van delfgereed- 
schap zou voorzien; brood ontvingen die manschappen van de 
Spaansche kroon, maar de gemeenten moesten de soldij betalen. 
Voorden mijnen-arbeid in de vestingen waren veel arbeiders uit 
de kolenmijnen bestemd. 

Die maatregelen, die men bij de schrijvers over dit tijdvak 
vindt opgeteekend, bewijzen ten duidelijkste, met hoeveel be- 
kwaamheid Monterey wist partij te trekken van de verdedigings- 
middelen der Zuidelijke Nederlanden; wanneer het uitgeputte, 
vervallene Spanje in alle deelen des Rijks bestuurders had be- 
zeten met evenveel geestkracht begaafd als de landvoogd der 
Nederlanden, dan had dit rijk zich mogelijk nog kunnen ophef- 
fen uit zijn niet, en weer worden wat het vroeger was. 

De Republiek, ontheven van de vrees voor de Engelsche 
vloten, kon in 1674 hare zeemacht eene mindere sterkte geven, 
en meer besteden aan de landmacht; toch wilde zij ook dit 
jaar eene niet onaanzienlijke vloot in zee brengen, eensdeels om 
daarmede de Fransche volkplantingen in Amerika aan te vallen. 



Digitized by 



Google 



lO KRIJGS- EM GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

anderdeels om de kusten van Frankrijk met eene landing te be- 
dreigen, en daardoor een deel der krijgsmacht van Lodewijk XÏV 
bezig te houden. Er werd besloten eene vloot uit te rusten van 
90 oorlogsschepen, welker onderhoud gedurende zes maanden 
tijds op zeven millioen werd begroot. Voor de landmacht ver- 
schilde de buitengewone Staat van oorlog voor 1674 niet veel 
van die van het vorige jaar; zij werd vastgesteld op 900 com- 
pagnieën voetvolk, 148 compagnieën ruiterij, en 25 compagnieën 
dragonders; die legermacht, die waarschijnlijk een 90 k 100 000 
man zal hebben uitgemaakt, kostte iedere maand ƒ' i 472 303. 
Natuurlijk kon slechts een gedeelte dier krijgsmacht legen Frank- 
rijk in het veld komen: een gedeelte moest achterblijven tot 
bezetting der vestingen; een ander gedeelte was, onder Raben- 
haupt, eerst werkzaam tegen de Munsterschen, later bij de be- 
legering van Grave; Hoorne kwam, met 154 compagnieën, voet- 
volk en zeesoldaten, als landingstroepen aan boord der vloot: — 
dit alles maakte dat de Stadhouder maar met een 30000 man 
in de Spaansche Nederlanden kon te velde trekken. 

Men vindt opgeteekend, in de Nieuwe Mercurius (jaar- 
gang 1673, ^^2. 254), dat er toen beraadslaagd werd over het 
aanleggen van eene verschanste linie aan de Vecht, van Muiden 
tot aan de Vaart; de stad Utrecht zou begrepen zijn in die 
linie, die dus denkelijk in richting overeengekomen zou zijn 
met wat nu de Utrechtsche linie wordt genoemd. Anderen 
echter waren van meening, dat men eene verschanste linie moest 
aanleggen bij de Eem, welke linie, Amersfoort omvattende, 
over Woudenberg naar de Lek zou loopen; die linie zou dus 
niet geheel dezelfde zijn geweest als de tegenwoordige linie 
van de Grebbe. Maar noch aan het eene, noch aan het 
andere voorstel werd gevolg gegeven: voor het oogenblik 
vreesde men geen inval des vijands, en voor de toekomst zorgde 
men niet. 

De zorg voor zieken en gewonden — dit zoo belangrijk ge- 
deelte van de taak des veldheers, daar zonder die zorg het leger 
waarmede hij den oorlog moet voeren, weldra te niet zou gaan — 
stond in de zeventiende eeuw op een veel lageren trap dan in 
onze dagen. Men kan dit opmaken uit een reglement over dit 
onderwerp, op het einde van 1673 door de Staten -Generaal der 
Vereenigde Nederlanden uitgegeven, en dat men vindt in Het 
ontroerde Nederland (2' deel, blz. 780—782). In dat regle- 
ment wordt voorgeschreven, dat er voortaan bij het leger te 
velde altijd twee doctoren zullen aanwezig moeten zijn; en 
meer, wanneer het leger groot is en verdeeld in vele posten; 
die doctoren zullen onder hunne bevelen hebben de twee 
chirurgijns-generaal van het leger. Bij ieder regiment moet 



Digitized by 



Google 



OORLOGSTOERUSTINGEN EN OORLOGSPLANNEN. II 

zijn een regiments- chirurgijn ; en bovendien, bij elke twee com- 
pagnieën ten minste één chirurgijn. De chirurgijns-generaal moe- 
ten voorzien zijn van de noodige geneesmiddelen, linnen enz., 
en bij ieder regiment moet een veldkist met die voorwerpen 
voorhanden zijn; vóór de aflevering worden de medicamenten 
in Den Haag nagezien door één of meer beëedigde dokters. Er 
wordt een Intendant aangesteld, die van de doctoren en 
chirurgijns verslag zal ontvangen van het getal der zieken, de 
korpsen waartoe zij behooren, de plaats waar zij zich bevinden, 
en van den aard der ziekten; ten minste eenmaal daags zal de 
Intendant van dat alles bericht geven aan den generaal, of be- 
velvoerenden officier. Voor den aankoop en de uitgave van spijs 
en drank aan de zieken en gewonden, zal een * hospitaal- 
meester zorgen; terwijl voor de oppassing een genoegzaam 
aantal geschikte personen aangenomen zullen worden. Bij het 
leger zullen eenige huizen, of tenten, uitsluitend bestemd zijn 
voor de zieken en gewonden; evenzoo zal men daarvoor het 
noodige nachtleger hebben. Zieken of gewonden, wier herstelling 
een geruimen tijd zal vorderen, moeten zoo spoedig mogelijk 
worden verzonden naar de gasthuizen van de naastbijzijnde steden 
en garnizoenen, en daar verpleegd worden voor vier stuivers 
daags; de noodige vervoermiddelen, wagens, karren, schepen of 
schuiten, moeten tot dat einde altijd bij het leger zijn. 

Ziedaar eenige der voornaamste bepalingen in dat reglement 
voorkomende, dat zeker als een vooruitgang en verbetering moet 
worden beschouwd, maar dat tevens aantoont hoezeer de zorg 
voor den zieken of gewonden krijgsman in die dagen moest 
achterstaan bij de middelen die in onzen tijd daarvoor worden 
aangewend. 

Wanneer wij zoo een blik vestigen op de krijgstoerustingen 
en sterkte der oorlogvoerende partijen, dan is dit voornamelijk 
om daaruit af te leiden, welke handelingen men had te wachten 
van die partijen, en wat voor elke partij de beste wijze was om 
oorlog te voeren. Oogenschijnlijk zou men zeggen, — wanneer 
men daarop let, dat men aan de eene zijde had den Keizer, 
ondersteund door geheel Duitschland, door Spanje met de schat- 
ten der Nieuwe Wereld, door de Republiek met hare machtige 
vloten, en aan de andere zijde Frankrijk alleen, — dat dit laatste 
Rijk verreweg de zwakste partij moest uitmaken en zich dus tot 
de verdediging moest bepalen. Maar let men daarop, hoe weinig 
wezenlijke kracht èn Spanje èn de Keizer konden ontwikkelen, 
welk eene groote uitbreiding daarentegen Lodewijk XIV aan 
zijne strijdmiddelen had gegeven, en welke groote voordeelen 
Frankrijk ontleende aan zijne centrale stelling, en aan de een- 
heid in staats- en krijgshandelingen, scherp afstekende bij de 



Digitized by 



Google 



12 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

Steeds verdeelde en uiteenloopende inzichten der bondgenooten, — 
dan is het duidelijk, dat de bondgenooten niet de sterkste partij 
waren, en dat, minstens genomen, Frankrijk's macht wel tegen 
de hunne opwoog. 

Toch besloten die bondgenooten den oorlog aan vallenderwij ze 
te voeren; en hun oorlogsplan in 1674 schijnt in het volgende 
te hebben bestaan : 

Ter zee zou Holland gebruik maken van zijne overmacht, 
door met een gedeelte zijner vloot de Fransche Antillen aan te 
vallen, en het andere gedeelte aan te wenden tot het doen van 
eene landing in Bretagne of Normandië, waar men verstandhouding 
had en een opstand tegen Lodewijk XIV meende te doen ont- 
staan. Spanje vereenigde in Catalonië eene legermacht, bestemd 
om de Pyreneën over te trekken en in Roussillon te vallen. In 
de Zuidelijke Nederlanden zou een Keizerlijk leger zich ver- 
eenigen met de krijgsmacht van Monterey en van Willem III; 
en aan het hoofd dier verbondene macht hoopte de Stadhouder 
door te dringen in het noorden van Frankrijk, en den oorlog 
daarheen over te brengen. Eindelijk zou een ander Duitsch leger 
den Rijn overgaan, om Frankrijk in zijne oostelijke gewesten 
aan te vallen. 

Dit oorlogsplan kan, over het geheel, goed worden genoemd. 
Men was toen niet in den tijd der beslissende oorlogen; men 
was toen niet gewoon om in één veldtocht een oorlog ten einde 
te brengen, door dadelijk door te dringen tot in het hart van 
's vijands land, of dadelijk 's vijands legermacht op te zoeken en 
een hoofdslag te leveren; — zulke Napoleontische handelingen 
waren toen geheel vreemd, en, door verschillende oorzaken, ook 
moeielijk uitvoerbaar. Bovendien was er aan de zijde der bond- 
genooten geen overmacht; of ten minste niet zulk eene over- 
macht dat zij toeliet om te rekenen op het verkrijgen van zulke 
groote uitkomsten. Alles wat de bondgenooten dus konden ver- 
wachten van den veldtocht van 1674, was — niet den oorlog 
daardoor te eindigen — maar daardoor Frankrijk's macht te 
verminderen, de hunne te vermeerderen, en daardoor bij een 
volgenden veldtocht gunstiger kansen aan hunne zijde te heb- 
ben, of bij het sluiten van den vrede voordeeliger voorvaarden 
te kunnen bedingen. 

Om zulk een doel te bereiken, waren de genomen beschik- 
kingen niet slecht. Het was goed dat er een Spaansch leger aan 
de Pyreneën werkzaam was: Spanje kon natuurlijk niet al zijne 
strijdkrachten overbrengen naar de Nederlanden; er moest eene 
krijgsmacht zijn om de noordelijke gewesten van het Schiereiland 
te beschermen ; die krijgsmacht, in Frankrijk doordringende, zou 
den vijand noodzaken een gedeelte zijner legermacht daartegen- 
over te stellen; en de veroveringen die het Spaansche leger in 



Digitized by 



Google 



OORLOGSIOERUSTINGEN EN OORLOGSPLANNEN. IJ 

Roussillon kon maken, zouden voordeelig kunnen zijn, omdat zij 
bij den vrede mogelijk aan Span-e zouden blijven. Evenzoo was 
de aanwending der Hollandsche zeemacht in allen deele goed; 
zij moest gebruik maken van hare meerderheid; de verovering 
van Fransche volkplantingen in Amerika zou een groot voor- 
deel zijn, omdat die volkplantingen voortdurend aan Holland 
konden blijven, en lichtelijk tegen Frankrijk's uitbreiding van 
grondgebied in Europa konden opwegen, — op gelijke wijze als 
in den nicuweren tijd, bij Napoleon's veroveringen, Engeland 
zich daarvoor schadeloos stelde, door de buitenlandsche bezit- 
tingen der Europeesche mogendheden te bemachtigen. De voor- 
genomen landing in Frankrijk moge al minder kans van wel- 
slagen hebben gehad dan men zich voorstelde, toch was zulk 
eene handeling zeer aan te raden, omdat men daardoor den 
vijand in onrust bracht en een groot getal zijner troepen bezig- 
hield; de 9 è, 10 000 man Hollandsche landingstroepen, waarvan 
nog een gedeelte naar Amerika ging, dwongen — volgens Valke- 
nier — Lodewijk XIV om een 30000 man te laten op de 
kusten van het kanaal en in Bretagne: dit was dus klaarblijkelijk 
in het voordeel van de bondgenooten. 

Eindelijk waren de voornaamste strijdkrachten der bondge- 
nooten vereenigd in De Nederlanden, waar zij een 60 k 70000 
man zouden uitmaken, en aan den Rijn waar zij tot bij de 
60C00 man klommen. Op die beide oorlogstooneelen had men 
ook het meest te vreezen van den vijand; Duitschland en De 
Nederlanden moesten beschermd worden tegen dien vijand; en 
begunstigde het geluk de wapenen der bondgenooten, en gingen 
dezen te werk op eene stoute, zeker voor die tijden buitengewone 
wijze, dan waren de aldaar opgestelde legers in de gelegenheid 
om spoedig door te dringen tot in het hart van Frankrijk, en 
de hoofdstad van dat Rijk te bedreigen. 

Uit dit alles ziet men, dat het plan der krijgsverrichtingen 
voor 1674 van de zijde der bondgenooten goed was; — de uit- 
voering was het minder. 

Lodewijk XIV schijnt zich van zijne zijde in 1674 tot de ver- 
dediging te hebben willen bepalen, maar tot eene krachtige, 
werkzame verdediging, die in aanval verkeert, zoodra zij daar 
voordeel in ziet. De vloot — later door het genie van Colbert 
geschapen, en die weer te niet ging, minder door de nederlaag 
bij Kaap La Hogue dan door de onbekwaamheid der opvolgers 
van den grooten staatsman — , bestond in 1674 nog niet; en de 
Fransche zeemacht, die, met de Britsche vereenigd, de Republiek 
had bestreden, was niet in staat om, alleen, De Ruyter's vloot 
het hoofd te bieden. Dit was een groot nadeel voor Frankrijk; 
niet alleen omdat daardoor zijn handel, zeevaart en volkplan- 



Digitized by VjOOQIC 



14 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

tingen zonder bescherming waren, maar ook omdat het ter ver- 
dediging zijner kusten eene aanzienlijke macht moest aanwenden, 
een 30 000 man, die men nu niet had aan de landgrenzen. Ook 
in Roussillon moest tegenover het Spaansche leger een Fransch 
leger worden gesteld, dat, een 20000 man sterk, onder het be- 
vel van Schomberg kwam. In De Nederlanden zou Condé met 
een groote 40000 man werkzaam zijn, de legermacht die bezig 
was Holland te ontruimen niet medegerekend ; men schijnt hier 
verdediging beoogd te hebben ; en de aanvallende inzichten van 
den Franschen monarch gingen hier niet verder dan tot het 
belegeren eener vesting, wat hij zijn veldheer aanbeval. Aan den 
Rijn moest Turenne de Duitschers tegenhouden; hij had hiertoe 
eene legermacht, die, aanvankelijk, slechts ruim 10 000 man, bij 
het einde van den veldtocht tot een groote 30000 man klom; 
eene macht die door de groote bekwaamheid des veldheers wel 
geschikt was voor eene werkzame, indrukwekkende verdediging, 
maar toch in vergelijking met die der bondgenooten te gering 
van sterkte was om aanvallend te handelen. 

Verdediging stond dus aan de Fransche zijde overal op den 
voorgrond. Dit was evenwel slechts dan, wanneer de heirmachten 
der bondgenooten in werking konden komen; maar daar dit 
met de gewone traagheid ging, wilde de Fransche koning daar- 
van partij trekken, door in het eerste begin van den veldtocht 
aanvallend te handelen en de verovering te ondernemen van 
Franche-Comté. 



De verovering van Franche-Comté was voordeelig omdat dit 
gewest voortdurend vereenigd kon blijven met Frankrijk. Die 
verovering was ook uitvoerbaar, omdat zij niets anders vorderde 
dan de belegering van eenige steden, door de Spanjaarden niet 
genoegzaam bezet en voorzien. Legers zou men daarbij niet te 
bestrijden hebben; want de Spaansche krijgsmacht, kon zij al zoo 
vroeg te velde komen, was op zich zelve te onbeduidend; en 
de legers van Willem III en de Duitsche legers zouden, op zijn 
vroegst, eerst in Mei te velde kunnen verschijnen, en konden 
dan nog in bedwang worden gehouden door de legers van 
Condé en van Turenne. Het was dus aan de Fransche zijde 
een zeer goed beraamd ontwerp, het voorjaar van 1674 te ge- 
bruiken voor de verovering van Franche-Comté. 

Reeds in Februari 1674 was Navailles, met een ii 000 man 
Fransche troepen, Franche-Comté binnengerukt, en had in de 
laatste dagen dier maand het beleg geslagen voor de stad Gray. 
Die slecht bevestigde stad bood een onbeduidenden tegenstand. 
Vésoul en Lous le-Saunier volgden dit voorbeeld en gaven zich 
op de eerste opeisching aan den Franschen veldheer over. In 



Digitized by 



Google 



KRIJGSVERRICHTINGEN BIJ DE PYRENEÉN. I5 

April trok Lodewijk XIV in persoon, aan het hoofd van een 
leger van 20 a 30000 raan, naar het gewest dat hij wilde ver- 
overen. Besangon, sedert den 25sten April door het Fransche 
leger berend, werd door den prins De Vauderaont goed ver- 
dedigd tot den i5en Mei; de Citadel gaf zich eerst den 22sten 
over. Daarna sloeg de Koning het beleg voor Dole, dat zich 
tot den 6en Juni verdedigde. De inneming van Salins en van 
eenige kleinere sterkten voltooide, nog in de maand Juni, de 
verovering van Franche-Comté. 

De spoedige inneming van die verschillende vestingen bewijst, 
dat indien de Fransche koning het jaar te voren zich niet be- 
paald had tot het enkele beleg van Maastricht, maar de ver- 
schillende Spaansche vestingen tusschen Schelde en Maas had 
aangevallen, hij zich waarschijnlijk daarvan zou hebben meester 
gemaakt, en dan Holland niet had behoeven te ontruimen. De 
legermacht die Franche-Comté aanviel was kleiner dan die welke 
Maastricht belegerde; en de tijd, waarover men in 1673 kon 
beschikken, grooter dan die welke tot de verovering van genoemd 
gewest werd besteed. 

De Fransche monarch had dus, dank zij zijner werkdadigheid, 
reeds een gewichtig voordeel behaald op zijne tegenpartij, vóór- 
dat deze de krijgsverrichtingen begon; en het verhaal van die 
krijgsverrichtingen zal aantoonen, dat de latere gebeurtenissen 
niet van dien aard zijn geweest om de bondgenooten schadeloos 
te stellen voor den reeds ondervonden tegenspoed. Alvorens den 
veldtocht in De Nederlanden te behandelen, zal hier eerst ter- 
loops vermeld worden, wat er in 1674 voorviel op andere ge- 
deelten van het oorlogstooneel. 



Aan de zijde der Pyreneën waren de krijgsverrichtingen niet 
van belangrijken aard; of, beter gezegd, zij bleven zonder be- 
langrijke gevolgen door de weinige voortvarendheid der aanval- 
lende partij, de Spanjaarden. 

De hertog De Saint-Germain, aanvoerder van het Spaansche 
leger, was in het voorjaar van 1674 uit Catalonië opgerukt, de 
Pyreneën overgegaan, en de Fransche vesting Bellegarde gena- 
derd; die vesting gaf zich over aan de Spanjaarden, in weerwil 
van de pogingen van Schomberg, het Fransche legerhoofd, om 
haar te ontzetten. Beide legers bleven toen eenige weken geheel 
werkeloos tegenover elkander liggen. Den iQcn Juni had er bij 
Morillas een veldslag plaats, waarbij het Fransche leger eene 
nederlaag leed, die het een 2 a 3000 man kostte. Indien De 
Saint-Germain van die overwinning partij had getrokken en ver- 
der was doorgedrongen, dan is het waarschijnlijk dat Perpignan 
en andere plaatsen hem in handen zouden zijn gevallen; maar 



Digitized by 



Google 



l6 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

dit geschiedde niet ; en de latere opstand van Messina tegen het 
Spaansche gezag noodzaakte den Spaanschen koning om een ge- 
deelte van zijne legermacht naar Sicilië te zenden, zoodat het 
daardoor verzwakte leger van de Pyreneën buiten staat werd 
gesteld om iets te ondernemen, en dan ook spoedig terugkeerde 
naar Catalonië. 



De krijgsverrichtingen op zee werden niet met geluk bekroond. 

De Ruyter, den 24sicn Mei uit Texel gezeild, was den 19e» 
Juli met een 20 oorlogs vaartuigen en 2S transportschepen voor 
het eiland Martinique gekomen ; den volgenden dag had er eene 
landing en aanval plaats, die in weerwil van de dapperheid der 
Hollanders geheel en al mislukte door den krachtdadigen tegen- 
stand der Franschen, welke hier eene sterke macht hadden ver- 
eenigd. Eenige werken nabij de landingsplaats werden vermees- 
terd door de infanterie van de kolonels Van Uyitenhoven, graaf 
Jan van Hoorne, en Steeland, — daarbij ondersteund door 1500 
matrozen ; maar daar de verdedigingsmiddelen van den vijand te 
sterk waren, en van de Nederlanders reeds twee der bevelheb- 
bers — van Uyttenhoven en Steeland — met bij de 600 man buiten 
gevecht waren gesteld, deed De Ruyter de onderneming opgeven 
en de troepen weer inschepen. De vlootvoogd verliet kort daarop 
de Antillen, en kwam in het begin van October in het vader- 
land terug. 

Tromp was met het overige en grootste gedeelte der vloot 
naar de Fransche kusten gestevend, en had Bretagne in onrust 
gebracht. Men zeilde Brest voorbij, en landde den 27sten Juni 
op het eiland Belle-Isle, bezet door eene Fransche macht van 
bij de 3000 man. De generaal graaf Van Hoorne, die hier het 
bevel had over de landingstroepen, ondervond weinig tegenstand, 
en dreef den vijand terug naar het sterke kasteel. Bij die landing 
wordt weer gewag gemaakt van soortgelijke wagens met friesche 
ruiters als Rabenhaupt bij Nordhorn gebruikte. Eene opeischin^ 
van het kasteel van Belle-Isle werd afgeslagen; en daar men 
oordeelde dat een beleg te veel tijd zou kosten, werden den 
29sten Juni de troepen weer ingescheept. 

Men stevende daarop naar het eiland Noirmoutiers, aan de 
kust van Poitou gelegen, en van het vasteland alleen gescheiden 
door een zeer smallen en ondiepen zeearm. Den 4en Juli had 
daar eene landing plaats; en na een korten tegenstand, waardoor 
een groote honderd man der Nederlanders buiten gevecht wer- 
den gesteld, nam de Fransche bezetting de wijk naar Poitou, en 
liet het eiland, met kasteel, batterijen en ruim 30 vuurmonden 
en eenige schepen in handen der Nederlanders. Bijna drie weker> 
lang wapperde de Hollandsche vlag van de muren der vijande- 



Digitized by 



Google 



OORLOG TER ZEE. 17 

lijke sterkte; en terwijl de vloot, zich verdeelcnde, overal vijan- 
delijke schepen vermeesterde, was de geheele landstreek van 
Brest tot Bayonne in onrust, en trokken op verschillende punten 
sterke troepenafdeelingen samen om eene landing der Hollanders 
te beletten. Den 23sten Juli werd Noirmoutiers weer verlaten, 
nadat men het kasteel had doen springen en de kustbatterijen 
geslecht. Eenigen tijd werd nu de Fransche kust in vrees ge- 
houden ; en na de Middellandsche Zee nog te hebben aangedaan, 
keerde de vloot van Tromp, met het einde van 1674, naar 
Nederland terug. 

Het is bekend dat die onderneming der Hollandsche vloot in 
verband stond met eene samenzwering in Frankrijk tegen Lode- 
wijk XIV. Is men met den eigenlijken aard dier samenzwering 
genoegzaam bekend^ om te kunnen oordeelen wat daarvan was 
ie verwachten? — Het is moeielijk die vraag met juistheid te 
beantwoorden. Overal waar eene volstrekt eenhoofdige regeering 
bestaat, is men er altijd op uit, alle handelingen welke ten 
nadeele dier regeering zouden kunnen strekken, met den dicht- 
sten sluier des geheims te bedekken, en het geheele volk voor 
te stellen als, zoo niet verkleefd aan die regeering, dan ten 
minste daaraan lijdelijk onderworpen ; elke poging tot verzet, tot 
tegenstand wordt zooveel mogelijk geheim gehouden; voor het 
oog der wereld heerscht overal de diepste rust; en alleen het 
uitbreken van een opstand toont dat er ook woelingen in een 
dergelijken staat zijn. 

Zoo was het met het Frankrijk van Lodewijk XIV. De ge- 
schiedschrijvers van dien tijd, zelfs de latere Voltaire, spreken 
ternauwernood van die samenzwering van 1674; zij stellen haar 
voor als geheel onbeduidend en als het werk van eenige weinige 
edellieden en fortuinzoekers, die tot dit middel hunne toevlucht 
namen, deels uit bijzondere vijandschap tegen Louvois, deels om 
hunne berooide geldmiddelen te herstellen. Een lid van het vor- 
stelijk geslacht der Rohan's, een ander edelman Latréaumont, 
een schoolmeester Van den Ende, Hollander van geboorte, en 
nog anderen traden in verbond met de bevelhebbers der Hol- 
landsche vloot, en beloofden hun het havenstadje Quillebeuf in 
handen te spelen en Normandië in opstand te brengen. De 
schrijvers van dien tijd zeggen echter, dat die samenzwering niet 
den minsten bijval of ondersteuning bij het volk zou hebben ge- 
vonden, dwaaselijk beraamd was en tot niets kon leiden. Hoe 
dit zij, die samenzwering werd ontdekt, vóórdat hare plannen 
tot uitvoering konden komen; Latréaumont, die zich te weer 
stelde toen men hem in hechtenis wilde nemen, werd doodge- 
schoten ; Rohan, eenige andere edelen en Van den Ende vonden 
den dood door beulshanden; de edelen door het zwaard, de 

WILLEM III. — II. 2 

Digitized by VjOOQIC 



l8 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

schoolmeester aan een galg ; — hij stierf, zeggen de berichtgevers, 
als een atheïst; — raen gaf toen zeer spoedig dien naam aan 
ieder die niet tot een bekend kerkgenootschap behoorde. 

Door het ontdekken van die samenzwering, was de Hollandsche 
vloot niet in haar doel geslaagd om sommige Fransche havens 
te bemachtigen en in Frankrijk een burgeroorlog te doen ont- 
branden. Niettegenstaande die teleurstelling kan men echter zeg- 
gen, dat die onderneming ter zee in 1674 wel voordeelen heeft 
opgeleverd, daar zij Lodewijk XIV dwong zulk eene sterke 
krijgsmacht aan te wenden tot de verdediging der kusten. Boven- 
dien moet men ook acht geven op den zedelijken indruk welken 
de verschijning van Tromp's vloot maakte: de kustlanden van 
het Kanaal en van de golf van Biscaye werden in vrees ge- 
bracht; op die kusten overal schepen door de Hollanders be- 
machtigd ; en de Fransche legermacht, in Poitou bijeen getrokken, 
zag weken lang de vlag der Republiek wapperen op het Fransche 
eiland Noirmoutiers; — dit kon niet anders dan diepen indruk 
maken op ieder die zich herinnerde hoe, pas twee jaar geleden, 
Lodewijk XIV triomfbogen had doen oprichten, om de zooge- 
naamde verovering van Holland te vereeuwigen. Ook daarom 
kan die onderneming ter zee beschouwd worden als goed beraamd. 

Wie meer wil weten over die samenzwering van 1674, kan 
daarover bijzonderheden vinden in Sue's y^Histoire de la marim 
fran(aise\ — een werk dat evenwel niet altijd uitmunt door 
strenge geschiedkundige waarheid. Wat Rousset over deze aan- 
gelegenheden zegt, en vooral over de verrichtingen der Hol- 
landsche vloot, moet alleen met eenig voorbehoud worden aan- 
genomen: Rousset schijnt hierbij uitsluitend te hebben geput uit 
de papieren van Louvois, waarin die verrichtingen natuurlijk zoo- 
veel mogelijk worden verkleind. In de ^Histoire de Louvois''' (2* 
deel, blz. 115 — 117) vindt men hel volgende: 

... 1 Reeds in het laatst van Maart waarschuwde hij** (Louvois) 
«den maarschalk d'Albret en graaf Gadagne, die gouverneurs 
waren van Guyenne en van Aunis, dat zij zich gereed moesten 
houden om alle pogingen tot landing op de kusten van hunne 
gouvernementen te verijdelen, die in den loop van de maand Mei 
beproefd zouden worden door eene Hollandsche vloot, die een 
5 a 6000 man landingstroepen aan boord had. Wat later noemde 
hij als bijzonder bedreigde punten het eiland Ré, de monding 
der Charente en de stad Bayonne. Eerst in het begin van Juni 
ging de Hollandsche expeditie onder zeil. > De admiraal De Ruy- 
ter" — zoo werd aan graaf d'Estrades geschreven door zijn 
Hollandschen correspondent — »De admiraal De Ruyter heeft 
volmacht om alles te ondernemen wat hem het raadzaamst voor- 
komt; maar het hoofdpunt in zijne voorschriften is, te onder- 



Digitized by 



Google 



OORLOG TER ZEE. I9 

zoeken of het Fransche volk, gebukt onder drukkende belastin- 
gen, en, voor zoover de Protestanten betreft, belemmerd in het 
waarnemen van zijn godsdienstige plichten, niet geneigd is om 
in opstand te komen tegen die onderdrukking; het dan de hulp 
aan te bieden van een leger en eene vloot; en te landen, daar 
waar het dit wenschelijk acht." — Slechts omtrent één punt had 
de correspondent het mis : Tromp was het, aan wien die zending 
was opgedragen; De Ruyter ging de Fransche Antillen aanvallen. 

Tromp kruiste langen tijd op de kusten van Normandië; maar 
nergens zag hij de afgesproken signalen; integendeel, op alle 
gunstige landingspunten zag hij niets dan geregelde troepen, mi- 
litie, geschut, die de bewegingen van de vloot volgden, maar 
alleen om haar te bestrijden, niet om haar te steunen. Toen 
ging hij kruisen op de kusten van Bretagne; — dezelfde vertoo- 
ning. Iets willende doen om een einde te maken aan dien be- 
spottelijken toestand, beschoot hij Quiberon en poogde hij Belle-Isle 
te vermeesteren; maar de markies De Coëtlogon, met een dui- 
zend man troepen, noodzaakte hem zich weer in te schepen. 
Hij slaagde beter met het eiland Noirmoutiers, dat niet verdedigd 
werd. Daar bleef hij drie weken, aldoor wachtende op een opstand 
onder de Protestanten {les religionnairei) van Poitou, Aunis en 
Guyenne; de Protestanten waren onder de wapenen, maar ston- 
den tegenover hem. Het is waar dat Louvois, uit voorzichtigheid, 
hun toen eenige toegevendheid had betoond. De gouverneur 
van Poitou, de hertog De la Vieuville, was gemachtigd om de 
Protestantsche edelen te vergunnen 's Zondags bijeen te komen 
om hun godsdienstoefening te houden; >maar", — voegde Lou- 
vois er bij — » gij moet zorgen dat dit geen opspraak geve, en dat 
het oord waar zij bijeenkomen verre zij van de kerk van de 
plaats, en dat de gunst die Zijne Majesteit thans verleent, op 
kan houden zoodra de militie weer is teruggekeerd." Er was 
niet veel uit te richten bij menschen, die zich met zoo weinig 
Heten tevreden stellen. Tromp verloor zijn geduld en ging onder 
zeil naar de Middellandsche Zee, waarheen de Spaansche regee- 
ring hem riep, die ongerust was over de volksbeweging te Mes- 
sina. Zoo ging dat dreigende gevaar voorbij, dat Louvois zooveel 
zorg had gebaard. Was het uit spotternij, of in ernst, dat hij 
den Prins van Oranje deed dankzeggen voor de menschelijkheid 
die de graaf van Hoorne, zijn onderbevelhebber, te Noirmoutiers 
en te Belle-Isle had betoond; »daar ik er niet aan twijfel," — 
voegde hij er bij — » of die menschelijkheid van den graaf van 
Hoorne is hem voorgeschreven door den Prins van Oranje." " 
(Brief van den iien Juli van Louvois aan d*Estrades). 

En op blz. 120 — 121 van hetzelfde deel: 

• Indien Tromp zoo lang had gekruist op de Normandische 
kust, dan was dit niet geweest op een los gerucht. Het was 



Digitized by 



Google 



20 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

geweest om de gevolgen af te wachten van eene ernstige samen- 
zwering, die in naam tot hoofd had den ridder De Rohan, een 
groot heer die geheel verloopen was door zijne uitspattingen, 
en die verbitterd was tegen eene maatschappij, waar zijn ver- 
waten trots en zijne verfoeielijke driften geen stof ter bevrediging 
meer vonden*, de ware aanvoerder der samenzwering, de man 
die alles regelde en in beweging bracht, het hoofd en de arm 
der onderneming, was een Normandisch edelman, die den krijgs- 
dienst had verlaten, omdat hij niet kon en niet wilde gehoor- 
zamen; Latréaumont, niet slechts een opstandeling, maar een 
revolutionnair die zijn tijd vooruit was, die niet onder de regee- 
ring van Lodewijk XIV had moeten leven, maar een honderd 
twintig jaar later. Voeg bij die twee mannen een ouden Hol- 
landschen professor. Van den Ende, een republikein, een staat- 
kundig droomer, een ontwerper van constitutiën, en die, verbor- 
gen door zijn onbeduidendheid, ten bate van de samenzwering 
heen en weer reisde tusschen Brussel, Rouaan en Parijs; en dan 
heeft men de hoofdpersonen van het drama, waarin het hof ei> 
de hoofdstad, die op het punt waren van aan de handelingen 
deel te nemen, veel meer belang stelden dan in den regel het 
geval is als men met de zaak niets heeft te maken. Wat de 
overige samenzweerders betreft, het waren medeplichtigen die 
van de zaak weinig wisten of begrepen, en wier namen dus ge- 
rust in die vergetelheid mogen blijven, die den figuranten in een 
tooneelstuk ten deel valt." 

Rousset verkleint ten onrechte de verrichtingen van Tromp's 
vloot in 1674; het gebeurde bij Belle-Isle en Noirmoutiers is niet 
zoo onbeduidend geweest als de Fransche schrijver, — denkelijk 
op gezag van Louvois — wil doen gelooven. Maar wat de 
samenzwering aangaat, Rousset erkent dat die «ernstig" is ge- 
weest; en dat het Fransche hof en Parijs »op het punt waren 
van daaraan deel te nemen." Die gebeurtenissen van 1674 'be- 
wijzen ook, hoe weinig gegrond de bewering is, dat Lodewijk XIV 
tot de herroeping van het Edikt van Nantes is gebracht, door- 
dat zijne Protestantsche onderdanen heulden met de vijanden 
van Frankrijk. Neen ! De Fransche Protestanten zijn hun Koning 
trouw gebleven, zoolang die Koning nog niet hun dwingeland 
was geworden ; eerst na de herroeping van het Edikt van Nantes, 
eerst na de dragonnades, eerst na het met voeten trappen 
van bezworen overeenkomsten en van de eeuwige beginselen van 
recht en menschelijkheid hebben de Fransche Protestanten, óf 
de wapenen opgevat tegen hqnne onderdrukkers, óf hebben zij 
het Rijk verlaten en zijn in het buitenland vaak de bitterste 
vijanden geworden van den despoot van Versailles. De dwinge- 
landij heeft den afval teweeggebracht ; niet de afval de dwingelandij» 



Digitized by 



Google 



KRIJGS VERRICHTINGEN AAN DEN BOVEN-RIJN. 21 

Aan den Rijn konden de bondgenooten op voordeelen reke- 
nen, omdat zij daar met groote overmacht optraden; want hoe- 
wel de sterkte van de beide partijen in den veldtocht van 1674 
daar gedurig afwisselde, zoo was toch altijd de meerderheid aan 
de zijde van de Duitschers: in het laatste gedeelte van den 
veldtocht telde het vereenigde Keizerlijke en Brandenburgsche 
leger een kleine 60000 man, het Fransche een groote 30000. 
Dit verschil van ruim 20000 man werd echter opgewogen door de 
groote bekwaamheid van Turenne, en door de weinige eenheid 
die er kan opgemerkt worden in de handelingen van de aan- 
voerders der bondgenooten. ' 

De verbazende langzaamheid die men bij de krijgstoerustingen 
der Duitsche vorsten aantrof, was ook oorzaak dat de Fransche 
veldheer gedurende een groot gedeelte van het jaar een bijna 
even sterke macht had als die welke tegenover hem stond, en 
daarvan gebruik maakte om door aanvallende bewegingen den 
vijand in ontzag te houden. Na eerst eene zwakke ruiterafdeeling, 
onder den hertog van Lotharingen, belet te hebben Franche- 
Comté te hulp te komen, ging Turenne den 14611 Juni bij Phi- 
lipsburg op den rechteroever van den Rijn over, terecht oor- 
deelende, dat, om den vijand den overtocht van dien stroom te 
beletten, het de raadzaamste handeling was, zelf dien vijand op 
den anderen oever op te zoeken. 

Den i6en Juni ontmoet de Fransche veldheer nabij het stadje 
Sintzheim een Keizerlijke legermacht onder den generaal Caprara ; 
de Fransche legermacht telde een 9000 man, de Keizerlijke 
slechts 7 k 8000, minder goede troepen; en algemeen oordeelt 
men, dat Caprara goed zou hebben gedaan, met het gevecht te 
ontwijken en naar de Neckar terug te trekken, om zich daar te 
vereenigen met de Keizerlijke troepen, die onder den generaal 
Bournonville in aantocht waren naar het tooneel van den oorlog. 
De Keizerlijke aanvoerder meende echter, vertrouwende op de 
voordeelen van zijne sterke stelling, den vijand te kunnen af- 
wachten; maar hij onderging eene nederlaag in dat gevecht bij 
Sintzheim en trok toen terug op Heidelberg. Turenne, van zijne 
zijde, zette de vervolging niet voort; maar keerde reeds den 
2osten Juni bij Phih'psburg terug op den linkeroever van den Rijn. 

Waarom Turenne den rechteroever van den Rijn verliet, is 
niet recht duidelijk. Versterkingen ontvangen hebbende die zijne 
macht tot een 18000 man brachten, ging de Fransche veldheer 
den 3en Juli nogmaals bij Philipsburg den Rijn over, en rukte 
naar de Neckar vooruit, om daar het Keizerlijke leger op te 
zoeken; dit leger, waarbij zich Bournonville had gevoegd, telde 
toen slechts een 13000 man. De Keizerlijke aanvoerders, hunne 
minderheid inziende, ontweken den strijd, en trokken in noorde- 



Digitized by 



Google 



2 2 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

lijke richting naar den Main terug. Turenne, de vervolging sta- 
kende, ging toen over tot de verwoesting van de Paltz. 

Was dit eene uitvoering van de bepaalde bevelen van den 
Franschen koning? of was die verwoesting — zooals Beaurain 
beweert — alleen het gevolg van den moedwil der Fransche 
soldaten, tot toorn aangezet door de vijandschap der Paltzsche 
boeren? — dit kan ons onverschillig zijn: de barbaarsche han- 
deling ono twee steden en vijf en twintig dorpen aan de vlammen 
te prooi te geven, zal altijd een vlek blijven op den Franschen 
naam, en een schande voor den veldheer, die óf de lijdelijke 
uitvoerder is geweest van onmenschelijke bevelen, óf geen kracht 
genoeg heeft bezeten om zijne plunderzieke benden in toom te 
houden. 

Maar tracht Beaurain die eerste verwoesting van de Paltz als 
iets toevalligs voor te stellen, uit Rousset's werk moet men dien 
gruwel beschouwen als iets voorbedachtelijks, waaraan alle toeval 
vreemd is. Aan wien is dan die gruweldaad van 1674 te wijten? — 
Natuurlijk het allereerst aan Lodewijk XIV, wiens machlwoord 
de handelingen voorschreef; — maar ook de raadslieden van 
den Koning, zijne ministers, zijne legerhoofden hebben hun aan- 
deel gehad in wat er gebeurd is; Rousset wijt de schuld van de 
eerste verwoesting van de Paltz, behalve aan den Franschen 
koning, aan Louvois en aan Turenne. Ook aan Turenne: hec 
beroemde legerhoofd muntte juist niet uit door menschelijkheid ; 
hij berekende, dat het verwoesten van de Paltz het den Duit- 
schen legers onmogelijk zou maken daar te verblijven of van 
daar leeftocht te ontvangen; dat daardoor de operatiën van het 
Fransche leger zouden worden begunstigd; en dat die verwoes- 
ting van eene uitgestrekte landstreek dus kon bijdragen tot het 
bereiken van het doel des oorlogs. Turenne schijnt van meening 
te zijn geweest, dat in den oorlog ieder middel goed is dat tot 
het doel voert ; — een schandelijk dwaalbegrip, maar dat, tot in 
ónze dagen, soms met onbeschaamdheid wordt voorgestaan en 
toegepast. 

Intusschen waren de lang verwachte versterkingen van het 
Duitsche leger op het punt van aan te komen. De Lunenburgsche 
en Brunswijksche troepen trokken in het begin van Juli bij 
Nienburg bijeen; zij bestonden uit 5 regimenten voetvolk, ieder 
regiment van 10 vaandels van 120 man; i regiment dragonders, 
en 5 regimenten ruiterij; in het geheel een 13000 man. Die 
macht, benevens andere Duitsche troepen, rukte op om zich aan 
te sluiten bij het leger van Bournonville; en Turenne werd daar- 
door genoopt om den 28sten Juli, bij Philipsburg, weer op den 
linkeroever van den Rijn terug te keeren. 

De verwoesting van de Paltz maakte het Bournonville's leger 
onmogelijk om in dat gewest te verblijven en daar den overtocht 



Digitized by 



Google 



KRIJGSVERRICHTINGEN AAN DEN BOVEN-RIJN. 23 

van den Rijn te beproeven; dat leger trok daarop naar het 
lagere gedeelte van den Rijn en ging na veel talmens eindelijk 
den 29sieQ en 3osten Augustus in de omstreken van Mainz dien 
stroom over. Het rukte toen vooruit naar de zijde van Spiers; 
maar hoezeer het een groote tienduizend man sterker was dan 
Turenne's leger, waagde het echter niet dien veldheer aan te 
vallen en . slag te leveren ; maar ging den 2osten September in 
de omstreken van Spiers weer onverrichterzake terug op den 
rechteroever van den Rijn. Zelden heeft misschien de bekwaam- 
heid des veldheers grooter gewicht in de schaal des oorlogs ge- 
legd dan hier bij dezen veldtocht : Turenne, met mindere macht 
altijd stout vooruitrukkende en aanvallende; de Duitsche aan- 
voerders, met meerdere macht, altijd aarzelende, soms schroom- 
vallig vooruitrukkende, maar om telkens weer terug te trekken. 

De Keizerlijke aanvoerders weten intusschen de regeering van 
Straatsburg — toenmaals een vrije Rijksstad — over te halen, 
hun daar den overtocht van den Rijn toe te staan ; die overtocht 
heeft den isten October plaats, en Bournonville's leger, 36 k 
38000 man sterk, waarvan meer dan de helft ruiterij, bedreigt 
opnieuw den Elzas. Om dat gewest te beschermen besluit Tu- 
renne een veldslag te leveren, hoezeer zijn leger slechts 12000 
man voetvolk en 10 000 man ruiterij sterk is. Die veldslag heeft 
den 4en October plaats bij Entzheim, een paar uur ten zuid- 
westen van Straatsburg; de Duitschers lijden daarbij de meeste 
verliezen; maar het is voor Turenne slechts eene halve over- 
winning, daar hij nog 's avonds het slagveld verlaat en terug- 
trekt; — eene handeling, door Napoleon afgekeurd als al te 
omzichtig. 

Kort daarop, den 1 3en October, kwam ook het Brandenburgsche 
leger, door den Keurvorst zelf aangevoerd, bij Straatsburg; dit 
leger bestond uit 12000 man voetvolk, 6000 ruiters en 47 stuk- 
ken geschut. Nog andere Duitsche troepen waren toen aange- 
komen; zoodat de geheele macht daardoor klom tot een 57000 
man, namelijk 33000 man voetvolk en 24000 man ruiterij. Ter- 
wijl andere legers meestal bij het begin van een veldtocht het 
sterkst waren, bereikten de Duitsche legers van dien tijd, door 
verkeerde beschikkingen, hunne grootste sterkte dikwijls op het 
oogenblik dat de veldtocht zou eindigen. 

Turenne had ook versterkingen gekregen; onder andere was 
van het leger van Condé in De Nederlanden een 10000 man 
tot hem opgerukt. Maar in weerwil van die versterking had hij 
slechts 20000 man voetvolk en 13000 man ruiterij; hij oor- 
deelde dus terecht dat het onraadzaam was om tegen die groote 
overmacht van den vijand een veldslag te wagen. Na eenige 
onbeduidende bewegingen, en na zooveel mogelijk Lotharingen 



Digitized by 



Google 



24 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

en den Ëlzas te hébben verwoest, ging bij dus in het laatst van 
November naar de Vogezen terug, als ware hij voornemens ten 
westen van die bergketen winterkwartieren te betrekken. 

De Duitsche legerhoofden, daardoor misleid, meenden dat de 
veldtocht geëindigd was, en begonnen hunne troepen ook te 
verdeelen in winterkwartieren ; links zich uitstrekkende tot Béfort, 
in het midden over Colmar naar de Vogezen, rechts lot nabij 
Straatsburg. Die kantonnementen hadden eene zeer groote uil- 
breiding, en de keurvorst van Brandenburg maakte Bournonville 
opmerkzaam op het gevaar dat daarin was gelegen; maar tever- 
geefs; misschien was die uitbreiding noodzakelijk wegens de ver- 
woestingen welke Turenne had aangericht in de landstreek waar 
het Duitsche leger was. 

De Fransche veldheer, tot eiken prijs den vijand willende be- 
letten om op den linker Rijnoever te verblijven, heeft nauwelijks 
bericht dat het Duitsche leger in kantonnementen is verdeeld, of 
hij doet z ij n e troepen de hunne verlaten, en stelt zich daarmede^ 
den 29sien en 3osten November, in beweging. De vijand, die 
hierin aanvankelijk niets anders zag dan eene verschikking der 
kwartieren, en die, later op verschillende punten met aanvallen 
bedreigd door schijnbewegingen van Turenne, niet wist wat het 
eigenlijke voornemen was van den Franschen veldheer, heeft den 
tijd niet om zijne troepen samen te trekken uit hunne kantonne- 
menten; plotseling staat de Fransche veldheer met een 30000 
man te midden van de. landstreken door de Duitschers bezet; 
sommige troepengedeelten der Keizerlijken, in hunne kwartieren 
afgesneden en omsingeld door de snel doordringende Fransche 
ruiterij, gaan geheel verloren en leggen de wapens neer; bii 
Mühlhausen (29 December 1674), en bij Türkheim (5 Januari 
1675) ontmoet Turenne gedeelten van het Duitsche leger die 
zich daar bijeen hebben getrokken, slaat die, vermeestert Colmar, 
en dwingt den vijand, geslagen en verzwakt, midden Januari 
weer achter den Rijn terug te gaan en op den rechteroever van 
dien stroom zijne winterkwartieren te zoeken. 

Zoo eindigde een veldtocht, die, alleen, voldoende zou zijn 
om Turenne met de grootste legerhoofden gelijk te stellen. Wél 
mochten zijne tijdgenooten toen van hem zeggen, dat de Fabius 
getoond had ook een Alexander te kunnen zijn ; zijn krijgsgenie 
beschermde Frankrijk legen een inval der vreemde legers, en 
stelde aan die legers geduchter slagboom dan de breede, snel 
vlietende stroom die Frankrijk's oostelijke grenzen afsloot. 



Digitized by 



Google 



KRIJGSVERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN. 



HOOFDSTUK XII. 

KRIJGSVERRICHTINGEN VAN 1674 IN DE NEDERLANDEN, TOT 
AAN DEN SLAG VAN SÉNEFFE. 

De ontruiming van Holland, in de laatste maanden van 1673 
begonnen, werd in 1674 voortgezet en in de eerste helft van dat 
jaar ten einde gebracht. Luxembourg was reeds geheel in het 
begin van 1674 over Maastricht en Charleroi naar Frankrijk 
teruggekeerd; het overige van de Fransche legermacht in Hol- 
land zou in het voorjaar volgen. 

Dat laatste gedeelte stond onder het bevel van den maarschalk 
De Bellefonds. Reeds vroeger is, met een enkel woord, van dien 
bevelhebber gezegd, dat hij zich soms eene vrijheid van taal en 
van handelen veroorloofde, die, voor dien tijd, buitengewoon 
was; dat men dit door de vingers zag, omdat men hem als een 
zonderling beschouwde wien men wat moest vergeven, te meer 
omdat niemand twijfelde aan zijne rechtschapenheid; maar dat 
zijn verstand en oordeel te wenschen overlieten, zoodat zijne 
onafhankelijkheid van karakter zich soms uitte, daar waar dit 
volstrekt niet te pas kwam. Zoo hier. 

Den 6en April 1674 is De Bellefonds te Nijmegen; hij heeft 
last om Holland te ontruimen en den 3osien April met zijn ge 
heele macht tusschen Maastricht en Maaseyck te zijn; maar hij 
keurt die ontruiming af; — ook Condé had die afgekeurd, zooals 
vroeger is gezegd. Maar De Bellefonds doet meer dan afkeuren : 
hij weigert ronduit om te gehoorzamen; — en dat onder een 
koning als Lodewijk XIV en onder een minister als Louvois! 

Louvois ging hier op verstandige, gematigde wijze te werk, 
tnaar tevens met vastberadenheid; hij wilde gehoorzaamd wor- 
den, — dat spreekt vanzelf; maar tevens wilde hij alle erger- 
lijke openbaarheid vermijden. Den i2cn April zond hij nogmaals 
bevel aan De Bellefonds, om uiterlijk op den loen Mei Holland 
te hebben ontruimd; en, voor het geval dat de Maarschalk in 
zijn verzet mocht volharden, werd aan den intendant Robert eene 
volmacht gezonden, krachtens welke de luitenant-generaal De 
Lorge dan het opperbevel op zich moest nemen. Maar zóó ver 
kwam het niet; het gelukte aan zijne raadslieden om De Belle- 
fonds over te halen, gevolg te geven aan de ontvangen bevelen ; 
«venwei kostte dit veel moeite; reeds had de Maarschalk eene 
overeenkomst gesloten met den bisschop van Straatsburg, om 
aan dien kerkvorst Nijmegen, Arnhem en andere Geldersche ves- 
tingen af te staan, waarin dan Fransche bezettingen zouden 



Digitized by VjOOQIC 



20 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

blijven; en nog den 23sten April 1674 schrijft De Bellefonds aan 
Louvois: » ...Het zou moeite kosten otn mij te overtuigen, dat 
de Koning de goede trouw wil schenden, en zijn roem bezwal- 
ken. Het teruggaan van onze krijgsmacht is eene schandelijke 
vlucht en een prijsgeven van onze bondgenooten ; en, wat men 
zegge, zoo iets is niet te verontschuldigen..." 

Ziedaar — zal men misschien zeggen — alweer een bewijs hoe 
verkeerd het is, wanneer een legerhoofd geheel onafhankelijk 
wil zijn en geheel naar eigene inzichten wil handelen. Wij, die 
zeer ijveren voor die onafhankelijkheid, die haar beschouwen als 
eene noodzakelijke voorwaarde voor de goede uitoefening van 
het legerbevel, wij antwoorden daarop: dat voorbeeld van De 
Bellefonds bewijst niets; het bewijst alleen, dat De Bellefonds 
niet het verstand had dat een legerhoofd moet hebben; men 
had hem niet moeten plaatsen aan het hoofd van een leger. 
Het oordeel van een goed legerhoofd zal er hem toe leiden, om 
van de vrijheid van handelen die hem toekomt, gebruik te 
maken, en geen misbruik; hij zal begrijpen dat, indien er ge- 
vallen zijn waarin hij mag en moet afwijken van ontvangene be- 
velen der regeering, er ook andere gevallen zijn waarin die be- 
velen geheel en oogenblikkelijk moeten worden uitgevoerd; dat 
het niet gehoorzamen niet het gevolg moet zijn van eene gril of 
luim, van een dwaas begrip van onafhankelijkheid, maar moet 
voortspruiten uit de overtuiging, dat die afwijking van de ont- 
vangen bevelen, dat eigenmachtig handelen gebiedend wordt 
voorgeschreven door het algemeen welzijn; en dat de gevolgen 
van dat eigenmachtig handelen dan ook geheel en al te zijner 
verantwoording blijven, op zijn hoofd nederkomen. 

Nijmegen, Arnhem, Schenkenschans, Emmerik, Rees, Wezel, 
Rhijnberg en Nuis werden in de laatste dagen van April. en in 
de eerste dagen van Mei ontruimd; De Bellefonds, naar de Roer 
trekkende, maakte zich in het voorbijgaan, den loen Mei, stor- 
menderhand meester van het stadje Erkelens, bezet door een 
3 a 400 Spanjaarden ; de Roer bij Linnich overtrekkende, kwam 
hij den laen Mei bij Valkenburg, nog drie uur van Maastricht; 
zijn leger telde toen volgens een onzer schrijvers omstreeks 
20000 man; Beaurain stelt het op 22000; Valkenier op 25000- 
man voetvolk en 3000 ruiters; beiden begrijpen daaronder eenige 
Keulsche troepen die in sommige Hollandsche steden in bezet- 
ting waren geweest. Al het geschut en al de oorlogsbehoeften 
in die steden voorhanden, waren door de Fransche troepen óf 
meegevoerd, óf vernield; een goed deel bleef in Grave, waar 
men ook de gijzelaars bracht, die men meegenomen had tot 
verzekering van de betaling der opgelegde brandschattingen. 
Grave kreeg eene bezetting van een groote 4000 man, onder 
den wakkeren Chamilly; die stad en Maastricht waren de eenige 



Digitized by 



Google 



KR1JG3VERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN. 2^ 

plaatsen welke Frankrijk behield van zijne veroveringen op Hol- 
landsch grondgebied. 

Gelijktijdig met die ontruiming van Holland door De Belle- 
fonds^ trok aan de noordelijke grenzen van Frankrijk de leger- 
macht bijeen, die, onder Condé, bestemd was om in De Neder- 
landen oorlog te voeren. Men vindt bij een onzer schrijvers — 
Nieuwe Mercurius — dat die Fransche veldheer den 6en Mei 
met een 8 k loooo man te Doornik aankwam; en dat, weinige 
dagen later, het daar vereenigde leger eene sterkte had van ruim 
20 OOG man, waaronder 60 vaandelen Zwitsers, ieder van 200 
man ; bij dat leger had men 30 stukken geschut, 3 mortieren en 
500 munitiewagens. Hoezeer die sterkte van Condé's leger hier 
vermeld wordt tot in bijzonderheden en al onze schrijvers in 
hunne opgaven daarin vrijwel overeenstemmen, zoo gelooven wij 
toch dat die opgaven geheel onjuist zijn, en de sterkte van het 
Fransche leger veel hooger moet worden gesteld. Immers vindt 
men bij Beaurain — die, bij het samenstellen van zijne geschie- 
denis van den veldtocht van 1674, de brieven en aanteekeningen 
van Condé zelf heeft kunnen raadplegen, en die dus voor de 
opgaven van Fransche zijde gezag bezit, — dat den loen Mei 
het op den linkeroever der Schelde bij Doornik vereenigde 
Fransche leger sterk was 44 bataljons voetvolk, 121 eskadrons 
ruiterij en 10 eskadrons dragonders, — alles en alles een 45000 
roan. Dit groote verschil tusschen die opgave en die van onze 
schrijvers ontstaat mogelijk daardoor, dat de laatsten alleen op- 
noemen de troepen door Condé uit Frankrijk aangebracht, en 
niet mederekenen die welke reeds vroeger aan de noordelijke 
grenzen stonden of door Luxembourg uit Holland waren aan- 
gevoerd. 

De eerste handeling waartoe Condé overging, was de vereeni- 
ging te bewerkstelligen met de legermacht van De Bellefonds. — 
Alvorens dien marsch te vermelden van het Fransche leger, van 
Doornik naar de zijde van Maastricht, zal het goed zijn met een 
paar woorden te zeggen, hoedanig de gesteldheid van zaken 
toenmaals was in de Spaansche Nederlanden, het oorlogstooneel, 
om daardoor te kunnen zien, welke zwarigheden zich bij dien 
marsch konden voordoen. 

Stad en vesting, dit is reeds vroeger gezegd, waren toen 
woorden van gelijke beteekenis; wij herinneren ons ten minste 
geen plaats van eenige beduidenis in de Zuidelijke Nederlanden, 
die toenmaals niet bevestigd en bezet was. Ten gevolge van den 
vroegeren inval van Lodewijk XIV in de Zuidelijke Nederlanden 
en van den vrede van Aken was Frankrijk in het bezit gebleven 
van eenige vestingen dier gewesten; zoodat daardoor de sterke 



Digitized by 



Google 



28 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN. 

punten, door de weder zijdsche partijen bezet, op een wonderlijke 
wijze waren dooreengemengeld en verward. 

Zoo was Frankrijk — met de zeekust beginnende — meesier 
van de vestingen Grevelingen, Duinkerken, Veurne en Winox- 
bergen. Hier sprong dus het Fransche grondgebied in hetSpaansche; 
maar oostelijk daarvan, in de ruimte tusschen de Iperlee en de 
Lijs, had weer het omgekeerde plaats: daar hadden de Span- 
jaarden de vestingen Aire, Saint-Oraer, Cassel en Iperen. Tus- 
schen Lijs en Schelde had Frankrijk weer Arras, Douay, Rijssel, 
Doornik, Kortrijk en Oudenaarden; Gent, aan de samenvloeiing 
der beide rivieren, behoorde den Spanjaarden ; evenals de andere 
Vlaamsche en Brabandsche steden, Antwerpen, Mechelen, Leu 
ven, Brussel enz. De vesting Ath was weer een vooruitspringend 
punt, in het bezit van Frankrijk; daarentegen waren Mons, 
Saint-Guislain, Condé, Valenciennes, Maubeuge en Kamerijk aan 
Spanje. Bij de Sambre bezette Frankrijk Binche en Charleroi; 
Spanje had Namen, Charlemont en Givet; terwijl Huy en Dinant, 
tol Luik behoorende, onzijdig waren, evenals de stad van dien 
naam. Verder aan de Maas had Frankrijk: Maastricht, Maaseyck 
en Grave; terwijl de Spanjaarden boven Maastricht de kasteelen 
van Navagne en van Argenteau hadden en, beneden die stad, de 
vestingen Venlo en Roermond. 

Wanneer men op de kaart de ligging nagaat van de verschil- 
lende hier opgenoemde sterke steden, dan zal men inzien, hoe 
die ligging sommige dier vestingen blootstelde aan een beleg, en 
hoe zij aan den anderen kant geschikt waren toe het doen van 
strooptochten, van brandschattingen in 'svijands land, van aan- 
vallen op 's vijands konvooien, — in één woord tot al die 
plagerijen die zulk een gewichtige rol speelden in de oorlogen 
dier tijden. Het groote aantal der vestingen was hier weer een 
nadeel voor de zwakkere partij: de Spanjaarden, met reden be- 
ducht dat de vijand zou trachten eenige van hunne sterke steden 
te bemachtigen, waren gedwongen die steden in het bezit te 
laten van genoegzame bezettingen, en vandaar, dat zij slechts 
eene onbeduidende macht konden te velde brengen; Condé 
daarentegen liet de Fransche vestingen slechts zwak bezet, voor- 
nemens om, wanneer de vijand de belegering van eene dier 
vestingen ondernam, met het sterke Fransche leger ter hulp op 
te rukken, en een veldslag te leveren; voor de verdediging van 
die vestingen rekende hij meer op zijn leger dan op de bezet- 
tingen. 

Die dooreengemengde ligging van de sterke steden der weder- 
zijdsche partijen had len gevolge, dat men gewoonlijk bij eiken 
marsch in de nabijheid was van eene vijandelijke vesting en dus 
maatregelen van voorzorg moest nemen tegen hare bezetting; 
aan den anderen kant had men ook weer het voordeel van, 



Digitized by VjOOQIC 



KRIJGSVERRICHTINGEN IN DK NEDERLANDEN. 29 

waar men ook heen trok, meestal in de nabijheid eene eigene 
vesting te hebben, waarvan men als steunpunt kon partij trekken. 

Den i2en Mei begint Condé zijne beweging: hij marcheert 
over Leuse, Lens, Ville-sur-Haine, Merlauwelz, Thiméon, Gem- 
blours, Avesnes- sur-Méhaigne, en Freren, op Lichtenberg, waar 
hij den 22sien Mei aankomt en kampeert op den St. Pietersberg, 
roet het front naar de Maas, den linkervleugel nabij Maastricht, 
den rechtervleugel tegenover het kasteel van Navagne. Elf dagen 
waren dus doorgebracht om den afstand van Doornik tot Maas- 
tricht, bij de dertig uren gaans, af te leggen. Het nagaan van 
dien marsch, eenigszins in bijzonderheden, kan eenig inzicht 
geven in de wijze van oorlogvoeren dier tijden. 

Na het einde van eiken marsch wordt er een kamp betrok- 
ken; dit is een vaste regel. Zulk een kamp strekt zich, zooals 
vanzelf spreekt, in eene rechte lijn uit; en het moet dikwijls